Gestrand schip of gemiste boot?

De lente begon al voorzichtig kopjes te geven op 15 maart 2020. Een ontluikend lentezonnetje als beloftevol begin van een mooie lente en zomer. Ik maakte me thuis klaar voor een avond werken in Café de Toog in Amsterdam Oud West. Begintijd 18.00. Vaak eet ik dan thuis wat van tevoren, maar op deze dag had ik bedacht om gewoon eens lekker in het café te gaan eten. Mezelf even laten verwennen met een lekkere biefstuk. Om 17.30 zat ik aan tafel, mijn biefstuk met roseval aardappelen werd geserveerd, ik had mijn eerste hap net in mijn mond en toen ging ineens de telefoon. De werkgever (ik ben allergisch voor het woord baas): ‘’ Rod, het is een beetje gek, maar je moet om 18.00 dicht. Alle horeca moet om 18.00 dicht. Corona-maatregelen. Geen idee hoelang dit gaat duren. Maar je moet nu de laatste ronde doen.’’

Omdat het best lekker weer was zat de kroeg gezellig vol en zat er ook op het terras best wat volk maar iedereen moest dus stante pede afrekenen. Een krankzinnige situatie. 18.15 waren we leeg. Hoewel… mijn collega en ik gaven wat stamgasten achter gesloten deur nog een biertje en die arme groep Australische toeristen die na een wereldreis net in Amsterdam waren geland en die smachtten naar een drankje hebben we natuurlijk ook nog wat gegeven!

Opruimen en naar huis. Afwachten hoelang deze situatie zou duren. Nieuwssites checken. Eerst zou het twee weken duren, maar het werd steeds verlengd. In eerste instantie vond ik het eigenlijk wel prima. Een soort gedwongen vakantie en we werden gewoon keurig doorbetaald. Dat vond ik voor eventjes niet eens zo heel vervelend. Ook wel grappig, op zaterdagmiddag een foto maken op een lege Dam of op de trambaan van het Rokin. Dat had ik nog nooit gezien. Maar gaandeweg vond ik de situatie toch steeds vervelender worden. Want wat heb je aan vakantie als de winkels en de kroegen niet open zijn of als je, zoals ik, niet meer meer naar het voetballen kan? Na een paar weken nutteloos thuiszitten had ik het wel gehad. Ik hou niet van stilzitten.

Uiteindelijk duurde die hele eerste lockdown dus een goeie tweeënhalve maand. Op 1 juni mochten we, onder restricties, weer open. Niet alleen waren wij blij dat we weer aan het werk konden, maar onze gasten waren ook blij dat ze weer bij ons aan de bar of op het terras konden zitten. Die blijdschap betaalde zich uit in de hoogste fooi die mijn collega en ik, tot op de dag van vandaag, ooit hebben gekregen.

‘’Acht euro, alstublieft.’’
‘’Doe maar dertig man!”
’’Dertien? Hartstikke bedankt!’’
‘’Nee. Ik zei dertig. Blij dat jullie weer open zijn!’’

Letterlijk dat dus. En zo hadden we meer gasten die hun blijdschap en vrolijkheid uitdrukten middels een prettige fooi. En zo ging dat de hele zomer van 2020 gezellig door. Mensen waren weer vrij en daar werden ze ook bijzonder vrijgevig van. Al was dat natuurlijk ook omdat ik in de Toog met toppers werkte. Hoe het ook zij: voor ons was het een prima zomer!

En toen werd het oktober. Tante Corrie greep meer en meer om zich heen met haar machtige tentakels, steeds meer mensen werden ziek en de tweede lockdown volgde.

En deze zou heftiger worden dan de vorige. Ik had al wel bedacht dat ik niet weer twee maanden, of langer, maar een beetje afwachtend op m’n reet zou gaan zitten. Ik wilde, voor zolang als het zou duren, iets nuttigs doen. En toen was daar ineens #horecahelptdezorg. Ik kon, met behoud van salaris, iets doen in Verpleeghuis de Klinker in Oud West. Geen onbekend terrein want ik heb daar tegenover gewerkt, Oud West is mijn buurt en ik ken veel mensen die er wonen of werken. Daar hoefde ik niet lang over na te denken. Doen! Ik had alleen nog geen flauw idee wat ik daar dan moest doen. We zien wel waar het schip strandt.

Dat werd snel duidelijk. Ik maakte in de ochtend ontbijt en tussen de middag lunch voor de bewoners van mijn afdeling en ondertussen praatte ik veel met ze, speelde een bordspelletje en als er een roker was dan nam ik die mee om samen een sigaretje te roken. De bewoners werden, hoewel ze soms bijna twee keer zo oud als ik waren, een beetje mijn kindjes. Ik had echt een band met ze.

Ik had het geweldig naar mijn zin, maar ondertussen wist ik nog steeds niet wat er met de horeca zou gebeuren. En in al die tijd in de Klinker was ik inmiddels ook warm geworden voor het vak van verpleegkundige en dus besloot ik de opleiding in te gaan.

Lang verhaal kort en daar staat in het boek meer over: dat was niet mijn ding.

Maar ik heb het wel geprobeerd. En zo heb ik in die lange lockdownperiode wel meer dingen gedaan of in elk geval geprobeerd die buiten mijn comfortzone lagen. Het ene met meer succes dan het andere, maar er wel gewoon voor gegaan.

Over die periode en meer verhaal ik in mijn nieuwe boek, Lockdownsyndroom. Een titel die refereert aan een periode waarin ik soms ook gek werd van de onzekerheid. Maar het was ook een periode waarin ik heel veel over mezelf heb geleerd en mezelf heb ontwikkeld. Een periode van kijken naar nieuwe mogelijkheden en perspectieven in het leven. Soms beviel zo’n nieuw perspectief en soms niet.

Maar eigenlijk heb ik mijn leven altijd zo geleefd: ik denk in mogelijkheden. Als iets niet lukt of niet bevalt schakel ik gelijk door naar iets anders. Zonder daar al te lang over na te denken. Gewoon BAM. Niet zielig in een hoekje huilen en klagen dat het leven zo hard is: zoek en pak je kansen. Zeik niet en ga door. En of het goed afloopt dat zie je dan wel weer. Om er maar even een lekkere geile tegeltjeswijsheid in te gooien en wat ik ook tevens als levensmotto gebruik: ‘’Niet weten waar het schip strandt is beter dan de boot missen.’’


Rodweek 150 Fundavoyeurisme

De slag om ooit een huis te kunnen kopen in Amsterdam heb ik helaas nooit kunnen slaan. En ik heb ook niet de illusie dat ik ooit een huis in mijn favoriete stad zal kunnen kopen. Tenzij de Staatsloterijballetjes natuurlijk een keer leuk vallen of dat ik eindelijk eens die bestseller schrijf. Of dat die woningmarkt echt een keer als een rotte tomaat uit elkaar spat. Dan speel je toch een heel andere wedstrijd op de woningmarkt, toch?

Maar laten we realistisch zijn, want dat voorkomt teleurstellingen: het gaat ‘m voor mij normaal gesproken gewoon niet worden in dit leven. En om een half miljoen neer te leggen voor een krot ‘’voor de handige klusser’’: nou nee. Buiten Amsterdam wonen is ook geen optie, dus ik blijf gewoon lekker in m’n huurhut aan het Waterlooplein zitten. Maar ik vind het af en toe wel leuk om me te vergapen aan woningen die ik nooit zou kunnen of willen kopen. Ik vind het grappig om af en toe de voyeur uit te hangen op Funda en om dat kruiperige makelaarsjargon dan te lezen.
Ik zal er even een aantal vertalen:

– ”Buurt in opkomst”: Nog steeds een armoedige probleemwijk

– ”Dichtbij uitvalswegen”: Je woont aan de snelweg of aan het spoor

– ”Kindvriendelijke buurt: de hele dag schreeuwende koters voor je deur

-”Alsof de tijd er heeft stilgestaan”: ouwe verwaarloosde klerezooi

-”Knus appartement”: Een kippenhok van 25 m2 voor 3 ton

-‘’Tiny House’’: De bezemkast van 8m2 die voor anderhalve ton wordt verkocht

-”Frans Balkon”: Nutteloze deur met een hekje ervoor zodat je niet uit je huis flikkert

-”Authentiek”: Een krot waar nooit iets aan gedaan is

-”Huis met potentie”: De rest van je leven klussen

-”Actieve VVE”: Bemoeizieke buren

-”Rustige wijk”: Er wonen alleen maar bejaarden

-”Bosrijke omgeving”: Er staan drie bomen voor je deur

-”Lommerijke omgeving”: je hebt geen zon in je tuin

-”Basisschool in de nabijheid”: je woont aan een schoolplein

-”Natuurlijke weelderige tuin”: Eén groot oerwoud met onkruid

-”Speelse indeling”: Rare onhandige hoekjes waar je niks kwijt kan

– ‘’Op loopafstand van het centrum’’: twee kilometer fietsen bedoelt-ie

– ‘’Op 15 autominuten van de dichtstbijzijnde stad’’: Je woont vijf dorpen verderop

-’’Voorzieningen op loopafstand’’: geen parkeerplekken

-‘’Unieke vormgeving’’: een onpraktisch huis in de vorm van een vlieger

– ‘’Gewilde locatie’’: Ja, vroeger, toen het nog betaalbaar was

– ”Vlakbij de levendige Jordaan!”: Gewoon ergens achter in Bos en Lommer dus

-‘’Een buitenkansje!’’: Hopelijk ben jij die gek die ons verlost van dit bouwval.

Rodweek 149 Overwinningscontroleurs

Mijn Brabantse vriend Gert-Jan, hartstochtelijk supporter van NAC Breda, moest er gisteravond smakelijk om lachen toen bij een 0-3 tussenstand bij Ajax-Liverpool de eerste rijen supporters de Johan Cruijff Arena verlieten. Als fan van NAC is Gert-Jan in zijn leven niet met al te veel successen verwend, laat staan met mooi voetbal.
‘’Als ik telkens dat NAC slecht speelt voortijdig het stadion uit zou lopen dan zit ik elke wedstrijd na een half uur alweer in Café de Pint.‘’

Die opmerking raakt de kern van het verschil tussen een supporter van een grote club of van een kleinere club zijn. Als Ajacied ben ik een supportersleven lang al gewend om mijn favorieten veel vaker te zien winnen dan verliezen. Een gelijkspel doet bij een Ajacied al pijn. Bij NAC is dat doorgaans geen slecht resultaat als ze in de Eredivisie spelen. Een Ajacied heeft een baalseizoen als Ajax tweede wordt. Alles daaronder valt per definitie in de categorie ‘regelrecht rampseizoen’. In Breda stroomt de Grote Markt al vol als NAC er in blijft. Ik ben een aantal keren met Gert-Jan en zijn makkers mee geweest naar NAC. Het is altijd bloedgezellig daar. Maar hij en zijn vrienden beleven een wedstrijd totaal anders dan dat ik bij Ajax gewend ben. Als het bij Ajax na een uur nog 0-0 staat wordt het publiek nerveus en dan begint het gemor. Is dat dat een kwartier later nog steeds zo dan slaat de stemming al gauw om naar paniek. Dat is niet de wereld van NAC. Bij NAC slaat de paniek pas toe als de bierpomp leeg is. De paniek zal in elk geval zeker nooit komen door het resultaat van de wedstrijd.

Eerlijk is eerlijk: we zijn als Ajax-supporters gewoon verwende klerelijers. En dat kan, want het verwachtingspatroon is gewoon anders, maar er is wat mij betreft één gouden regel: je verlaat nooit voortijdig het stadion. Of je moet er een verdomd goede reden voor hebben, maar niet omdat Ajax achterstaat of omdat, want dat gebeurt ook, dat Ajax al met 6-0 voorstaat en omdat mensen het dan wel geloven. Driewerf neen! Dat doe je niet. Je blijft je ploeg tot het laatste fluitsignaal steunen! Mensen die, omdat het resultaat ze niet aanstaat, eerder vertrekken hoeven wat mij betreft ook helemaal niet meer terug te komen. Laat die kaartjes dan maar aan mensen die Ajax echt willen supporten. Laat die successupporters die bij een kampioenschap het hoogste woord hebben lekker thuisblijven. Onnodige stadionvulling.

Bij kleinere clubs, die vaak ook meer een achterban uit de eigen regio hebben, vind ik de ‘echtheid’ onder de supporters vaak groter. Voor hen gaat het ook om de eer van de stad of de regio. Ajax, waar amper 10 procent van de seizoenkaarthouders in Amsterdam woont, trekt als club met landelijke uitstraling naast echte supporters ook veel meer dagjesmensen en successupporters. Dat is een gegeven bij alle top 3-clubs. Alleen bij ons misschien nog iets meer omdat Ajax de meeste successen heeft, maar bij Feyenoord en PSV zitten ze ook.

Zo dacht mijn ome Rob, een Feyenoorder, dat hij mij wel even kon tackelen met de eeuwige dooddoener over dat zogenaamde ‘hondstrouwe legioen’ van zijn Feyenoord. Mijn oom is kennelijk al een tijdje niet in de Kuip geweest dus als hij daarover leest gelooft hij dat. Heel schattig dat hij daarin gelooft zoals een kind in Sinterklaas gelooft, maar het is onzin van de bovenste en onderste plank. Ik heb hem vriendelijk uitgelegd dat het een mythe, een sprookje oftewel compleet gelul is. En die mythe wordt in stand gehouden door mensen die zelden tot nooit in De Kuip zitten.

Ik heb zeventien klassiekers bezocht in De Kuip, een stadion dat me zeer dierbaar is. De Kuip kan echt trillen als het spannend wordt, dat maakt het zo tof daar. Als het daar loopt kan het spoken als in geen ander stadion in Nederland, eerlijk waar. En wat ik ook zo tof aan die oude mecanodoos vind: ik heb Ajax er nog nooit zien verliezen. Het slechtste resultaat dat Ajax in mijn bijzijn uit de Kuip heeft meegenomen is een gelijkspel. Maar dit terzijde. Mijn oom trok dus die belachelijke ‘hondstrouwe legioen’-kaart. Hij was er bijvoorbeeld in 2006 dus niet bij toen Ajax daar met 0-4 won. Ik wel, want ik stond in het uitvak op GG. Die 0-4 stond na een dik uur al op het bord, daarna miste Ajax nog ongelooflijk veel kansen. 0-10 in Rotterdam was mogelijk geweest die wedstrijd.

Ik heb die oude roestbak aan de Maas nooit meer sneller leeg zien stromen als op die dag. Als er bij het eindsignaal nog 15.000 mensen op de tribune zaten is het veel. De rest zat z’n verdriet al bij Café Bennie Beer, vlakbij De Kuip, weg te zuipen of met een zak over de kop in de tram. Hou toch op je ‘hondstrouwe legioen.’ Dat legioen is al heel lang met pensioen. Ook bij Feyenoord lopen er veel mensen weg als het bagger gaat. Dus mijn ome Rob heeft ook weer wat geleerd.

Mijn ergste moment in de Arena was Ajax-PSV in 2005. Ajax werd overhoop gespeeld. Ook hier stond het na een dik uur 0-4. Drie goals van die vreselijke Mark van Bommel waar we toen allemaal een hekel aan hadden. Een wedstrijd die voelde als een wortelkanaalbehandeling. Om ons heen allemaal mensen die weggingen. Ik heb dat geen seconde overwogen en had me als Ajacied kapot geschaamd als ik dat wel had gedaan. Het bleef gelukkig bij 0-4. Ajax was rijp voor de slacht, PSV was genadig. En onlangs, ik zat niet in het stadion, Ajax-Napoli. Natuurlijk is dat een hel als je daar dan zit. Maar je laat je ploeg niet vallen. Nooit.

Als er bij NAC 18.000 mensen zitten dan nadert het aantal echte NAC-fans een dichtheid van 100%. Wat er gisteren bij Ajax op de tribunes aan echte fans zat? Ik durf het niet exact te zeggen, maar ik denk dat die 100% in elk geval ver uit zicht was. Successupporters kleven nou eenmaal aan elke grote club.

Michael van Praag, de eminente Ajax-voorzitter in de jaren negentig zei het ooit mooi: ‘Bij Ajax zitten ook veel supporters die komen controleren of Ajax wel wint.’ En die overwinningscontroleurs lieten zich dus gisteren weer eens heel duidelijk zien. Het stond 0-3 na een uur. De overwinningscontroleurs hadden genoeg gezien. ‘Kom. We gaan maar eens op huus an.’


Rodweek 148 The Catfather

Waar in Amsterdam of in het prachtige Napels, waar ik vorige maand was, de misdaad en godfather-achtige praktijken nooit ver weg zijn kent men in Agia Galini alleen The Catfather. Criminaliteit bestaat er niet. De straatantenne voor criminaliteit en andere hufterigheid die elke inwoner van een grote stad standaard aan heeft staan kun je in dit vredige dorpje rustig uitzetten. Het is simpelweg niet nodig. Een portemonnee die per ongeluk ergens is laten liggen komt vanzelf weer bij de rechtmatige eigenaar terug. Met inhoud. Probeer dat in Amsterdam of Napels maar eens. De kans dat je de staatsloterij wint is groter. In Agia Galini wonen amper 500 mensen die elkaar allemaal kennen. Zodra je dus iets flikt weet de hele gemeenschap het heel snel en dat maakt het leven daar niet leuker voor je.

Ook onder de toeristen is er geen rottigheid. In Agia Galini komen geen lawaaierige bralballen, doorgesnoven pubers, hossend en kotsend uitgaansvolk of anderszins sfeerverlagend tuig. Die types zitten allemaal in toeristische trekpleisers als Chersonissos en dat soort ellende, ver weg van het afgelegen Galini. Het dorp trekt doorgaans wat oudere bezoekers. Veel boomers! Maar daar hebben we geen last van. Mo en ik behoorden met onze middelbare leeftijd tot de jonkies.

De rust en de vrede in het slaperige vissersdorpje is heerlijk en weldadig voor een week, al moet ik er niet aan denken om er te wonen overigens. Vijf naamloze straatjes is me net iets te benauwend. De straatjes zijn er naamloos. Iedereen kent elkaar, dus de post komt altijd aan. Dat wordt gewoon op een centrale plek afgeleverd. En als je ergens moet wezen dan wordt er gerefereerd aan een hotel of restaurant dat er in de buurt zit.

De politie zit een aantal dorpen verderop. Dus als er al eens iets spannends gebeurt duurt het nog best een tijdje voor de kit ter plaatse is. Datzelfde geldt ook voor de brandweer en het ziekenhuis. Beter fik je je huis dus niet af en breek je niks want het ziekenhuis in Heraklion is anderhalf uur verder. En beter krijg je er dus ook geen hartklapper: de overlevingskans is niet bijzonder groot als de ziekenwagen een tijdje onderweg is of iemand moet je brengen. Dan is het maar hopen dat iemand kan reanimeren. Gelukkig heb ik altijd mijn persoonlijke verpleegkundige bij me!

Geen godfather, maar een Catfather dus in Galini. The Catfather is onze vriend George. Samen met zijn vrouw Vicky bestiert hij een café en een restaurant aan de haven. Het is onze favoriete plek in het dorp. En niet alleen die van ons: ook van de plaatselijke straatkatten die George allemaal verzorgt. Dat zijn er een stuk of twintig. En dan zijn er ook nog een stuk of vijftien in en om het dorp die ook op eten van de Catfather kunnen rekenen. In het café staat ook een box waar mensen geld kunnen doneren zodat George zijn schone taak kan blijven vervullen.

Gisteren zijn we teruggekomen in Amsterdam. Terug naar het getoeter, de drukte op straat en de sirenes. En de straatantenne kan ook weer aan. Heerlijk opgeladen door de Griekse zon. We kunnen er weer helemaal tegen. Volgend voorjaar gaan we weer terug naar het pittoreske vlekje op de kaart van Kreta, waar het leven niet spannender wordt dan een paar vechtende straatkatten, waarna Catfather George ‘zijn’ beessies ‘an offer they can’t refuse’ geeft.

Rodweek 139 Bierenbeulen

Noem mij ouderwets opgevoed, maar ik heb altijd geleerd dat je bier of wat voor drank dan ook, moet opdrinken en niet zomaar weggooien. Dat niet iedereen zo is opgevoed weet ik al een tijdje. Ergens in de jaren negentig ontmoette ik een leuk meisje in Amsterdam. Ze was op stap met vrienden uit haar dorp. De avond eindigde met een beetje tongworstelen en telefoonnummers uitwisselen en na enkele dagen hing de jongedame inderdaad aan de telefoon. Zij vroeg of ik langs wilde komen naar de boerenkermis in haar dorp.

En zo bevond ik mij een weekend later in de bus naar een dorp waarvan ik de naam niet eens meer weet. Mijn scharrel van de week daarvoor was met een grote vriendengroep uit haar dorp op stap. Ik besloot maar meteen om een goede beurt te maken (ook in de hoop op een goede beurt later) en bestelde een tray bier voor haar en haar vriendengroep. Ik deelde het bier keurig uit en nam een slok. Niet veel later vlogen de eerste biertjes door de lucht. En weer iets later zag ik mensen hele bladen bier door de lucht gooien! Ik had nog nooit zoiets gezien. Altijd netjes je bier opdrinken had ik altijd geleerd, maar dat bleek hier een totaal onbekende gedachtegang. In dit dorp spaarden de mensen letterlijk het hele jaar voor de kermis en om met bier te gooien! Ik begreep er geen klote van. Ik was al blij als ik met mijn spaarzaam verdiende centjes op stap kon gaan en dan mijn biertjes kon opdrinken. Daar op die boerenkermis vloog het bier met honderden guldens tegelijk de tent door. Ik wist niet wat ik zag en vond het ook eerlijk gezegd zonde om van mijn zuurverdiende geld nog bier voor deze mensen te kopen. Het meisje dat ik een week daarvoor dus nog wel zag zitten bleek eenmaal in haar eigen dorp ook in een bierenbeul te zijn veranderd en gooide vrolijk lachend mee. Om een uur of 20.00 had ik het wel gehad met deze onzin en besloot ik weer terug te gaan naar Amsterdam. Dit was niet mijn feestje. Ik ging gewoon weer naar mijn stamkroeg om daar gewoon bier te drinken met andere mensen die ook gewoon bier dronken.

En ondanks de economische crisis is het kennelijk dus nog steeds hot and happening om met bier te gooien op dit soort festijnen. De laatste tijd komt het steeds vaker in het nieuws dat er gericht gegooid wordt op artiesten ‘want dat is traditie’. Tja, Nederlanders en hun tradities… Ik begrijp de artiesten die tegenwoordig gewoon van het podium stappen na een bierdouche volledig. Wat je ook van die artiesten vindt. Ik ben bepaald geen fan van artiesten als Mart Hoogkamer of Lil’Kleine maar ik snap dat ze dat barbaarse gedrag naar hen toe gewoon niet meer pikken. Naast de respectloosheid kan er ook apparatuur beschadigd raken of is een DJ al zijn muziek en data kwijt omdat een of andere randdebiel bier over z’n laptop heeft gegooid. De organisatie die hard z’n best heeft gedaan om voor veel geld een bekende artiest te contracteren is z’n geld kwijt en de mensen die wel voor de show komen zien hun favoriete artiest niet optreden.

Zoals veel van die gezellige Nederlandse tradities nou eenmaal terecht een keer eindig zijn mag deze zogenaamde traditie van mij ook stoppen. Gewoon omdat het idioot en respectloos is naar de artiesten, organisatie en het welwillende publiek toe. En daarbij is bier toch gewoon veel lekkerder om te drinken? Stelletje bierenbeulen!

Rodweek 138 Marnixstraat

Afgelopen week was ik aan het lunchen met mijn gabber Marnix. Marnix en ik kennen elkaar van Ajax. Ik heb een vaste stoel bij Ajax maar ik sta liever achter de tribunes bij de bar met de jongens die daar ook altijd komen en vanaf daar kunnen we de wedstrijd ook prima volgen. Hoeven we ook niet zo ver te lopen om bier te halen en hinderlijk voor mensen langs te lopen. Daar kies ik zelf voor. Marnix heeft ook een vaste stoel bij ons in het vak maar daar heeft hij nooit zelf voor gekozen. Daar zit hij zijn hele leven al in, namelijk een rolstoel. Wat ik zo tof vind aan Marnix is dat hij ondanks zijn fysieke beperkingen nooit zeikt en klaagt, maar overal gewoon het beste van maakt. En die instelling helpt er zeker aan mee dat hij het gewoon goed voor elkaar heeft in het leven. Leuk huis in een mooie Amsterdamse buurt, een goede baan als gemeenteambtenaar, z’n Ajax-seizoenkaart en een actief sociaal leven.

Marnix is nooit negatief. Hij telt zijn zegeningen en roeit met de riemen die hij heeft. En dat doet ie verdomd goed. Niet zeiken en janken van ‘boehoehoe, wat is het leven toch moeilijk’, maar gewoon doen. Daar zouden de klagerige mensen die ik ken (best veel) en die geen fysieke beperkingen zoals hij hebben echt eens een heel groot voorbeeld aan moeten nemen. Met enige regelmaat gaan we samen lunchen op het Waterlooplein. Hij is ambtenaar en werkt bij mijn overburen van de Stopera, de ietwat bipolaire combinaam van het Amsterdamse stadhuis en operagebouw. We lunchen dan altijd bij Café Waterloo, een fijne echte Amsterdamse lunchtent waar ze voor een prima prijs nog een lekker broodje bal en een puike uitsmijter serveren. Even lekker bijlullen over levenszaken, voetbal, vrouwen en andere dingen die wij belangrijk vinden. We betalen altijd om de beurt, maar we vergeten allebei altijd wie als laatste heeft betaald, dus dan trekt een van ons twee random de kaart en dan vergeten we de volgende keer gewoon weer wie er de laatste keer heeft betaald. Ik hecht veel waarde aan onze lunches.

Zijn rolstoelplek in de Johan Cruijff Arena noem ik dan ook altijd liefkozend ‘De Marnixstraat’.

En over de Marnixstraat gesproken: het is niet de Brad Pitt of de Brigitte Bardot van de Amsterdamse straten, laten we eerlijk zijn. Het is wel een straat waar ik veel voetstappen en historie heb liggen. Vooral qua uitgaan. En de laatste 2 maanden heb ik er ook gewerkt.

‘Ja maar, Rod, de Melkweg ligt toch aan de Lijnbaansgracht?’
Dat klopt, maar ik werkte in de MILK, wat vroeger gewoon het Melkweg Café heette, en die heeft de ingang aan de Marnixstraat. Ik schrijf dus ‘werkte’, in de verleden tijdsvorm. Dat klopt, want ik ben er alweer gestopt. Mijn hart ligt helemaal in de Melkweg. Ik ben een kind van de Melkweg. Ik heb daar 19 jaar gewerkt (1998-2017) en ik had gehoopt om de MILK, wat altijd een beetje een loshangend deeltje is geweest van de Melkweg, te kunnen helpen met mijn jarenlange horeca-ervaring. Helaas hebben we elkaar niet kunnen brengen wat we er van gehoopt en van verwacht hadden. Ik ben dan in dat soort situaties altijd tamelijk rigoureus: als ik het niet naar m’n zin heb dan ga ik weg. Dan ga ik er mijn tijd niet verder mee verdoen. Zo heb ik het altijd en overal gedaan. Ik moet het ergens goed naar mijn zin hebben. En als niet: even goede vrienden, maar dan maakt deze pappie de pleiterik. Het lag overigens niet aan de collega’s, dat zijn lieve leuke jongmensen. Het lag er meer aan dat ik daar bepaalde dingen niet gauw zie veranderen die wel gauw moeten veranderen en die ik niet zomaar kan veranderen. Dan heb ik het gevoel dat ik aan een dood paard sta te trekken. Daar ga ik me dan dus niet meer verder meer tegenaan bemoeien en zo sloot ik vannacht mijn tweede Melkwegperiode af. En de tweede periode duurde dus maar twee maanden. Jammer maar helaas. Het doet niets af aan mijn liefde voor de Melkweg. De Melkweg is mijn tweede huiskamer en ik zal daar altijd terugkomen. Alleen waarschijnlijk niet meer als werknemer.

Ik heb wat dat betreft dezelfde instelling als Marnix. Ik zeur en klaag niet over dat soort dingen: als iets me niet bevalt of niet goed voelt en ik zie dat ik er niks aan veranderen dan ga ik er gewoon vandoor. ‘Sans rancune’. Ik blijf nooit hangen in het negatieve. Mazzeltov ouwe en op naar het volgende project.

Nou ben ik al bijna 25 jaar werkzaam in het uitgaansleven: het is een mooie tijd om de pauzeknop even in te drukken en me te focussen op mijn werk als copywriter en op het uitbrengen van mijn nieuwe boek. En wanneer en of ik die horecapauzeknop weer op ‘play’ zet zien we over een paar maanden wel weer. Het eerstkomende half jaar ben ik lekker mijn eigen baas. Even geen gezeur meer van werkgevers. Geen gesmeek of ik op feestdagen wil werken. Collega’s die altijd willen ruilen. Of nog erger: niet op komen dagen omdat ze niet goed op het rooster hebben gekeken. Als ik 5x oud en nieuw heb gevierd zonder te werken is het veel. Koningsdag idem. Niet erg, want ik geef niet veel om feestdagen en heb het altijd met plezier gedaan, maar ik wil het de komende tijd gewoon even zelf bepalen. Ik wil even geen vrij meer vragen maar vrij zijn. En dat kan nu! Dat is een groot goed.

En mocht het horecabloed over een tijdje toch weer kruipen waar het niet gaan kan over dan zal ik vast wel weer eens ergens achter een barretje kruipen. Met alle plezier. En gewoon omdat ik het dan weer leuk vind om te doen.

Misschien wel ergens op de Marnixstraat.

Rodweek 134 Amsterdamalia

Prinses Amalia is dankbaar dat ze ondanks de woningnood een kamer in Amsterdam heeft kunnen vinden. Vriendinnen van haar hadden daar wat meer moeite mee, zo vertelde ze laatst in een interview. Haar woorden zijn ongetwijfeld heel erg lief bedoeld, dat geloof ik echt. Ik geloof niet dat het kind enige kwade intenties heeft gehad met haar verhaal. Ze is gewoon een meisje van 18 die het leuk vindt om te studeren en op zichzelf te gaan wonen in onze hoofdstad. Dus bij dezen, Amalia, welkom in onze prachtige stad en geniet er van!

Maar toch schuren haar woorden een beetje. Als ik haar media-adviseur was geweest had ik daar ingegrepen. ”Amalia, lieve schattepatat van me, het is gewoon beter dat je dit gewoon even niet zegt. Mensen vinden je al een rijk verwend kutkind met te veel privileges. Ga nou niet vals bescheiden lopen te doen. Iedere gek weet dat je toch wel een woning daar krijgt. En anders vraag je of je achteroompje, de meest gehate man van Amsterdam, Bernard junior, nog een pandje heeft. Vast wel. Verdient ie er nog een roestig stuivertje aan ook. Hoe goed je het ook bedoelt: niemand gelooft dit. Ga daar wonen, geniet en hou je mond, indachtig je voorvader Willem de Zwijger.”

Natuurlijk hoeft Amalia geen moeite te doen om een kamer of een woning in onze stad te krijgen. Natuurlijk heeft zij niet hoeven hospiteren, natuurlijk gaat zij niet ergens in een verpauperde buitenwijk wonen en natuurlijk zal ze zich nooit zorgen hoeven te maken om zaken als huurschuld of andere financiële ratsmodee waar haar medestudenten misschien wel mee te te maken krijgen. Daarvoor staat een prinses te ver van het echte leven af. Amalia probeert een zo normaal mogelijk leven te leiden en dat is lovenswaardig, maar zal zij ooit weten hoe het is om te zwoegen in kroegen, achter de kassa van de supermarkt te staan of te weten hoe het is om nog maar een tientje te hebben om de week door te komen. Nee. Daar gaat ze allemaal geen idee van hebben. Terwijl ik haar eigenlijk wel een normaal jonge mensenleven zou gunnen. Weten hoe het is om echt je eigen geld te verdienen, om jezelf het snot voor de ogen te werken voor een schamel kutloontje, om drie dagen met een pan nasi te doen, starnakel dronken te worden en wakker te worden in het bed van een wildvreemde. Ik zou het haar allemaal gunnen, maar ik zie het niet gebeuren.

Daar kan Amalia niets aan doen. Zij is nou eenmaal met de spreekwoordelijke gouden lepel in haar mond geboren. Niemand op de wereld heeft ooit bepaald waar en in welke omstandigheden hij of zij is geboren.

Amalia, geniet van de mooiste stad van de wereld en het liefst op een zo normaal mogelijke manier. We noemen je vanaf nu Amsterdamalia. Maar één ding wil ik onze kersverse inwoonster meegeven: niet meteen ‘ja’ zeggen als een vriendelijke Amsterdammer je aanbiedt of-ie effe je gangetje mag witten.

Rodweek 132 Zwarte Longsleeve

Ik schrijf tegenwoordig als copywriter voor een bedrijfsuitjes-site. Ze organiseren een diversiteit aan personeelsuitjes en daar schrijf ik dan wervende teksten voor. Zo weet ik inmiddels alles van de ‘City Escape Room’ in Breda, het ‘Wie is de Mol Spel’ in Leiden en ‘Het Moordspel’ in Zwolle. ‘Actieve teamuitjes’, City Game en ‘teambuilding’ zijn termen die ik tegenwoordig dagelijks gebruik.

Nou, ik heb er sinds vanochtend zelf ook eentje bij bedacht. Dit uitje heet ‘Koop een zwarte longsleeve in het centrum van Amsterdam.’ ‘Een actief en dagvullend teamuitje waarbij je ook nog eens je kilometers maakt! Goed voor je stappenteller!’

Vanmorgen zei ik, nog half slaperig tegen mijn vriendin ‘Lieverd, ik ga even een paar zwarte longsleeves kopen in de Kalverstraat, voordat die klotedrukte daar uitbreekt. Ben zo terug.’ Gewoon een simpel zwart shirt met lange mouwen. Geen drukke teksten, prints of andersoortig gedoe erop. Gewoon basic. Daar koop ik er eens in de paar jaar altijd een zooitje van. Makkelijk, representatief en functioneel voor een horecamedewerker, want je ziet er geen vlekken op. Maar goed, de longsleeves die ik had begonnen wat slijtage te vertonen, dus ik had een paar nieuwe nodig.

Ik woon achter de Kalverstraat. Het winkelmekka van Nederland. Ik vind het een vervelende kutstraat, ik kom er zo min mogelijk, maar goed, soms moet het nou eenmaal even. Een zwarte longsleeve dus. Even snel halen en naar huis.

Ik begon bij de ‘We’, een soort H & M voor grote mensen. Geen longsleeve. Nog 2 andere kledingzaken, ook niks. De H & M op de Dam dan maar: alleen lichtblauw. De Bijenkorf vind ik een proletentent. Ten einde raad: in godsnaam dan de godvergeten Primark maar. Vooruit, tegen niemand zeggen dat je het daar hebt gekocht. Ook niks!

Zwarte longsleeves, die kocht je nog niet zo lang geleden met hetzelfde gemak als waarmee je een brood of een pak melk in de supermarkt uit het schap trok! Daarover gesproken: ik moest nog boodschappen doen. Door de Damstraat naar de Jodenbreestraat. Hey, daar is nog een Zeeman. Zouden die dan een zwarte longsleeve hebben? Neen. Gedesillusioneerd liep ik naar huis. In zes fokking winkels geweest zonder iets simpels als een zwart shirt met lange mouwen kunnen vinden. En niet in Schubbekutteveen of Koog aan de Greppel, maar in Amsterdam-Centrum!

Achter de Kalverstraat wonen en geen zwarte longsleeve kunnen vinden. Alsof je in de kroeg staat en dat de barkeeper dan zegt dat er niks te drinken is. Ongelooflijk.

Weer een uur van m’n leven dat ik niet terugkrijg. Maar m’n zwarte shirtjes komen er wel hoor! Gewoon zojuist besteld via internet….

Rodweek 131 Beroemd in Agia Galini

Mijn vriendin Mo viert haar vakanties reeds sinds 2007 in Agia Galini, een piepklein stipje op de kaart in het zuiden van Kreta. Er wonen ongeveer 500 mensen en in het toeristenseizoen misschien het dubbele. Het dorp bestaat uit drie hoofdstraatjes met wat zijstraatjes die gevuld zijn met winkeltjes en horeca. Heel pittoresk. Mo is daar in die vijftien jaar minstens dertig keer geweest, dus zoals iedere inwoner elkaar daar kent kent iedereen Mo daar ook. Ik ben nu, as we speak, voor het eerst mee en overal waar we komen wordt Mo als een verloren dochter in de armen gesloten. Het is echt alsof ik met een beroemdheid op stap ben.

Dat Agia Galini zo’n kleine gemeenschap is heeft één groot voordeel: is er geen criminaliteit. Alles en iedereen kent elkaar, dus je haalt het niet in je hoofd om iets al te stouts te doen, want als je gepakt wordt dreigt de verstoting. Als jongere zou het me vreselijk beklemmend lijken om in zo’n besloten gemeenschap op te groeien, maar voor ons, grotestadsmensen, is het wel eens lekker om even tien dagen totaal niet op je hoede te hoeven zijn voor zakkenrollers, dieven, junkies, agressievelingen en ander sfeerverlagend klotetuig. De enige vorm van agressie die ik hier tot nu heb gezien is dat vier straatkatten elkaar een paar tikken gaven en een beetje naar elkaar zaten te blazen. Spannender wordt het hier niet.
Normaal gesproken ga ik, ook als ik op vakantie ben, bijna altijd naar een grote stad. Ik houd van de reuring en de dynamiek van de de grote stad. Maar tien daagjes in dit kleine pittoreske stranddorpje is prima uit te houden. We kwamen om uit te rusten van een drukke periode en dat kan hier meer dan uitstekend. Daarbij zijn wij allebei totaal geen actieve vakantiemensen. Voor ons geen urenlange wandelingen door de bergen, abseilen of ander veel te sportief en actief gedoe. Wij hobbelen gewoon de hele dag van restaurant naar terras naar strand en weer terug naar het hotel. We eten en we drinken wijn. En we moeten overal verplicht raki drinken. We spelen Tric Trac en we lezen. Meer doen we niet en meer willen we ook niet. In Amsterdam krijgen we het straks weer druk zat met onze banen en het hele leven er omheen.
De toeristische populatie bestaat voornamelijk uit Nederlanders en Belgen en hier en daar wat Duitsers en Engelsen. En dat zijn net als Mo vaak ook mensen die er al jaren komen, dus die kennen elkaar ook weer allemaal. Iedereen die hier is geweest is dus al snel beroemd.

Met mijn 45 lentes ben ik nog een van de jongere toeristen hier. Dat is een grappige gewaarwording. De meeste toeristen hier zijn allemaal boven de 50 of pensionado’s. Voor jongeren is hier ook niet heel veel te doen. En nou is hier ook een strand en kun je ook hier zuipen tot je nek kraakt, daar helpen Grieken graag aan mee, maar heel wild is het stapleven hier natuurlijk niet. De jongeren zitten dus meer richting het noorden in plaatsen als Chersonissos of Malia met hun lamme kop shotjes tequila uit elkaars navel te lurken in hysterische barren met kutmuziek. Of ze hangen rond in de grote stad Heraklion.

Nee, wij slenteren lekker ouwelullerig door het dorpje, ploffen hier en daar neer op een terras van één van Mo’s vrienden en gaan dan weer door naar de volgende. Tijd bestaat niet. Behalve zometeen. We gaan heel actief met de bus naar de markt in een dorp verderop. En die moet je halen anders moet je twee uur wachten op de volgende bus. In Amsterdam vinden we het al bloedvervelend als de tram maar eens in het kwartier rijdt. Dat moet je loslaten hier.

Dorpsleven.

Voor een dagje of tien is dat prima uit te houden voor deze cityboy. We zitten nu op dag 5. Volgend jaar gaan we weer. Dan hoor ik waarschijnlijk ook al een klein beetje bij de beroemdheden van Agia Galini.

Rodweek 127 Virussen of vier Russen

‘’Oh nee hè, daar zal je het hebben, het komt steeds dichterbij, de eerste Rus valt het café binnen!’’, riep ik toen de deur van ons café openzwaaide. Het was op de dag dat Poetin besloot dat het een leuk idee was om Oekraïne binnen te vallen. Gelukkig was het gevaar niet heel groot en ging het om een van onze stamgasten die toevallig Rus van zijn achternaam heet.

Tja, waar moeten we tegenwoordig nou meer bang voor zijn: van virussen of van vier Russen? Voorlopig het laatste. Dat virus waar de hele wereld twee jaar lang mee heeft moeten dealen lijkt inmiddels redelijk onder controle en dan krijgen we dit gezeik weer. We leven in een rare tijd.

Ineens moeten alle mannen van 18 tot 60 in de Oekraïne beschikbaar zijn om onder de wapenen te gaan. Ik moet er niet aan denken dat het hier ooit gebeurt. Mijn keuring voor de militaire dienstplicht was op 15 maart 1995, drie dagen na mijn 18e verjaardag op de marinekazerne bij Kattenburg, vlakbij het Centraal Station in Amsterdam. Ik had totaal geen zin om in dienst te gaan, maar ik had het geluk dat de dienstplicht in die tijd op de helling stond. Het negen maanden verplicht getraind te worden om mensen neer te schieten hoefde allemaal niet zo per se meer. Maar desalniettemin probeerde ik het lot toch een handje te helpen door net iets te bijdehand, onhandig of op andere wijze vervelend te doen. Dan zagen ze vast mijn ongeschiktheid en mijn totale gebrek aan motivatie. Er was wel één gelukkige omstandigheid aan deze voor mij totaal zinloze dag: het was op een woensdag en op die dag was het op Kattenburg altijd ‘’blauwe hap’’, dus Indonesische rijsttafel! Woohooooo! Dat hoefden ze deze achttienjarige pinda die destijds de eetlust van een Indische olifant had geen twee keer te zeggen, dus toen we mochten eten schepte ik drie keer op. En ik at veel in die tijd, dus bordjes met een kop er op. Dat ik toen amper 65 kilo woog is een wonder.

Aan het einde van de keuring werd ik op een kantoor geroepen. Ik was ondanks mijn vervelende gedrag en onhandigheid volledig goedgekeurd om het land te dienen. Maar of ik wel zin had om in dienst te gaan? Ik zei dat ik eerlijk gezegd wel wat andere plannen met mijn leven had. En dat ik het onzin vond om ooit voor zaken te vechten waar ik niks mee te maken heb. Als ik, of één van mijn vrienden ergens ruzie krijgt en ik daar op micro-niveau even een klein oorlogje mee moet uitvechten: prima. Dan is dat even mijn strijdje. Maar wat heb ik te maken met ruzies tussen wereldleiders? Helemaal niks. Zoek het uit. Oorlog voeren voor vrede is als neuken voor maagdelijkheid, het is zinloos. Maar gelukkig zijn er zat strijdvaardige mannen die dat vechtersvuur wel hebben. Laat die het lekker doen.

Met die verklaring nam de hoge pief genoegen. Ik had de tijd gelukkig mee, omdat de dienstplicht in 1995 dus zo ongeveer op afschaffen stond. Ik zou er nog wel van horen. Nooit meer wat van gehoord gelukkig. Bovendien hadden ze aan mij toch niet veel gehad. Wat moet je nou met ongemotiveerde soldaten? Ik ben voor een beroepsleger met mannen die het echt willen. Vrienden van mij die iets ouder waren hebben nog wel dienstplicht moeten doen en kwamen met de wildste verhalen over elke avond zuipen, roken, blowen, hoerensnoeren en er nog geld voor krijgen ook. Die vonden het fantastisch. Een aantal waren gelegerd in Seedorf, net over de grens bij Duitsland. ‘’Nou, als die Duitsers ergens Nederland konden binnenvallen dan was het bij ons!’’ Dat soort stoere verhalen hoorde ik dan. Misschien net iets te hanig verteld door de jongens in kwestie. Maar ik denk niet dat ik een veel betere soldaat was geweest. Aan mij is geen goeie militair verloren gegaan. En dat zuipen en achter de meiden aangaan deed ik liever gewoon in Amsterdam. Dat leek me wel spannend genoeg.

Maar er zijn dus nu mannen van mijn leeftijd in de Oekraïne die nu ineens een wapen in hun hand gedrukt krijgen: ‘’Zo, hier, kijk eens Evgeniy, hier is een geweer, trekkertje naar je toe trekken, richten, schieten en succes ermee.’’ Ik moet er niet aan denken. Geld ook voor de mannen aan de tegenpartij. Dit is niet hun strijd. Het is de strijd van de grote mannen boven ze. De mannen die nu gaan sneuvelen geven hun leven, maar voor wat? En voor wie? Voor je land? Hou op. Om maar te zwijgen over alle burgerslachtoffers die nergens wat mee te maken hebben.

Het is wellicht utopisch, want die Poetin is zo geschift als een pak yoghurt, maar ik hoop dat deze ellende snel voorbij is. En dat mijn stamgast de meest gevaarlijke Rus blijft die ik in mijn zaak krijg.