Rodweek #21 Doperwtjes met worteltjes uit blik

Gisteren, op weg naar het Bickerseiland, fietste ik door de Vinkenstraat, achter de Haarlemmerdijk, aan de rand van de Jordaan. Het was een tijd geleden dat ik in de Vinkenstraat was geweest. Vroeger at ik er wel eens, op nummer 119, bij Moeders Pot. Niet te verwarren met het oud-Hollandsche restaurant Moeders op de Rozengracht. Dé plek in Amsterdam waar je ook midden in de zomer met dertig graden gewoon boerenkool met worst kunt eten, mocht je daar toevallig net trek in hebben.
Die dus niet. Terug naar de Vinkenstraat, daar zat Moeders Pot. Een piepklein restaurantje met een interieur waar sinds de jaren zestig maar bar weinig aan was gedaan, met vier kleine tafeltjes met lullige tafelkleedjes. Vergeeld behang met ouwe kromgetrokken posters en asbakken op tafel. Het etablissement werd uitgebaat door Ome Cor.

Ome Cor zat daar al decennia lang en de formule was eenvoudig. Cor kookte, bediende en zeek, waar hij dat nodig achtte, zijn clientèle af. Het menu was eveneens eenvoudig. Een lapje vlees (daar was keuze in), gebakken aardappeltjes, appelmoes en maar liefst drie soorten groenten. Dat laatste klinkt gezonder dan het was want hij draaide letterlijk al die groenten uit conservenblikjes. Doperwtjes met worteltjes en rode kool uit blik, dat werk. Aan sla, laat staan salades, deed ome Cor niet. Hooguit aan slavinken. Voor een guldentje of twaalf bakte ome Cor een prima biefstuk en een flesje bier koste één gulden vijftig. Het vegetarische menu was hetzelfde, maar dan zonder lapje vlees. Dat kostte zeven gulden. Als toetje een vlavlip of een bolletje ijs met vruchten. Blikvruchtjes op sap uiteraard.

Reserveren kon niet. ‘Je moet gewoon langskommen en dan sien ik wel of ik plek heb.’ Mensen die na het genoten diner de vraag ‘Kan ik betalen?’ stelden kregen steevast hetzelfde norse antwoord: ‘Dat mag ik wel hopen, ja!’  

Toch draaide de tent altijd en dat ging lang niet voor ieder restaurant op. In die tijd bestond de term ‘hipster’ nog niet, maar aan de overkant van Cor’s restaurant zat ook een horecapand, waar het ene na het andere hippe liflafjesrestaurant gierend over de kop ging. En Cor draaide ondertussen al veertig jaar onverstoorbaar en nurks mopperend z’n conservenblikjes open.

Langzaam maar zeker begonnen we te merken dat Cor, laten we zeggen, wat excentrieker begon te worden. Ik zat daar eens met mijn toenmalige vriendin te eten toen ze ineens zachtjes zei: ‘Psst. Niet te opvallend kijken, maar zou het wel helemaal goed gaan met Cor?’ Zo onopvallend mogelijk keek ik om en daar zag ik die ouwe Cor in zijn keuken. Met in elke hand een melkpak. Hij voerde er een soort poppenkast mee op en praatte daarbij: ‘Hallo Meneer Melk, hallo Mevrouw Melk, hoe gaat met u?’ En zo ging dat een tijdje door. Volledig in zichzelf gekeerd. Het was absoluut niet bedoeld voor ons vermaak. Een wonderlijk schouwspel.

Met onze verhuizing vanuit de Staatsliedenbuurt naar West verdwenen onze bezoekjes aan Cor ook langzaam maar zeker. Maar gisteren fietste ik er dus weer eens langs. Tot mijn stomme verbazing stond Moeders Pot er nog! Oud en vervallen. En al jaren niet meer in gebruik, zo te zien. Ome Cor moet ook minstens tachtig zijn als hij nog leeft. Ik keek naar binnen. Alle ouwe troep lag gewoon kriskras door het restaurantje. Sommige dingen opgestapeld, het meeste niet. Er hing nog een menukaart op het raam. In guldens! Op de bar stond een (hopelijk) leeg pak melk! Of het Meneer of Mevrouw Melk was weet ik niet. Maar hier werden al een hele tijd geen blikjes meer opengedraaid door die gekke ome Cor, zoveel was me duidelijk. Aan de overkant zit inmiddels, hoe verrassend, in het Amsterdam van 2017, een hippe koffietent.

Was ome Cor echt gek? Niet direct volgens mij. Niet gekker dan veel mensen die ik ken, althans. Een karaktertje. Misschien begon hij langzaam last te krijgen van dementie, maar dat maakt hem natuurlijk niet gek. Het zou hem hoogstens maken tot een van de bijna vier miljoen Nederlanders die een hersenaandoening heeft.

Vier miljoen.

Dat is dus gewoon een kwart van de bevolking. Het grootste gedeelte bestaat uit mensen met persoonlijkheidsstoornissen. Dat laatste verbaast me dan weer niet echt. In twintig jaar horecawerk heb ik hele troggen met voer voor psychiaters voor en achter de bar voorbij zien komen. Of kijk naar het nieuws. Kijk naar onze politici. Kijk naar onze maatschappelijke ruzies vermomd als debatten. Luister naar nare spreekkoren in de stadions. Lees alle halvies die op sociale media de meest haatdragende en racistische bagger uitbraken en dat ‘vrijheid van meningsuiting’ noemen. Het heeft er soms alle schijn van dat we als samenleving collectief gek zijn geworden.

Of kijk de Rijdende Rechter. Dat vind ik dan wel weer leuk. Bij de Rijdende Rechter heb ik bijna altijd het idee dat de aanklagers en de verweerders of ontzettend goed gecaste acteurs zijn of dat de heren Van Kooten en De Bie en de mannen van Jiskefet en Koefnoen even de gezamenlijke trukendoos met een daverende knal hebben opengegooid. Ik weet niet of het programma zo bedoeld is, maar ik vermaak me er altijd kostelijk mee. Al jaren. Flesje wijn en een kaasje erbij en dan even gekkies kijken. Ik ben ooit gaan schrijven uit verbazing om wat ik allemaal zie en ik verbaas me dus ook gewoon oprecht over al dat kleuterachtige gekissebis over al dan niet verkeerd geplaatste schuttinkjes, vermeende erfgrenzen en andere futiliteiten. Maar die mensen bestaan dus echt en ze laten zich zien op TV. Briljant en elke keer weer goed voor het zelfvertrouwen.

Na de aflevering van gisteren weet ik het weer zeker: zo gek was ome Cor niet. En ik ook niet, gelukkig. Om ome Cor te eren bak ik binnenkort een biefstuk en dan neem ik er een blik doperwtjes met worteltjes bij.

Leave a Comment.