Rodweek 121 Kart Vader

Als ik in het café ben en ik hoor mannen praten over auto’s, motoren, welke handige klussen ze allemaal thuis hebben gedaan, techniek, Star Wars, de Tour de France, de Moto GP of de Formule 1 dan denk ik wel eens: ergens in mijn ontwikkeling als ‘echte’ man zal ik dan wel wat afslagen gemist hebben want dat zijn dus precies de dingen waar ik nooit ook maar enige vorm van interesse in heb gehad.  

Terwijl nagenoeg mijn hele Facebook-schare aan hondsdolheid grenzend euforisch was over de gewonnen Formule 1-wedstrijd van Max Verstappen zat ik met mijn meisie een potje triktrak te spelen. Het nieuws van de overwinning nam ik ter kennisgeving aan. Ik heb nooit iets met Formule 1 gehad, dus ik ga ook niet nu ineens doen alsof ik er wel wat mee heb, laat staan dat ik ga doen alsof ik er iets van af weet. Ik zie wat mensen rondjes rijden en daar vind ik nou eenmaal weinig aan.

En terwijl ik die laatste zin net opschreef weet ik dat een echte Formule 1-liefhebber nu van mij gruwt. Zoals ik slecht tegen mensen kan die niks van voetbal weten maar er toch wat over willen zeggen: ‘’Nou, dat zijn toch ook maar gewoon 22 mannetjes die achter een bal aan rennen en als ze ‘m hebben dan schoppen ze ‘m weer weg.’’ Of die wat vinden van voetbalsupporters terwijl ze nog nooit in een stadion hebben gezeten. Dat soort figuren.
Nee, hou op! Ga weg. Kssssst! Je weet er niks van, ome Hannes en tante Gerda, dus bemoei je met je eigen sport. Ik hou er niet van om met mensen over voetbal te praten die niet eens weten of er lucht of zand in een bal zit, maar die daar dan wel hun scherpe ondeskundige meningen en analyses over uit braken. Dus daarom bemoei ik me ook niet met Formule 1. Het is totaal niet mijn expertise en ik ga ook niet meelullen om interessant te doen.  

Wat niet wegneemt dat ik de vreugde-explosie van de racefans natuurlijk wél compleet snapte toen Verstappen zich in die laatste ronde de geschiedenisboeken inreed. Het was dezelfde hysterische blijdschap die ik in 1995 ervoer toen Patrick Kluivert Ajax vlak voor tijd naar de Champions League-zege punterde. Of de dag dat Ajax in 2011 op de laatste dag in een heroïsche wedstrijd kampioen werd. Dat zijn gewoon waanzinnig mooie sportmomenten en ik snap sportbeleving en de vreugde (of de intense teleurstelling) die je als fan kunt hebben. Ongeacht welke sport het is.
Dus hieperpepiep voor onze Max. Een in Monaco woonachtige Belg die om belastingtechnische redenen *kuch, fiscale ontvluchting* nooit ook maar een dag in Nederland heeft gewoond, maar die dan uiteraard ineens wel een Nederlander is. Alles voor een oranje gekleurd feestje! We duwen Max’ geboortedorp, dat Belgische Hasselt, hoe groot kan het zijn, gewoon een paar kilometer verderop de grens over bij Maastricht, we noemen hem een Nederlander en dan is het gewoon ‘onze Max’. Klaar. Zo zijn we dan ook wel weer in ons kikkerlandje. Als Max op een domme manier verloren had was ie gewoon ‘die Belg’ geweest.  

Maar voor nu dus ‘onze Max.’ Het succes van ‘onze Max’ zal natuurlijk tot een explosie aan aanmeldingen leiden bij de lokale kartclubs. Waar Kartbaan De Roestige Bougievonk in Koog aan de Greppel al jaren een zieltogend bestaan leidt mag deze zich nu gaan verheugen op een invasie aan dolenthousiaste  kinderen die allemaal in de voetsporen van ‘onze Max’ willen treden. En dat is op zich niet zo erg, maar dan krijgt zo’n kartcentrum de vaders van die kinderen er ook gratis bij.

Die mannen worden de opvolgers van de ouderwetse voetbalvaders. Voetbalvaders zijn proleterige mannen (remember Michiel Romeijn als de voetbalvader uit Jiskefet of Martin van Waardenberg) die de voetbalwedstrijd van hun kind verpesten door als een wildeman te staan schreeuwen langs de kant. Vaders die allemaal de nieuwe Van Basten (mijn tijd) of de nieuwe Messi (tegenwoordige tijd) in hun koter zien. Goddank dat mijn vader nooit zo was. Die stond gewoon zwijgzaam langs de kant een sjekkie te roken en naar mijn onbeholpen geklootviool te kijken. Daarna kreeg ik een patatje en een colaatje in de kantine en gingen we weer naar huis. En dat was prima. Nou hoefde je trouwens ook geen kennersoog te hebben om te zien dat ik nou niet bepaald de nieuwe Van Basten was, dus schreeuwen langs de kant was per definitie zinloos. Met schreeuwen injecteer je geen talent.

Maar deze nieuwe generatie vaders gaat dus en masse schreeuwend langs de kant van de kartbaan staan omdat ze allemaal een nieuwe Max Verstappen in hun koter zien. Van die vaders die het coureurtalent van het kind natuurlijk al gelijk zagen toen het kind op 2-jarige leeftijd zijn debiele buurjongetje inhaalde op zijn driewieler. En die dan met half dichtknepen oogjes wijsneuzerig tegen de trainer van het kind orakelen: ‘’Toen kon je het eigenlijk al zien, he!’’ Het zullen doodvermoeiende taferelen worden langs de kartbaan. Ik heb nu al met die trainers te doen.

En hoewel ik dus ook niks met Starwars heb, laat ik mezelf in dezen dan toch maar een Starwarsje permitteren: wij gaan in Nederland snel kennismaken met Kart Vader.

Hey psssst, ouwe! Boekie kopen? Voor de feestdagen, voor een verjaardag of gewoon voor jezelluf? Ik heb nog wel wat exemplaren van mijn columnbundel ”Het nut van een gebreide condoom” liggen. 15,- per stuk bij afhalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 per stuk als ik de postduif stuur. Desgewenst persoonlijk gesigneerd en wel. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk.

   

Rodweek 114 Doood! Dood moet je!


Afgelopen maandag nam ik mijn vriendin voor haar verjaardag mee naar Antwerpen. Lekker hotel in het centrum, copieus eten en drinken en lekker genieten van de stad en elkaar. Geloof mij maar, zo romantisch als deze jongen worden ze niet meer gemaakt. Al denkt mijn lief soms wat anders over mijn definitie van romantiek. Maar laten we het er maar op houden dat ik zo mijn momenten heb.

Op de terugweg richting Amsterdam bleven we nog een nachtje bij een vriend van ons in Breda logeren. Ook hier weer copieus lekker eten en drinken en gelukkig kon ik ook nog de galavoorstelling van Ajax tegen Borussia Dortmund op TV zien in een nabijgelegen kroeg. Allemaal top.

De volgende ochtend keken we met z’n drieën naar afleveringen van ‘’José en Oboema’’. Voor wie dit illustere duo niet kent: het waren in de jaren 90 personages uit mijn favoriete programma Jiskefet. Het programma heette ‘Achter de wolken. Liefdeslessen van José en Oboema’’. Oboema is een lompe plat Amsterdams pratende, zelfverklaarde witte neger met een imposante bos haar uit Amsterdam-Oost en José is het wat tuttige huisvrouwtje die de boel wanhopig in het gareel probeert te houden. Ze krijgen rond het avondeten om de meest onnozele dingen knallende ruzies die er dan steevast mee eindigen dat José Oboema een daverende soejang voor z’n harses geeft en dan keihard dingen als ‘’Dooooood! Dood moet je! Sterf nou toch eens eindelijk! Donder toch op, engerd!’’ roept naar haar eega. En vervolgens sluit ze zich dan op in de slaapkamer.

Aan het eind van de aflevering, vaak na wat lieve Afrikaanse woordjes van Oboema, is het dan altijd weer goed gekomen en legt Oboema in zijn eigen onnavolgbare vocabulaire uit hoe de ruzie heeft kunnen ontstaan en hoe je dat weer goed kunt maken. Samengevat: het is haar schuld en misschien ook een heel piepklein beetje die van hem. Eindigend: ‘En zo komt alles toch weer goed.’

Mijn dame was niet echt bekend met de serie, dus die kreeg snel een spoedcursus liefdeslessen mee.

Ik heb een zelfde soort haatliefde-verhouding als José en Oboema, maar dan met technische apparaten zoals telefoons en laptops. Aan de ene kant zie ik het gemak en het comfort dat ze bieden en heb ik daar liefde voor, maar aan de andere kant heb ik het technisch vernuft van een amoebe en is geduld bij mij eerder een vuile dan een schone zaak. Dingen moeten bij mij makkelijk en praktisch gaan en ik houd niet van onzin en ingewikkeld gedoe. Ik kan die apparaten intens vervloeken als ze niet doen wat ik verwacht en heb er meer dan eens aan gedacht om die zooi van 5 hoog naar beneden te flikkeren. Gelukkig zorgt een bovenmenselijke kracht er voor dat ik me toch steeds nog net weet in te houden.

Want op diezelfde ochtend in Breda mocht ik, met mijn voorrang EU-seizoenkaart, ook een kaartje kopen voor Borussia Dortmund-Ajax! Er waren ruim voldoende kaarten, dus zeker met mijn voorrangkaart moest het geen enkel probleem zijn. Dat was het ook voor niemand, Behalve weer voor deze piemelepoges natuurlijk. Om stipt 10.00 klikte ik mijn telefoon aan en ik kwam meteen in de wachtrij van een kwartier. No worries. Daar heb ik geen invloed op, dus daar wachtte ik nog geduldig op. Ik lag ook nog wel lekker in bed. Het kwartier was om en ja hoor! Ome Rod mocht ook een kaartje kopen. Dat leek soepel te gaan. Betalen met Ideal? Prima. Doen we dat. Word ik bij het betalen godverdomme uit Ideal geflikkerd!

Kwaaier kun je me niet krijgen, als zooi die gewoon moet werken niet werkt. Dus dan schiet ik al lichtelijk in de José-stand inwendig. Doooood, dood moet je! Met de Ajax-app in de rol van Oboema. De volgende 2 dagen zat ik nog steeds te kutten. Ik moest dingen verifiëren en ik begreep natuurlijk weer niet hoe dat moest op een telefoon. Het ‘dooood, dood moet je!’ schalde inmiddels ook al op luid volume door de huiskamer (vriendin gelukkig niet thuis) en ik begon de hoop op een kaartje al redelijk op te geven. Treinreis al wel geboekt. Dan maar in de kroeg kijken daar. Of lekker stiekem in een thuisvak tussen de Duitse fans? Ik dacht al over alles na. Mijmerend dacht ik terug aan de tijd dat mijn sigarenboer Max in de Jordaan altijd gewoon op de dag en precies het goede tijdstip van de voorverkoop onze seizoenkaarten door de scanner heen trok. En dan haalden we later onze wedstrijdkaartjes op en dan betaalden we. En dan kregen we er nog gratis een gezellig ouwehoerpraatje met Max bij ook. Mooie tijd. Geen enkele vorm van stress. Max heeft ons nooit teleurgesteld. De techniek daarentegen wel meer dan eens. Op zulke momenten denk ik met vochtige ogen aan die fijne sigarenwinkel van ome Max in de Tweede Goudsbloemdwarsstraat. Waarom moest dat veranderen? Iets met nieuwe tijd en zo. Het zal wel, maar ik mis het wel eens.

Ik had vanmorgen nog tot 10.00 de tijd om van  mijn voorrangsrecht gebruik te maken en de kaartjes gingen hard. Ik lag laat in bed en zette 8.00 de wekker. In 2 uur tijd moest zelfs zo’n digibetische staatsmongool als ik dit klusje toch kunnen klaren? Ik was al voorbereid dat er, na het zoveelste misverstand tussen mij en de hedendaagse techniek weer een ‘’Doooood! Dood moet je!’’ uit mijn mond zou vliegen, maar niets bleek minder waar vandaag. Gewoon op de laptop had ik binnen de tien minuten alles voor elkaar en betaald! Nul moeite! Twee dagen stress aan m’n kanis gehad voor dat kutkaartje en nu in één keer binnen een paar minuten de hele shizzle geregeld. En zo gaan de boys en ik gezellig naar Dortmund om de door Europa voortdenderende Ajax-trein te ondersteunen.    

Om met Oboema te spreken: ‘’En zo komt alles toch weer goed.’’   

Rodweek 112 Appie

Vanavond speelt Ajax tegen Fortuna Sittard. Uit, dus ik ga niet mee. Gewoon lekker thuis kijken met m’n gappie Ramses. In mijn jonge jaren heb ik gans het land doorkruist met Ajax. Er is bijna geen stadion waar ik niet geweest ben, maar dit soort trips laat ik tegenwoordig aan me voorbijgaan.

Vandaag, precies 5 jaar geleden speelde Ajax ook. Thuis tegen Willem II voor de beker, Als seizoenkaarthouders mochten we daar gratis heen. En dat lieten, een andere vriend van mij, Marcel, en ik ons geen twee keer zeggen. Daar waren een aantal plausibele redenen voor:

1. Als Ajax iets gratis weggeeft moet je dat altijd aanpakken
2. Samen bier drinken.
3. De eerste officiële wedstrijd met videoscheids, tegenwoordig bekend als de VAR, dus die wereldprimeur mochten we niet laten schieten.
4. Het gonsde in de wandelgangen dat Abdelhak Nouri (maar in zijn bewoordingen gewoon ‘Appie’), het grote talent uit de Ajax-opleiding wel eens zijn debuut kon maken vandaag, dus daar moesten we ook bij zijn.

De wedstrijd verliep als gehoopt. Ajax liep soepeltjes over de Tilburgers heen en naar naarmate de tweede helft vorderde begon het publiek zich te roeren:

’’Wij willen Nouri zien! Wij willen Nouri zien!’’ , zo klonk het van de tribunes.

Peter Bosz gaf ons onze zin. Nouri mocht in de 73e minuut invallen. Hij had er zin in, dribbelde door de defensie, dolde zijn tegenstanders en liet zien dat hij niet bang was. Lef, flair, bluf, bijdehand zijn en meer van dat soort eigenschappen zijn leuk, maar dan moet je het ook laten zien. Daar houden we van in Amsterdam.

 En dat deed Appie, zoals zie zichzelf altijd liet noemen. Eén minuut voor tijd eiste de jongeling uit Geuzenveld een vrije trap op. Mooie plek, net buiten de 16. Eigenlijk stond routinier Lasse Schöne al klaar om de klus te klaren maar de kleine Nouri uit Amsterdam-Geuzenveld smeekte de Deense aanvoerder of hij het mocht doen. De Deen gaf een vaderlijk knikje, het stond immers al 4-0. maar de oude Pater Familias van het team stelde één keiharde voorwaarde: ‘Als je ‘m mist krijg ik een tientje’. Meer hoef je jongens uit West niet te motiveren, zo weet ik uit eigen ervaring.  

Abdelhak, Appie dus, mocht zijn joetje houden. Hij schoot de bal prachtig in de lange hoek. Een heerlijke goal, En het leverde mooie TV op. Appie vloggend na zijn succesvolle debuut. Appie bij Tikkie-takkie-Touzani, Appie leuk in interviews: iedereen hield van Appie. We waren getuige van de geboorte van een publiekslieveling. Wat een heerlijke voetballer en wat een leuk joch in zijn interviews. Niet de eerste de beste chagrijnige zeikvoetballer die meteen in de gordijnen hangt bij een kritische vraag.

Nog geen jaar later werd Appie op het veld, in de voorbereiding getroffen door een hartstilstand. Hij leeft nog, maar daar is alles mee gezegd. Nou ben ik geen dokter, maar het gaat waarschijnlijk nooit meer goed met hem komen. Dat is een afschuwelijke tragedie voor hem en zijn familie en vrienden.  

Hoe goed had onze nieuwe publiekslieveling geworden? Zou hij zo goed zijn geworden als een paar van zijn maatjes uit Jong Ajax waar hij toen in speelde? Jongens als Frenkie de Jong of Mathijs de Ligt? Zou hij nu ook bij Barcelona of Juventus hebben gespeeld? Of nog bij Ajax. Of zou hij vanavond met Fortuna Sittard meespelen tegen Ajax omdat hij niet goed genoeg bleek voor de top? Het zijn vragen die nooit beantwoord zullen worden.

Exact vijf jaar na dato dus na zijn debuut, ik denk nog regelmatig aan Appie en de vragen die nooit meer beantwoord zullen worden.

https://www.youtube.com/watch?v=Aainr80TUsQ&ab_channel=ESPNNL

Rodweek 103 De Toppers

Mijn lieve moeder heeft helemaal niks met voetbal. Het enige dat ze met voetbal heeft is dat ze het leuk vindt dat ik het zo leuk vind. Ze weet nog net dat er lucht en geen zand in een bal zit, maar daarmee houdt haar voetbalkennis- en liefde wel zo’n beetje op.

Maar daarmee heeft mijn moeder nog altijd meer liefde voor de edele voetbalsport dan het schorem dat met een onsmakelijk staaltje eigenpijperij de ‘’Superleague’’ probeerde op te richten. Twaalf rijke Europese topclubs die zich los wilden maken om in een eliteclubje hun eigen competitietje te vormen om zo nog rijker te worden. Hoewel? Rijk? FC Barcelona en Real Madrid staan samen voor bijna 2 miljard op de pof. Ik heb voetbalclubs voor minder failliet verklaard zien worden.

En topclubs? Arsenal en Tottenham wilden ineens ook met de grote jongens mee doen. Tottenham is in 1961 voor het laatst kampioen geworden en ook bij Arsenal is de prijzenkast al zolang niet meer bijgevuld dat het sleuteltje inmiddels verroest is. Qua statuur zijn ze in Engeland niet meer dan pak ‘m beet Vitesse en FC Utrecht in Nederland: leuke subtoppers, maar ze winnen zelden een prijs, laat staan een belangrijke.

En dan Italiaanse clubs als Milan en Inter: ook al jaren niks gepresteerd, al gaat Inter dit seizoen dan wel voor het eerst sinds de 80 jarige oorlog kampioen worden. Het zou eens tijd worden.

Het gaat natuurlijk gewoon om ordinair geld. Een sport van het volk? Dat is voetbal al lang niet meer, zeker in de ‘’grote’’ voetballanden. De goedkoopste seizoenkaart voor een club in de Premier League kost minimaal 800 pond. En zelfs in Schotland is het voetbal al lang niet meer van het volk. In Schotland zijn er maar twee clubs belangrijk: Celtic en Rangers eten de kip. De rest vecht om de kliekjes die aan de kippenbotjes hangen.

Ik werd er ooit, in 2002, in Glasgow, Celtic-park  rondgeleid door een heel aardige mijnheer. Als die man zich stootte en een wondje kreeg dan kwam er groen-wit bloed uit ‘m stromen. Hij praatte prachtig plat Glaswegian en hij vertelde vol passie over ‘zijn’ club. De club waar hij al van kleins af aan fan van is. Hij had uiteraard ook seizoenskaarten. Voor het hele gezin: hij, zijn vrouw en z’n twee kinderen. 1200 pond per stuk. Maar dan mochten ze ook naar de Europese wedstrijden en de beker, zo vertelde hij trots. En dan zat hij met zijn gezin in een hoekvak, niet eens een superplek. Die man kreeg zowat een appelflauwte toen ik vertelde dat ik bij Ajax voor onder de 300 euro een seizoenkaart had.

Maar die man ademde Celtic. Zijn halve jaarinkomen ging naar die club. En hij deed het graag. Voetbal bestaat bij de gratie van supporters. Dankzij mensen zoals die mijnheer hebben clubs bestaansrecht. De fans die jaarlijks veel geld uitgeven voor hun seizoenkaart en die voor belachelijk veel geld elk jaar maar weer het nieuwste shirt voor hun koters kopen. Voor het eerst aan de hand van je vader, je oom, of je voetbalgekke buurman naar het stadion. Dat is geen sentimenteel gelul, dat is wat voetbal is. De magie van de eerste keer een stadion binnenlopen is onbetaalbaar: dat kan geen Amerikaanse miljardair of Arabische oliesjeik betalen. Nooit.

Er gaat al veel te veel geld in die sport om. Supporters draaien nog maar een extra dienstje of twee  omdat ze anders hun seizoenkaart niet kunnen betalen. Een voetballer van Manchester City kan elke week gewoon een nieuwe Porsche kopen als ie geen zin heeft om z’n auto te wassen. De grote jongens in voetballand staan al een tijdje lichtjaren ver weg van de fans die sappelen voor hun geld. Ene Marco van Basten dacht eind jaren 80 al dat een bijstandsuitkering ”een tonnetje” was. Ja, in Italiaanse lire’s misschien. In dat geval geef ik San Marco met terugwerkende kracht gelijk.

En daarom was ik zo blij met de opstand van de supporters in Engeland: ‘’We say fuck off!’’ scandeerden de Chelsea-fans bij het stadion. Woedende menigte. Fok niet met de arbeidersklasse. De rest van Engeland volgde snel. De stront had de ventilator geraakt en dat geeft een boel troep. Resultaat: de Engelse clubs trokken zich terug en kwamen met kruiperige statements. Tja, dat hadden ze niet voorzien. We deden het om de toekomst van de club te garanderen. En het was niet de bedoeling om de supporters te kwetsen en meer van dat soort tralalala.

Welnu, voorzitters van die zogenaamde superclubs: kus m’n harige bolle reet! Klootzakken die een misdaad hebben gepleegd zeggen voor de rechter ook altijd ineens dat ze heel veel spijt hebben. Ja: omdat ze gepakt zijn! En omdat hun kutgedrag consequenties gaat hebben. Maar als ze niet waren gepakt zaten ze lachend hun geld te tellen. En zo is het ook met deze dieven. Dieven die het voetbal nog meer van de gewone mensen af willen pakken. Ze zijn alleen gelijk in de kraag gepakt door het volk en nu biggelen de krokodillentranen langs hun volgevreten spekwangen, murmelen ze dat ze het allemaal niet zo bedoeld hadden en meer van dat soort gejankepoot. Alles om het volk dat met brandende fakkels en rieken klaarstaat ver van zich te houden. De hoge heren hebben de kardinale fout gemaakt om te denken dat voetbalsupporters achterlijk zijn en dachten er mee weg te komen .

Was mijn Ajax hiervoor uitgenodigd en hadden ze ook maar overwogen om mee te doen? Ik had gelijk mijn seizoenkaart doormidden geknipt. Wat dat betreft alle respect voor Bayern München die wel zijn gevraagd voor dit perverse inteelt-rijkeluis-feestje, maar die dat gewoon geweigerd hebben. Dan heb je klasse.

De Super League, de zelfbenoemde Toppers. Hey, hadden we daar niet een of ander groepje artiesten van die zichzelf zo noemen in Nederland?  Waar mensen met een slechte muzieksmaak met een cowboyhoed op hun hoofd en gekleed in een glitterpak heengaan? Inderdaad, en zelfs De Toppers en hun fans zijn minder smakeloos.  

Rodweek 96 Geschiedenis

Afgelopen weekend ben ik voor eerst sinds eind augustus weer eens in de grote gevaarlijke wereld buiten de ring Amsterdam geweest. Goed, Haarlem en Weesp, dat zijn nou niet direct wat je noemt wereldafstanden, maar toch, even die stadsgrens weer over. Het is een klein half jaar, maar het voelde als honderd jaar geleden dat ik de stad was uitgeweest.

Wat niet als honderd jaar geleden voelt maar inmiddels wel al tientallen jaren geleden is: de jaren 90! De jaren 90 was voor mij de tofste tijd van mijn leven, de tijd van alles ontdekken: op jezelf wonen, liefde en lust vieren (die 2 haalde ik nogal eens door elkaar), uitgaan, concerten, drinken, roken, naar voetbalwedstrijden gaan door Nederland en Europa, soms wel geld, soms geen geld, soep leren koken want dat is goedkoop en voedzaam, voor jezelf leren zorgen, op je platte muil gaan, maar bovenal waren de jaren 90 voor mij één groot feest. Goed, af en toe moest er school of werk gedaan worden als hinderlijke onderbreking tussen alle festiviteiten door, maar ik zou die tijd zo weer overdoen. Het uitgaansleven in Amsterdam stond aan de mondiale top en Ajax ook. Ajax won Europacups en de wereldbeker voor clubs. Kluivert en Blind: ik denk nog steeds eerder aan Patrick en Danny dan aan Justin en Daley, hun zonen die nu voetballen.

De jaren 90: Ik waande me de koning van de nacht en de Korsakoff en de Melkweg waren mijn paleizen.

Voor mijn gevoel is het allemaal hooguit een paar jaar geleden. Maar dat gevoel is bedrieglijk. Wij kregen op de HAVO ook geschiedenisles. Als het dan over de jaren 60 of 70 ging dan klonk dat heel ver weg. We zagen zwartwitbeelden en hoorden de Polygoonjournaalstem van Philip Bloemendal. John F. Kennedy dood, Vietnamoorlog, Hippies, Nozems, Dijkers, Pleiners, Nieuwmarktrellen, Woodstock, Jimi Hendrix, Johan Cruijff, Piet Keizer: dat was allemaal voor onze tijd. Ver voor onze tijd. Als onze ouders weer eens vertelden dat ze in hun jeugd een patatje mayo voor twee kwartjes en een pakkie sigaretten voor een gulden kochten keken we verveeld. Sentimenteel ouwelullengeziek.

’’Oh ja joh? Dat was zeker nog in zwart-wit!’’ schamperden wij, als onze ouders weer eens een verhaal uit die stoffige ouwe doos opdisten. Maar nee, lieve generatiegenoten: hun verhalen waren ook maar 20 tot 30 jaar oud. Net als de verhalen die wij nu vertellen aan de jongere generaties.

’’Ja, ja De Meer was veel gezelliger dan de Arena, voetballers voetbalden vroeger op zwarte kicksen en zagen er bijna allemaal uit als Oost-Albanese bouwvakkers.’’ Je ziet de jeugd verveeld kijken, zoals wij verveeld keken als onze vaders of ooms weer begonnen over het Gouden Ajax van de jaren 70 of over het WK74 dat ‘we’ hadden moeten winnen, als je de steeds sterker wordende verhalen mocht geloven. Terecht dat de jeugd ons nu ook ouwe zeikerds vindt. We zijn gewoon dezelfde sentimentele ouwe dwazen als onze ouders geworden.

De definitieve bevestiging dat mijn generatie nu ook officieel oud tot het ”Gilde der Ouwe Fossielen” is toegetreden zag ik vanmorgen op Twitter. Iemand merkte op dat de jaren 90 dit jaar een examenonderwerp is op het HAVO-examen. HAVO? Hey, dat heb ik ook gedaan! Ja, ouwe, 26 jaar geleden in 1995. Mijn puberteit, adolescentie en ultieme feesttijd ligt al veel verder achter me dan ik ooit zal toegeven. Ik zie veel mensen met wie ik in de jaren 90 omging ook nog. Goed, we zijn dus kennelijk allemaal ineens een jaar of 25 a 30 ouder sinds we elkaar leerden kennen en voor sommigen geldt zo’n zelfde toename niet alleen in jaren, maar ook in kilo’s. Sommige mensen zijn grijs geworden. Bij sommigen zijn de lange haren weg. Roken en drinken is vervangen door yoga en hardlopen. Bij het lezen komt er ineens een brilletje tevoorschijn. Ineens hebben sommige mensen kinderen. Sommige van die mensen hebben zelfs al volwassen kinderen. De eerste mensen in mijn vrienden- en kennissenkring die opa of oma zijn voor hun vijftigste hebben zich reeds enkele jaren geleden aangediend.

”Mijn” jaren negentig zijn kennelijk al zo antiek dat het een examenonderwerp is. Ik vind dat bizar.

Ik leerde in 1991 op de HAVO dat het al 22 jaar geleden was dat Neil Armstrong in 1969 als eerste mens op de maan landde. Kinderen die anno 2021 muziekgeschiedenis leren zullen horen dat het legendarische album ‘Nevermind’ van Nirvana in 1991 uitkwam. En ja, dat is zomaar, 3… eh….30 jaar geleden, ouwe!      

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

Rodweek 89 Nul Dertien

Het is nu, op het moment dat deze zin aan het schrijven ben, zondag 25 oktober en het tijdstip is 9.13 (!). Als ik gisteren op zaterdag 24 oktober om 9.13 de woorden ‘nul dertien’ had gehoord zou mijn eerste gedachte de Tilburgse poptempel 013 zijn. Mooie zaal, ik heb daar een paar jaar geleden nog een fantastisch concert van Primus gezien.

Een dikke negen uur later, zo rond 18.20 gisteravond, hadden de woorden ‘nul dertien’ ineens voorgoed een andere betekenis gekregen. VVV Venlo werd door Ajax in het eigen stadion De Koel koelbloedig ‘kaltgestellt’ met 0-13. Nul dertien!!! Het zijn van die uitslagen die je in de voorbereiding wel eens ziet als een profclub tegen een amateurclubje speelt, maar nu is het dus de hoogste uitslag ooit in de Eredivisie.

Het eerdere record van 12-1, dat ook al op naam van Ajax stond, uit 1972 is eindelijk uit de boeken geschoten. Al die ‘boomers’ die er naar eigen zeggen allemaal bij waren in het grotendeels lege Stadion de Meer, zijn nu ingeruild voor een nieuwe generatie die er sowieso allemaal niet bij waren, omdat er geen toeschouwers in het stadion mochten. Of je moet die elf toeschouwers die tegen Ajax op het veld stonden meerekenen.    

Destijds stonden er namen als Cruijff, Hulshoff, Neeskens, Van Dijk en Mühren op het scoreformulier. In deze tijd luisteren de beulen naar namen als Traoré, Tadíc, Ekkelenkamp, Huntelaar en Blind.

Bij een eerdere grootste uitzege van Ajax was ik er wel bij. Dat was uit bij NAC in Breda. Mijn goede vriend en fanatiek NAC-supporter Gert-Jan had mij uitgenodigd om NAC-Ajax vanaf de fanatieke B-Side te bekijken. Zo’n invitatie sla ik natuurlijk nooit af. Ik kom wel vaker bij NAC en ken zijn vrienden ook. Een dagje NAC staat altijd voor gezelligheid en een nimmer aflatende stroom bier. Vooraf werd ik nog een beetje gedold door de jongens in de kroeg dat ik ‘weer huilend in de trein terug naar Amsterdam’ zou zitten die avond. Dat klopte in zekere zin ook. Ik huilde van het lachen. Ajax won met 0-8 en de afkorting voor NAC staat sindsdien onder Ajax-fans voor ‘Nul Acht Combinatie. Dat was toen, 3 jaar geleden, de grootste uitzege ooit. Tot gisteren dus. Twee records finaal aan flarden geschoten.     

Ik keek vanmorgen toch nog even voor de zekerheid op een paar sites of ik het echt goed had gezien, maar inderdaad, het stond er echt: VVV-Ajax 0-13.

Nou heb ik door het hele crisisgebeuren al veel te lang geen popquiz meer kunnen presenteren, maar de popquizzer in mij is altijd ontzettend ‘woke’ en dus bedacht ik vanmorgen gelijk maar een top 5 ronde met mooie liedjes waar ’13’ in voorkomt.    

1. The Pixies- No. 13 baby
2. Johnny Cash- Thirteen.
3. Pink-A conversation with my thirteen year old self
4. The Cure- The 13th
5. Elvis Costello-  13 steps lead down.

Ik was dus heel erg ‘woke’ deze ochtend en mensen die ‘woke’ zijn kunnen tegenwoordig met de meest wonderlijke complottheorieën komen, dus daar kon ik ook niet bij achterblijven.

Gisteren was het dus 24-10-2020. Exact 10 jaar daarvoor, 0p 24-10-2010 verpletterde PSV Feyenoord in eigen huis met 10-0. De Feyenoordsupporters eisten een reactie van de spelers in de eerstvolgende thuiswedstrijd tegen…. Jawel… VVV. Feyenoord won met 3-0. En nou ken ik niet ieders mathematische vaardigheden, maar 10 plus 3 is bij mij nog steeds 13, en het ging weer om VVV, dus dat kan natuurlijk geen toeval zijn! En zo is de graancirkel toch weer rond.

Mij nemen ze niet in de maling.   

Rodweek 84 Geen Zweet

Het was februari dit jaar dat ik met vrienden in Madrid was om daar te genieten van zon, bier, wijn en tapas. Oh ja, en als hinderlijke onderbreking van al dat leuks moesten we nog naar Ajax, dat in een blaartrekkend slechte wedstrijd met 2-0 verloor van Getafe. Getafe is één van de vele voorstadjes van Madrid. Het leven is daar zo bruisend als een glas Spa Blauw in een buitenwijk van Lelystad, dus wij resideerden in een appartement in het centrum van Madrid.

Na de wedstrijd nog even een fijne terrassessie en de volgende ochtend werd ik niet wakker met mijn lieve poes Eva, maar met een kater die eigenlijk best wel een flinke tijger was. Terwijl mijn amigo’s al eieren met spek stonden te bakken om de tijgers te verdrijven mocht ik als eerste douchen. Na een lekkere douche ziet de wereld er vaak ook al weer een stuk beter uit na zo’n avond. Goeie straal, lekker zeepie, haartjes even in de conditioner, lekkere deo op en ik was weer helemaal het heertje.

Rick ging na mij douchen. Ineens een ijselijke kreet uit de badkamer. ‘’Tering, Rod! Echt waar? Axe Africa als deodorant? Wat de fok ouwe? Je bent toch geen twaalf meer? Ik moet hier nog douchen. De hele badkamer meurt naar die gore kutdeo van jou!’’  Joris liep ook de badkamer in en beaamde de woorden van Rick. ‘’Jezus, Rod, gatver, dit kan echt niet meer. Met je stinkende puberdeo. Je bent een min of meer volwassen man en dan gebruik je niet meer dit soort kinderspul. It smells like teen spirit.’’

Rick liet mij vervolgens zien wat hij gebruikte. Een klein roze tubetje, het lijkt op een tube kaboutertandpasta. Daar doe je een heel klein beetje van onder je oksels en daar doe je bijna een week mee. Zo’n kleine tube gaat minimaal 2 maanden mee.

Nou ben ik normaal nooit zo heel erg van dit soort hippe producten, maar onlangs gaf Rick mij een proeftube cadeau. En eerlijk waar: ik ben om. Fietsen, hard werken in de zon, seksen of waar je ook maar zweet van krijgt: je ruikt dagenlang niks. Ik had laatst even pauze op werk. Even uitblazen. Ik rook onder m’n oksel en ik werd betrapt door één van mijn vaste gasten. ‘’Wat de fok zit jij nou onder je zweetoksel te sniffen, ouwe?’’ Maar ik had dus helemaal geen zweetoksel, terwijl het bloedheet was en ik net een paar uur de poten onder m’n lijf vandaan had gelopen. En je ruikt dus vijf of zes dagen lang helemaal geen enkel spoor van zweet. Echt toverspul. Check Nuudcare.com. En nu denken jullie misschien: ‘’Oh ja, die Rijsdijk, die wannabee-influencer, die ouwe freeloader, probeert zeker een gratis tube van dat spul los te slijmen, een roestig stuivertje te verdienen of die heeft aandelen in de toko. Met z’n bek.’’, maar nee, niks van dat alles: ik ben serieus enthousiast over dit  spul. Waar rook is, is in dit geval geen vuur.

Dat was in 1999 wel anders in de Roxy. Of zoals we het nadat die hut was afgefikt noemden :‘’De Rookzie’’. Voor de milennialtjes en ander jong spul: de Roxy was in de jaren 90 één van de hotspots in het Amsterdamse uitgaansleven. Daar moest je gezien worden. Er was alleen één probleem aan de Roxy: het deurbeleid. Als de doorbitches vonden dat je er niet helemaal tussenpaste dan kwam je er gewoon niet in. En zo werd ik met mijn lange haren, vaak ongeschoren bakkes, vale spijkerbroek, gympies en Nirvana-shirtje altijd geweigerd. ‘’Jij komp er niet in, gup’’, kregen mijn vrienden en ik steevast te horen. Als ik überhaupt al te woord werd gestaan. En meer mensen kennen die ervaring. Na een aantal keer had ik daar dus geen zin meer in en ik had het opgegeven om ooit nog de Roxy binnen te komen. Dan maar niet tussen de happy few van Amsterdam staan.

Nico Dijkshoorn schreef er een mooie column over in het Parool, afgelopen week. Het is hem echt nooit gelukt om er binnen te komen. Maar mij dus wel! Eén keertje. Ik was in Paradiso geweest en ik kwam twee meiden tegen die ik kende. En dat waren bepaald geen weggooiers. Absoluut Champions Leaguetrofee-waardige meiden om te zien. Bloedjemooi.‘’Kom, Rod, ga met ons mee naar de Roxy!’’ En zeg dan maar eens nee als twee van die prijswinnaars je uitnodigen om mee op stap te gaan. Dat deed ik dus ook niet, maar ik vertelde de dames wel dat ik altijd werd geweigerd daar en dat we misschien ook ergens anders heen konden. ‘’Nee, wij willen naar de Roxy!’’ En ja hoor, we stonden daar voor die deur aan het Singel, ik aan elke arm lief lachend prinsessenspul  en ineens was mijn totale gebrek aan hipheid, mijn ongeschoren apensmoel  en het feit dat ik geen Roxypasje had geen enkel probleem meer. Zo werkte dat dus in die wereld. Twee lekkere wijven mee en je bent binnen. De oppervlakkigheid van sommige portiers had in die tijd echt de diepgang van een pierenbadje.

Maar goed, ik was dus binnengekomen in het heiligdom achter de Heilige Weg. En ik vond er geen reet aan. Ik vond de muziek niks en de mensen waren ook niet helemaal mijn publiek. Wat dat betreft hadden de portiers het wel goed gezien om mij daar steeds te weigeren. Het was mijn tent gewoon niet. Ik ben er voor die twee mooie meiden nog een uurtje of twee blijven hangen, want je wist maar nooit of daar nog wat leuks uit kon komen, maar toen ik doorkreeg dat dat ook niet ging lukken ging ik gewoon weer lekker naar mijn eigen mensen, in de Korsakoff. In de Roxy ben ik nooit meer geweest. Een jaar later fikte de tent dus af. Wat overigens geen wraakactie mijnerzijds was voor alle keren dat ik daar ben geweigerd.

Niet veel later ging ik zelf in het uitgaansleven werken, leerde ik veel nachtvlinders kennen in verschillende plekken en hoefde ik doorgaans niet meer te betalen om clubs en tenten binnen te komen. Als iets uitverkocht was had ik overal wel iemand rondlopen die wat voor me kon regelen.

Zoals één van mijn Paradiso-gappies altijd zei als ik daar heen wilde:

‘’Rod, regel ik voor je, komt goed! Geen zweet ouwe!’’    


Nouri, Godenzoon uit Geuzenveld

Amsterdam West, Bos en Lommer 2 april 1997. Ik ben 20 jaar en ik ben mijn huis aan het schoonmaken. Dat doe ik niet dagelijks, maar vanavond komen er twee vrienden langs om voetbal te kijken. Turkije-Nederland, WK-kwalificatie-wedstrijd. In al mijn ijver geef ik ook de plant water die op de TV staat. Ik geef de plant alleen iets te veel water. Het potje stroomt over en het water loopt zo de TV in. Resultaat: TV doet het niet meer. Wat nu? Ik zit met de handen in het haar.

Amsterdam West, Geuzenveld, 2 april 1997. Iets verderop in Geuzenveld is de sfeer een stuk feestelijker. Daar verwelkomt de familie Nouri de nieuwste telg, zoon Abdelhak ziet het levenslicht.

Amsterdam Oud West, 2 april 1997. Het feest moet en zal doorgaan en wel bij mij thuis en dus ben ik naar de Kinkerstraat gegaan om een TV te huren bij Valkenberg. Het idee om te bellen naar één van mijn vrienden om te vragen of we dan maar bij één van hen gaan kijken schiet ik gelijk af. Eén woont nog bij zijn ouders in Osdorp, de ander in een kippenhok in Slotervaart.  Daar heb ik totaal geen zin in. Ik huur de TV en loop met het loodzware ding de straat op. Bij de Bilderdijkkade kan ik niet meer. De verkoper van de kledingwinkel ziet me uitgeput staan, geeft me wat te drinken en belt een taxi voor me.

Amsterdam West, Bos en Lommer, 2 april 1997. De huur-TV staat en niets staat nog een mooie voetbalavond in de weg. Oh wacht. Toch wel. De elf spelers van Oranje op het veld. Nederland verliest met 1-0. Clarence Seedorf schiet een penalty met een baan om de aarde. Ze zoeken die bal nog. De volgende middag breng ik de TV terug. Met de taxi. Het grapje heeft me alles bij elkaar zo’n zeven tientjes gekost. Geld dat ik nou niet bepaald overhad.

Amsterdam, Haarlemmerstraat, 2 april 1997. Ook in slagerij Buzhu is het feest. Het is de slagerij waar papa Mohammed Nouri al jaren werkt.

Amsterdam West en omstreken, 1998. Met een vriendenteam ploeter ik elke zondagochtend op achterafveldjes in Amsterdam-West, Haarlem, Badhoevedorp, Sloten, Noord, Hoofddorp, De Kwakel, Uithoorn en andere exotische oorden. Het zijn de diepste krochten van de Amsterdamse onderbond. Nog net één trede boven G-voetbal en ik betwijfel ook ten zeerste of we het daar zouden redden. Op twee jongens na kan niemand er een hout van. We zijn voornamelijk de sterren van de kantine.

Amsterdam Geuzenveld 1998. De kleine 1-jarige Abdelhak heeft vermoedelijk nu al meer balgevoel en voetbaltalent in zijn piepkleine linkerteentje dan ons hele team in onze grote lompe lijven.

Amsterdam Zuid Oost 2004. Dat de kleine Appie Nouri een uniek talent bezit ontgaat ook Ajax niet. Hij wordt in de jeugdopleiding opgenomen en doorloopt die met speels gemak. De volgende stap is Jong Ajax. Daar wordt hij in 2017 verkozen tot beste speler van de Jupiler League. Hij draait alle beperkte voetballers op dat niveau dol. Hij lijkt op een hoogbegaafde Atheneum-leerling in een VMBO-klas.  

Amsterdam Zuid Oost, 21 september 2016. Het Ajax van Peter Bosz speelt voor de beker tegen Willem II. We mogen als seizoenkaarthouders gratis naar binnen. Zo vaak geeft Ajax niet iets weg, dus mijn gabber en ik nemen het cadeautje aan. Dat heeft, behalve dat we lekker Ajax willen kijken, ook een andere reden: wij willen het debuut van Nouri zien. Het stadion is lang niet vol. Een kleine 35.000 toeschouwers hebben de moeite genomen om het zoekende Ajax te steunen. Die wedstrijd valt alles in elkaar. Lasse Schöne keert terug in het elftal en dat is de balans die het team nodig heeft. Willem II, dat een dikke maand eerder nog won in de Arena heeft niets te vertellen. Ajax veegt de Tilburgers met speels gemak van de mat.
‘’WE WILLEN NOURI ZIEN!!!’’ klinkt het uit 35.000 kelen. Een speler die nog geen seconde in Ajax 1 heeft gespeeld maar elke Ajacied beseft wat voor uniek talent we in huis hebben. Zijn roem is hem al met grote passen vooruit gesneld. En hij is een echte Amsterdammer, dat vinden we extra leuk.

Diep in de tweede helft geeft Peter Bosz gehoor aan de smeekbedes van het publiek. In de 73e minuut mag hij invallen voor Hakim Ziyech. De stand is 3-0. Hier heeft Appie het al die jaren voor gedaan. Debuteren in het eerste elftal van zijn club. Lasse Schöne maakt nog 4-0 en dan breekt de 89e minuut aan. Ajax krijgt een vrije trap net buiten de zestien. Lasse Schöne maakt zich al klaar om de vrije trap te nemen als de jonge debutant ineens vraagt: ‘’Mag ik ‘m alsjeblieft nemen? Alsjeblieft?’’ Het is niet eens vragen. Hij smeekt. De oude aanvoerder stemt toe: ‘’Neem jij ‘m maar. Als je mist krijg ik een tientje.’’
Appie staat glunderend achter de bal. Mijn gabber en ik zitten er perfect voor. Hij zet z’n telefoon aan om dit moment te filmen. De Arena klapt voor Appie en hij schiet de bal schitterend in de hoek. Hij mag zijn tientje houden. Als een echte Ajacied scoort hij bij zijn debuut in Ajax 1. Hij wijst op zijn rugnummer. Zo stelt hij zich voor aan het Amsterdamse publiek. Zijn Amsterdamse publiek. Hallo, hier ben ik dan. Nummer 34. Appie Nouri. Aangenaam.

Hij heeft alles in zich om de ultieme publiekslieveling te worden. Hij vertedert in interviews en met zijn vlogs. Wat een heerlijk joch. Hij speelt dat seizoen nog een aantal keer in Ajax 1 , maar is nog geen vaste waarde. Dat is een plan voor komend seizoen. FC Utrecht informeert voorzichtig naar de mogelijkheid om Nouri een jaar te huren maar dat wijst Appie zelf resoluut van de hand. Ajax is zijn club en daar wil hij slagen. Geen discussie.

En dan wordt het 8 juli 2017. Het Oostenrijkse Zillertal. Ajax oefent in de voorbereiding tegen Werder Bremen. Leon Bergsma valt een paar minuten voordat Nouri er in komt in. ‘’Kom op, je kan het Léé!’’ roept Nouri hem nog na. Even later valt Nouri zelf in. En dan staat zijn hart ineens stil. De rest is geschiedenis. Een inktzwarte geschiedenis. Het leven en de voetbalcarrière in luttele seconden onherstelbaar geknakt.

De voetballiefhebber in mij zal zich altijd afvragen hoe goed had deze jongen echt kunnen worden? Een vraag waar we nooit antwoord op zullen krijgen. De mensenliefhebber in mij hoopt dat dit prachtige mens ooit nog een beetje levenskwaliteit terugkrijgt. Ik hoop het zo erg. Ik ben niet gelovig, maar als het Abdelhak Nouri gegund is om zijn familie aan te kunnen kijken en te kunnen zeggen hoeveel hij van ze houdt, dan zal ik misschien toch wel gaan geloven dat de Godenzoon uit Geuzenveld echt een zoon van God is.

Rodweek 68 Van GE-TA-FE!! naar GA-TV-ER

De eerste keer dat ik Getafe live zag spelen was in 2005. Ik was met mijn toenmalige vriendin in Madrid en we hadden uitgezocht welke Madrileense club thuis speelde. Atletico Madrid was het. Estadio Vicente Calderon lag op niet al te verre loopafstand van het centrum en ze moesten spelen tegen Getafe. Destijds een soort van RKC van Spanje. Klein cluppie uit een voorstad van Madrid, een soort Amstelveen.

We kochten kaartjes bij een loket bij het stadion, waar een ouwe chagrijnige kettingrokende man achter de kassa zat. ‘Doe maar ergens achter de goal’, had ik in mijn beste geïmproviseerde Spaans gezegd. Hij gaf ons de kaartjes, wij rekenden af en gingen, voorafgaand aan de wedstrijd nog even lekker in de buurt wat eten.

Eenmaal terug bij het stadion, klaar voor de wedstrijd, bleek dat die ouwe ons kaartjes voor het uitvak had verkocht. We zaten dus bij het Getafe-publiek. Nou weet iedereen die ooit in een uitvak heeft gestaan dat het uitvak het gezelligste is, dus ik vond het wel prima. Ik ben van geen van  beide clubs supporter, maar nu ik toch in het uitvak stond hoopte ik op een stunt van Getafe.

We werden er al snel uitgepikt door de vaste Getafe-supporters. Vreemde eenden in de bijt, maar we konden het al snel goed  vinden met de grote leider van de harde kern. Juan heette hij. Zo’n typische Madrileen met zo’n hese koorballenmeisjesstem. Atletico speelde een matig seizoen. Het stadion was maar half gevuld. Maar het uitvak, waar wij zaten was bomvol.

‘’GE-TA-FE!!! GE-TA-FE!!!’’, klonk het uit tweeduizend Spaanse en twee Amsterdamse kelen.

Uitslag 2-2. En iedereen die ooit in een uitvak heeft gestaan weet dat er niks toffers is dan juichen in een uitvak. Het is altijd net wat uitbundiger als het obligate juichen in een thuisvak.

De volgende ochtend gingen mijn meisje en ik een broodje kopen bij Museo del Jamon, de tofste broodjeszaak van Madrid, om de hoek bij Puerta del Sol, waar wij logeerden. Ineens hoorden we van achter de kassa die hese stem: ‘’GE-TA-FE! GE-TA-FE!’’ Het was Juan en die werkte daar dus, wisten we niet. Hij omhelsde en kuste ons, alsof we twee lang verloren familieleden waren. We wilden gewoon een simpel broodje ham, maar we kregen dus een broodje met hele dure exquise ham. We hoefden niet af te rekenen. Hij vond het gewoon tof om ons te zien.  

Ik had sinds die trip een zwak voor GE-TA-FE!

De tweede keer dat ik Getafe zag was een paar vriendinnen later, in 2012. Ik was met de toenmalige aanstaande ex in Barcelona en ik had het natuurlijk zo gepland dat we ook een wedstrijd van de plaatselijke FC konden meepikken. En ook nu was de tegenstander dus Getafe. Gewoon een leuke middenmoter inmiddels, een soort Heracles. We namen plaats in Camp Nou en mijn lieftallige ex, niet behept met al te veel voetbalkennis, vroeg zich hardop af ‘’wie die kleine slome was die alleen maar liep te wandelen’’.  Ik legde haar uit dat hij de beste voetballer van dit moment was, Lionel Messi. Hij wandelt en ineens schiet ie er vandoor. Hij scoorde er die avond drie en de vierde gaf hij voor. Zelfs mijn voetbal-analfabetische vriendin zag  dat hij toch wel erg bijzonder was.

En de derde keer, in weer een nieuw decennium was vorige week. Mijn vrienden en ik gaan elk jaar één of twee keer naar een uitwedstrijd van Ajax in het buitenland. Afhankelijk natuurlijk ook van hoever Ajax komt en de stad moet leuk zijn. Na eerder dit seizoen Lille, werd het nu Getafe. Madrid! Voor een paar daagjes Madrid zijn wij altijd te porren, por favor, en dus waren de tickets snel geboekt.

Het zat allemaal heerlijk mee. De reis ging goed en eenmaal daar bleek dat Madrid vast een voorschot op de lente had genomen. En terwijl het in Amsterdam tiefde van de regen tikte het kwik in de Spaanse hoofdstad aangenaam ruim boven de twintig graden aan. De hemel was strakblauw en wij laafden ons op het terras in onze t-shirts en met onze zonnebrillen op aan tapas, bier en wijn . Veel mooier kon het leven niet meer worden.

‘’Zullen we hier gewoon blijven?’’, is dan altijd de vraag die iemand van ons opbrengt. Fok die wedstrijd, we blijven hier lekker eten en zuipen. Natuurlijk gaan we altijd wel naar de wedstrijd, maar het komt er soms weleens op neer dat de wedstrijd een hinderlijke onderbreking van de terrassessie is.    

Zo ook op deze dag. Ajax verloor van een zuigend en treiterig Getafe en liet zich daar in meeslepen. Dat Ajax daarbij zelf ook als een ondergescheten bak paella speelde hielp ook niet mee. Het was een wedstrijd die aanvoelde als een wortelkanaalbehandeling: hopen dat het snel voorbij zou gaan. De meest onsympathieke tegenstander waar ik Ajax ooit tegen heb zien spelen. Een Machiavelliaanse ploeg: het doel heiligt de middelen.

 En ik snap het op zich wel, want als een club als FC Volendam zich op deze manier in de vaart der volkeren zou kunnen opstuwen zou ik het ook snappen. Klein cluppie dat met anti-voetbal ineens hoog staat. Geen Volendammer die er moeite mee zou hebben. Maar wat een tranentrekkend  lelijk voetbal, echt gatver. Ik snap het, maar ik zou er geen supporter van kunnen zijn. Ik heb Getafe dus in drie verschillende decennia live gezien. In 2005, 2012 en 2020.

Van GE-TA-FE!!! Naar GA-TV-ER.

Rodweek 42 Toeval bestaat wel

Onlangs zag ik Anton lopen, hierachter op de Kloveniersburgwal. Anton is een oude man, ofschoon ik zomaar denk dat hij niet zo oud is als dat hij er uitziet. Zolang als ik hem tegenkom, dik twintig jaar, ziet hij er al heel oud uit. Ik kwam hem tot vorig jaar wat vaker tegen, want Anton kwam, en komt waarschijnlijk nog steeds, altijd wel twee of drie keer per week in de Melkweg waar ik toen nog werkte. En ik zag hem vaak door de stad lopen. Tas kranten onder de arm. Toen ik van 2001 tot 2004 op de Universiteit van Amsterdam én in de Melkweg werkte zag ik hem heel vaak. In de ochtend zag ik hem door de binnenstad fietsen, tijdens onze lunch zat hij, net als wij, ook in de Mensa te eten, terwijl hij zich door zijn stapel kranten worstelde en in de avond zag ik hem dan weer in de Melkweg of in één van de kroegen in de buurt. Ik was nooit zo verbaasd als wij elkaar vaak op drie of meer verschillende  plekken in de stad op dezelfde dag tegenkwamen. Dat ging gewoon zo. Lees verder