Rodweek 204 Schip-hel (en andere stomme vliegvelden)

Op het moment van schrijven zit ik in een vliegtuig. We staan nog op de startbaan in Heraklion, Kreta en het is de dato 20 mei 2024, 22.35. Ons vliegtuig naar Amsterdam staat op het punt van opstijgen. Laat ik in dezen meteen maar duidelijk zijn: als vliegvelden een ras zou zijn zou ik de hardste racist van deze planeet zijn. Ik haat vliegvelden tot in het diepst van mijn vezels. Totaal anti-airport. Ik ben dol op reizen en heb daardoor ook veel van de wereld mogen zien, maar ik heb een bloedhekel aan reizen. Steden als Londen, Parijs of Berlijn zijn tegenwoordig heel makkelijk per trein te bereiken, dus als die mogelijkheid er is dan kies ik absoluut daarvoor. Neem Londen. Niet meer dat eeuwige gekloot op vliegvelden als dat nare en onhandige Heatrow of anderhalf uur uit de stad worden gedropt in naargeestige oorden als Gatwick of Luton.

Wij wonen praktisch naast Amsterdam Centraal Station. Ik ben vaak in Londen geweest maar ik vond het de laatste keer dat ik er was een verademing om daar met de trein heen te gaan. Opstappen op Amsterdam Centraal, wat te eten en een fles wijn of twee mee, een paar afleveringen van een leuke serie kijken, een spelletje spelen en hoepla de poepla: voor je het weet stopt die trein ineens op Kings Cross, hartje Londen. Die vier uur zijn voorbij voor je het weet. Nul stress en dito gezeik. Je slingert je zooi neer in het shabby hotel aan de overkant en dan gaan we in één streep door naar mijn nabijgelegen favoriete wijken als Camden of Islington!

Dat is zo anders en zoveel fijner dan minimaal twee uur van te voren op het vliegveld te moeten zijn. Dat eeuwige wachten en alle controles die je moet ondergaan. Behandeld worden als verdachte in plaats van als iemand die gezellig een reisje maakt. Ik snap alle maatregelen heus wel, want de mensheid is al een tijdje geleden ontspoord, maar dat ellenlange wachten en gedoe op het vliegveld voelt voor mij als alles behalve relaxed en gezellig reizen. En dan die mensen die zodra de gate opent gelijk als eerste in het vliegtuig willen zitten. Luister ouwe, dat ding vertrekt niet zomaar zonder je. En die mensen willen er ook altijd weer als eerste uit als we zijn geland. Met voordringen en alles erbij. Die mensen zijn nog bang dat ze te laat op hun eigen begrafenis komen. Hou op met me. Ik loop altijd zo ongeveer als laatste dat ding uit.

En dan is er ook nog dat eeuwige wachten op je bagage. Bij het uitdelen van de gave die ‘geduld’ heet heb ik bepaald niet vooraan gestaan. Dus als iets naar mijn zin te lang duurt word ik snel narrig. En onze koffer rolt dus nooit als eerste van de bagageband. Altijd als een van de laatste. Zelfs in zo’n veredelde tramhalte als Heraklion gaat het zo. Dat gewacht vind ik dus gekmakend. En dan heb ik ook nog eens razende trek in een sigaret, waardoor ik er ook niet gezelliger op word. Ik voel me telkens als ik een vliegveld verlaat alsof tram 17 vijf keer over me heen is gereden. Heen en terug. En dan heb je honger op zo’n vliegveld: vieze kleffe prefab-broodjes kopen voor woekerprijzen. Of je drankjes die de hoofdprijs kosten. Ik ben toch godverdomme niet bij Ajax?! Wij bakken dus altijd lekker broodjes met gebakken ei voordat we op reis gaan. En geloof mij maar als ik zeg dat weinig mensen een beter ei kunnen bakken dan ome Rod, dus dan ga ik geen tientje voor een hooguit matig voorverpakt broodje betalen.

Hoe groot mijn weerzin tegen vliegen ook is: de favoriete vakantiebestemming van mijn meisie en mij is nu eenmaal Agia Galini op Kreta. En daar kom je niet zo makkelijk met de trein. Dus we zijn gewoon veroordeeld tot die vermaledijde vliegreis naar Kreta. Een vliegreis voelt voor mij als een bezoek aan de tandarts: ik zie er altijd tegenop en ik haat het intens, maar uiteindelijk komt het goed. En als het er eenmaal opzit ben ik ook weer blij. Blij om in ‘ons’ dorp te zijn en om onze vrienden daar weer te zien. Dan ben ik de hele vliegveldellende op slag weer vergeten.

Het vliegen zelf houd ik ook niet van, maar dat heb ik inmiddels zo vaak gedaan dat ik dat een soort van gedoog. Daar kon ik vroeger gigantisch tegenop zien, maar dat valt mee tegenwoordig. Ik heb geen Bergkampiaanse vliegangst meer. Het voelt even vervelend bij het opstijgen. Ik houd ook niet van achtbanen. Dat vind ik niet leuk, maar vooruit, daar kan ik inmiddels me dealen. Het ergste van de hele reis vind ik gewoon vliegvelden. Ik koester daar diep verwrongen haat tegen. Mijn vrouw is wat dat betreft evenwichtiger in dit soort zaken. Dat reisgedoe interesseert haar niet zoveel en ze vindt dat ik daar niet zo veel over moet zeiken. Maar ze zit nu drie rijen achter me dus ik kan lekker schrijven wat ik wil nu.

Mijn antipathie tegen vliegvelden grenst aan hondsdolheid. Ik kan me dus de hele dag al druk maken over hoe weinig zin ik in de vlucht heb, maar vooral in hoe erg ik geen zin in dat vliegveld heb. Mijn vrouw ligt dus drie rijen achter mij te slapen. Dat zou ik ook wel willen. Ik ben namelijk bekaf. Maar ik kan ook al niet goed slapen in het vliegtuig. Ook omdat ik dat niet wil, want ik snurk zo hard dat mensen het vliegtuig uit willen springen, dus dat wil ik ook niemand aandoen. En er zit natuurlijk weer een of andere jankende baby vlakbij me, dus ik kán niet eens slapen. En dus blijf ik gewoon maar wakker om een lekker zuur stukje te schrijven over mijn intense vliegveldenhaat.

Ik zie er nu al weer tegenop om om 2.30 Nederlandse tijd te landen en dan te moeten wachten op die kutkoffer die natuurlijk weer als laatste van die oneindige bagageband rolt. Die hoopvolle blik die we hebben als er weer verse koffers op de band kletteren en dat dat het ‘m dan elke keer niet is. Ik haat dat intens.

Maar alles komt goed. Mijn meisje ligt drie rijen achter mij te slapen. Vol en zoet. Nadromend over onze heerlijke vakantie.

Mijn stip aan de horizon is dat we straks zijn weer fijn thuis zijn thuis zijn bij Ouwe en Dibbes. Onze geweldige oppas Nicky heeft gezorgd voor een flessie wijn voor onze thuiskomst en voor broodjes en eieren voor als we morgen wakker worden. Als ik dat straks allemaal zie: dan ben ik die kolerevliegvelden op slag vergeten. Maar eerst de Schip-hel maar weer overleven.

Rodweek 203 Kretenzer Kronieken 7 Met Vissen vang je vissen


Onze Kretenzer vrienden Vicky en George hebben jarenlang de kroeg Zorbas en het onderliggende restaurant Madame Hortense bestierd in de haven van Agia Galini. Daar zijn ze eind oktober 2023 mee gestopt. Ik ben blij dat we nog even samen het licht hebben uitgedaan. Het heeft als voordeel dat Vicky en George nu tijdens onze vakantie tijd hebben om leuke dingen met ons te doen aan de recreatieve kant van de bar. Het nadeel is dat wij onze stamkroeg kwijt zijn. Maar dat laatste is een egocentrische gedachte. Hun vroege pensioen is ze van harte gegund. Het doet ze zichtbaar goed constateren we een ruim half jaar later. Niet meer die constante druk. Het pensionadoschap staat ze goed. Want ook in een klein poepdorp als Agia Galini is horeca tijdens het toeristenseizoen gewoon keiharde topsport. Van begin april tot eind oktober oogkleppen op en beuken. En buiten het toeristenseizoen moet er ook altijd wel wat gebeuren in de hut, dus ik begrijp ze helemaal.

‘Rod, zou jij nooit je eigen kroeg willen hebben?’ Het is een vraag die ik regelmatig krijg. Mijn antwoord: ‘Alsjeblieft niet! Een kroeg hebben is meer dan alleen maar de deur opengooien en gezellig drankjes en eten serveren. Je moet een boel kikkers in de kruiwagen houden. Het zou mij te veel hoofdpijn kosten.’

George is geboren en getogen in Agia Galini en komt zoals veel dorpelingen uit een vissersgeslacht. Zijn vader is ook nog steeds visser. George kon eerder een vis vangen dan lezen en schrijven en hij vaart nu elke dag recreatief. De Libische Zee waar Agia Galini aan ligt is al een dikke halve eeuw zijn achtertuin. Varen geeft hem het ultieme gevoel van vrijheid.

En zo werden mijn Belgische vriend Chris en ik uitgenodigd om eens een ochtendje met hem mee te gaan. Chris en ik zijn allebei geen vissers. Je zal mij nooit op een krukje aan een prutsloot, rivier of een meertje zien zitten met een hengeltje, een sigaretje en een flessie drank. Althans met die laatste twee misschien nog wel. Maar vissen? Nooit mijn ding geweest. Heb ik het geduld niet voor. De Amsterdamse vissenpopulatie heeft dus niets van mij te vrezen.

Maar een uitnodiging van een echte Kretenzer visserman mag je natuurlijk nooit in de wind slaan en dus stonden Chris en ik op een windstille dinsdagochtend in de kleine haven van Agia Galini. Klaar om de zee te bevaren en vis te vangen. Ik heb nog nooit in mijn leven een vis gevangen, Chris ook niet, maar George verzekerde dat daar op de deze dag verandering in zou komen. Zeker niet ‘tipota’ (het Griekse woord voor ‘niets’).

En godverdomme, hij kreeg nog gelijk ook. Mijn eerst gevangene was een lullig klein visje, maar die tellen ook. Onder de vakkundige leiding van George vingen Chris en ik gezamenlijk zo’n vijftien vissen in anderhalf uur. Voornamelijk red snappers. Ik weet dat George zijn vis weleens verkoopt aan de restaurants in de haven en aan het strand, maar deze oogst gingen we zelf opeten. Hij belde met een restaurant en daar werd onze vers gevangen vis klaargemaakt en gebakken voor ons en onze dames. Salades, wijn en raki erbij: het was een toplunch! Het is een aparte sensatie om je zelf gevangen lunch te nuttigen.

Ik vond het fantastisch. Chris en zijn vrouw moesten de volgende dag weer terug naar België, maar ik wilde en mocht nog een keer mee met George. En aldus zat ik woensdag weer op de boot. We gingen dit keer voor het grotere werk: baracuda’s. Noem mij maar Fisherman’s Friend. De zee was wilder dan de dag ervoor, dus het was deze dag helaas tipota.

Voor wie weet wat mijn sterrenbeeld is: Vissen. Zoals je met boeven boeven vangt vang je dus vissen met Vissen!


Rodweek 202 Heerlie de peerlie

Wat je van ver haalt is goed, zo luidt het gezegde en dus had ik eind 2002, begin 2003 een buitenlandse scharrel. We hebben elkaar over en weer een aantal keren bezocht en kwamen er gelukkig snel genoeg achter dat een echte relatie er nooit in zou zitten. Temeer omdat we er in onze eigen steden allebei een tamelijk flamboyant uitgaansleven op nahielden. Het zou gewoon nooit hebben gewerkt. We zijn tot op de dag van vandaag nog steeds vrienden op afstand en ik ben jaren na onze korte romance zelfs nog op haar huwelijk geweest.

Toen de dame voor het eerst bij mij in Amsterdam op bezoek kwam kreeg ze gelijk een stukje Nederlandse cultuur mee. De lieve schat was nog niet goed bekend met de ongeschreven wetteloosheid van de Amsterdamse verkeersjungle en werd als voetganger bijna van haar sokken gereden door een fietser. Op het zebrapad met het voetgangerslicht op groen. Dus hij was fout. In plaats van nederig en hoffelijk excuses aan de dame aan te bieden voor zijn eigen domme fout fietste die lul snel door en schreeuwde in het voorbijgaan nog even lomp: ‘Voortaan uitkijken, vuile kankerhoer!’

Mijn dame vroeg aan mij wat die rare man nou naar haar schreeuwde. Met het schaamrood op mijn kaken vertaalde ik dus letterlijk wat haar zojuist was toegevoegd. Dat is hoe veel Nederlanders schelden, legde ik uit. Ze kon het niet geloven. Schelden met de heftigste en meest dodelijke ziekte uit dit tijdperk? En dan in combinatie met het oudste beroep ter wereld? Waarom doe je dat? En of ik dat ook deed? Het is altijd een beetje beschamend om aan buitenlanders uit te leggen hoe ongelooflijk lomp, grof en kwetsend Nederlanders schelden. Ze geloven het vaak amper. ‘Dat zeg je toch niet….’ hoor ik mijn buitenlandse gasten dan vaak vol ongeloof zeggen. Yep, hier wel.

Ik probeerde het uit te leggen. Ik vind schelden met ‘kanker’ verschrikkelijk lelijk, maar laat ik meteen zeggen dat enige hypocrisie in dezen mij ook niet vreemd is. Ik kan een bek als een roestig scheermes hebben. Ik kan een goed belegd broodje namelijk ook ‘teringlekker’ vinden, een vervelende gozer een ‘pleurisbak’ of een ‘tyfushond’ noemen en iemand uit de grond van mijn hart de pestpokken toewensen. En als ik mijn grote teen stoot komt citeer ik ook wel eens wat uit de medische encyclopedie. Dat is dan ook weer de Nederlander in mij. Maar schelden met kanker heb ik echt altijd zo lelijk, plat en ordinair gevonden. Alsof de door mij gebruikte toevoegingen dat trouwens niet zijn, maar dit terzijde. En ik heb in een kwaaie bui heus ook hier en daar wel eens een ongepast kankertje als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, maar niet vaak omdat ik het gewoon zo ontzettend aso vind klinken.

‘s Lands wijs, ‘s lands eer, zullen we dan maar zeggen. Zo keek ik een aantal jaren geleden met een Servische vriend van mij naar een wedstrijd van Ajax. Hij kon liplezen wat de toenmalige aanvoerder, zijn landgenoot Dusan Tadíc, naar zijn tegenstanders riep na een overtreding op hem. Dat waren uitdrukkingen als ‘Je vader pijpt ezels’ of ‘Je oma neukt met een geit.’ Mijn gabber legde mij uit dat dat is hoe sommige Joego’s naar elkaar schelden. De belediging bestaat daar simpelweg uit drie componenten: familielid + seksuele handeling + dier. Tja, dat doen we in Nederland dan weer niet.

Ik werk sinds een half jaar in een bar waar veel jonge studenten komen. Veel mensen van de Filmacademie en van de Theater- en Dansacademie. Tikje theatraal en expressief volk, inherent aan de opleiding die ze volgen. Begin twintigers. Ik ben gek op ze en zij gelukkig ook op mij. Ik vind het dan, als krasse knar van 47 die dol is op taal, ook leuk om nieuwe uitdrukkingen van de jongere generatie te leren. Dat studententaaltje is echt een taal op zich. Zoals straattaal dat ook is, heb ik ook altijd fascinerend gevonden, je weet toch!

Studenten korten veel dingen af. Zoals ze het hebben over een ‘spebi’ (speciaalbier) of een ‘Esma’, dat is een ‘afko’ (afkorting) voor een Espresso Martini. ‘Het is weekend, kladiladi!’ (‘Het is weekend, klap die laptop dicht!’). ‘Heb je ook een bopla?’ (Borrelplank). En ik weet nu ook wat een ‘kwarrel’ is: een kwaliteitsscharrel, niet zomaar een neukertje maar potentieel relatiemateriaal. Of als ze vertellen dat ze in ‘de burgerrups’ zaten: de trein voor mensen die naar hun werk gaan. Mijn favoriet is momenteel het voornamelijk door meisjes gebezigde ‘heerlie de peerlie’ of afgekort ‘HDP.’ Lief, ontwapenend en het zorgt altijd voor een glimlach.

‘Kijk eens, drie biertjes en drie Salmari.’
‘Thanks, Rod! Heerlie de peerlie!’

Waar ik dan weer minder van gecharmeerd ben is dat ‘kanker’ ook onder hele slimme studentjes te pas en te onpas als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt. Alles is maar ‘kankervet’, ‘kankerlekker’ of ‘kankersick’. En zoals gezegd, ik ben dus bepaald geen heilige: ik scheld ook met ziektes. Weliswaar met ziektes die nog amper bestaan, maar toch: ook niet chique.

Dat ik me daar steeds meer aan stoor heeft er wellicht mee te maken dat ik sinds de borstkanker van mijn vriendin vorig jaar beter de weg ken in het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis dan ik ooit had willen weten. En mijn vriendin is dan nu genezen, maar ik heb momenteel nog meer dan een handvol mensen in mijn directe omgeving die met die ziekte te kampen hebben. Dan komt een gezellig en vrolijk bedoeld ‘kankerlekker’ gewoon even niet zo lekker bij me binnen.

Want ik weet dat zo’n studentje het echt niet lullig meent als hij mij enthousiast over iets vertelt en lyrisch roept hoe ‘kankervet’ zijn weekend was. En ik ben alles behalve een woke dominee die iedereen wel eventjes gaat vertellen hoe het allemaal hoort. Alsjeblieft niet en we hoeven echt niet met Middeleeuwse spruitjestaal te schelden. Zeker omdat ik daarin zelf bepaald geen heilige in ben, maar toch… Een beetje minder met ziektes schelden zou ons allen sieren. Mij dus ook. En laten we sowieso eens iets hoffelijker naar elkaar zijn. Daar wordt de wereld een stuk meer heerlie de peerlie van.

Rodweek 201 Fuck a Duckstore

In de Amsterdamse buurtkroeg in West die ik eind jaren negentig graag frequenteerde kwam altijd een grote gozer met lang haar. Dus nee, het gaat niet over mij. Ik was ‘die kleine’ met lang haar. Hij was ook een brede gast. Een stoere verschijning om te zien. Dus het gaat echt niet over mij. Mario heette hij. Maar op een dag kwam ik daar binnen en de barman keek mij grijnzend aan. ‘Hier, moet je kijken, Rod.’ Hij toverde een Donald Duck uit 1984 tevoorschijn die hij had gevonden. Ik sloeg het blad open bij de brievenrubriek. Ik ben zelf vroeger ook lid geweest van de Donald Duck en het eerste dat ik altijd las was de brievenrubriek. ‘Kijk jij maar eens wie de brief van de week was.’ En inderdaad, daar stond inderdaad de toen 8-jarige Mario uit Amsterdam, met foto erbij. Het was ‘m echt. De brieven begonnen vaak met een aanhef als ‘Lieve Oom Donald’, maar Mario had het wat prozaïscher aangepakt en begon met ‘Lief donzig duckje’ en dan vervolgens een heel verhaal over wat hij allemaal had gedaan in het weekend. Afgesloten met kusjes van Mario. Te lief. De barman en ik hadden er wel lol over en we plakten de brief van de week op een paal bij de bar, zodat iedereen het kon zien. Even later kwam onze Mario zoals gewoonlijk weer met veel bombarie binnen, maar dat werd gauw in de kiem gesmoord door de barman: ‘Zo, lief donzig duckje, gaat alles goed met je? Wil je wat drinken?’ Mario kreeg een kop als een boei toen hij zag wat de barman had gevonden, maar kon er ook wel om lachen. We hebben er nog vaak plezier om gehad.

Van Mario naar een verhaal over eendjes is een kleine stap. Ik kijk vanuit mijn woonkamer uit op een gracht, de Zwanenburgwal om het maar bij gevogelte te houden, en daar zwemmen weleens lieve donzige duckjes. Eenden met hun pasgeboren kroost. Superlief om te zien. Maar nog vaker zie je een ander soort eendjes in mijn buurt. Dat heeft een kleine introductie nodig. Kijk: als je zoals ik in een toeristenbuurt als Amsterdam-Centrum woont dan ben je wel gewend aan veel onzinwinkels. Nutellawinkels, veel te dure kaaswinkels waar ze troep verkopen, stroopwafelwinkels waar je dertien euro voor een stroopwafel betaalt, een overdaad aan hippe koffietentjes waar hipsters hartjes in je cappuccino gieten en je 6,50 voor een kopje koffie betaalt, patatzaken waar om een of andere bullshitreden een rij van honderd meter voor staat en je kunt sinds kort naar de puppy yoga: i shit you not. Ik zie de hoofdstedelijke gekte hoofdschuddend aan, maar goed, als mensen zich willen laten besodemieteren voor al die gebakken lucht: ‘I don’t give a duck… eh.. fuck… Eh fuck a duck! Men doet maar. Waarmee ik dus tot mijn punt kom: de meest onzinnige winkels die er dus in ons toeristendorp bestaan vind ik de duckstores. Winkels waar ze badeendjes verkopen. Badeendjes in allerlei soorten, maten en uitdossingen. In Amsterdam mag je al blij zijn als je een woning hebt, laat staan eentje met een bad. Dus de meeste Amsterdammers vallen al af als clientèle. En bovendien: als je al badeendjes wil: hoeveel wil je er hebben?

OK, ik vind het dus een totale onzinwinkel. Dat kan. Dus ik ga er niet heen en ik verbaas me over mensen die dat wel doen, maar hey, ieder z’n ding. Bij mij om de hoek zit er een. Het is er nooit druk. Mensen komen er even kijken en dan gaan ze weer weg. Ik heb er nog nooit iemand met een tas vol badeendjes naar buiten zien lopen. Eén zo’n winkel in de buurt lijkt me dus rijkelijk genoeg voor de badeendjesfetisjisten onder ons. Maar nee. Weet je hoeveel van die belachelijke duckstores er binnen een straal van een kilometer rond mijn huis bestaan? Vier! Vier fucking badeendjeswinkels! En het waren er tot vorig jaar vijf. We bleken er toch eendje te veel te hebben. En waar betalen al die belachelijke duckstores de huur op absolute A-locaties van? Wat is hun verdienmodel? Of krijgen die gele eendjes daar fiscaal wit spoelinkje? Fuck a duckstore, schiet mij maar lek. Ik heb het concept nooit begrepen en ik verwacht ook niet dat ik het kan, laat staan wil begrijpen.

Het is weer lente, althans volgens de kalender. Hopelijk gaat de zon weer snel schijnen en kan ik binnenkort op de Zwanenburgwal weer echte donzige duckjes zien in plaats van de plastic exemplaren in de duckstores.

Rodweek 200 Willem zei alleen ‘hoi’

Het is een kleine twaalf jaar geleden dat ik met mijn bescheiden, om niet te zeggen bescheten, voetbalkwaliteiten in een heus stadion mocht voetballen. Weliswaar in het reeds half ontmantelde stadion van het ter ziele gegane HFC Haarlem, maar toch! Een echt stadion waar in lang vervlogen tijden Eredivisie en zelfs Europees voetbal werd gespeeld. En daar mocht Lulletje Lampenkatoen voetballen. Dichterbij het betaalde voetbal ben ik nooit gekomen. Het was een feestje ter ere van de meest legendarische snordrager in het Nederlandse betaalde voetbal: Abe van den Ban, gewezen middenvelder in de jaren zeventig bij Haarlem en FC Amsterdam. Twee legendarische clubs die inmiddels al jaren op het kerkhof liggen. Het feestje heette ‘In den Ban van Abe’.

Ik voetbalde in een team van voetbalschrijvers of om het affreuze woord maar te gebruiken: bloggers. Onze tegenstanders was een team van voetbaljournalisten met onder meer Sjoerd Mossou, Willem Vissers, Paul Onkenhout, Edwin Struis en nog wat andere coryfeeën in de gelederen. Wij spelend in tenues van FC Amsterdam. Het journaille was gekleed in tricots van Haarlem. Beroepsouwehoer Sierd de Vos was in ruil voor twee goede flessen Rioja en een roestig stuivertje de grappige stadionspeaker van dienst. Tal van Oud-Haarlemmers waren aanwezig. Oud-Spits Piet (Li-)Keur vertrouwd aan de bar. De ‘Entertrainer’ Barry Hughes nog altijd met de karakteristieke pet op zijn kamerbrede tapijt. Mijn Panini-plaatjesalbums uit de jaren 80 kwamen tot leven die dag aan de Jan Gijzenkade in Haarlem.

Onze coaches waren Europacupwinnaar Johnny Rep en ‘de snor der snorren’ Abe van den Ban. En die kregen dan ook nog ondersteuning van David Endt, de assistent. De journo’s werden gecoacht door Hans Kraaij Jr. en Willem van Hanegem. De scheidsrechters van dienst waren een viertal oude scheidsrechters uit het betaalde voetbal, onder wie Volendammer Jan Keizer en de nog immer in een iets te strak broekje gehesen Frans Derks. Mannen van een respectabele leeftijd inmiddels.

Willem van Hanegem, ‘De Kromme’, is natuurlijk een fenomeen, al ben ik net te jong om hem als voetballer te hebben gekend. Ik kende hem eigenlijk alleen als coach. Maar natuurlijk hebben we de beelden nog en weet ik als liefhebber natuurlijk dat hij één van de grootste middenvelders van zijn tijd was. Ik keek even naar hem voor de wedstrijd. En hij bekeek ons, hij stond wat nurks langs de kant. Wij waren qua leeftijd gemiddeld een stukje jonger en een X aantal kilo’s lichter dan de journalisten. Ik hoorde Willem bij de warming-up tegen iemand zeggen: ‘Nou, die bloggerts zien er toch net wat afgetrainder uit.’

Iets voor de wedstrijd stond ik in de spelerstunnel. Willem van Hanegem stond er ook. De oude scheidsrechter Jan Keizer passeerde ons en groette Willem hartelijk: ‘Ha Willem, wat leuk je te zien! Hoe gaat het met je?’ Nou moet je weten dat De Kromme zijn leven lang een bloedhekel heeft gehad aan scheidsrechters. Van Hanegem was ook de man die toen de gele kaart werd ingevoerd in 1972 gelijk het eerste exemplaar in ontvangst mocht nemen. Het is nooit meer goedgekomen tussen Willem en de fluitisten, zo bleek ook op dat moment.

De vriendelijke groet van de Volendamse arbiter werd door De Kromme zonder hem aan te kijken beantwoord met een koeltjes en afgemeten ‘hoi’.

Keizer bleef nog even staan, hopend op een handdruk of een wat vriendelijker begroeting, maar Willem stak geen hand uit en keek strak langs de oude arbiter heen. Meer dan dertig jaar na zijn afscheid als voetballer had hij kennelijk nog steeds niet veel op met de scheidsrechter. Keizer liep maar weer door en Willem keek stoïcijns voor zich uit. Willem zei alleen ‘hoi’. Dat leek hem meer dan genoeg. Ik vond het een van de mooiste momenten van die toch al zo mooie dag.

Voor een kleine tweehonderd belangstellenden, mijn grootste publiek als voetballer ooit, won mijn team, ondanks dat ik meespeelde, in de laatste minuut met 3-2 van zijn ploeg. Onze jongere leeftijd en mindere kilo’s betaalden zich in extremis toch uit.

Willem zal het ongetwijfeld niet met de arbitrage eens zijn geweest.

Afgelopen week werd De Kromme tachtig. Mijnheer van Hanegem, van harte en nog vele jaren! En dank voor dit mooie moment.

Rodweek 198 Zeepsop en pruimenpap

Terwijl in de Jordaan momenteel een grimmig debat gaande is tussen wat zeurende expats en Jordanezen of de oude Westertoren nou wel of niet ‘s nachts mag blijven klingelen werd het symbool van de Jordaan afgelopen donderdag uit volle borst bezongen in het voormalige Rozentheater op de Rozengracht, tegenwoordig heet het Boom Chicago. Jordanese muziek op Jamaicaanse klanken. Jamaica en de Jordaan in innige omhelzing met elkaar. Het was het afscheid van het prachtige muzikale project De Porders. Ik heb de eer en het genoegen gehad om het project bijna letterlijk vanaf het begin te zien ontstaan.

Ik heb in de Melkweg jarenlang samengewerkt met Paul van Musscher. Paul is de drie hoog achterneef van Johannes van Musscher die we beter kennen als Johnny Jordaan. Een jaar of drie geleden had ik eens afgesproken met Paul. Paul kent mijn niet door iedereen begrepen voorliefde voor oude smartlappen.
‘Ik moet je even wat laten horen, Rod. Volgens mij is het een topidee. Jij gaat dit geweldig vinden. Maar je moet er nog wel effe je bek over houden.’ Hij zette een CD-tje op en ik vond het inderdaad meteen briljant: de muziek van Johnny Jordaan op reggae, ska en rocksteady-klanken. Wat een wereldplan inderdaad! Paul is zelf ook al jaren actief als zanger in verschillende bands en zo had hij voor dit project een selectie fantastische muzikanten bij elkaar verzameld uit zijn muziekvriendenkring. Leden van Jah6 die Andre Hazes-nummers op reggaemuziek zingen, leden van de legendarische Haarlemse funkband Gotcha!, Pieter Both van de geweldige reggaeband Beef, multitalent Jaro en hijzelf dus als frontman. Dan praat je over een topbezetting. Mag je dat zo zeggen? Ja, dat mag je zo zeggen, Mart Smeets!

De bandnaam ‘De Porders’ was gauw gevonden. Porders waren mensen die vroeger in de arbeiderswijken van de steden arbeiders wekten zodat ze op tijd op hun werk kwamen. Wekkers waren duur en niet altijd even betrouwbaar. Wie de porders dan weer wakker maakten zodat zij op tijd aan het werk waren weet ik dan weer niet. Jaro zijn opa was porder, Pieter zijn oma pelde garnalen met tante Leen en Paul is familie van Johnny Jordaan. Ze hadden zichzelf dus ook De Garnalenpellers kunnen noemen, maar De Porders bekt natuurlijk net even wat lekkerder.

Het heeft me grote moeite gekost om het geheim te houden want mijn enthousiasme grensde aan hondsdolheid! Ik hoorde er een tijdje niks over, maar in de lente van 2022 was het dan zover. Het eerste spontane optreden van De Porders was, hoe kan het ook anders, op het Johnny Jordaan-plein aan de Elandsgracht. Ook buiten Amsterdam werd het project inmiddels bekend en zo stonden de mannen ineens op de Zwarte Cross. Ik heb nog de twee optredens in het Rozentheater gezien, het theater waar Johnny voor het eerst optrad en waar hij om de hoek in de Rozenstraat is geboren.

Het is fantastisch hoe goed de Jordanese smartlappen zich met Jamaicaanse klanken laten mengen. Noem het Jaimanees. Een prachtige avond waar oude Jordanezen op af kwamen, maar ook jong publiek maakte kennis het het levenslied en het levensverhaal van Johnny Jordaan.

Die laatste avond in het prachtige Rozentheater kon me niet lang genoeg duren. Johnny Jordaan kreeg een dag na zijn honderdste geboortedag nog één keer de eer die hem toekomt. En Paul liet zien dat het muzikale talent in de familie Van Musscher blijft zolang de lepel in de brijpot staat. En Johnny zag dat het goed was. Net als wij. En een pikketanessie ging er zeker in. Eenmaal buiten klingelde de Westertoren nog een mooie toegift voor ons. Voor de jengelende expats en andere zeikerds in de Jordaan die het heerlijke geluid van de pas vier eeuwen oude Wester niet kunnen velen heb ik de wijze lijfspreuk van mijn vroegere buurman: ‘Acceptere of Almere!’

Er bleef op deze magische avond eigenlijk slechts één vraag onbeantwoord:

Wie heeft nou toch die zeepsop in de pruimenpap gedaan?

Een kleine impressie? Klik hier voor wat beelden van vorig jaar.

Rodweek 195 Echte Mannen

The Big Lebowski: ‘What makes a man, Mr. Lebowski?’
The Dude: ‘Uhh… I don’t know Sir.’
The Big Lebowski: ‘Is it being prepared to do the right thing, whatever the cost? Isn’t that what makes a man?’
The Dude: ‘Hmmm… Sure, that and a pair of testicles.’

Bovenstaand een fragment uit mijn favoriete film, The Big Lebowski. Het is een vraag die mij ook wel eens bezig houdt: wat is nou een echte man? En ben ik er één?

Aan het basiskenmerk zoals The Dude het omschrijft, het hebben van testikels, voldoe ik.

Maar verder? Wat is nou een echte man? Ik leg mezelf even langs de mannelijke meetlat.

Als ik naast mijn vriend Lex aan de bar zit en hij begint te praten over motoren, brommers, Formule 1, klussen en allerlei technische zaken, dan ben ik hem al snel kwijt. Lex is handig. Hij is timmerman, klusjesman en kan dingen repareren: dat zijn echt van die mannenskills die niet in mijn basispakket zitten. En die ik ook nooit geleerd heb. Als ik een spijker in de muur sla zit heel Amsterdam zonder stroom. Al was dat overigens niet de reden van de stroomstoring die er laatst was! Ik kijk wel beter uit.

Ik heb een handige vader, ik heb ook altijd handige schoonvaders gehad en ik heb genoeg handige vrienden om me heen. Dus de klusjes waar handigheid en een goede motoriek voor zijn vereist laat ik graag aan anderen over. Mijn talent is dan weer wel om handige mensen om me heen te verzamelen. Het is met klussen in huis gewoon beter en leuker voor iedereen dat ik de catering verzorg. Daar ben ik dan weer goed in. Ik ben een zorgzame man die mensen graag in de watten legt. Dat maakt mij dan ook uitermate geschikt voor horeca. Ik maak het mensen graag naar de zin. De jaarlijkse vergaderingen in ons pand zijn ook altijd bij ons. Dan is er voor iedereen genoeg te te eten en te drinken. Helaas waren mijn verzorgende skills niet genoeg om verpleegkundige te worden, wat ik ook nog een blauwe maandag heb geprobeerd. Dat was helaas niet mijn pad.

Auto’s! Je hebt toch wel iets met auto’s? Nog zo’n ‘mannenman’-dingen waar ik niks mee heb: ik heb nog nooit enig gemotoriseerd voertuig bestuurd. Ik nooit ook zelfs maar de lichtste ambitie gevoeld om een rijbewijs te halen, een motor te hebben of zelfs maar om een een brommer of een scooter te besturen. Met jongens die vroeger aan brommers en auto’s liepen te sleutelen in het fietsenhok had ik nooit zoveel gespreksonderwerpen. Dat was hun ding. Ik liep liever aan meisjes te sleutelen.

Computertechniek dan? Hou op met me! Ik weet nog net hoe dat ding aan en uit moet en hoe ik mijn columns kan posten. Voor de rest weet ik er helemaal niks van.

OK: sportief dan? Je kan toch wel iets mannelijks? Nee. Ik kijk heel graag naar sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder. Ik praat en schrijf er veel over. Ik weet er ook veel van. Mensen betalen mij soms voor mijn voetbalschrijfsels en zijn benieuwd naar mijn meningen over wedstrijden, maar ik heb zelf nul komma nul balgevoel en de motoriek en de souplesse van een blok beton. Mijn beste positie is aan de zijlijn van het veld of op de tribune.

Ik ben dan wel weer heel competitief in spelletjes. Ik wil altijd winnen als ik weet dat ik minimaal gelijkwaardig ben in het spelletje.

Muziek dan? Zelfde verhaal als met voetbal. Ik weet er van alles vanaf. Ik presenteer muziekquizzen, schrijf er soms over, maar ik kan niet zingen, ik heb nul ritmegevoel en ik kan ook geen instrument bespelen. Een elektrische triangel misschien als ik m’n best doe.

OK. Niet technisch, weet niks van computers, is slecht in sport en kan ook geen instrument spelen.

Godsamme, wees toch eens ergens een vent in! Rod, je bent een kroegtijger. Altijd al geweest. Drinken, roken en vrouwen! Daar hou je van. Maar ook weleens een beetje vechten? Lekker beuken tegen andere testosteronbommen? Hard schreeuwen tegen andere mannen? Ook al niet. Ik ben totaal niet agressief aangelegd. Ook niet met een stoot drank in mijn mik. Van de paar keer dat ik, met wisselend succes, heb gevochten heb ik nooit de eerste klap uitgedeeld en was ik sowieso niet de agressor. Het zit er simpelweg niet in. Als het dreigend wordt loop ik liever weg dan dat ik het tot een fysieke confrontatie laat komen. Ik heb daar gewoon nooit zo’n zin in.

Goed, verder op de mannenschaal: ooit gedacht om een gezin te stichten?

Gezin, met kinderen maken en zo? Dat stond nooit hoog op mijn prioriteitenlijst. Ik vind het proces van kindjes maken bijzonder leuk, maar daar houdt het wel bij op. Ik hoef ze niet per se als onderdeel van mijn gezin te hebben. Wat overigens niet betekent dat ik een zure kinderhater ben. Ik vind het hartstikke leuk om op te passen, er mee door te stad te lopen en om met ze te ouwehoeren. De meeste kinderen zijn cool. Maar ik moet ze wel snel terug kunnen geven aan de rechtmatige ouders. Daarbij heeft mijn meisie er al eentje van 23 die op zichzelf woont, dus die is af. Daar hoeven we niks meer aan te doen.

OK Rod, dan moet je toch op z’n minst een huis hebben gekocht? Wel, dat is er nooit van gekomen en tenzij de loterijballetjes een keer leuk vallen of ik een enorme bestseller ga schrijven zie ik het er ook niet meer van komen. En al helemaal niet in mijn onbetaalbare stad. Daarbij woon ik al op de mooiste plek van mijn favoriete stad voor een betaalbare huur en dat is me bijzonder veel waard. Daardoor kan ik werken om te leven en leef ik niet om te werken.

Godver, ook al geen eigen koophuis. Wat kan jij nou wel als man? Jagen, ouwe, jagen! Toch? Er zit toch wel iets van een man in je? Welnu, het enige jachtinstinct dat in mij zat was op het jagen van rokken in het hoofdstedelijke nachtleven. Ik was altijd op jacht als een nachtluipaard. Sluipend en loerend op een vrouwelijke prooi. En daar was ik dan ook redelijk bedreven in. Dat is toch wel een goeie mannenskill? Maar na een lange en intensieve safari als nachtluipaard ben ik inmiddels alweer een paar jaar onder de pannen bij de vrouw van mijn dromen. En over pannen gesproken: daar ben ik dan ook wel weer handig mee. Ik kan goed koken. En daar wordt mijn meisie ook blij van.

De vrouw die de motorisch gestoorde, onhandige, atechnische, asportieve, aritmische, competitieve, geweldloze, kinderloze, rijbewijsloze nachtvlinder die schrijver dezes is toch maar mooi in haar armen heeft gesloten. Ze zal er altijd voor me zijn. En ik zal er altijd voor haar zijn en voor haar zorgen, koste wat kost en onvoorwaardelijk, zoals ik er ook tijdens haar ziekte altijd voor haar was. Misschien maakt dat me een echte man, Mr. Lebowski? Uhh.. Ja, dat. Oh ja, en de testikels.

Rodweek 194 2023 Kankerjaar


Of ik geen gezelligere titel kon bedenken om 2023 in één woord samen te vatten? Nee, eigenlijk niet. En ik gebruik de titel ook niet als scheldwoord. Ik vind ‘kanker’ als bijvoeglijk naamwoord namelijk altijd zo armoedig en ordinair klinken, dus ik scheld daar nooit mee. Mensen die praten in lelijke termen als ‘kankervet’ of ‘kankerhard’: zouden ze zelf horen hoe naar en dommig ze overkomen? Ik ben bang van niet. Nee, een kankerjaar, dat was gewoon wat ons jaar was. 2023 stond voor Mo en mij volledig in het teken van kanker. Als het jaar in het teken van appelvlaaien had gestaan had deze column ‘appelvlaaienjaar’ geheten. Of Ibrahim Appelvlaai om het wat poëtischer te maken.

Maar nee, wij werden het hele jaar bezighouden door kanker. Eind 2022 stapten we verplicht de spreekwoordelijke achtbaan in en nu eind 2023 zijn we uitgestapt. En net als in een echte achtbaan klommen we soms hoog en dan raasden we daarna weer hard naar beneden. Een van de eerste dringende en ook enigszins dwingende adviezen die we kregen nadat Mo de diagnose had gehad: blijf zoveel mogelijk leuke dingen doen. En dat hebben we dan ook gedaan. Veel op vakantie, dagjes uit of lekker een avondje met vrienden: het ging gewoon allemaal door. Behalve dat Mo er dan wel wat eerder af lag dan normaal en de dag daarna hartstikke doodop was gaf het haar ook veel energie.

We hebben dus zeker niet alleen maar zielig in een hoekje zitten huilen. Daar is nog nooit iemand beter van geworden. We zijn allebei mensen die positief en vrolijk in het leven staan, dus naast gevoel voor tumor behielden we gelukkig wel ons gevoel voor humor. Toen Mo eens een beetje druk was zei ik dat ik naar het ziekenhuis zou bellen of ze er nog zo’n zakkie in konden druppelen. Tram 2 die we de chemokar noemden. Toen ik haar Het Spook van de Stopera noemde, toen ze er niet op haar paasbest uitzag. Om dat soort grappen konden we samen dubbel liggen.

Maar ze had natuurlijk ook vaak genoeg de energie van een dood paard. Dat even de was ophangen al een immens karwei was. Gelukkig waren we in de prettige omstandigheid dat ik als copywriter mijn werk fijn thuis kan doen en zo veel tijd had om voor Mo te zorgen en het huishouden draaiend te houden. En we hadden gelukkig ook allemaal lieve mensen om ons heen die ons met van alles hielpen. En gelukkig hebben wij veel vrienden die er in goede en slechte tijden voor ons zijn, dat bewees dit jaar.

Terwijl wij dus zelf in onze achtbaan zaten kregen ook andere mensen in onze directe omgeving met de ziekte te maken. ‘Het heerst’, zeiden we op een gegeven moment.

Tegelijk met Mo ongeveer werd ook onze kat Eva ziek. En dat ging steeds sneller. Ik ben echt bang geweest om allebei mijn meisjes te verliezen. Het werd alleen Eva. Mijn poes voor het leven, het bleef bij twee keer zeven. Na dik veertien jaar vertrok Eva zoals ze ooit bij me kwam: op schoot. En vlak voordat Eva naar de eeuwige vogeltjesjachtvelden vertrok overleed Mo’s beste vriendin Agnes plotseling. Die had ik nog nooit ontmoet en dat zou een keer gaan plaatsvinden, maar dat is er dus helaas nooit van gekomen. Eva en Agnes verlieten ons dus allebei en vlak na elkaar in maart. Dat was alles bij elkaar wel de slechtste maand van 2023.

In zo’n verschrikkelijk jaar als 2023 hoopte ik me vast te kunnen klampen aan iets wat me nog plezier zou kunnen geven: Ajax. Helaas bleek mijn club ook doodziek te zijn en heb ik het bij leven nog mee moeten maken dat mijn club op de laatste plaats heeft gestaan en dat er, om 2023 maar in stijl af te sluiten, van een amateurclub werd verloren.

En dan het nieuws met als voornaamste narigheid de oorlogen in Rusland en de Oekraïne en in Israël en Palestina. Het is om treurig van te worden. En dan al die mensen die denken een partij te moeten kiezen. Alsof het een voetbalwedstrijd is. Ik ben voor niemand. Oorlogen worden gevoerd over mensenruggen. Ik ben voor al die onschuldige mensen. Aan die kant sta ik. Die leiders geven geen shit om de gewone mensen, die geven alleen maar om macht.

En onze eigen politieke klimaat, hier in Nederland, is natuurlijk ook om te janken. Dat is de echte klimaatcrisis. Vroeger had je op verjaardagen of aan de kerstdis altijd die ene foute iets te rechtse oom. Kijk naar de stemuitslag: tegenwoordig heb je een huiskamer vol. En de tantes doen ook gezellig mee. Het is er niet leuker op geworden en daar hebben de afgelopen kabinetten het zelf naar gemaakt. Ze hebben een partij die leeft op onvrede royaal gevoed, met deze verkiezingsuitslag als logisch gevolg.

De vrolijke noot van 2023 kwam in november met ons bezoek aan de Poezenboot. Daar werden wij verliefd op twee jonge poezen en die vrolijken ons leven sinds die tijd weer helemaal op. Ouwe en Dibbes hebben we ze genoemd. Ze zijn acht maanden oud. Allebei geboren net nadat Eva is overleden. Als ik een zweefteef was geweest dan zou ik schrijven dat Eva die twee naar ons heeft gestuurd.

Mijn wens voor volgend jaar: dat we allemaal maar gezond mogen blijven en dat de zieken zullen genezen. En dat die domme oorlogen eens stoppen. Dan kan ik deze column in 2024 ‘Vredesjaar noemen’ en dat klinkt toch een stuk gezelliger dan ‘Kankerjaar’, toch?

Iedereen fijne dagen, blijf gezond en wees een beetje lief voor elkaar.

Rodweek 193 Nog een keer naar de Roxy?

Tijdens een van mijn dagelijkse wandelingen viel mijn oog op een poster die op een elektriciteitskastje hing. In schreeuwerig zwart-geel werd gevraagd of we nog een keer naar de Roxy wilden, de legendarische club aan het Singel van Peter Giele en allebei al een kwart eeuw ter ziele.

De hartelijkheid en het uitnodigende vond ik zo grappig ironisch aan die poster. Alsof iedereen welkom is. Iedereen die de jaren negentig in Amsterdam heeft meegemaakt weet dat helemaal niet iedereen welkom was in de Roxy. Die hut had een nogal berucht deurbeleid. De twee broertjes stonden er vaak aan de deur. En daar was lastig langs te komen tenzij je bij het clubje chosen few met een felbegeerd Roxypasje hoorde. Of je moest een verdomd lekker wijf wezen. Nou had ik én geen Roxy-pasje en ik was ook al geen lekker wijf, dus ik was kansloos. Hoe je aan zo’n pasje moest komen was het best bewaarde geheim van Amsterdam. Ik was gewoon een jong gozertje gekleed in een vale spijkerbroek, een Nirvana- of De La Soul-shirtje en lopend op sportschoenen. Ik was bepaald niet het prototype gast dat ze binnen wilden.

‘Jij komt er niet in, guppie!’
‘Ga eerst maar eens andere schoenen aantrekken’
‘Op zoek naar meisies? Daar aan de overkant is de Odeon’
‘Besteed jij je geld maar bij de kapper en ga je scheren, dus scheer je weg!’

Dat soort teksten slingerden de broers eruit.

Er was altijd wel een reden om mij en/of mijn vrienden te weigeren dus na een keer of vijf kansloze pogingen was ik daar wel klaar mee. Dan maar niet mee met de Amsterdamse extravaganza. En toen werd het zomer 1998. Ik was op stap geweest geweest in Paradiso, zinnens om naar de Korsakoff te gaan en buiten kwam ik twee jongedames tegen waarmee ik een paar weken eerder een modeshow mee had gelopen! Jawel, die loopbaan op de catwalk heb ik ook nog kortstondig gehad. Het waren twee plaatjes van vrouwen. Champions League materiaal. Twee tienen die als twee elfjes om me heen dansten en die kirrend vroegen of ik mee wilde naar de Roxy. Flinke jongen van 21 die dan nee zegt. Hoewel ik dus al een keer of vijf niet langs de sterke armen van de broertjes was gekomen achtte ik mijn normaal gesproken kansloze kans met deze twee trofeedames aan mijn zijde toch ineens een stuk kansrijker. En dat klopte ook. De meisjes waren, niet geheel onterecht, graag geziene gasten en zij hadden uiteraard zo’n pasje, al hadden ze die niet eens nodig. Natuurlijk kenden die meiden de portiers en in hun gezelschap vormden mijn vale spijkerbroek, mijn grunge t-shirt, mijn sportschoenen, lange haren en ongeschoren bakkes ineens geen enkel beletsel en gingen de armen van de broertjes ineens opzij. En zo betrad ik dan eindelijk de Roxy. Dus dit was het dan. Hier kwam tout hip en extravagant Amsterdam dansen en sjansen. Dit was dus het grote uitgaanswalhalla. Hier was dus de navel van de wereld. En ik stond daar zomaar tussen. En ik werd geflankeerd door twee fotomodellen.

Lang verhaal kort: ik vond er geen reet aan. Dit was niet mijn sfeer.

Na een uur liet ik de mooie meiskes en de Roxy weer achter me en ging gewoon weer naar de plek waar ik me wel altijd thuis voelde: de Korsakoff. Een ervaring rijker en een illusie armer. Ik zou er ook nooit meer terugkeren. De jaren negentig in Amsterdam waren geweldig. Als ik één tijd nog eens over zou willen doen dan is het die tijd. Een stad in alle staten. Korsakoff, Melkweg, Paradiso, Vaaghuyzen, Soundgarden, Maloe Melo, Mazzo, The Minds, Vrankrijk: dat was mijn scene. De Roxy scene was totaal niet aan mij besteed, dat vermoeden had ik al, maar ik wilde het toch graag even zelf zien.

Een jaar na mijn korte bezoek fikte de Roxy af. Op de begrafenis van Peter Giele nota bene vatte de hut vlam door onvoorzichtigheid met vuurwerk. Ironisch omdat zijn levensmotto was dat het ene vuur het andere vuur aanstak.

De ‘Rookzie’ noemden we het een beetje flauw smalend, nadat de tent in rook was opgegaan. Maar ik verwijt de broertjes niks. Dat mijn vrienden en ik er altijd werden geweigerd was achteraf begrijpelijk. Dit was gewoon niet onze wereld, dat wisten wij en dat wisten zij nog net iets beter. Maar omdat ik altijd geweigerd werd wilde ik het toch per se eens zien.

Maar nog een keer de Roxy? Nee, dank je. Nog een keer de Korsakoff? Ja, graag! Gelukkig zijn er eens in de zoveel tijd nog Korsakoff revival feestjes en ben ik weer even terug in mijn favoriete tijd. Het wordt trouwens ook wel weer eens tijd!

Een van de portiersbroertjes van de Roxy is inmiddels overleden, vernam ik laatst. Het deurbeleid aan de hemelpoort is helaas een stuk minder streng.

Ho ho ho! Stop niet met lezen. Zoek je nog een leuk, origineel en gesigneerd cadeautje voor onder de kerstboom? Persoonlijke boodschap erbij? Ik heb nog wat exemplaren van mijn bundel Lockdownsyndroom liggen. Laat hieronder of op Facebook een reactie achter of stuur me een mailtje naar [email protected]. Quanta Costa? 15 piekies als je ‘m op komt halen in Amsterdam-Centrum of € 19,50 als ik de postduif of de rendieren van de kerstman aan het werk moet zetten.

Rodweek 192 De Cupido van het Waterlooplein

‘De liefde, ach ja, de liefde. Daar zouden ze eens een liedje over moeten schrijven.’ Een prachtige quote van Theo Maassen die ik zelf graag gebruik. De liefde: het kan je laten opstijgen en laten vliegen, maar het kan je ook laten neerstorten in een diep ravijn. Ik weet er alles van als voormalig brokkenpiloot in de liefde.

Als barman heb ik als stiekeme voyeur liefdes zien ontstaan en ontluiken als een mooie bloem of totaal zien verwelken als een plant die te lang geen water heeft gehad. En alles daar tussen in. Ik herken een Tinder-date op een kilometer afstand. De ietwat schichtige om zich heen kijkende man of vrouw die kijkt of de date er al zit. De blije blik die zegt ‘Jaaa, precies zoals op de profielfoto!’ of de blik van teleurstelling als blijkt dat de date een profielfoto van veel te lang geleden heeft gebruikt. Alsof je een mooi hotel hebt geboekt, maar per ongeluk in de hotelgids uit 1986 hebt gekeken en nu naar een oud vervallen gebouw zit te kijken.

Of je ziet de mensen die overduidelijk op een one night stand uit zijn. Dat ze de deur uitlopen en dat je denkt ‘als dat geen neuken wordt…’ Of mensen die lust met liefde verwarren. Zo eentje was ik er vroeger zelf ook nog weleens, dus ik herken dat gedrag onmiddellijk.

Maar ik ben na een lange en intensieve zoektocht inmiddels compleet gelukkig in de liefde en dat gun ik iedereen. En ik help ook graag. Soms bewust en soms onbewust.

Zo was ik gisteren aan het werk in Café Waterlooplein 77. Een mooie oude kroeg in de Amsterdamse binnenstad. Het café is een mooie mengelmoes van buurtbewoners, lokale dronkaards en vooral veel studenten van de Film- en Theateracademie die om de hoek zit. Als ik 25 jaar jonger was geweest had dat zomaar een van mijn jachtgebieden kunnen zijn. Ik was echt een jager. Altijd op zoek naar een prooi. Die onrust heb ik gelukkig niet meer.

Op tafel 3 zaten een jongeman en een jongedame. Ik schatte ze eind twintig. Terwijl ik aan het werk was observeerde ik ze een beetje. Ze waren aardig tegen elkaar, maar ook wat aftastend. ik vermoedde een date. Maar ineens werd zij wat verwijtend naar hem. Er werd met vingers gewezen. Ze verhief haar stem. Hij bleef cool, maar niet op z’n gemak. OK, die kennen elkaar dus langer, constateerde ik. Ik was tussen het serveren van de drankjes door een beetje mijn eigen playlist aan het samenstellen. Mooie liedjes. Ik zette ‘Be my Baby’ van The Ronettes op. Een juweeltje uit de jaren 1964. Ineens ontdooide de jongedame en er werd zelfs ineens gezoend. Met tong. Er werd in elkaars ogen gekeken en ik zag dat ze lieve woorden tegen elkaar uitspraken.

De jongedame rekende af. ‘Dank je wel dat je dat liedje van The Ronettes opzette. Je hebt zojuist onze relatie gered. Ik wilde het namelijk vanavond hier met hem uitmaken. Maar dit is ons liedje en toen smolt ik. Ik wil het nog een nieuwe kans geven.’
‘Heel goed lieverd. Jullie zijn hartstikke leuk en knap samen. Wees lief voor elkaar!’, zei ik met enige senioriteit, terwijl ik zelf ook een beetje smolt.

En daar liepen ze gearmd de deur uit. Nog even zoenen op de stoep. En ik dacht heel lief: ‘Als dat geen neuken wordt…’

Iets later op de avond zat er een ander stel aan de bar. Ik kende ze al van een eerder bezoek. Ook leuke mensen van rond de dertig. Zij was ijskoud en bitchy tegen hem. Hij werd gefusilleerd met een mitrailleursalvo aan verwijten en hij keek mij af en toe een beetje wanhopig aan met een blik van ‘Broer, wat doe ik fout?! Help me!’ Uiteindelijk bleven zij samen als enige gasten in het café over en toen besloot ik, aangemoedigd door mijn eerdere succes als Cupido, eens te kijken of ik nog eens raak kon schieten. Ofschoon mijn schone wederhelft weleens anders beweert: zo romantisch als mij worden ze niet vaak gemaakt!

Even de helpende hand bieden. Ik richtte mij tot de dame die chagrijnig en ijzig aan de bar zat, terwijl haar vriend op het toilet wat warmers in zijn hand nam: ‘Lieverd, wat is jullie favoriete liedje? Echt jullie liedje.’
De ijskoningin ontdooide ineens en straalde: ‘Groot Hart van De Dijk’
‘Dat is inderdaad een prachtig nummer van misschien wel de mooiste Nederlandstalige band ooit’, zei ik.

Ik zette het liedje op en toen kwam haar vriend van het toilet. En ook hij straalde ineens. We zongen het lied met z’n drieën mee en proostten nog met een drankje. Daarna moest ik sluiten en moest ik het lot aan de liefde overlaten. Ze keken ineens weer verliefd naar elkaar. Ik wenste het stel een mooie nacht en veel liefde toe. ‘Wel lief doen voor elkaar nu, oké?, voegde ik er met mijn romantische senioriteit nog even aan toe’. Het stelletje liep gearmd de deur uit en ze zoenden innig op de stoep. En ik dacht heel lief: ‘Als dat geen neuken wordt…’

En blij en tevree dat ik op één avond twee relaties gered had sloot ik de hut af en liep weer naar huis, waar mijn eigen meisie in bed op me lag te wachten. Ik neuriede ‘Be my Baby’ van The Ronettes en dacht heel lief ‘Ja, het is toch fijn dat er weleens mensen liedjes over de liefde hebben gemaakt. Als dat geen…’

Ho ho ho! Stop niet met lezen. Zoek je nog een leuk, origineel en gesigneerd cadeautje voor onder de kerstboom? Persoonlijke boodschap erbij? Ik heb nog wat exemplaren van mijn bundel Lockdownsyndroom liggen. Laat hieronder of op Facebook een reactie achter of stuur me een mailtje naar [email protected]. Quanta Costa? 15 piekies als je ‘m op komt halen in Amsterdam-Centrum of € 19,50 als ik de postduif of het paard van Sinterklaas aan het werk moet zetten!