Rodweek 112 Appie

Vanavond speelt Ajax tegen Fortuna Sittard. Uit, dus ik ga niet mee. Gewoon lekker thuis kijken met m’n gappie Ramses. In mijn jonge jaren heb ik gans het land doorkruist met Ajax. Er is bijna geen stadion waar ik niet geweest ben, maar dit soort trips laat ik tegenwoordig aan me voorbijgaan.

Vandaag, precies 5 jaar geleden speelde Ajax ook. Thuis tegen Willem II voor de beker, Als seizoenkaarthouders mochten we daar gratis heen. En dat lieten, een andere vriend van mij, Marcel, en ik ons geen twee keer zeggen. Daar waren een aantal plausibele redenen voor:

1. Als Ajax iets gratis weggeeft moet je dat altijd aanpakken
2. Samen bier drinken.
3. De eerste officiële wedstrijd met videoscheids, tegenwoordig bekend als de VAR, dus die wereldprimeur mochten we niet laten schieten.
4. Het gonsde in de wandelgangen dat Abdelhak Nouri (maar in zijn bewoordingen gewoon ‘Appie’), het grote talent uit de Ajax-opleiding wel eens zijn debuut kon maken vandaag, dus daar moesten we ook bij zijn.

De wedstrijd verliep als gehoopt. Ajax liep soepeltjes over de Tilburgers heen en naar naarmate de tweede helft vorderde begon het publiek zich te roeren:

’’Wij willen Nouri zien! Wij willen Nouri zien!’’ , zo klonk het van de tribunes.

Peter Bosz gaf ons onze zin. Nouri mocht in de 73e minuut invallen. Hij had er zin in, dribbelde door de defensie, dolde zijn tegenstanders en liet zien dat hij niet bang was. Lef, flair, bluf, bijdehand zijn en meer van dat soort eigenschappen zijn leuk, maar dan moet je het ook laten zien. Daar houden we van in Amsterdam.

 En dat deed Appie, zoals zie zichzelf altijd liet noemen. Eén minuut voor tijd eiste de jongeling uit Geuzenveld een vrije trap op. Mooie plek, net buiten de 16. Eigenlijk stond routinier Lasse Schöne al klaar om de klus te klaren maar de kleine Nouri uit Amsterdam-Geuzenveld smeekte de Deense aanvoerder of hij het mocht doen. De Deen gaf een vaderlijk knikje, het stond immers al 4-0. maar de oude Pater Familias van het team stelde één keiharde voorwaarde: ‘Als je ‘m mist krijg ik een tientje’. Meer hoef je jongens uit West niet te motiveren, zo weet ik uit eigen ervaring.  

Abdelhak, Appie dus, mocht zijn joetje houden. Hij schoot de bal prachtig in de lange hoek. Een heerlijke goal, En het leverde mooie TV op. Appie vloggend na zijn succesvolle debuut. Appie bij Tikkie-takkie-Touzani, Appie leuk in interviews: iedereen hield van Appie. We waren getuige van de geboorte van een publiekslieveling. Wat een heerlijke voetballer en wat een leuk joch in zijn interviews. Niet de eerste de beste chagrijnige zeikvoetballer die meteen in de gordijnen hangt bij een kritische vraag.

Nog geen jaar later werd Appie op het veld, in de voorbereiding getroffen door een hartstilstand. Hij leeft nog, maar daar is alles mee gezegd. Nou ben ik geen dokter, maar het gaat waarschijnlijk nooit meer goed met hem komen. Dat is een afschuwelijke tragedie voor hem en zijn familie en vrienden.  

Hoe goed had onze nieuwe publiekslieveling geworden? Zou hij zo goed zijn geworden als een paar van zijn maatjes uit Jong Ajax waar hij toen in speelde? Jongens als Frenkie de Jong of Mathijs de Ligt? Zou hij nu ook bij Barcelona of Juventus hebben gespeeld? Of nog bij Ajax. Of zou hij vanavond met Fortuna Sittard meespelen tegen Ajax omdat hij niet goed genoeg bleek voor de top? Het zijn vragen die nooit beantwoord zullen worden.

Exact vijf jaar na dato dus na zijn debuut, ik denk nog regelmatig aan Appie en de vragen die nooit meer beantwoord zullen worden.

https://www.youtube.com/watch?v=Aainr80TUsQ&ab_channel=ESPNNL

Rodweek 111 Zaterdagskind

Mijn moeder zegt wel eens dat ik een zondagskind ben dat op een zaterdag is geboren en dat is ook eigenlijk wel zo. Ik heb met veel dingen echt behoorlijk veel mazzel gehad. Zoals bijvoorbeeld met woningen. Van 1997 tot 1999 woonde ik met studiegenoot en goede vriend Sebas in een toffe driekamerwoning in de Bestevaerstraat Amsterdam-West. Allebei eigen slaapkamer, woonkamer en we betaalden een schijthuurtje van 400 gulden ofzo. Samen. Omdat ik de grootste slaapkamer had betaalde ik 225,- en hij 175,- Dat was, als ik het me goed herinner, de verdeling.  

Die woning hadden we gekregen omdat Sebas stage liep bij een woningbouwvereniging. Anti-kraakwoninkie. Ik zal de naam van onze helpende man in het kader van de privacy even fingeren, laten we hem mijnheer De Boeselaere noemen. Na twee jaar moesten we weer uit die woning en ging ik met mijn toenmalige meisie samenwonen in het huis van een vriend die een half jaar op reis was.

Maar daar moesten we na een half jaar dus uit. Ik heb daar geen seconde stress van gehad. Ik belde de woningbouw en vroeg naar De Boeselaere. ‘Zeg, De Boeselaere, Rodney Rijsdijk hier. Ik heb eerder via jou gehuurd met Sebas. M’n meisie en ik moeten over 2 maanden onze woning uit. Heb jij een nieuw anti-kraakwoninkie voor ons?’ Letterlijk zo ging het.

Het zou nu niet eens in me opkomen om zoiets te doen, maar noem het jeugdige onbevangenheid en een tikje bluf. Het kwam ook niet eens in me op dat het niet zou lukken. Ik ging er gewoon vanuit dat het ‘gewoon’ werd geregeld. De Boeselaere beloofde dat hij even zou kijken en me dan later terug te bellen. En inderdaad: in de middag werd ik gebeld dat hij een kleine woning in de Staatsliedenbuurt had, vlak achter de Jordaan. Huurprijs 288 gulden. Toen mijn meisie in de ochtend naar haar werk ging zei ik dat ik een woning zou regelen en toen ze aan het eind van de middag terugkwam had ik er eentje. Zo ging dat ‘gewoon’. Maar het is natuurlijk niet ‘gewoon.’ Ook in die tijd niet. Al dacht ik toen dat dat wel zo was. Ik ging er gewoon altijd vanuit dat het goed zou komen. Als ik mijn huis nu zou kwijtraken zou ik in blinde paniek raken. Dit wat ik toen deed kan nu echt niet meer. Dan laten ze je in het dolhuis opnemen.      

Daar in ‘De Staats’ een jaar gewoond en toen kreeg ik via een andere vriend een huis in de Marco Polostraat in West. Daar heb ik bijna twintig jaar gewoond alvorens ik drie jaar geleden via de woningbouw ineens in hartje centrum belandde.

Als ik zoveel geld kon tellen als dat ik zegeningen kan tellen qua woningmazzel die ik heb gehad zou ik schathemelrijk zijn. Maar rijkdom in Amsterdam is tegenwoordig al dat je een dak boven je hoofd hebt! En als je daar ook nog een redelijke prijs voor betaalt en het geluk hebt om niet een louche vastgoedprins te hoeven spekken ben je helemaal de koning(in). In de jaren negentig kon je in Amsterdam-West voor een habbekrats een woning kopen. Veel mensen wilden daar helemaal niet wonen. Was een achenebbisj-buurt Tegenwoordig betaal je voor een driekamerkrotje in Oud West makkelijk vier ton. In Euro’s! Die hokken kostten 25 jaar geleden nog geen twee ton. In guldens.

En dan mag die vreselijke Prins Bernhard jr. op dit moment het lelijke gezicht zijn van de totaal verziekte woningmarkt, er zijn natuurlijk veel meer van dat soort graaiers. En het gaat ook niet alleen om Amsterdam, maar om bijna elke plek in Nederland waar je wilt wonen. Van Den Helder tot Maastricht, van Delfzijl tot Middelburg en alles daar tussenin: overal wordt de hoofdprijs gevraagd. Alleen is die hoofdprijs in Amsterdam nou eenmaal altijd nog een stukje hoger. Wij willen ook echt in alles de beste zijn.

En daarom was ik het helemaal eens met het woonprotest van afgelopen zondag. Een stad waar alleen maar puisant rijke mensen kunnen wonen wordt een onleefbare stad. Een stad waar de jeugd niet meer kan wonen, tenzij ze minimaal tot hun 40e bij hun ouwelui blijven wonen. Simpelweg omdat er niks is. En waar gaan je leraren, je verpleegkundigen, je horecamensen, je pizzabezorgers, je loodgieters, je bouwvakkers  je timmermannen, kassameiden , je winkeliers, je kappers en noem ze allemaal maar op wonen in een stad die onbetaalbaar is voor mensen met een laag tot modaal salaris? En waar mensen met een iets bovenmodaal inkomen niet in een sociale huurwoning kunnen wonen maar ook niet een woning van rond de 1000 euro kunnen vinden? Hoe leuk is een stad waar alleen maar ouwe mensen met oud geld, moeilijke brillen, rode ruitjesbroeken en kakaccenten wonen? Ik wil gewoon dat iemand ‘Hey ouwe pooier, alles goed?!’ naar me roept op straat. En nee, daar ga ik niet voor naar Purmerend of Almere verhuizen. Amsterdam is mijn stad.    

Hoe lief ik alle vrouwen ook heb gevonden waarmee ik in mijn leven ben samen geweest: ik heb nog nooit m’n huis voor iemand opgegeven. Straks word je er uitgeknetterd (en dat gebeurde bij mij nog al eens!), sta je op straat en dan woon je ineens in een buitenwijk van Koog aan de Greppel omdat je in Amsterdam niks meer kunt krijgen. Of je moet voor  1500 euro een klein kloteflatje aan de uiterste randen van de stad willen huren. Dat gaat me dus nooit gebeuren.

Ik besef me, ook als ik met drie zware boodschappentassen met de tong op mijn schoenen thuiskom in mijn ruime sociale huurwoning op 5 hoog zonder lift, dat ik een strontmazzelaar ben. Een zaterdagskind. Ik zou het al mijn stadgenoten gunnen.

Mijn liefde voor Amsterdam is onbetaalbaar. De huizen in Amsterdam helaas ook. Ik zal met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nooit een huis kunnen kopen in mijn stad en dus blijf ik in mijn sociale huurwoning zitten. In die zin ben ik dus ook onderdeel van het probleem want ik stroom niet door. En velen met mij. Tenzij de staatsloterijballen een keer goed vallen. Misschien ooit een keer op een mooie zaterdag.   

Rodweek 110 Xenosfobie

Toen ik als kind moest afzwemmen voor mijn B-diploma moest ik van de hoge duikplank springen. Dat was het moment dat ik ontdekte dat ik echt heel erg last van hoogtevrees heb. Tot op de dag van vandaag. Dat ik op 5 hoog woon is op z’n minst ironisch. Maar ik ben dus kruipend die duikplank opgegaan en sprong met mijn ogen dicht het water in. Hoogtevrees was mijn eerste fobie. Een reuzenrad? Mij krijg je er niet in. Fobieën bestaan in talloze vormen. Mensen die bang zijn voor specifieke situaties, dieren of dingen. Mensen die oprecht niet van een roltrap afdurven, hoogtevrees, bang zijn voor spinnen, vliegangst hebben, bang zijn in het donker of mensen zoals ik die echt oprecht, om het met een mooi Amsterdams woord te zeggen, pages zijn voor grote honden. Ik zweer het je, als zo’n beest midden op de weg staat en ik moet er langs? Ik loop nog liever een kilometer om dan dat ik die hond passeer.  En dat doe ik dan dus ook. Met geen tien paarden krijg je me langs die hond. Hoe onredelijk dat ook is. Maar angstfobieën zijn dan ook niet voor rede vatbaar.

Er bestaan ook schijnfobieën zoals xenofobie of homofobie. Dat zijn helemaal geen fobieën. Die mensen zijn namelijk helemaal niet bang voor buitenlanders of homo’s. Want het zijn geen fobieën. Xenofoben en homofoben zijn gewoon domme haatdragende klootzakken. Vrij naar de tweet van Morgan Freeman.

Ikzelf heb ook een soort tussenfobie: Xenosfobie. Ik zal het proberen uit te leggen.

Veel mensen hebben zo’n ding waarvan ze liever niet hebben dat andere mensen dat ook weten. Een heimelijk pleziertje of om de hippe term te gebruiken: een guilty pleasure. Nou ben ik 44 jaar en alle schaamte inmiddels echt allang voorbij dus ik zeg het ook maar gewoon: ik kom graag in de Xenos. Het is een winkel waar ik me al zolang als ik leef over verbaas. Een winkel waar ik altijd pijnlijk bang word van alle wansmaak die er wordt geëtaleerd, maar waar ik ook altijd weer blij vandaan kom.  

De Xenos is zo’n winkel waar ze de meest afgrijselijk lelijke Boeddhabeelden verkopen. Of affreuze spiegels en lijsten met kitscherige randen. Of lelijke kastjes. En afzichtelijk servies waar je met wansmaak gezegende oma zich nog voor zou schamen. En natuurlijk het meest angstaanjagende in de winkel: de Xenos-spreuken voor aan de muur. Met van die blaartrekkende teksten als ‘’Home is where the heart is’’ of zo. Als ik dat soort Xenos-teksten wel eens lees op muren bij mensen denk ik altijd: ‘’Nee, lieverd, home is waar je zelf je fucking huur of je hypotheek betaalt.’’ 
Of als ik van die intens treurige truttigheid zie als :’’Happiness is not a destination, it’s a way of life.’’ Dan loopt m’n bloed weg. Ik heb om minder truttige Xenos-wijsheden toiletten tot de rand toe vol gebraakt. De truttigheid druipt in klodders van die spreuken af.

Ik ben altijd bang geweest dat ik met een vrouw zou eindigen die dat soort Xenos-wijsheden bij ons op de muur zou willen zetten. Ik ben ooit badend in het zweet wakker geworden omdat ik droomde  dat er in een lelijk lettertype ‘Love’ boven het bed hing en ‘Home’ boven de keukentafel. En het allerergste: in de huiskamer hing zo’n lullig bord waarop stond ‘Forget the mistake, remember the lesson’.  Boven de bank, zodat al ons bezoek het ziet. Beschamende lulligheid. Het is goddank nooit zover gekomen dat ik zo’n vrouw heb getroffen, maar wat dat betreft heb ik wel een beetje Xenosfobie.

Maar ik noem het niet voor niets een tussenfobie. Er is natuurlijk ook een reden waarom ik wel graag in de Xenos kom. En dan gaat het niet om een knappe verkoopster (die in mijn Xenos is doorgaans een man in het bezit van de 3 B’s: bril, baard, buik), maar omdat je er soms van die grappige dingen kunt kopen waar je normaal niet aan denkt. Knoflookolie met ook gewoon echt bad ass veel knoflook er in, een zak Snickers voor 2 piek, toiletbrillen, roerbaksauzen, ovenwanten, een grote zak pijnboompitten voor weinig en allemaal geinige troep die je nooit nodig hebt. Zo heb ik mezelf vandaag nog ternauwernood weten te bedwingen, want anders had ik naast alle andere zooi die ik niet nodig had, maar wel heb gekocht, ook nog zomaar een Mini Beer Pong-set en een mini-tafelvoetbalspel gekocht.

De rede nam het gelukkig net op tijd weer van me over en het engeltje op mijn schouder schreeuwde mij luidkeels in mijn linkeroor: ‘’Neeeeeee, Rodney, jij domme sukkel, jij moet juist meer troep weggooien waar je niks meer mee  doet en niet zoals jij altijd doet altijd maar nieuwe klerezooi naar binnen slepen, waar je over een week ook niks meer mee doet.’’ En de klootzak had nog gelijk ook.

Maar eerlijk waar, ik loop altijd weer blij de Xenos uit. Ik kan er zomaar jaren niet komen, maar als ik er kom verlaat ik de winkel nooit met lege handen.

Wat ik dan uiteindelijk heb gekocht tijdens mijn laatste bezoek aan de Xenos? Pizzabodems, fietslampjes, een enorme zak pijnboompitten en Jack Daniels Cola BBQ-saus. Acuut nodig allemaal? Welnee! Liep ik weer blij de winkel uit? Ja!

En zo liep ik, tevreden, weer terug naar home, where the heart is.


En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!
      

Rodweek 109 Taart in de koninlijke reet

Iedereen die wel eens iets in de creatieve sector heeft gedaan, hetzij als muzikant, als schrijver, als beeldend kunstenaar of wat ook dies meer zij kent het fenomeen ‘exposure’. Dat werkt als volgt en laat ik voor het gemak dan mezelf maar even als voorbeeld nemen: ik ben ooit als hobby begonnen met schrijven. Daar bleek ik redelijk getalenteerd in te zijn en dus werd ik opgemerkt door publiek. Maar heel erg bekend was ik natuurlijk niet in het begin. Maar een talentje was er en ik kreeg steeds meer publiek. Dan komt er een moment dat mensen je gaan vragen of je niet eens wat voor hun site of hun boekje of krantje wil gaan schrijven. Voor gratis. “Want goed voor je exposure!”, zeggen ze er dan ook nog standaard bij. ”Want dan zien mensen je. Heel goed voor je! En trouwens, het is toch je hobby? Leuk toch?”

En in het begin doe je dat natuurlijk. Want je wilt een publiek opbouwen. Maar er komt dan ook een keer een moment dat je dat niveau ontstegen bent. Schrijven is kilometers maken en zo ontwikkel je jezelf steeds verder door. Dan zijn er inmiddels ook mensen die zien dat jij wel een bepaalde waarde vertegenwoordigt en die gaan je dan, na jaren van vrijwillige noeste arbeid, betalen voor je werk. En dat is ook logisch, dat je geld vangt als jij iets levert omdat jij iets kan wat niet iedereen kan. Zoals eigenlijk voor voor veel beroepen geldt. Alleen worden creatieve beroepen vaak niet als beroep maar als hobby gezien.

Het woord ‘exposure’ komt na een paar jaar dan inmiddels je strot uit als een bedorven gebakje. Ik krijg er zelfs een beetje kots van in m’n mond als mensen dat woord gebruiken in de hoop mij voor noppes te laten schrijven. Nee, ik hoef je exposure niet. En ik weet ook wel dat ik niet de nieuwe Harry Mulisch of de nieuwe Gerard Reve ben, maar ik heb intussen wel een niveau en een lezersschare bereikt waardoor ik niet meer afhankelijk ben van ‘exposure’ door alles maar gratis te doen. Ik kan toch niet aankomen in de winkel of bij de huurbaas en dan zeggen: ‘Nou, ik heb geen geld, maar ik heb me toch een bak met exposure! Zo heee! Zal ik anders daarmee betalen?’ Nee natuurlijk niet! De bakker ziet me aankomen. Zo werkt de wereld niet. En ik ben alles behalve een geldwolf, want ik heb het zakelijk instinkt van een kaasvlinder. Ik vraag meestal lang niet de hoofdprijs voor de betaalde opdrachten die ik doe.

Voor goede doelen, hele goede vrienden, benefieten of vrijwilligersinitiatieven die ik gewoon tof vind: geen probleem, daar hoef ik geen geld voor. Koop maar een keer een biertje voor me  in de kroeg of zeg gewoon ‘dank je wel’ en dan lullen we nergens meer over.

Maaaaaarrrrrr… op het moment dat er een taart wordt gebakken waar goed geld aan wordt verdiend en mijn bijdrage is één van de ingrediënten van die taart: dan wil ik ook een stukje van de taart. Want ik heb dan ook bijgedragen aan het succes van de taart.

En daarom vond ik het statement van ‘de Haarlemse band Chef’s Special mooi. Of de jongens maar even gratis wilden optreden op de Grand Prix in Zandvoort. Nou, vooruit, allemaal een paar VIP-kaartjes, een paar consumptiebonnen en een handje borrelnootjes erbij en dan zijn we goed, toch? .  

Georganiseerd door die griezel van een Prins Bernhard Jr. Ja daaaag! Opzouten! Het is de gotspe van het jaar. Deze jongens hebben bijna twee jaar niet kunnen optreden door alle Corona-ellende, hoeven het allang niet meer voor de ‘exposure’ te doen en daarbij: waar haalt die vreselijke Prins Rupsjenooitgenoeg het gore lef vandaan? Deze man is als lid van de Koninklijke Fam met een gouden lepel in zijn bebrilde bek geboren. Hij koopt honderden panden in Amsterdam op waardoor hij hardwerkende Amsterdammers de stad uitjaagt en de huurders die in zijn panden wonen betalen woekerhuren. En dan voor zo’n engnek en z’n enge vastgoedvrindjes gratis spelen? Ik zou nog liever de kattenbak van een heel weekend leegeten (en mijn lieve Eva kakt en pist veel uit dat kleine lijfje!) en het over zijn schoenen uitkotsen.  

Zanger Joshua Nolet van Chef’s Special zei in de talkshow van Humberto dat het natuurlijk niet de bedoeling was dat de prins nu via social media de strontkar over zich heen kreeg maar dat het nou eenmaal een soort van nevenschade van zijn domme actie is die de neef van onze koning erbij krijgt. De prins krijgt nu even die taart in z’n smoel, aldus de zanger. Nolet drukte zich uiteraard correct uit in interviews, maar off the record zal hij natuurlijk op z’n minst gegniffeld hebben. En terecht. Ik vind het niet meer dan redelijk dat zo’n schaamteloze prins die strontkar over zich uitgekieperd krijgt. Wat je zaait is wat je oogst.      

Zijne Hoogheid Bernhard Lucas Emmanuel Prins van Oranje-Nassau, van Vollenhoven heeft, niet voor het eerst in zijn leven, laten zien dat hij geen idee heeft hoe het gewone plebs leeft en die gewoon keihard moeten werken en sappelen om exorbitante huren te betalen van gore huisjesmelkers zoals hijzelf. En het interesseert hem waarschijnlijk ook niet. Hij laat een scheet in het gezicht van de muziekindustrie en van elke gewoon werkende mens. Maar helaas stond voor onze prins de wind verkeerd en dan krijg je ‘m een keer terug in je gezicht.

Het prinsje is dus geen keukenprinsje want hij probeerde een taart te bakken die nu al vies smaakt. Maar de specialiteit van de Haarlemse cheffies is goed gelukt. En wat zou ik nu graag willen dat wijlen Bob Fosko met de Raggende Manne nog één keer voor die walgelijke prins kon zingen en met zijn immer zoetgevooisde stem zou brullen dat Bernhard die taart in zijn koninklijke reet kon stoppen. Ik denk zomaar dat Bob dat gratis zou doen.

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!


 

Rodweek 108 Je krijgt er zoveel voor terug


’’Je krijgt er zoooooveel voor teruuuuug!’’ Deze heerlijke flauwe dooddoener gebruik ik altijd een beetje zuigerig als mensen uit mijn vrienden- of kennissenkring op hun sociale media weer eens lopen te zeiken over hun kinderen en hun bijbehorende gedrag. Van het dreinende gedrag tot ze eindelijk in nest liggen, de ruzies met hun broertjes en zusjes, het gezeur om een ijsje tot het vervelende pubergedrag. Weet je, als ik dat lees ben ik altijd zo blij dat ik daar allemaal niks mee te maken heb. Ik moet er niet aan denken.

Denk overigens vooral niet dat ik een of andere stomme kinderhater ben. Allesbehalve, ik vind kinderen fantastisch. Even een dagje oppassen of een nachtje bij mij logeren: ik vind het hartstikke leuk en gezellig. Lekker met ze op stap door Amsterdam. Filmpie pakken, ergens eten of voetballen in het park: ik vind het echt helemaal tof. Of gewoon lekker met ze ouwehoeren over wat ze bezighoudt, geweldig. Kinderen zijn ook zo lekker eerlijk, daar kan ik echt van genieten.

En ik ben zelf ook soms gewoon een groot kind, dus ik kan in zekere zin met ze levellen. En van mij mogen ze wat ze van hun ouders niet altijd mogen. Ze mogen van mij zoveel ijssies, patat en cola als ze willen en veel te laat naar bed omdat we nog gezellig zitten te kletsen. Kortom: ik ben dus echt de coolste oppas die een kind zich kan wensen.

MAAAAAARRRRRR……: ik wil ze graag na een dag weer terug kunnen geven aan de rechtmatige ouders. Want een kind hebben is natuurlijk niet elke dag leuk. Ik moet er niet aan denken om elke dag dat gezeik en gejengel aan m’n hoofd te hebben over bedtijden of wat ze allemaal willen. Oprotten. Ik heb daar compleet geen geduld voor. En je steeds zorgen over ze moeten maken en zo. En gedoe met school en ouderavonden of op zaterdagochtend om 8.00 rillend op een tochtig voetbalveld in Almere Muziekwijk staan: ik wil dat niet.

Kinderen passen simpelweg niet in mijn leven. Ik heb andere dingen te doen die ik belangrijker vind. Zoals mijn horecaleven, uit eten gaan, naar voetballen gaan, op reis gaan, met vrienden op stap gaan, leuke dingen met m’n meisie doen en nog veel meer. En dat alles in willekeurige volgorde.
‘Kinderen zijn hinderen’, zei een vriend van mij vroeger altijd als ie weer eens zuchtend over zijn energie opslurpende kroost vertelde en zijn gebrek aan tijd voor leuke dingen met z’n meisie of met z’n vrienden. Ik moet er niet aan denken. Kinderen zouden mij alleen maar ontzettend in de weg lopen. En daarbij: die wereldbol is al best vol, waarom moet er nog eentje van mij bij? Dus het voortbestaan van de mensheid laat ik mooi aan mensen over die daar wel een schone taak in zien. Veel plezier er mee. Ik houd het wel bij het proces van hoe je kindjes maakt. Dat vind ik veel leuker. ”Niet de vader, wel de dader”, dat is een van mijn lijfspreuken.

En bovendien mislukt de eerste pannekoek altijd bij mij. Zal je net zien, produceer ik per ongeluk een of andere geschifte mafkees. Zoals die rare Gooise jongetjes van rond de 18 en 20 jaar die laatst met een grote groep een jonge vent doodschopten op Mallorca. Je kind zal daar maar tussen zitten! En dan nog laf meteen naar Nederland terugvliegen ook en één van de andere ‘vrienden’ achterlaten. Met zulke vrienden heb je geen vijanden nodig. Peter R. de Vries wordt nu al gemist.

Nou ben ik dus zeer bewust geen ouder, maar als mijn kind ook maar enige vorm van betrokkenheid zou hebben bij deze moord dan zou ik hem hoogstpersoonlijk aan z’n oorlellen meesleuren en met ‘m terugvliegen naar Spanje. En dan mag de koter daar eens haarfijn uitleggen wat er op de plaats delict is gebeurd en wat zijn betrokkenheid is. En dan moet hij me ook recht in mijn ogen aan durven kijken. Schuldig verklaard, met camerabeelden en alles erbij? Je hebt het echt gedaan? Opsluiten in de meest gore Spaanse cel voor heel lang, lekker laten wegrotten. Ik pleur zelf nog de sleutel weg als ik de kans krijg. En als ie er na een jaar of twintig dan eens een keer onverhoopt uitkomt hoef ik dat klerejong ook niet meer te zien. Die vaderliefde zou bij mij niet onvoorwaardelijk zijn. Als jij samen met je kutvriendjes iemand zo laf uit het leven hebt geschopt dan zijn we klaar. Dan ben je gewoon af bij mij.

En zeg nou niet dat ik niet weet waar ik over praat omdat ome Rodje zelf geen koters heeft, want ik heb dit even getoetst bij wat vrienden die wel nageslacht hebben en die denken daar exact zo over. Eén van mijn vrienden zei dat hij dan gefaald heeft als vader. Zo zou ik het ook voelen. Als ik mijn kind niet heb kunnen bijbrengen dat je iemand niet mag doodschoppen en al helemaal niet met tien man dan is er iets heel erg misgegaan in mijn taak als opvoeder.  

Ik hoef de mislukte pannekoek dan dus ook echt nooit meer te zien. Dan ben ik ex-papa. Ik moet geen moordenaar in mijn gezin, Daar ben ik echt heel stellig in. Want wat doe je met een mislukte pannekoek? Die gooi je weg. Gelukkig voor die Gooise jongetjes hebben zij andere ouders. Rijke ouders die met ‘een leger advocaten’ proberen om hun mislukte pannekoeken uit handen van de Spaanse justitie te houden. Want als ze schuldig zijn bevonden in Spanje rotten ze voor 15 tot 20 jaar de bak in en hier waarschijnlijk maar 3 tot 4 jaar, als papa ze al niet vrij heeft gekocht. Maar ik zou er bijna voor gaan bidden dat die knulletjes in Spanje worden berecht. In plaats van dat ze hier met een verwaarloosbare celstraf wegkomen.  

Maar goed, dit gezegd hebbende: ik en kinderen? Nee man. Ik heb ze echt nooit gewild. Teveel gedoe, gezeik en zorgen aan m’n kanis. Goeie kans dat ik, als ik een leuk kind zou hebben, best een leuke papa zou zijn. Maar ik heb er gewoon geen zin in. Ik heb een kind wat dat betreft niks te bieden. Dus ik hoef er ook nooit iets voor terug. Dat houdt mijn leven overzichtelijk. En voor de liefhebbende ouders die ik ken en die het ouderschap fantastisch vinden: geniet er van. Dan heb je er zooooveeeeel voor teruuuuug gekregen.  

Rodweek 107 Deuren

Waar je een deur achter je dichtgooit gaat er ook altijd wel ergens weer eentje open. De deur van het verpleeghuis heb ik dus achter me dichtgetrokken en de deur van Café de Toog, die nooit echt dicht is geweest, heb ik maar weer wagenwijd opengetrapt. Ik doe gewoon weer datgene waar ik misschien gewoon het beste in ben, of waar ik in elk geval het meest gelukkig van word. En of er dan op een bepaald moment ergens anders weer een deur opengaat die me interessant lijkt: dat zien we dan wel weer.

Deuren, in het Engels heten die ‘doors’ en deze maand was het ook vijftig jaar geleden dat Jim Morrison van The Doors ineens voor de hemelpoort stond. Ik was vroeger als puber en jongvolwassene een groot fan van The Doors. Ik kende (en ken dientengevolge nog steeds) alles van The Doors, verslond biografieën, die Oliver Stone-film heb ik minstens twintig keer gezien en ik lulde heel interessant mee over zijn dichtbundels. Morrison was een iconisch figuur die ik machtig interessant vond. Nou zet ik The Doors nog steeds niet af als ik het ergens hoor en ik vind sommige dingen nog steeds leuk om te horen maar mijn devote onvoorwaardelijke fanschap is al een tijdje over. Uiteindelijk kwam ik toch op een punt dat ik durfde toe te geven dat veel van zijn werk natuurlijk compleet onbegrijpelijk en in drank en drugs gemarineerd pubergebrabbel is.

Waar Morrison overigens niet alleen in staat: er zijn nogal wat grote wereldhits met compleet belachelijke teksten. Vertaal de eeuwige nummer 1 in de top 2000, Bohemian Rhapsody maar eens letterlijk: het slaat nergens op. Eén van de onderdelen in mijn muziekquizzen is dat ik het eerste couplet van een grote hit letterlijk vertaal vanuit het Engels en die op Reviaans timbre voorlees. Dan moet mijn aandachtige publiek dus raden welke wereldhit het is en dan weten mensen soms echt niet wat ze horen als ik ze dan later het originele fragment laat horen. Het zijn vaak teksten waarvoor John Ewbank en de tekstschrijvers van Blöf, mensen die hier in Nederland nogal eens worden uitgelachen om hun rare teksten, zich diep zouden schamen.

Wat dat betreft ben ik blij dat Engels niet mijn moedertaal is en ik dus gelukkig ook niet in het Engels denk, want dan zit je dus de hele dag naar de meest rare onzin te luisteren. Nu filter ik de taal vaak nog weg en luister ik puur naar de muziek. Als het maar lekker klinkt. Op het moment dat je het gaat vertalen ga je anders naar een nummer kijken.  

Jim Morrison, werd dus 27. De beruchte rock ’n roll-leeftijd waar ook Janis Joplin, Jimi Hendrix, Kurt Cobain en Amy Winehouse niet voorbij kwamen. Maar wij hebben in Nederland onze eigen rock ’n roll-held: Herman Brood. Die werd 54, dus de dubbele rock ’n roll-leeftijd, toen hij ging bungeejumpen zonder touw. En dat was deze maand twintig jaar geleden. Twintig jaar! Als ik denk aan ‘twintig jaar geleden’ dan denk ik aan 1982 ofzo, maar nee, dat was dus in 2001. Ik werkte op de Universiteit van Amsterdam, zat op mijn computer mails te beantwoorden toen ik door mijn collega en vriend Hans werd gebeld vanaf de balie. Hij had even niks te doen en zag het gelijk op een nieuwssite: ‘Brood is dood’.

Twintig jaar geleden alweer. Ik herinner het me alsof het twee weken geleden was. De tijd gaat snel en we worden allemaal ouder. Al trap ik hiermee natuurlijk keihard een open deur in.

De wereld zag er nog anders uit in 2001. Iedereen belde nog met z’n Nokia 3310 (ik heb dat overigens ook nog behoorlijk lang volgehouden), we betaalden nog met guldens en ’s avonds keken we ‘’Peter R. de Vries, misdaadverslaggever’’ op de buis. Onze nationale TV-smeris, ook nog met zo’n echte smerissnor op z’n bakkes, die zich onverschrokken vastbeet in grote slepende zaken en dapper de strijd aanbond met de onderwereld. Vaak succesvol, maar niet zonder risico. ‘’Hij vangt er een keer één’’, daar was iedereen stiekem een beetje bang voor.

Die angst is dus twintig later, anno 2021, realiteit geworden. En dan niet eens door een echte topcrimineel, maar lafhartig door een zwakbegaafd jongetje van 21 die het voor wat centjes deed. Niet dat het minder erg was als het door een topcrimineel was gebeurd, maar dit voelt toch alsof hij jarenlang heel heroïsch allerlei monsters en draken heeft verslagen en vervolgens heel ongelukkig over een stoeprandje is gestruikeld. Alsof je Lionel Messi bent en je poten worden tijdens een potje voetbal gebroken door een amateurtje uit de onderbond.

Mijn vriendin en ik hebben vanmorgen bloemen gebracht op de plek des onheils in de Lange Leidsedwarsstraat. Open deurtje om te zeggen dat ik niet had verwacht dat we de enigen waren met dat idee, maar de bloemenzee is indrukwekkend en groeit alleen maar. Mensen van alle pluimage brengen een imposant eerbetoon aan een imposant man.

En over deuren gesproken: laat die dader en z’n eventuele mededader maar heel blij zijn dat ik geen rechter ben. Want ook al ben ik mordicus tegen de doodstraf: de deur van die cel zou echt nooit meer opengegaan.  

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!

Rodweek 106 Verpleegonkundige

Ken je dat gevoel dat je verliefd op iemand wordt, dat je er helemaal voor gaat en dat je er een paar maanden later achter komt dat je toch niet zo goed bij elkaar past? Nou, dat is ongeveer zoals het met mijn loopbaan in de zorg is gegaan. Ik ben er vol overtuiging ingegaan, maar ik ben helaas tot de conclusie gekomen dat ik geen geboren verpleegkundige ben en dus gestopt ben met de opleiding waar ik in april mee ben begonnen. Ik liep al weken met een knoop in mijn maag en die heb ik vandaag doorgehakt.

De horeca en de zorg hebben veel raakvlakken op het gebied van welzijn: in beide functies worden zorgzaamheid, attentie, behulpzaamheid, gastvrijheid en een flink scala aan sociale vaardigheden gevraagd. Dat heb ik toevallig allemaal in mijn vakkenpakket zitten, maar verpleegkunde is wel een heel andere tak van sport dan horeca. Ik zal niet zeggen dat ik het heb onderschat, maar moeilijk vond ik het wel.

En dan heb ik het niet eens zozeer over de fysieke werkzaamheden zoals mensen wassen en aankleden, maar met name over de mentale zaken. Ik werkte op een gesloten afdeling met ouderen. Dementerende ouderen op een gesloten afdeling. Ze kunnen er dus niet zomaar af. Sommige mensen beseffen prima waarom ze daar  zitten. Ze zitten daar niet voor zweetvoeten maar omdat ze echt een gevaar voor zichzelf zijn. Anderen hebben geen idee en proberen constant te ontsnappen. ‘’ Prison Break’’ noemden we het altijd.

Robert en Piet zijn partners in crime. Beide heren kunnen allebei nog prima lopen en willen graag samen naar buiten. Ze zijn echt de hele dag bezig om hun ontsnapping te plannen. Dat is aan de ene kant heel erg grappig om te zien, maar aan de andere kant stemt het me ook intens treurig. Het zijn mannen die vroeger echt niet dom waren. Ik zie de ouwe dames aan de tafel die amper nog iets kunnen. Die ik heb gewassen. Ze huilen om wat ooit geweest is en niet meer terugkomt. De scheldende meneer die uit pure onmacht op alles en iedereen blaft. De Surinaamse meneer met wie ik altijd sigaretjes rookte. Hij praat met bijna niemand maar hij nam mij onder het genot van een rokertje in vertrouwen over allerlei zaken. Man met een heftig levensverhaal. En een ouwe boef ook: ‘’Ik ben al vier keer ontsnapt hier. Laatste keer vonden ze me helemaal bij de RAI.’’ Hij grinnikte erbij. De ouwe Jordanees die nog elke dag z’n borrel wil. De seksueel ontremde meneer die elke ochtend als we ‘m wakker maakten eerst even een momentje voor zichzelf krijgt en die elke verpleegster de charmante vraag stelt of ze met hem willen neuken.

Ik zag de fysieke en mentale beperkingen van de mensen. Het deed meer met me dan ik had verwacht. Als je nog nooit iemand anders hebt gewassen en er ligt een oude mevrouw van 95 naakt op haar bed of een oude man die compleet afhankelijk van jou zijn: mij deed dat veel.  Uiteindelijk moet het natuurlijk een mechanische handeling worden: wassen, bovenkant, onderkant, haar kammen, tanden poetsen aankleden en klaar. Zo zag ik het veel ervaren collega’s doen. Flop, flop, flop en klaar. Volgende. Ik had altijd al bewondering voor zorgmedewerkers en dat is, nu ik er een paar maanden in heb gewerkt, alleen maar groter geworden. Het is prachtig, nobel en eervol werk.

Dus ja, met alle vaardigheden die ik heb ben ik een prima horecamedewerker. Ik houd er van om mensen te verzorgen en in de watten te leggen. Helaas bleek dat niet genoeg voor mij om in de verpleegkunde te werken. Daar worden ook andere vaardigheden gevraagd. En natuurlijk zat ik op de opleiding om mezelf die vaardigheden eigen te maken. En de fysieke handelingen had ik best aangeleerd. Dat is gewoon veel vlieguren maken. Het ging voornamelijk om de dingen in mijn koppie. Dat ik me hun verdriet en leed te veel aantrek en het ook mee naar huis neem. Dat ik daarnaast de locatie ook niet zo sfeerverhogend vond en de opleiding een beetje een zooitje was, waren eigenlijk de minst erge problemen. Ik beschik gewoon niet over de professionele distantie die een verpleegkundige nodig heeft. Dat is een essentiële vaardigheid waar ik niet over beschik. ”Je gaat jezelf tegenkomen in dit vak”, dat was één de eerste dingen die ik mij werd gezegd toen ik aan de opleiding begon. Dat is gebleken.

Elke keuze die ik in mijn leven heb gemaakt, heb ik met mijn hart gemaakt. Ik doe alleen maar iets als ik iets leuk, tof of interessant vind. In mijn jeugd heb ik te vaak mensen gezien die klagend en mopperend van hun werk thuis kwamen. Elke dag. ‘Zo mag mijn leven nooit worden’, bedacht ik me al op jonge leeftijd. En daarom heb ik vrijwel alleen maar leuke dingen gedaan. Het leven is te kort om het niet naar je zin te hebben met de dingen die je doet. Als ik het ergens niet naar m’n zin heb ben ik weg.  

Gelukkig zat ik met allemaal toppers in mijn klas en zij gaan allemaal fantastische verpleegkundigen worden. En ik? Ik zal weer wat vaker in De Toog te zien zijn en neem ondertussen even de tijd om te kijken wat ik verder wil doen. Ik heb nog geen idee. We zien wel. Met mij komt het altijd wel goed. Ik ben nog nooit een dag werkloos geweest in mijn leven. En dat ben ik nu ook niet, want ik werk nog steeds in De Toog.

Het voelt een beetje als falen, maar als ik eerlijk naar mezelf ben moet ik tot de conclusie komen dat ik helaas geen verpleegkundige maar een verpleegonkundige ben. Maar wel eentje die eerlijk naar de bewoners, klasgenoten, organisatie en niet in de laatste plaats naar zichzelf  is geweest.     

Rodweek 105 De broodnodige wederopstanding van Haantje Pik


In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw had het Vondelpark een even beroemde als beruchte parkwachter en dat was de heer H.F. Sixma. In de volksmond werd hij ‘Haantje Pik’ genoemd. Zo’n ouderwetse veldwachter Bromsnor. Inclusief snor. Zijn woning stond (en staat nog steeds) bij een ingang van het park, bij het Kattenlaantje. Dagelijks maakte Haantje Pik zijn dagelijkse ronde om kattenkwaad als het klimmen in bomen, stelen van kastanjes en andere kwalijkheden te bestrijden. Volgens de overlevering sloeg hij de daders van dit soort wandaden met een pikhaak ‘aan de haak’ en vandaar dus zijn bijnaam.

We zijn een kleine negentig tot honderd jaar verder, de tijden zijn veranderd, maar eigenlijk zou een moderne Haantje Pik niet misstaan in het Vondelpark. En dan niet voor kinderen die in bomen klimmen of kastanjes plukken, maar ter bestrijding van de ‘Vondelvarkens’ zoals ik ze altijd noem. En eigenlijk beledig ik de varkens daar mee, want varkens zijn een stuk schoner.

Je weet wel, het type mens dat op prachtige zonnige dagen als deze naar de parken trekt, bergen aan proviand meeneemt en vervolgens de rommel in het park achterlaat. En ik noem nu het Vondelpark, maar ook de Amstel waar ik elke dag langs wandel is op mooie dagen een slagveld. Eigenlijk op elke mooie zonovergoten plek in Nederland is het een baggerzooi als het mooi weer is geweest.

Wat zijn dat voor mensen? Ik zal niet zeggen dat alle mensen om mij heen allemaal unaniem ultieme goede mensen zijn, maar als ik met mensen in het park zit ruimen we gewoon onze zooi op. En dat doe ik nu niet alleen als belegen veertiger, maar dat deed ik ook als tiener al. Ik ken niemand die dat niet zou doen. Dus wie zijn die mensen? Wij gooien gewoon onze pleurisbende in een plastic tasje en gooien het weg. En als de containers vol zitten dan gooien we de bende onderweg ergens in een vullisbak of nemen we de bende desnoods mee naar huis. Hoe moeilijk is het?

Je struikelt tegenwoordig over de containers. Waarom zou je de zooi laten slingeren? En echt niet omdat ik zo’n ontzettende goeie jongen ben en heel eigenpijperig eens even kom vertellen hoe goed ik wel niet ben: nee. Dit is toch gewoon een kwestie van fatsoen?

Beelden van elk willekeurig park na een mooie dag: om je kapot te schamen.

En dat is veroorzaakt door de schaamteloze types die helemaal zich nergens voor schamen. De gemeente overweegt nu een alcoholverbod in de parken. En ik begrijp het ook nog. Als mensen niet normaal kunnen doen en steeds asocialer worden dan moeten de goeden onder de kwaden lijden. En dan staan dat soort aso-types ook nog als eerste te zeiken over ‘betutteling’ en ‘dat er ook niks meer mag in dit land.’ Flikker op met die lui.

Maar die lijers pikken wel mijn mooie parkdagen af. Ik vind weinig dingen lekkerder dan lekker met vrienden, wijn en eten in het park te zitten. En dat soort dingen dreigen nu van mij en vele andere goedwillende mensen te worden afgepikt.

En daarom wordt het tijd voor de wederopstanding van een 21e-eeuwse Haantje Pik. En die hoeft niet met een pikhaak mensen tot de orde te roepen, maar gewoon met een lekkere vette boete. Niet die slappe 95 euro, want daar lachen mensen om, maar gewoon een lekker vet en aanzienlijk veelvoud. Een bedrag dat dat soort egoïsten echt voelen. Eentje die zeer doet. Ik ben niet snel van de repressieve straffen: een inbreker hoeft van mij niet z’n huis kwijt, een dief hoeft geen afgehakte hand en een moordenaar hoeft niet op de elektrische stoel. Op die rechterlijke stoel ga ik niet zitten.

Maar onschuldig lijkend, maar toch hinderlijk asociaal gedrag als dit mag van mij keihard worden gestraft. Het lijkt me ook niet al te moeilijk om dat in te voeren en te handhaven. Gooi in Singapore maar eens een kauwgompje op straat. Dan krijg je een boete waar een paard de blafhik van krijgt. Nou, prima. Dan leer je dat rare gedrag wel af. Gevolg: niemand pleurt z’n zooi daar op straat. Dat lijkt simpel en sterker, dat is het ook, maar het werkt wel.
Haantje Pik, 21e-eeuw-stylie: kom er maar in. We pikken het niet langer. En straf hard maar rechtvaardig. Je bent hard nodig. Opdat de leuke mensen nog lang wijntjes kunnen drinken en lekker kunnen eten in de parken.

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!
     

Rodweek 104 De Tranen van Ome Dick

Vandaag is het 24 mei en dat is voor mij altijd een bijzondere dag. Het is de dag dat Ajax in 1995 in Wenen de Champions League won. Vandaag is het dus alweer 26 jaar geleden dat m’n gabber Jazz en ik het Leidseplein onveilig maakten en na de winst een paar gelukstraantjes plenkten. De beelden van matchwinner Patrick Kluivert die de volgende dag door zijn moeder van Schiphol werd gehaald vergeet ik nooit meer. Hij viel zijn moeder huilend in haar armen: wenen van geluk. Daar zouden ze eens een boek over moeten schrijven! (Pssst… hiero, via bol.com).

En gisteren zag ik de beelden van de huilende Dick Advocaat. Goed, het spel van Feyenoord was dit jaar natuurlijk ook om te janken, maar daar waren de tranen niet om. Ook ome Dick kan van stront nou eenmaal geen boter maken en het is ‘m toch nog gelukt om Europees voetbal te halen met een matig elftal. En hij sloot met zijn laatste kunstje een imposante trainersloopbaan af. Het publiek scandeerde ‘’Dickie bedankt!’’ En meer is er voor Dick Advocaat niet nodig om in huilen uit te barsten en zo snel mogelijk de kleedkamer op te zoeken.

Ik snap dat, want ik ben precies zo. Ik ben een jankepoot eersteklas. Dat kan om verschillende emoties zijn. Laat ik meteen met iets heftigs beginnen: een begrafenis. Ik zal een vergelijking geven. Speel je wel eens mee  met de Toto? Je vult een 1, een 2 of een 3 in op je formulier en je zet een paar piekies in. Doe ik af en toe, hartstikke leuk. De wedstrijd van vandaag is Ajax- FC De Manke Reiger. Drie keuzes: 1. Ajax wint: je krijgt slechts je inzet plus een roestig stuivertje terug, want zo bijzonder is het niet dat Ajax die wedstrijd wint. 2. FC de Manke Reiger wint, je krijgt 100 keer je inzet, dus dan ben je plotsklaps een rijke motherfucker. 3. Gelijkspel, je krijgt 75 keer je inzet en dan ben je ook nog best rijk. Optie 2 en 3 zijn dus tamelijk onwaarschijnlijk.
Dezelfde quotering kun je bij mij op begrafenissen inzetten: 1. Rodney huilt als eerste van iedereen 2. Rodney huilt niet. 3. Rodney snottert aan het einde een beetje mee met de mensen die hun traanbuis wel wat beter onder controle hebben. Voor de gokkers, hier is de tip voor je weddenschap: vul gerust een 1 in op je formulier, want ik huil gegarandeerd als eerste op een begrafenis. Ik zie het verdriet van de nabestaanden en voor ik het weet staan alle sluizen wagenwijd open. De relatie tot de overledene maakt niet eens veel uit. Ik was ooit op de begrafenis van de vader van een goede vriend van mij. Ik had de goede man ooit één keer gezien, kende hem verder niet, maar ik ging naar de begrafenis om mijn gabber te ondersteunen. Uiteindelijk stond mijn gabber na de begrafenis mij te troosten omdat ik maar niet kon stoppen met huilen. Het was echt gênant, vond ik.

Mijn tranen kunnen ook om iets moois vloeien. Toen mijn zus trouwde moest ik ook huilen. Nou vind ik trouwen zelf trouwens maar onzingelul. Ik zou het hooguit voor een belastingvoordeel doen. We zijn er in mijn familie over het algemeen ook niet heel erg goed in. Ik heb meer succesvol geslaagde scheidingen dan bruiloften gezien in mijn leven, dus van mij hoeft het niet zo. Maar omdat ik zag hoe mijn zus straalde op haar mooiste dag en hoe zij en haar man genoten van alles schoot ik vol. Dat doet me dan zomaar ineens iets. Zo’n cynische lul ben ik gelukkig ook weer niet. Ik ben overigens wel een goede getuige bij bruiloften. Ik ben op 5 bruiloften getuige geweest en 4 bruidsparen zijn nog bij elkaar. Een strakke 80 %. Nou jij weer.

Maar waar was ik? Oh ja, dat jankgedoe van mij. Toen ik na zes jaar stopte bij Café Bax werd er op mijn laatste dag een feest voor mij georganiseerd. Toeters, bellen en de hele mikmak. Toen ik mijn laatste biertje tapte begon het hele café ‘’Rodney bedankt!’’ te zingen.
Ik wist niet hoe snel ik achter die bar vandaan moest en rende meteen naar achteren om mijn collega te helpen met de kassa op te maken. Want ik moest huilen en ik wilde niet dat mensen dat zagen. Te laat. Al voor dat ik de deur naar de achterruimte had bereikt, toch al gauw 10 meter, stroomde mijn ogen al leeg. Mijn collega stuurde me overigens gelijk weg. ” Kas opmaken? Echt waar Rod? Fok jou, stomme klojo. Sodemieter op en ga zuipen, ouwe gek! Dit is jouw avond, pikkemoos!” Dus dat deed ik dan maar. Maar eerst moest ik even janken op de schouders van mijn collega’s natuurlijk, buiten het zicht van iedereen. Toen de tranen eindelijk opgedroogd waren dronk ik gezellig nog wat bier mee. Maar toen ik even later namens alle collega’s en stamgasten een mooi cadeau ontving en waar iedereen bij stond was het hek weer van de dam. Echt een beschamende vertoning, vond ik. Ik huil zo ongelooflijk makkelijk.

Serieus man, ik huil zo vaak, dat zelfs baby’s in een vliegtuig niet eens naast me willen zitten. Hypothetisch: Stel dat jouw enige taak in het leven is om mij een keer aan het huilen te krijgen, dan kan ik je zeggen: ‘Nou, er zijn moeilijkere taken om te vervullen.’ Voorbeelden? Zet  mijn ultieme break-up-nummer ‘’Flink zijn’’ van Robert Long maar op als ik weer eens voor de zoveelste keer door een verkering ben gedumpt. Zet een willekeurige aflevering van ‘’ Spoorloos’’ op waarin mensen elkaar na 40 jaar weer zien en elkaar in de armen vliegen. Of zet de scène van Bambi op waarin de moeder wordt doodgeschoten. Of de Amsterdamse filmklassieker Simon: al meer dan dertig keer gezien en nog steeds houd ik het niet droog op het einde. Laat die twee goals van Siem de Jong in de kampioenswedstrijd van 2011 zien. Echt, je hebt zo’n huilebalk als mij zo te pakken.   

Toen Ajax in 2011 kampioen werd, met die twee goals van Siem: tranen met tuiten. Ik kan er echt niks aan doen. Ik ben gewoon een ouwe emokikker. Als iets me raakt dan ben ik compleet kansloos in het gevecht tegen de tranen, wat trouwens eigenlijk niet eens een gevecht is. Zelfs VVV verdedigde zichzelf beter tegen Ajax toen ze met 0-13 op hun reet kregen dan ik in een gevecht tegen mijn tranen. En eigenlijk is daar ook niks mis mee. Ik ben net een mens. En dat is ome Dick ook. Hij heeft nooit een favoriete club van mij getraind, verre van zelfs, maar ik heb groot respect voor zijn loopbaan. Hij heeft dingen gepresteerd, zwaait af, krijgt zijn verdiende applaus. Het is over en het is mooi geweest. Dan mag je best een traantje laten. Gooi die sluizen lekker open. Maar afscheid nemen is kut. Ik houd daar niet van. Ome Dick ook niet. Dick Advocaat en ik zijn samen de slechtste afscheidsnemers van de wereld. En wat dan nog? Ik begrijp je, ome Dick.  

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!
Niet allemaal tegelijk want anders moet ik weer janken 😉

Rodweek 103 Bejaardenblog 7: Van De Klinker naar De Klencke

Vorige week, op 30 april, zat het avontuur bij Verpleeghuis De Klinker er op voor mij. Een klein half jaar ben ik daar met veel plezier en liefde gastheer geweest voor de bewoners van een afdeling. Het was een uitvloeisel van de tweede lockdown. De horeca ging weer dicht en zo werd het project #horecahelptdezorg in het leven geroepen. Ik had geen zin om weer een paar maanden alleen maar thuis te zitten en me bij tijd en wijle stierlijk te vervelen, dus ik dacht: ‘OK, waarom ook niet? ‘Als het niks voor me is ben ik zo weer weg en ga ik weer lekker thuis op m’n kont wachten tot m’n salaris binnenkomt of ik verzin wat anders’, zo redeneerde ik.

Maar nee, ik bleek het werken in een verpleeghuis serieus leuk te vinden. Ontbijt, lunch of diner voor de mensen maken, thee met ze drinken of een spelletje met ze doen: ik vond het allemaal gezellig om te doen. Ik ben er geen dag met tegenzin naartoe gegaan. Mijn afdeling bestond uit zeven bewoners. De één is wat beter in staat tot communiceren dan de ander, maar ik had ze allemaal even lief. Zelfs Leo met z’n eeuwige gezeur, z’n commanderende manier van praten en dan ook nog eens ontzettend onverstaanbaar. Ik had gehoopt dat ik zijn manier van spreken na een half jaar wel door zou hebben, maar vaak begreep ik nog steeds niks van wat hij zei. ‘’Leo, ik heb geen flauw idee wat je zegt, maar het antwoord is nee.’’, zei ik dan als hij twee minuten na mijn binnenkomst al 5 commando’s naar me had gebrabbeld. Of ik zei: ‘’Is goed Leo! Ik zeg 2-0!’’. Want hoewel hij een compleet gehospitaliseerde en ook nog eens aartsluie man is kon ik altijd wel gezellig met hem over Ajax praten, voor zover ik er wat van verstond. Daar weet hij alles van en hij volgt ook echt alles.

Daar heb ik hem ook nog wel eens mee geholpen. Toen mocht hij van een verpleegster geen Ajax kijken omdat we zaten te eten. Ik zag dat hij dat heel erg vond. Zoveel leed kon ik niet aanzien, dus dat heb ik overruled en heb hem met zijn bord eten in zijn rolstoel voor de TV gezet en ben samen met hem gaan kijken. Zoveel heeft die man al niet meer, dus dan moet je ‘m ook niet nog eens z’n wedstrijd afpakken. Dat zouden ze mij ook niet aan moeten doen en dat is hoe ik ook naar een zorgvrager kijk. Hoe zou ik op die leeftijd zelf behandeld willen worden? Het ging dan nu om Ajax, mijn ding, maar hetzelfde had ik ook gedaan als ie een ander favoriet programma had willen zien. Maar ik kon ook streng voor ‘m zijn. Moest ook want anders walst ie met rolstoel en al over je heen.

Ramona was mijn Indo-maatje, een gevoelige en lieve vrouw. Lekker over Indonesisch eten praten, samen quizzen spelen en rummikubben. En ze was mijn grote saladefan. Ik vond het eten wat ik daar moest maken niet altijd even spannend, dus dan zocht ik spullen bij elkaar om er een lekkere salade bij te maken. Ik kon haar geen groter plezier doen dan een lekkere salade bij het eten te maken. Ze is gek op groente.  

Met Ingeborg kon ik altijd fijn over het oude Amsterdam praten. Ze heeft op 43 verschillende plekken in de stad gewoond, waaronder ook in de buurt waar ik nu woon. Ze is 86, nu en dan warrig, maar bij vlagen ook nog verpletterend scherp en humoristisch. Ik kan echt in een deuk liggen om haar.
Ingeborg is ook een lekkerbek, houdt van verfijnd en mooi eten. Ze vond het eten vaak saai en dat begreep ik ook wel. Het menu is daar gewoon niet altijd even spannend, al proberen sommige mensen er nog wat van te maken. Dus bij een salade probeerde ik voor haar bijvoorbeeld wat extra feta of olijfjes te regelen. Of het eten anderszins wat leuker voor haar te maken. Lukte niet altijd, want we hadden vaak niet alles in huis, maar ik heb m’n best voor haar gedaan en ik weet dat ze me waardeerde.

Met Klara, de downie van de afdeling had ik een leuke band. Haar onnavolgbare manier van domino spelen (alle steentjes willekeurig achter elkaar leggen) en haar manier van koffie drinken (in één a twee teugen naar binnen, ook als het loeiheet is, de zogeheten ‘looien pijp’) zal ik nooit vergeten. Klara is ook altijd vrolijk en ze noemt mij altijd standaard ‘’mafkees’’. Als mensen aan haar vragen wie ik ben zegt ze gelijk ‘’Mafkees!’’ Maar ik kon haar ook charmeren. Want ze is een mannengek. Dan kregen de verpleegsters haar niet of moeizaam uit haar stoel, want dan wilde ze nog niet naar bed of zo en dan zei ik: ‘’Klara, gaan we samen uit? Gaan we naar de film? Geef me een arm!’’ En dan hing ze al aan m’n arm en liep ik zo met haar naar haar kamer.

Karel was altijd een beetje verliefd op mij, maar dat kon hij ook zomaar op andere mensen worden. Hem hielp ik altijd elke dag met eten. Door zijn hersenbloeding is zijn spraak- en denkvermogen heel erg achteruit gegaan, maar soms dan flapt hij er ineens een paar waanzinnig mooie volzinnen uit waaraan je kunt horen dat hij vroeger echt een man van flinke statuur was. Hij weet dat hij van alles mankeert, daar is hij zich soms ook ineens heel erg van bewust en uit machteloosheid gaat hij dan soms ineens keihard schreeuwen. Vaak tot radeloosheid van Ramona die naast hem aan tafel zit en dan niet snapt waarom Karel zo schreeuwt. Ik heb af en toe wel met haar te doen. Zij zit daar elke dag naast en ik zie dat ze het daar moeilijk mee heeft.

De twee die mijn afdeling completeren zijn Noortje en Eduard. En dat zijn ook de twee met wie ik het minste contact kon krijgen omdat ze communicatief nou eenmaal het minst kunnen. Daar is geen echt gesprek meer mee mogelijk. Hoewel Noortje altijd wel haar mooiste lach naar me lachte. Ze heeft een prachtige lach op haar gezicht. Haar hielp ik ook vaak met eten.

Verpleegkundige handelingen heb ik daar nooit gedaan. Want daar was ik niet voor opgeleid. Maar dat ga ik nu dus allemaal leren in Verpleeghuis De Vreugdehof in Amsterdam-Buitenveldert. De straat heet De Klencke, dus ik ga van de Klinker naar De Klencke.

Buitenveldert is niet de meest spannende buurt van Amsterdam, om niet te zeggen: doodsaai. Maar ik kom daar ook niet om gezellig de toerist uit te hangen. Ik ben in Buitenveldert gewoon om het vak leren en als ik de opleiding hopelijk over zo’n twee en een half jaar heb afgerond kom ik weer met gierende banden terug naar Oud West om weer in de Klinker te werken, als ze me willen. Weer terug van De Klencke naar de Klinker.

Ik moest op mijn laatste dag nog even afsluiten met een grap en had een taart gekocht met zo’n 35%-sticker er op. ‘’Die ouwe taart loopt een beetje tegen de datum, net als jullie, stelletje ouwe taarten!’’ In De Klinker kun je zulke geintjes maken, het is een lekker Amsterdams verpleeghuis waar de Mokumse humor nog hoogtij viert. Ik hou daar van.

Daarom heb ik ook geen afscheid genomen maar ‘tot ziens!’ gezegd. Na de opleiding kom ik, als De Klinker dat wil, gelijk weer terug om te werken in het leukste verpleeghuis van de stad. En tussendoor zoek ik m’n oudjes van daar af en toe even op, als ik in Oud West ben, dat is bij dezen beloofd.

Op mijn laatste dag kreeg ik een hoop bedankjes en een paar cadeaus als dank voor bewezen diensten en dat vond ik lief. Ik deed gewoon alleen maar m’n werk. Ik wil juist de bewoners, al het personeel, de mantelzorgers, de vrijwilligers en wie er ook maar iets met De Klinker te maken heeft bedanken voor alles wat zij voor mij hebben gedaan in het afgelopen half jaar. En dat zij mij hebben laten inzien hoe mooi het zorgberoep is. Jullie waren goud. Iedereen heeft mij altijd een gevoel gegeven dat ze het fijn en belangrijk vonden dat ik er was. Ik heb de waardering echt gevoeld en daarbij heb ik de sfeer in het tehuis en met de collega’s onderling als heel prettig ervaren. Ik ben daar heel gevoelig voor.

Jullie zijn allemaal toppers. Ik ben een medeklinker geworden, dus jullie zijn nog niet van me af, stelletje mafkezen! Tot gauw, vrienden.  

PS: De namen van de bewoners zijn in het kader van de privacy allemaal gefingeerd.

Voor Bejaardenblog 1: klik hiero

Voor Bejaardenblog 2: klik daaro

Voor Bejaardenblog 3: klik andere daaro

Voor Bejaardenblog 4: Klik weer andere daaro

Voor Bejaardenblog 5: Klik dan maar weer hiero

Voor Bejaardenblog 6: Klik dan maar weer daaro

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk.