Rodweek 110 Xenosfobie

Toen ik als kind moest afzwemmen voor mijn B-diploma moest ik van de hoge duikplank springen. Dat was het moment dat ik ontdekte dat ik echt heel erg last van hoogtevrees heb. Tot op de dag van vandaag. Dat ik op 5 hoog woon is op z’n minst ironisch. Maar ik ben dus kruipend die duikplank opgegaan en sprong met mijn ogen dicht het water in. Hoogtevrees was mijn eerste fobie. Een reuzenrad? Mij krijg je er niet in. Fobieën bestaan in talloze vormen. Mensen die bang zijn voor specifieke situaties, dieren of dingen. Mensen die oprecht niet van een roltrap afdurven, hoogtevrees, bang zijn voor spinnen, vliegangst hebben, bang zijn in het donker of mensen zoals ik die echt oprecht, om het met een mooi Amsterdams woord te zeggen, pages zijn voor grote honden. Ik zweer het je, als zo’n beest midden op de weg staat en ik moet er langs? Ik loop nog liever een kilometer om dan dat ik die hond passeer.  En dat doe ik dan dus ook. Met geen tien paarden krijg je me langs die hond. Hoe onredelijk dat ook is. Maar angstfobieën zijn dan ook niet voor rede vatbaar.

Er bestaan ook schijnfobieën zoals xenofobie of homofobie. Dat zijn helemaal geen fobieën. Die mensen zijn namelijk helemaal niet bang voor buitenlanders of homo’s. Want het zijn geen fobieën. Xenofoben en homofoben zijn gewoon domme haatdragende klootzakken. Vrij naar de tweet van Morgan Freeman.

Ikzelf heb ook een soort tussenfobie: Xenosfobie. Ik zal het proberen uit te leggen.

Veel mensen hebben zo’n ding waarvan ze liever niet hebben dat andere mensen dat ook weten. Een heimelijk pleziertje of om de hippe term te gebruiken: een guilty pleasure. Nou ben ik 44 jaar en alle schaamte inmiddels echt allang voorbij dus ik zeg het ook maar gewoon: ik kom graag in de Xenos. Het is een winkel waar ik me al zolang als ik leef over verbaas. Een winkel waar ik altijd pijnlijk bang word van alle wansmaak die er wordt geëtaleerd, maar waar ik ook altijd weer blij vandaan kom.  

De Xenos is zo’n winkel waar ze de meest afgrijselijk lelijke Boeddhabeelden verkopen. Of affreuze spiegels en lijsten met kitscherige randen. Of lelijke kastjes. En afzichtelijk servies waar je met wansmaak gezegende oma zich nog voor zou schamen. En natuurlijk het meest angstaanjagende in de winkel: de Xenos-spreuken voor aan de muur. Met van die blaartrekkende teksten als ‘’Home is where the heart is’’ of zo. Als ik dat soort Xenos-teksten wel eens lees op muren bij mensen denk ik altijd: ‘’Nee, lieverd, home is waar je zelf je fucking huur of je hypotheek betaalt.’’ 
Of als ik van die intens treurige truttigheid zie als :’’Happiness is not a destination, it’s a way of life.’’ Dan loopt m’n bloed weg. Ik heb om minder truttige Xenos-wijsheden toiletten tot de rand toe vol gebraakt. De truttigheid druipt in klodders van die spreuken af.

Ik ben altijd bang geweest dat ik met een vrouw zou eindigen die dat soort Xenos-wijsheden bij ons op de muur zou willen zetten. Ik ben ooit badend in het zweet wakker geworden omdat ik droomde  dat er in een lelijk lettertype ‘Love’ boven het bed hing en ‘Home’ boven de keukentafel. En het allerergste: in de huiskamer hing zo’n lullig bord waarop stond ‘Forget the mistake, remember the lesson’.  Boven de bank, zodat al ons bezoek het ziet. Beschamende lulligheid. Het is goddank nooit zover gekomen dat ik zo’n vrouw heb getroffen, maar wat dat betreft heb ik wel een beetje Xenosfobie.

Maar ik noem het niet voor niets een tussenfobie. Er is natuurlijk ook een reden waarom ik wel graag in de Xenos kom. En dan gaat het niet om een knappe verkoopster (die in mijn Xenos is doorgaans een man in het bezit van de 3 B’s: bril, baard, buik), maar omdat je er soms van die grappige dingen kunt kopen waar je normaal niet aan denkt. Knoflookolie met ook gewoon echt bad ass veel knoflook er in, een zak Snickers voor 2 piek, toiletbrillen, roerbaksauzen, ovenwanten, een grote zak pijnboompitten voor weinig en allemaal geinige troep die je nooit nodig hebt. Zo heb ik mezelf vandaag nog ternauwernood weten te bedwingen, want anders had ik naast alle andere zooi die ik niet nodig had, maar wel heb gekocht, ook nog zomaar een Mini Beer Pong-set en een mini-tafelvoetbalspel gekocht.

De rede nam het gelukkig net op tijd weer van me over en het engeltje op mijn schouder schreeuwde mij luidkeels in mijn linkeroor: ‘’Neeeeeee, Rodney, jij domme sukkel, jij moet juist meer troep weggooien waar je niks meer mee  doet en niet zoals jij altijd doet altijd maar nieuwe klerezooi naar binnen slepen, waar je over een week ook niks meer mee doet.’’ En de klootzak had nog gelijk ook.

Maar eerlijk waar, ik loop altijd weer blij de Xenos uit. Ik kan er zomaar jaren niet komen, maar als ik er kom verlaat ik de winkel nooit met lege handen.

Wat ik dan uiteindelijk heb gekocht tijdens mijn laatste bezoek aan de Xenos? Pizzabodems, fietslampjes, een enorme zak pijnboompitten en Jack Daniels Cola BBQ-saus. Acuut nodig allemaal? Welnee! Liep ik weer blij de winkel uit? Ja!

En zo liep ik, tevreden, weer terug naar home, where the heart is.


En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!
      

Rodweek 106 Verpleegonkundige

Ken je dat gevoel dat je verliefd op iemand wordt, dat je er helemaal voor gaat en dat je er een paar maanden later achter komt dat je toch niet zo goed bij elkaar past? Nou, dat is ongeveer zoals het met mijn loopbaan in de zorg is gegaan. Ik ben er vol overtuiging ingegaan, maar ik ben helaas tot de conclusie gekomen dat ik geen geboren verpleegkundige ben en dus gestopt ben met de opleiding waar ik in april mee ben begonnen. Ik liep al weken met een knoop in mijn maag en die heb ik vandaag doorgehakt.

De horeca en de zorg hebben veel raakvlakken op het gebied van welzijn: in beide functies worden zorgzaamheid, attentie, behulpzaamheid, gastvrijheid en een flink scala aan sociale vaardigheden gevraagd. Dat heb ik toevallig allemaal in mijn vakkenpakket zitten, maar verpleegkunde is wel een heel andere tak van sport dan horeca. Ik zal niet zeggen dat ik het heb onderschat, maar moeilijk vond ik het wel.

En dan heb ik het niet eens zozeer over de fysieke werkzaamheden zoals mensen wassen en aankleden, maar met name over de mentale zaken. Ik werkte op een gesloten afdeling met ouderen. Dementerende ouderen op een gesloten afdeling. Ze kunnen er dus niet zomaar af. Sommige mensen beseffen prima waarom ze daar  zitten. Ze zitten daar niet voor zweetvoeten maar omdat ze echt een gevaar voor zichzelf zijn. Anderen hebben geen idee en proberen constant te ontsnappen. ‘’ Prison Break’’ noemden we het altijd.

Robert en Piet zijn partners in crime. Beide heren kunnen allebei nog prima lopen en willen graag samen naar buiten. Ze zijn echt de hele dag bezig om hun ontsnapping te plannen. Dat is aan de ene kant heel erg grappig om te zien, maar aan de andere kant stemt het me ook intens treurig. Het zijn mannen die vroeger echt niet dom waren. Ik zie de ouwe dames aan de tafel die amper nog iets kunnen. Die ik heb gewassen. Ze huilen om wat ooit geweest is en niet meer terugkomt. De scheldende meneer die uit pure onmacht op alles en iedereen blaft. De Surinaamse meneer met wie ik altijd sigaretjes rookte. Hij praat met bijna niemand maar hij nam mij onder het genot van een rokertje in vertrouwen over allerlei zaken. Man met een heftig levensverhaal. En een ouwe boef ook: ‘’Ik ben al vier keer ontsnapt hier. Laatste keer vonden ze me helemaal bij de RAI.’’ Hij grinnikte erbij. De ouwe Jordanees die nog elke dag z’n borrel wil. De seksueel ontremde meneer die elke ochtend als we ‘m wakker maakten eerst even een momentje voor zichzelf krijgt en die elke verpleegster de charmante vraag stelt of ze met hem willen neuken.

Ik zag de fysieke en mentale beperkingen van de mensen. Het deed meer met me dan ik had verwacht. Als je nog nooit iemand anders hebt gewassen en er ligt een oude mevrouw van 95 naakt op haar bed of een oude man die compleet afhankelijk van jou zijn: mij deed dat veel.  Uiteindelijk moet het natuurlijk een mechanische handeling worden: wassen, bovenkant, onderkant, haar kammen, tanden poetsen aankleden en klaar. Zo zag ik het veel ervaren collega’s doen. Flop, flop, flop en klaar. Volgende. Ik had altijd al bewondering voor zorgmedewerkers en dat is, nu ik er een paar maanden in heb gewerkt, alleen maar groter geworden. Het is prachtig, nobel en eervol werk.

Dus ja, met alle vaardigheden die ik heb ben ik een prima horecamedewerker. Ik houd er van om mensen te verzorgen en in de watten te leggen. Helaas bleek dat niet genoeg voor mij om in de verpleegkunde te werken. Daar worden ook andere vaardigheden gevraagd. En natuurlijk zat ik op de opleiding om mezelf die vaardigheden eigen te maken. En de fysieke handelingen had ik best aangeleerd. Dat is gewoon veel vlieguren maken. Het ging voornamelijk om de dingen in mijn koppie. Dat ik me hun verdriet en leed te veel aantrek en het ook mee naar huis neem. Dat ik daarnaast de locatie ook niet zo sfeerverhogend vond en de opleiding een beetje een zooitje was, waren eigenlijk de minst erge problemen. Ik beschik gewoon niet over de professionele distantie die een verpleegkundige nodig heeft. Dat is een essentiële vaardigheid waar ik niet over beschik. ”Je gaat jezelf tegenkomen in dit vak”, dat was één de eerste dingen die ik mij werd gezegd toen ik aan de opleiding begon. Dat is gebleken.

Elke keuze die ik in mijn leven heb gemaakt, heb ik met mijn hart gemaakt. Ik doe alleen maar iets als ik iets leuk, tof of interessant vind. In mijn jeugd heb ik te vaak mensen gezien die klagend en mopperend van hun werk thuis kwamen. Elke dag. ‘Zo mag mijn leven nooit worden’, bedacht ik me al op jonge leeftijd. En daarom heb ik vrijwel alleen maar leuke dingen gedaan. Het leven is te kort om het niet naar je zin te hebben met de dingen die je doet. Als ik het ergens niet naar m’n zin heb ben ik weg.  

Gelukkig zat ik met allemaal toppers in mijn klas en zij gaan allemaal fantastische verpleegkundigen worden. En ik? Ik zal weer wat vaker in De Toog te zien zijn en neem ondertussen even de tijd om te kijken wat ik verder wil doen. Ik heb nog geen idee. We zien wel. Met mij komt het altijd wel goed. Ik ben nog nooit een dag werkloos geweest in mijn leven. En dat ben ik nu ook niet, want ik werk nog steeds in De Toog.

Het voelt een beetje als falen, maar als ik eerlijk naar mezelf ben moet ik tot de conclusie komen dat ik helaas geen verpleegkundige maar een verpleegonkundige ben. Maar wel eentje die eerlijk naar de bewoners, klasgenoten, organisatie en niet in de laatste plaats naar zichzelf  is geweest.     

Rodweek 104 De Tranen van Ome Dick

Vandaag is het 24 mei en dat is voor mij altijd een bijzondere dag. Het is de dag dat Ajax in 1995 in Wenen de Champions League won. Vandaag is het dus alweer 26 jaar geleden dat m’n gabber Jazz en ik het Leidseplein onveilig maakten en na de winst een paar gelukstraantjes plenkten. De beelden van matchwinner Patrick Kluivert die de volgende dag door zijn moeder van Schiphol werd gehaald vergeet ik nooit meer. Hij viel zijn moeder huilend in haar armen: wenen van geluk. Daar zouden ze eens een boek over moeten schrijven! (Pssst… hiero, via bol.com).

En gisteren zag ik de beelden van de huilende Dick Advocaat. Goed, het spel van Feyenoord was dit jaar natuurlijk ook om te janken, maar daar waren de tranen niet om. Ook ome Dick kan van stront nou eenmaal geen boter maken en het is ‘m toch nog gelukt om Europees voetbal te halen met een matig elftal. En hij sloot met zijn laatste kunstje een imposante trainersloopbaan af. Het publiek scandeerde ‘’Dickie bedankt!’’ En meer is er voor Dick Advocaat niet nodig om in huilen uit te barsten en zo snel mogelijk de kleedkamer op te zoeken.

Ik snap dat, want ik ben precies zo. Ik ben een jankepoot eersteklas. Dat kan om verschillende emoties zijn. Laat ik meteen met iets heftigs beginnen: een begrafenis. Ik zal een vergelijking geven. Speel je wel eens mee  met de Toto? Je vult een 1, een 2 of een 3 in op je formulier en je zet een paar piekies in. Doe ik af en toe, hartstikke leuk. De wedstrijd van vandaag is Ajax- FC De Manke Reiger. Drie keuzes: 1. Ajax wint: je krijgt slechts je inzet plus een roestig stuivertje terug, want zo bijzonder is het niet dat Ajax die wedstrijd wint. 2. FC de Manke Reiger wint, je krijgt 100 keer je inzet, dus dan ben je plotsklaps een rijke motherfucker. 3. Gelijkspel, je krijgt 75 keer je inzet en dan ben je ook nog best rijk. Optie 2 en 3 zijn dus tamelijk onwaarschijnlijk.
Dezelfde quotering kun je bij mij op begrafenissen inzetten: 1. Rodney huilt als eerste van iedereen 2. Rodney huilt niet. 3. Rodney snottert aan het einde een beetje mee met de mensen die hun traanbuis wel wat beter onder controle hebben. Voor de gokkers, hier is de tip voor je weddenschap: vul gerust een 1 in op je formulier, want ik huil gegarandeerd als eerste op een begrafenis. Ik zie het verdriet van de nabestaanden en voor ik het weet staan alle sluizen wagenwijd open. De relatie tot de overledene maakt niet eens veel uit. Ik was ooit op de begrafenis van de vader van een goede vriend van mij. Ik had de goede man ooit één keer gezien, kende hem verder niet, maar ik ging naar de begrafenis om mijn gabber te ondersteunen. Uiteindelijk stond mijn gabber na de begrafenis mij te troosten omdat ik maar niet kon stoppen met huilen. Het was echt gênant, vond ik.

Mijn tranen kunnen ook om iets moois vloeien. Toen mijn zus trouwde moest ik ook huilen. Nou vind ik trouwen zelf trouwens maar onzingelul. Ik zou het hooguit voor een belastingvoordeel doen. We zijn er in mijn familie over het algemeen ook niet heel erg goed in. Ik heb meer succesvol geslaagde scheidingen dan bruiloften gezien in mijn leven, dus van mij hoeft het niet zo. Maar omdat ik zag hoe mijn zus straalde op haar mooiste dag en hoe zij en haar man genoten van alles schoot ik vol. Dat doet me dan zomaar ineens iets. Zo’n cynische lul ben ik gelukkig ook weer niet. Ik ben overigens wel een goede getuige bij bruiloften. Ik ben op 5 bruiloften getuige geweest en 4 bruidsparen zijn nog bij elkaar. Een strakke 80 %. Nou jij weer.

Maar waar was ik? Oh ja, dat jankgedoe van mij. Toen ik na zes jaar stopte bij Café Bax werd er op mijn laatste dag een feest voor mij georganiseerd. Toeters, bellen en de hele mikmak. Toen ik mijn laatste biertje tapte begon het hele café ‘’Rodney bedankt!’’ te zingen.
Ik wist niet hoe snel ik achter die bar vandaan moest en rende meteen naar achteren om mijn collega te helpen met de kassa op te maken. Want ik moest huilen en ik wilde niet dat mensen dat zagen. Te laat. Al voor dat ik de deur naar de achterruimte had bereikt, toch al gauw 10 meter, stroomde mijn ogen al leeg. Mijn collega stuurde me overigens gelijk weg. ” Kas opmaken? Echt waar Rod? Fok jou, stomme klojo. Sodemieter op en ga zuipen, ouwe gek! Dit is jouw avond, pikkemoos!” Dus dat deed ik dan maar. Maar eerst moest ik even janken op de schouders van mijn collega’s natuurlijk, buiten het zicht van iedereen. Toen de tranen eindelijk opgedroogd waren dronk ik gezellig nog wat bier mee. Maar toen ik even later namens alle collega’s en stamgasten een mooi cadeau ontving en waar iedereen bij stond was het hek weer van de dam. Echt een beschamende vertoning, vond ik. Ik huil zo ongelooflijk makkelijk.

Serieus man, ik huil zo vaak, dat zelfs baby’s in een vliegtuig niet eens naast me willen zitten. Hypothetisch: Stel dat jouw enige taak in het leven is om mij een keer aan het huilen te krijgen, dan kan ik je zeggen: ‘Nou, er zijn moeilijkere taken om te vervullen.’ Voorbeelden? Zet  mijn ultieme break-up-nummer ‘’Flink zijn’’ van Robert Long maar op als ik weer eens voor de zoveelste keer door een verkering ben gedumpt. Zet een willekeurige aflevering van ‘’ Spoorloos’’ op waarin mensen elkaar na 40 jaar weer zien en elkaar in de armen vliegen. Of zet de scène van Bambi op waarin de moeder wordt doodgeschoten. Of de Amsterdamse filmklassieker Simon: al meer dan dertig keer gezien en nog steeds houd ik het niet droog op het einde. Laat die twee goals van Siem de Jong in de kampioenswedstrijd van 2011 zien. Echt, je hebt zo’n huilebalk als mij zo te pakken.   

Toen Ajax in 2011 kampioen werd, met die twee goals van Siem: tranen met tuiten. Ik kan er echt niks aan doen. Ik ben gewoon een ouwe emokikker. Als iets me raakt dan ben ik compleet kansloos in het gevecht tegen de tranen, wat trouwens eigenlijk niet eens een gevecht is. Zelfs VVV verdedigde zichzelf beter tegen Ajax toen ze met 0-13 op hun reet kregen dan ik in een gevecht tegen mijn tranen. En eigenlijk is daar ook niks mis mee. Ik ben net een mens. En dat is ome Dick ook. Hij heeft nooit een favoriete club van mij getraind, verre van zelfs, maar ik heb groot respect voor zijn loopbaan. Hij heeft dingen gepresteerd, zwaait af, krijgt zijn verdiende applaus. Het is over en het is mooi geweest. Dan mag je best een traantje laten. Gooi die sluizen lekker open. Maar afscheid nemen is kut. Ik houd daar niet van. Ome Dick ook niet. Dick Advocaat en ik zijn samen de slechtste afscheidsnemers van de wereld. En wat dan nog? Ik begrijp je, ome Dick.  

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!
Niet allemaal tegelijk want anders moet ik weer janken 😉

Rodweek 98 Bloed aan de paal

Waarom het WK voetbal van 2022 ooit aan Qatar is toegewezen? Voor elke liefhebber van de edele voetbalsport is het natuurlijk een raadsel waarom je een WK moet houden in een landje dat ongeveer zo groot is als de Randstad en dat geen enkele maar dan ook geen enkele historische binding met voetbal heeft. Dat zegt de voetballiefhebber in mij. De realist in mij zegt: geld. Qatar heeft dit WK gewoon eerlijk gekocht. Het zegt alles over de perverse macht van het geld. Het gaat de corrupte FIFA er helemaal niet om dat wij als liefhebbers een mooi toernooi zien. Nee, het gaat gewoon ordinair om geld.

En dat ze het in het olie-emiraatje niet zo nauw nemen met de mensenrechten: het mag geen naam hebben, toch? Dat afgelopen week bekend werd dat er bij de bouw van de stadions minimaal 6500 onderbetaalde en ondervoedde gastarbeiders uit landen als India, Nepal en Pakistan zijn omgekomen: dat is wisselgeld. Wat zijn immers 6500 mensen die toch al kansloos geboren zijn op een wereldbevolking van 7 miljard mensen? Winston Churchill zei ooit: ‘’1 miljoen doden is een statistiek, 1 dode is een tragedie.’’ We hebben hier dus minimaal 6500 tragedies. Jonge mannen die families en vrienden achterlaten ten faveure van Koning Voetbal.

KNVB, de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond zou zich Koninklijk moeten opstellen en zeggen: ‘’Dit is niet ons feestje, wij doen hier niet aan mee.’’ Al vrees ik dat de hoop ijdel is dat de heren op het pluche de Hollandse leeuw ook daadwerkelijk eens laten brullen. Ze kunnen beter een struisvogel op dat shirt laten zetten in plaats van die leeuw als Nederland daar echt heengaat.

Mijn hoop is dan gevestigd op de internationals. Daar zitten een aantal zeer maatschappelijk betrokken jongens bij. Zoals een Memphis, Wijnaldum of Virgil van Dijk. Jongens die opstaan tegen racisme en discriminatie. Jongens die de Black Lives Matter-beweging een warm hart toedragen. Allemaal prima! Fantastisch zelfs, ik ondersteun die jongens en hun boodschap van harte. Maar moeten de boys zich dan ook niet uitspreken tegen de misstanden in Qatar? Het leven van een slaaf uit Bangladesh die onder erbarmelijke omstandigheden werkt in Qatar doet er toch ook toe? Of moeten we dan ineens sport en politiek gescheiden houden, zoals dat vaak zo laf clichématig in de sportwereld wordt gezegd als er naar één of andere dictatuur moet worden afgereisd.

Behalve met mensenrechten hebben ze in Qatar trouwens ook niet erg veel op met het normaal, menselijk, omgaan vrouwen. Want hoewel de heren daar volgens de laatste mode van een paar duizend jaar geleden allemaal als een stel bebaarde dragqueens in een soepjurk rondlopen hoeven vrouwen daar niet op een fatsoenlijke begroeting te rekenen zoals we laatst konden zien tijdens een ceremonie rond het voetbal. De eerste drie mannelijke scheidsrechters kregen nog een lauwe boks van zo’n jurk, de twee vrouwelijke scheidsrechters die daar achteraankwamen kregen niet zo’n laf boksje, sterker nog: ze werden niet eens aangekeken.

Moeten wij in zo’n achterlijk land waar structureel mensenrechten worden geschonden en waar de stadions, die daarna nog amper zullen worden gebruikt, doordrenkt zijn met bloed van onderbetaalde slaven? Waar vrouwen niks waard zijn en slechts dienen als legbatterijkippen? Echt waar? Willen we daar echt heen? Als Nederland en alle andere grote voetballanden gewoon zeggen dat we niet komen dan wordt het een heel karig feestje daar.

En is er een interviewer die Ronald de Boer eens heel serieus en kritisch kan interviewen over deze kwestie? Ronald verdedigt, als ware WK-wappie, dat toernooi in Qatar. Ronald de Boer heeft in zijn nadagen als voetballer natuurlijk nog wat miljoentjes bij elkaar geharkt in de zandbak en zal dus wellicht wat zakelijke belangen hebben in Qatar. Als redelijk denkend mens valt Qatar natuurlijk niet te verdedigen, dus hij moet wel een zakelijk belang hebben daar. Ronald deed laatst alle misstanden daar af met zo’n alles vernietigende oer-Hollandse dooddoener: ‘’Ach, in Nederland gaat ook wel eens wat mis.’’, aldus het Orakel uit de polder.
Mag hier alsjeblieft een interviewer van het kaliber Wilfried de Jong op worden gezet? Of beter: gewoon Wilfried de Jong? Die zou Ronald de Boer fileren.

Er is een petitie online gaande waarin je je stem tegen deelname van Nederland aan dat WK kunt laten horen. Of het zin heeft weet ik niet, vermoedelijk niet, maar niet geschoten is altijd mis. Dit is de link, klik hiero.

In 1978 hielden Freek de Jonge en Bram Vermeulen de campagne ‘’Bloed aan de Paal’’ om er voor te zorgen dat Oranje niet naar de dictatuur Argentinië zou afreizen. Het heeft destijds niet geholpen. Nederland ging en uiteindelijk hebben we het, als over dat WK gaat, eerder over die bal van Rensenbrink op de paal dan over bloed aan de paal. Pas 25 jaar na dato deed Nederland ineens stoer door die ouwe Zorreguieta te weigeren op de bruiloft van z’n dochter. Nou, nou, nou. Daar schrokken ze toch behoorlijk van daar.

Ik ben altijd meer een Ajax-fan dan een Nederlands Elftal-supporter geweest, maar wat zou ik nu ongelooflijk trots op het Nederlands Elftal en de KNVB zijn als ze een statement naar buiten brengen dat ze daar onder geen voorwaarde willen spelen. Ongeacht de consequenties. Dan maar gediskwalificeerd voor de eerstkomende tien toernooien. Het is nu de tijd om een statement te maken. Als voetballiefhebbers kunnen we dat al doen door van dat WK het NK te maken: Niet Kijken.

’’Bloed aan de paal’’ is weer actueler dan ooit.       

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

Rodweek 97 Bril


Ach ja, 1964, dat was nog eens een jaar. Nederlandse jongedames stonden te gillen langs de Amsterdamse grachten toen The Beatles daar, niet in een gele onderzeeër, maar in een rondvaartboot doorheen voeren, en The Rolling Stones, met bandparodist André van Duin in het voorprogramma, braken het Kurhaus af. Ondertussen speelde Ajax zijn slechtste seizoen ooit. De club ontsnapte maar ternauwernood aan degradatie. Dieptepunt was de wedstrijd in de Kuip tegen aartsrivaal Feijenoord (toen nog met ‘ij’ geschreven): Ajax ging er met 9-4 af. In het doel bij Ajax stond Bertus Hoogerman. Bertus zag er bij een aantal treffers op z’n zachtst gezegd niet goed uit. Als een ernstig bijziende perenplukker greep hij de ene na de andere bal mis. Het was nog een (Stevie) Wonder dat de uitslag niet nog groter uitviel.

Sjaak Swart hielp na afloop van de wedstrijd het verhaal de wereld in dat Bertus die ochtend de contactlenzen van zijn schoonmoeder had ingedaan. En hoewel Swart dat dus als geintje bedoelde heeft dat verhaal de arme Hoogerman tot zijn dood achtervolgd en zijn er tot op de dag van vandaag nog mensen die denken dat het een waar gebeurd verhaal is. Neen dus.

Nee, dan André Onana, onze huidige keeper. Die nam dus wel de plaspillen van zijn vrouw in en moet dat vooralsnog bekopen met een lange schorsing. Misschien had Onana even een bril op moeten zetten voor hij een stripje opendrukte. En dat in dezelfde week als dat teamleider Jan Siemerink kennelijk ook zijn bril niet ophad toen hij een vinkje bij de naam van Sébastien Haller moest zetten, dat dus vergat en Ajax zonder zijn duurste spits ooit Europa in moet.

Gelukkig liep het goed af in Lille, al maakte Nico Tagliafico, die wél een bril droeg deze wedstrijd, het nog lastig met die rare terugspeelbal. Hij zag even niet dat er nog een Franse speler tussenzat. Naar verluidt had onze Nico de bril van zijn vrouw op.

Zelf ben ik ook zo bijziend als de pest. Ik moet leven met een handicap van min vijf aan beide ogen. Maar ik draag al een kleine dertig jaar contactlenzen. Brillen staan mij niet. Of ik ben er gewoon te ijdel voor. Mijn visuele handicap kwam voor het eerst aan het licht toen ik een jaar of tien was. Ik kon de sommen en zinnen op het schoolbord steeds moeilijker lezen, maar ik wilde niet toegeven dat ik een bril nodig had. Ik probeerde mijn slechter wordende zicht te maskeren door naar het toilet te gaan en dan, terwijl ik langs het bord liep zoveel mogelijk te onthouden van wat er op het bord stond. Die tactiek werkte uiteraard niet feilloos en hij duurde ook niet lang. Mijn cijfers gingen rap achteruit en dat terwijl ik een goede leerling was. De daling van mijn cijfers was behoorlijk verdacht en dat in combinatie met het feit dat ik steeds dichter bij de TV ging zitten om de ondertitels goed te kunnen lezen, gaf mijn ouders genoeg redenen om mij toch maar eens naar de opticien te sturen. Ik bleek al bijna min twee te hebben en moest aan de bril. Ik kon wel huilen en dat deed ik dan ook. Jongens met brillen waren altijd sukkeltjes en daar wilde ik niet bijhoren.

Daarbij was mijn bril ook nog eens een afschuwelijk lelijk en van elke leuke smaak gespeend ziekenfondsding. Een fantasieloos, gezichtsontsierend onding. Ik schaamde me er kapot voor. Er zijn dan ook weinig jeugdfoto’s van mij met bril te vinden. Ze zijn er wel, maar op de vingers van een door vuurwerk aangetaste hand te tellen. Als er al een foto werd genomen terwijl ik dat ding op had verdween die bril gelijk in het hoesje. Toen ik veertien was ging ik over op contactlenzen en daar ben ik tot op de dag van vandaag nog heel erg gelukkig mee. Al zou ik er wellicht nu toch wel een bril voor ernaast bij willen hebben. Gewoon, voor thuis.

Waar ik wel altijd fan van ben geweest zijn zonnebrillen. Zonnebrillen zijn cool. En gelukkig werden we afgelopen weekend voor het eerst dit jaar gekieteld door de lente, dus dan gaat gelijk die zonnebril op dat hoofd van mij. Vooral zondag was het lekker weer. Mensen zien er meteen vrolijker uit, er wordt weer gelachen, ik zag de eerste rokjes op straat. Zou wijlen Martin Bril afgelopen zonovergoten zondag al tot zijn befaamde ‘rokjesdag’  hebben uitgeroepen?

Geen idee, het is maar door welke bril je het bekijkt.   

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

Rodweek 96 Geschiedenis

Afgelopen weekend ben ik voor eerst sinds eind augustus weer eens in de grote gevaarlijke wereld buiten de ring Amsterdam geweest. Goed, Haarlem en Weesp, dat zijn nou niet direct wat je noemt wereldafstanden, maar toch, even die stadsgrens weer over. Het is een klein half jaar, maar het voelde als honderd jaar geleden dat ik de stad was uitgeweest.

Wat niet als honderd jaar geleden voelt maar inmiddels wel al tientallen jaren geleden is: de jaren 90! De jaren 90 was voor mij de tofste tijd van mijn leven, de tijd van alles ontdekken: op jezelf wonen, liefde en lust vieren (die 2 haalde ik nogal eens door elkaar), uitgaan, concerten, drinken, roken, naar voetbalwedstrijden gaan door Nederland en Europa, soms wel geld, soms geen geld, soep leren koken want dat is goedkoop en voedzaam, voor jezelf leren zorgen, op je platte muil gaan, maar bovenal waren de jaren 90 voor mij één groot feest. Goed, af en toe moest er school of werk gedaan worden als hinderlijke onderbreking tussen alle festiviteiten door, maar ik zou die tijd zo weer overdoen. Het uitgaansleven in Amsterdam stond aan de mondiale top en Ajax ook. Ajax won Europacups en de wereldbeker voor clubs. Kluivert en Blind: ik denk nog steeds eerder aan Patrick en Danny dan aan Justin en Daley, hun zonen die nu voetballen.

De jaren 90: Ik waande me de koning van de nacht en de Korsakoff en de Melkweg waren mijn paleizen.

Voor mijn gevoel is het allemaal hooguit een paar jaar geleden. Maar dat gevoel is bedrieglijk. Wij kregen op de HAVO ook geschiedenisles. Als het dan over de jaren 60 of 70 ging dan klonk dat heel ver weg. We zagen zwartwitbeelden en hoorden de Polygoonjournaalstem van Philip Bloemendal. John F. Kennedy dood, Vietnamoorlog, Hippies, Nozems, Dijkers, Pleiners, Nieuwmarktrellen, Woodstock, Jimi Hendrix, Johan Cruijff, Piet Keizer: dat was allemaal voor onze tijd. Ver voor onze tijd. Als onze ouders weer eens vertelden dat ze in hun jeugd een patatje mayo voor twee kwartjes en een pakkie sigaretten voor een gulden kochten keken we verveeld. Sentimenteel ouwelullengeziek.

’’Oh ja joh? Dat was zeker nog in zwart-wit!’’ schamperden wij, als onze ouders weer eens een verhaal uit die stoffige ouwe doos opdisten. Maar nee, lieve generatiegenoten: hun verhalen waren ook maar 20 tot 30 jaar oud. Net als de verhalen die wij nu vertellen aan de jongere generaties.

’’Ja, ja De Meer was veel gezelliger dan de Arena, voetballers voetbalden vroeger op zwarte kicksen en zagen er bijna allemaal uit als Oost-Albanese bouwvakkers.’’ Je ziet de jeugd verveeld kijken, zoals wij verveeld keken als onze vaders of ooms weer begonnen over het Gouden Ajax van de jaren 70 of over het WK74 dat ‘we’ hadden moeten winnen, als je de steeds sterker wordende verhalen mocht geloven. Terecht dat de jeugd ons nu ook ouwe zeikerds vindt. We zijn gewoon dezelfde sentimentele ouwe dwazen als onze ouders geworden.

De definitieve bevestiging dat mijn generatie nu ook officieel oud tot het ”Gilde der Ouwe Fossielen” is toegetreden zag ik vanmorgen op Twitter. Iemand merkte op dat de jaren 90 dit jaar een examenonderwerp is op het HAVO-examen. HAVO? Hey, dat heb ik ook gedaan! Ja, ouwe, 26 jaar geleden in 1995. Mijn puberteit, adolescentie en ultieme feesttijd ligt al veel verder achter me dan ik ooit zal toegeven. Ik zie veel mensen met wie ik in de jaren 90 omging ook nog. Goed, we zijn dus kennelijk allemaal ineens een jaar of 25 a 30 ouder sinds we elkaar leerden kennen en voor sommigen geldt zo’n zelfde toename niet alleen in jaren, maar ook in kilo’s. Sommige mensen zijn grijs geworden. Bij sommigen zijn de lange haren weg. Roken en drinken is vervangen door yoga en hardlopen. Bij het lezen komt er ineens een brilletje tevoorschijn. Ineens hebben sommige mensen kinderen. Sommige van die mensen hebben zelfs al volwassen kinderen. De eerste mensen in mijn vrienden- en kennissenkring die opa of oma zijn voor hun vijftigste hebben zich reeds enkele jaren geleden aangediend.

”Mijn” jaren negentig zijn kennelijk al zo antiek dat het een examenonderwerp is. Ik vind dat bizar.

Ik leerde in 1991 op de HAVO dat het al 22 jaar geleden was dat Neil Armstrong in 1969 als eerste mens op de maan landde. Kinderen die anno 2021 muziekgeschiedenis leren zullen horen dat het legendarische album ‘Nevermind’ van Nirvana in 1991 uitkwam. En ja, dat is zomaar, 3… eh….30 jaar geleden, ouwe!      

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

Rodweek 95 Broederschap

Hoewel ik in meer dan een kwart eeuw door heel Nederland en Europa enorm veel concerten heb mogen zien, heb ik Golden Earring slechts één keer zien optreden. En dat is nog niet eens zo gek lang geleden. In 2017, toen het Haagse equivalent van The Rolling Stones al 56 jaar bestonden en reeds 48 jaar in dezelfde samenstelling speelde zag ik ze pas voor het eerst live spelen. Plaats van handeling: een festival in recreatiegebied de Groene Ster te Leeuwarden, de hometown van mijn toenmalige aanstaande ex.

Ik zou ze ooit jaren eerder eens ergens gaan zien, maar dat ging om de een of andere reden niet door. Daarvoor en daarna is het er gek genoeg nooit van gekomen, terwijl de Earring toch echt zo ongeveer in elke uithoek van Nederland heeft gespeeld. Van Sexbierum tot Koeiestront aan den Huyg en alles er tussenin: de Earring speelde overal. Maar ik was er, op die ene keer in Leeuwarden na, nooit bij.

En dat terwijl ik de Earring altijd wel een toffe band heb gevonden. Mijn eerste kennismaking met de heren Hay, Kooymans, Gerritsen en Zuiderwijk was in 1984 met die vreemde clip van When the Lady Smiles. Als zevenjarig jongetje met natte haren op de bank naar Countdown of Toppop kijkend. Golden Earring was niet de eerste band die de muziekfan echt in mij wakker kuste. Dat was Queen, een jaar later op Live Aid. Die overdonderden me echt en maakten van mij definitief een fanatieke muziekfan. Mijn smaak zou later nog vele vertakkingen krijgen. Van hiphop tot Hazes, van soul tot Sepultura, van punk tot klassiek, van Jimi Hendrix tot reggae en van alles daartussen en omheen.

Maar ik vond de Earring als ontluikende muziekliefhebber leuk, sympathiek en ik vond het cool dat ze gewoon uit Nederland kwamen. Ze waren zo on-Nederlands tof. Maar hun echte grootsheid ging ik pas later zien. Ik leerde buiten de grote hits als Radar Love, Twilight Zone en When the Lady Smiles meer van hun oeuvre kennen, ging over ze lezen en besefte me eigenlijk toen pas dat dit hele grote meneren in de internationale muziekwereld waren. Ik denk dat ik me dat pas rond mijn twintigste pas echt begon te realiseren. Ik had dan al een hoop internationale bands gezien in de Melkweg, Paradiso, Tivoli, Patronaat, nog wat zalen in den lande, ik was al op wat festivals geweest  en ik had al wereldsterren in de ArenA gezien, maar ik besefte me nog niet welke wereldsterren wij binnen onze landsgrenzen hadden. Die moest ik dus een keer live zien.

Dat moest er gewoon een keer van komen, zo beloofde ik mijzelf. Het zou schandalig zijn als ik Nederlands’ grootste rockband nooit live zou hebben gezien. Ik loste die belofte aan mezelf dus pas op mijn veertigste in. En ik heb duizenden concerten gezien en ik ga nu niet heel schijnheilig zeggen dat dit het beste optreden was dat ik ooit heb gezien, maar ze maakten absoluut indruk op me. Ik zag niet vier oude mannen, maar vier jongens van rond de 70 jaar heel veel plezier hebben met hun bandje. Dat jongensachtige enthousiasme wat ze nog steeds uitstraalden op het podium daar kan menige verveelde rapper die een halfuurtje over een bandje heen ouwehoert of plichtmatig spelend rockbandje een voorbeeld aan nemen.

Ik was dus zeker van plan om de heren dus nog eens te gaan zien. Dat zou toch wel lukken? Sommige bands houden namelijk gewoon nooit op, vandaar mijn vergelijking met de Rolling Stones. Die zijn zelfs nog ouder qua leeftijd. Charlie Watts tikt dit jaar de 80 aan, al zag die er 30 jaar geleden ook al uit als een man van 80. Keith Richards wordt tegen elke natuurwet 78, evenals Mick Jagger en benjamin Ron Wood is de snotneus van de band met z’n bijna 74 jaar. Dan moet Golden Earring toch ook nog een paar meegaan, dacht ik? Of in elk geval met een mooie afscheidstour afzwaaien.

Maar helaas, het heeft niet zo mogen zijn. Gedwongen door de ziekte van oerlid George Kooymans stopt de band. Het was de afspraak tussen de mannen: zodra er eentje van de band omvalt of niet meer kan stopt de band. ‘’Een gitarist is te vervangen, maar een broertje niet’’, zo sprak Barry Hay toen deze week het officiële einde van Nederlands grootste rockband ooit een feit werd. Ze hebben hun eigen afscheid helaas niet mogen regisseren, maar mijn god wat laten ze, gelukkig allemaal nog bij leven, een ongelooflijk grote muzikale erfenis na.

Ik ben blij dat ik ze in elk geval één keer heb zien optreden. Voor nu past slechts een grote buiging voor het broederschap Golden Earring, dank voor alle mooie muziek en heel veel sterkte aan George Kooymans.  

En die ome Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

Rodweek 94 Uitglijer

Een vriend van mij zei het vandaag treffend op Facebook, aangaande de avondklok, de clockdown: ”Zie het zo, je krijgt nu huisarrest voor alles wat je vroeger gedaan hebt, waar je ouders nooit achter gekomen zijn.” Een mooi staaltje omdenken.

Ik dacht gelijk: ‘Nou, dat kan dan nog wel een tijdje duren voor ik weer naar buiten mag!’

Eerlijk gezegd valt de herfst/winterlockdown me mee. Het is vies druilerig baggerweer. Als die lockdown er niet was geweest dan had ik mezelf wel opgesloten. Ik doe dat ook overigens elk jaar in de winter. Ik kom buiten om naar werk te gaan, om boodschappen te doen of naar Ajax te gaan, maar voor de rest wil ik zo min mogelijk met winterse of zelfs herfstige omstandigheden te maken hebben. Ik ben geboren in de winter, nog net, op 12 maart, maar ik ben een echt zomerkind. Als er één straal zon in die stad van mij schijnt loop ik er in en dan speelt mijn hele leven zich zoveel mogelijk buiten af. 

Met sneeuw en ijs heb ik niks. Nooit gehad ook. Als kind vond ik het al een verschrikking. Het is koud, het is nat, het is goor en je glijdt er over uit. Nee, het enthousiasme van verschillende Facebook-vrienden die kraaiden van geluk bij het zien van sneeuw afgelopen weekend deel ik niet. Ik dacht alleen maar: ‘’Kut, nu moet ik met de tram naar werk en moet ik weer zo’n vervelend muilmasker op, maar als ik ga fietsen dan kan ik op m’n muil pleuren en dan heb ik er pijn op m’n muil van.’’ Het zal de eerste keer niet zijn dat ik een salto met m’n fiets heb gemaakt door een straat die in een ijsbaan was getransformeerd. Een jaar of vijftien geleden fietste ik over de Marnixstraat, ’s nachts, midden in het centrum, bijna bij het Leidseplein. Het had geijzeld en ik moest vol in de remmen voor een gast die ineens uit een zijstraatje kwam gescheurd. Met een dubbele salto gevolgd door een schroef, een axel en een dubbele Rittberger eindigde ik vol met m’n bakkes op het ijzige asfalt. Althans als ik de verhalen van de omstanders mag geloven, want ik had in elk geval genoeg publiek en al stonden ze dan nog net niet met jurybordjes omhoog: zo mooi als mij hadden ze nog nooit iemand op z’n plaat zien gaan. En toen ik opstond gleed ik nog een keer op m’n reet.


 Mijn fiets was wonder boven wonder nog heel en ik dacht ik zelf ook nog wel en strompelde naar huis, maar toen ik de volgende dag wakker werd kon ik helemaal niks meer. Geen salto’s meer voor mij.

Nee, salto’s maken kan ik beter aan mensen als Epke Zonderland overlaten. Die zijn daar beter in. Epke zit op turnen. En dat doet onze Epke lang niet slecht. Europese titels, Wereldtitels, Olympische titels en nog een paar honderd andere titels: Epke heeft ze allemaal en kan dubbele ruilen. Het staat in schril contrast met mijn turnprestaties op de gymles op school. Ik kon er werkelijk niks van.

Ik vond het gewoon niet leuk en dan druk ik me heel voorzichtig uit. Als ik iets op gymles HAATTE met hoofdletters dan was het turnen. Ik had en heb dan ook de souplesse van een blok beton en ben over menig bok of rekstok heen gekletterd na weer een mislukte Arabier, salto of een andere naargeestige circusoefening waar ik het praktisch nut totaal niet van inzag. Dat ik, behalve mijn hart, in mijn tienerjaren verder nooit wat gebroken heb mag een wonder heten.

Daarom moest ik ook zo lachen om de tekening van Hein de Kort van afgelopen weekend. Epke heeft zijn vrouw weer eens bezwangerd en op de tekening zie je dat Epke zojuist naakt al flikflakkend en radslagend in de slaapkamer is beland en dan op zijn handen op de rand van het bed staat. Zijn reeds in bed liggende vrouw zegt dan verveeld dat ‘’een keer recht op en neer ook wel eens leuk zou zijn.’’ 

Nee, acrobatische toeren zijn nooit aan mij besteed geweest. Een paar jaar geleden probeerde ik nog met een Arabiersprong over een hekje in het stadion van FC Volendam te springen. Waarom het me nou handig leek om juist op die manier deze horde te nemen weet ik niet meer precies. Laten we het er maar op houden dat overvloedig overmoedig maakte, want we hadden het in de middag nogal vrolijk gemaakt daar aan de boorden van het IJsselmeer. Een paar stukjes kibbeling en twee bitterballen per persoon bleek onvoldoende bodem voor de hoeveelheid bier die we tot ons hadden genomen. Door mijn compleet mislukte acrobatische act zat ik diezelfde avond met een gebroken sleutelbeen en een gat in m’n kop in OLVG-West en lag ik er bijna vier weken uit. Ik kon ook niet werken, dus die gezellige dag heeft me nog een lieve duit gekost.

Dat soort strapatsen haal ik dus maar niet meer uit. Ik ben overigens blij dat er in mijn jeugd nog geen smarthphones en social media waren. Als al mijn uitglijers waren gefilmd en uitgezonden, dan had ik het serieus zwaar gehad.

En over uitglijers gesproken: die dame die zondag op het Museumplein met haar wappiematties achter een groot spandoek stond waarop in chocoladeletters werd verkondigd dat een vaccin tegen Corona vergif is, ‘want je weet maar nooit wat er in zit!’ Die mevrouw is natuurlijk af. Niet zozeer omdat ze dat vindt, want dat mag, maar wel omdat ze met een sigaret in haar handen stond. Die mevrouw vergiftigt zichzelf elke dag willens wetens en die heeft dan wat snuggers te melden over een vaccin. Toedeledoki, mevrouw de Google-viroloog.

En over uitglijers op het Museumplein gesproken: die woordblinde wappie die heel groot ‘’VRIJHIED’’ op een muur had gespoten was ook hilarisch.

En in hoeverre ik het met iemand eens ben maakt dan niet uit. Sta voor je principes, zeg ik altijd maar. Maar spel ze dan in elk geval goed. Ik zeg maar zo: vrie de poeple!


En die ome Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. €15,- ophalen in Amsterdam-Centrum of €19,50 voor verzenden.


Bejaardenblog 6 Vossenjacht

Op de valreep van het godvergeten 2020 las ik het bericht dat er momenteel roedels op seks beluste vossen door de binnenstad van Amsterdam ronddwalen. Vossen van het mannelijk geslacht die op jacht zijn naar vrouwtjesvossen. En zo hebben we in ‘het rode lichtjes district’ waar ik woon geen last meer van dronken toeristen die op zoek zijn naar vrouwen die ze tegen betaling mogen bestijgen, maar van vossen die op vossenjacht zijn. Kennelijk. Want ik heb ze nog niet gezien. De rosse buurt is tegenwoordig dus de vosse buurt.

Ik ging maar weer eens naar mijn eigen oude vossen in het verpleeghuis. Het lijkt soms wel alsof ze elkaar een beetje aansteken in hun gedrag. Zo kunnen ze ineens allemaal tegelijk heel lief zijn of juist zomaar ineens collectief strontvervelend. Alsof ze het afspreken. En zo hadden mijn oude vossen vorige week ineens een dag dat ze allemaal tegelijk moe waren. Het ontbijt en de lunch is altijd gezamenlijk, maar drie van de zeven bewoners verkozen om op hun kamer te blijven en de andere vier zaten alleen maar te knikkenbollen of gewoon te pitten. Misschien hadden ze de feestdagen nog niet helemaal verteerd.

Karel zat er wel, maar was duidelijk nog niet scherp. Karel is doorgaans nogal gecharmeerd van mij, maar nu herkende hij me niet eens en vroeg hij wie ik was.
‘’Ik ben het, Karel: Rodney. Normaal vind je me altijd zo’n mooie man, wat is dat nou?’’
‘’ Oh… Nou… Je lijkt me wel een aardige jongeman inderdaad.’’

Ik hielp hem met eten en thee drinken en daarna viel hij aan tafel in slaap. Ingeborg die vaak op haar praatstoel zit sliep ook veel en Leo is doorgaans weliswaar aartslui maar hij is altijd wakker genoeg om het personeel allerlei opdrachten te geven. Je kan niet langs hem lopen zonder dat hij een opdracht voor je heeft. Dan moet je ook nog vijf keer vragen wat hij wil, want hij is nogal moeilijk verstaanbaar. Dat kan behoorlijk irritant zijn. Nu dus niet, die lag ook aan tafel te slapen. Klara de eeuwig vrolijke downie was ook moe, lag ook te pitten en dat is ook niks voor haar. Dus daar stond ik dan. Drie bewoners nog in bed en de vier in de eetkeuken lagen allemaal te pitten. Dan duurt de ochtend ineens lang. Ik begon zelfs de onverstaanbare commando’s van Leo te missen. Nou ja, bijna dan. Zoals je een wortelkanaalbehandeling mist, zeg maar. Gelukkig delen we onze gemeenschappelijke liefde voor Ajax waardoor we toch wel een leuke band hebben.

Rond lunchtijd begon iedereen weer wat wakkerder te worden en waren ook de uitslapers inmiddels aangeschoven op hun vaste plek. Er kwam weer wat leven in de brouwerij. Ingeborg en Ramona begonnen weer te kibbelen als twee kleine meisjes, Eduard wilde weer lekker veel eten, Klara zat weer lekker te lachen en Leo dacht weer eens dat de hele wereld om hem draaide en begon zoals ik dat van hem gewend ben met onverstaanbare commando’s te vuren die ik dan weer kon pareren. Heerlijk. De dag was eindelijk begonnen. Al duurde dat behoorlijk lang die dag. Het leek wel of de klok achteruit liep.

Noortje werd ook wakker. Zij slaapt sowieso veel. Ik kreeg in het begin heel erg moeilijk contact met haar. Haar spraakvermogen is heel erg moeizaam. Ze praat geen lange zinnen en dan ook nog op fluistertoon. Ze lacht wel altijd heel lief. Ik hielp haar met eten en zei dat ze een mooie lach had en dat haar haren mooi gekamd waren. Ze lachte haar mooie lach weer naar me.
‘’Hey ben jij daar, Robbie?’’
‘’Ja, ik ben het, Noortje. Neem je een hapje voor me?’’
 “Ja….’’
‘’Moet je wel even je mond open doen hè?’’
‘’Oh ja…’’
‘’Zeg eens AAAAA…’’
En zo help ik haar dan met eten. Slokje thee tussendoor.  

En ook Karel was inmiddels weer wakker geworden. Hij begon Sinterklaasliedjes te zingen. Op zijn galmende volume.
‘’Karel, je weet dat het net kerst is geweest hè?’’
‘’Ja, dat weet ik wel, maar ik vind Sinterklaasliedjes leuker!’’
Karel kan af en toe nog bijzonder scherp uit de hoek komen.

Hij herkende mij ook ineens weer als ‘’de mooie man’’. Ik hielp hem met z’n eten.
‘’Ah, dank je wel, mooie man!’’
‘’Smaakt het lekker, Karel?’’
‘’Heel lekker! Verrukkelijk zelfs!’’
‘’Mooi zo!’’
‘’Net als jij, want jij bent mijn lekkertje!’’

Yep, Karel was weer wakker en er op zijn manier weer helemaal bij. Zo zie je maar: de vos verliest wel z’n haren, maar niet z’n streken.   

PS: De namen van bewoners en medewerkers zijn in het kader van de privacy gefingeerd.

Voor Bejaardenblog 1: klik hiero

Voor Bejaardenblog 2: klik daaro

Voor Bejaardenblog 3: klik andere daaro

Voor Bejaardenblog 4: Klik weer andere daaro

Voor Bejaardenblog 5: Klik dan maar weer hiero

En die ome Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk.


 
  

Bejaardenblog 5 Ach Kind

Nee, de ambitie om samen met iemand kinderen op de wereld te zetten heb ik nooit gehad. Het proces van kindjes maken daarentegen heeft wel altijd mijn bijzondere interesse gehad, maar zelf kinderen hebben en daar voor zorgen en opvoeden: nee dank je. Ik heb het al druk genoeg met m’n eigen leven en daarbij is die aardbol toch al te vol, dus dan hoeven we er ook niet nog eentje van mij erbij. Maar nu, sinds 9 november heb ik op mijn 43e ineens zeven ‘kinderen’: ze variëren in leeftijd van 57 tot 86 jaar.

Ik maak lunch en ontbijt voor ze, ik speel spelletjes met ze, help ze met eten en drinken en ondersteun het zorgpersoneel door de bewoners te helpen met kleine dingen die ze zelf niet meer zo goed kunnen. We hebben best veel lol samen. Soms zijn ze echt om op te vreten, maar er zijn ook dagen dat ik denk: ‘’had ik dat maar gedaan’’. Eigenlijk praat ik soms net zo over ze zoals ik echte ouders weleens over hun kinderen hoor praten.    

Mijn jongste ‘kind’ is de 57-jarige Klara, die het Syndroom van Down heeft. Haar woordenschat is zeer beperkt, maar wel duidelijk en bij tijd en wijle geestig. Ik ben voor haar die  ‘mafkees’ of ‘sodemieter’, maar vaak zegt ze ook ‘dag schat’ en soms krijg ik een kus op mijn hand van haar.  Als ik een broodje voor haar neerzet zegt ze standaard: ‘Ja lekker!’ Na het eten drinkt ze graag koffie en dat woord kent ze ook. En Klara zegt tegen iedereen, of ze nou 20 jaar of 80 jaar zijn, ‘’ach kind.’’

Ik noem ze dan wel gekscherend mijn kinderen, maar het zijn natuurlijk mensen die ruimschoots volwassen zijn, of dat in elk geval zo veel mogelijk zouden moeten zijn, voor zover hun toestand dat toelaat. Maar dat valt niet altijd mee. Afgelopen week, ik weet niet wat ze hadden, maar toen moest ik echt even de kleuteroppas spelen en ze hier en daar bestraffend of ouderlijk toespreken.

Het begon met Leo die chocolaatjes uit zijn kamer wilde. Ik pakte de doos chocolaatjes. Leo begon te eten en deelde niks met de anderen, want ‘het is mijn chocola!’. Waarop Ingeborg kwaad werd en zei dat de chocola niet van hem, maar voor de hele afdeling was en dat hij de chocolaatjes had gepikt. Na mijn tussenkomst hield Leo vol dat de chocolaatjes van hem zijn en hij dus niets hoeft te delen.

Vervolgens kreeg mijn veelvraat Eduard honger. Hij zegt meestal niet veel meer dan dingen als  ‘’Mag ik een broodje?’’, ‘’Thee’’ en ‘’Ik heb het koud, sjaal’’. Prima, alleen is hij soms wat ongeduldig als het serveren van zijn bestelling hem te lang duurt, omdat ook ik maar in het bezit van twee handen ben, en dan gaat hij heel irritant op de tafel tikken met zijn vingers. En dan herhaalt hij zijn bestelling nog maar eens. Een keer of drie. Dat was dus ook die dag.

Tegelijk begonnen Ramona en Ingeborg te kibbelen over niks. Dan zijn het net twee kleine meisjes. Dat doen ze wel vaker en dan haal ik altijd het oude stokpaardje van mijn moeder van stal, wat ze altijd zei als ik ruzie had met mijn vriendjes of mijn zus: ‘’Hey, wel lief zijn voor elkaar!’’ Alleen waren wij toen acht en zijn zij op vergevorderde leeftijd.

Ramona heeft even later in haar broek gepoept en moet verschoond worden door de zuster. Het  leven van veel mensen begint in een luier en eindigt in een luier. Die gedachte stemt me best wel eens somber.  

Het over en weer gekissebis over die chocolaatjes ging de hele dag maar door en ondertussen gooide Klara lachend haar koffie op de grond. Dat doet ze vaker als ze even niet de aandacht heeft. Ze weet dan dat ze eigenlijk een ‘time out’ krijgt. Dan moet ze voor straf even een kwartiertje afkoelen op haar kamer waarna ze belooft dat ze het nooit meer zal doen en dat ze lief zal zijn. Maar ik had ook geen tijd om dat te doen, want ik moest allemaal brandjes blussen. Ondertussen begon Karel ook weer te schreeuwen en liedjes te zingen die hij tot vervelens toe herhaalde en Noortje wilde niet eten en kliederde met haar melk.

Het was gewoon even zo’n dag waar geen einde aan leek te komen. Ze waren allemaal tegelijk in hun klierbui. Ik was doodmoe aan het einde van mijn dienst en blij dat ik naar huis kon. Desalniettemin kijk ik er weer naar uit om morgen ‘mijn kinderen’ te zien. Ik ben in die anderhalve maand dat ik dit werk doe best behoorlijk gehecht geraakt aan de bewoners van mijn afdeling. Als er eentje De Pijp (of in dit geval Oud West) uitgaat zou ik dat serieus erg vinden. Maar als Klara morgen dan weer lachend ‘’Ach kind’’ tegen me zegt, dan is mijn dag al snel weer goed.

PS: De namen van bewoners en medewerkers zijn in het kader van de privacy gefingeerd.

Voor Bejaardenblog 1: klik hiero

Voor Bejaardenblog 2: klik daaro

Voor Bejaardenblog 3: klik andere daaro

Voor Bejaardenblog 4: Klik weer andere daaro

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk.