Rodweek 204 Schip-hel (en andere stomme vliegvelden)

Op het moment van schrijven zit ik in een vliegtuig. We staan nog op de startbaan in Heraklion, Kreta en het is de dato 20 mei 2024, 22.35. Ons vliegtuig naar Amsterdam staat op het punt van opstijgen. Laat ik in dezen meteen maar duidelijk zijn: als vliegvelden een ras zou zijn zou ik de hardste racist van deze planeet zijn. Ik haat vliegvelden tot in het diepst van mijn vezels. Totaal anti-airport. Ik ben dol op reizen en heb daardoor ook veel van de wereld mogen zien, maar ik heb een bloedhekel aan reizen. Steden als Londen, Parijs of Berlijn zijn tegenwoordig heel makkelijk per trein te bereiken, dus als die mogelijkheid er is dan kies ik absoluut daarvoor. Neem Londen. Niet meer dat eeuwige gekloot op vliegvelden als dat nare en onhandige Heatrow of anderhalf uur uit de stad worden gedropt in naargeestige oorden als Gatwick of Luton.

Wij wonen praktisch naast Amsterdam Centraal Station. Ik ben vaak in Londen geweest maar ik vond het de laatste keer dat ik er was een verademing om daar met de trein heen te gaan. Opstappen op Amsterdam Centraal, wat te eten en een fles wijn of twee mee, een paar afleveringen van een leuke serie kijken, een spelletje spelen en hoepla de poepla: voor je het weet stopt die trein ineens op Kings Cross, hartje Londen. Die vier uur zijn voorbij voor je het weet. Nul stress en dito gezeik. Je slingert je zooi neer in het shabby hotel aan de overkant en dan gaan we in één streep door naar mijn nabijgelegen favoriete wijken als Camden of Islington!

Dat is zo anders en zoveel fijner dan minimaal twee uur van te voren op het vliegveld te moeten zijn. Dat eeuwige wachten en alle controles die je moet ondergaan. Behandeld worden als verdachte in plaats van als iemand die gezellig een reisje maakt. Ik snap alle maatregelen heus wel, want de mensheid is al een tijdje geleden ontspoord, maar dat ellenlange wachten en gedoe op het vliegveld voelt voor mij als alles behalve relaxed en gezellig reizen. En dan die mensen die zodra de gate opent gelijk als eerste in het vliegtuig willen zitten. Luister ouwe, dat ding vertrekt niet zomaar zonder je. En die mensen willen er ook altijd weer als eerste uit als we zijn geland. Met voordringen en alles erbij. Die mensen zijn nog bang dat ze te laat op hun eigen begrafenis komen. Hou op met me. Ik loop altijd zo ongeveer als laatste dat ding uit.

En dan is er ook nog dat eeuwige wachten op je bagage. Bij het uitdelen van de gave die ‘geduld’ heet heb ik bepaald niet vooraan gestaan. Dus als iets naar mijn zin te lang duurt word ik snel narrig. En onze koffer rolt dus nooit als eerste van de bagageband. Altijd als een van de laatste. Zelfs in zo’n veredelde tramhalte als Heraklion gaat het zo. Dat gewacht vind ik dus gekmakend. En dan heb ik ook nog eens razende trek in een sigaret, waardoor ik er ook niet gezelliger op word. Ik voel me telkens als ik een vliegveld verlaat alsof tram 17 vijf keer over me heen is gereden. Heen en terug. En dan heb je honger op zo’n vliegveld: vieze kleffe prefab-broodjes kopen voor woekerprijzen. Of je drankjes die de hoofdprijs kosten. Ik ben toch godverdomme niet bij Ajax?! Wij bakken dus altijd lekker broodjes met gebakken ei voordat we op reis gaan. En geloof mij maar als ik zeg dat weinig mensen een beter ei kunnen bakken dan ome Rod, dus dan ga ik geen tientje voor een hooguit matig voorverpakt broodje betalen.

Hoe groot mijn weerzin tegen vliegen ook is: de favoriete vakantiebestemming van mijn meisie en mij is nu eenmaal Agia Galini op Kreta. En daar kom je niet zo makkelijk met de trein. Dus we zijn gewoon veroordeeld tot die vermaledijde vliegreis naar Kreta. Een vliegreis voelt voor mij als een bezoek aan de tandarts: ik zie er altijd tegenop en ik haat het intens, maar uiteindelijk komt het goed. En als het er eenmaal opzit ben ik ook weer blij. Blij om in ‘ons’ dorp te zijn en om onze vrienden daar weer te zien. Dan ben ik de hele vliegveldellende op slag weer vergeten.

Het vliegen zelf houd ik ook niet van, maar dat heb ik inmiddels zo vaak gedaan dat ik dat een soort van gedoog. Daar kon ik vroeger gigantisch tegenop zien, maar dat valt mee tegenwoordig. Ik heb geen Bergkampiaanse vliegangst meer. Het voelt even vervelend bij het opstijgen. Ik houd ook niet van achtbanen. Dat vind ik niet leuk, maar vooruit, daar kan ik inmiddels me dealen. Het ergste van de hele reis vind ik gewoon vliegvelden. Ik koester daar diep verwrongen haat tegen. Mijn vrouw is wat dat betreft evenwichtiger in dit soort zaken. Dat reisgedoe interesseert haar niet zoveel en ze vindt dat ik daar niet zo veel over moet zeiken. Maar ze zit nu drie rijen achter me dus ik kan lekker schrijven wat ik wil nu.

Mijn antipathie tegen vliegvelden grenst aan hondsdolheid. Ik kan me dus de hele dag al druk maken over hoe weinig zin ik in de vlucht heb, maar vooral in hoe erg ik geen zin in dat vliegveld heb. Mijn vrouw ligt dus drie rijen achter mij te slapen. Dat zou ik ook wel willen. Ik ben namelijk bekaf. Maar ik kan ook al niet goed slapen in het vliegtuig. Ook omdat ik dat niet wil, want ik snurk zo hard dat mensen het vliegtuig uit willen springen, dus dat wil ik ook niemand aandoen. En er zit natuurlijk weer een of andere jankende baby vlakbij me, dus ik kán niet eens slapen. En dus blijf ik gewoon maar wakker om een lekker zuur stukje te schrijven over mijn intense vliegveldenhaat.

Ik zie er nu al weer tegenop om om 2.30 Nederlandse tijd te landen en dan te moeten wachten op die kutkoffer die natuurlijk weer als laatste van die oneindige bagageband rolt. Die hoopvolle blik die we hebben als er weer verse koffers op de band kletteren en dat dat het ‘m dan elke keer niet is. Ik haat dat intens.

Maar alles komt goed. Mijn meisje ligt drie rijen achter mij te slapen. Vol en zoet. Nadromend over onze heerlijke vakantie.

Mijn stip aan de horizon is dat we straks zijn weer fijn thuis zijn thuis zijn bij Ouwe en Dibbes. Onze geweldige oppas Nicky heeft gezorgd voor een flessie wijn voor onze thuiskomst en voor broodjes en eieren voor als we morgen wakker worden. Als ik dat straks allemaal zie: dan ben ik die kolerevliegvelden op slag vergeten. Maar eerst de Schip-hel maar weer overleven.

Rodweek 203 Kretenzer Kronieken 7 Met Vissen vang je vissen


Onze Kretenzer vrienden Vicky en George hebben jarenlang de kroeg Zorbas en het onderliggende restaurant Madame Hortense bestierd in de haven van Agia Galini. Daar zijn ze eind oktober 2023 mee gestopt. Ik ben blij dat we nog even samen het licht hebben uitgedaan. Het heeft als voordeel dat Vicky en George nu tijdens onze vakantie tijd hebben om leuke dingen met ons te doen aan de recreatieve kant van de bar. Het nadeel is dat wij onze stamkroeg kwijt zijn. Maar dat laatste is een egocentrische gedachte. Hun vroege pensioen is ze van harte gegund. Het doet ze zichtbaar goed constateren we een ruim half jaar later. Niet meer die constante druk. Het pensionadoschap staat ze goed. Want ook in een klein poepdorp als Agia Galini is horeca tijdens het toeristenseizoen gewoon keiharde topsport. Van begin april tot eind oktober oogkleppen op en beuken. En buiten het toeristenseizoen moet er ook altijd wel wat gebeuren in de hut, dus ik begrijp ze helemaal.

‘Rod, zou jij nooit je eigen kroeg willen hebben?’ Het is een vraag die ik regelmatig krijg. Mijn antwoord: ‘Alsjeblieft niet! Een kroeg hebben is meer dan alleen maar de deur opengooien en gezellig drankjes en eten serveren. Je moet een boel kikkers in de kruiwagen houden. Het zou mij te veel hoofdpijn kosten.’

George is geboren en getogen in Agia Galini en komt zoals veel dorpelingen uit een vissersgeslacht. Zijn vader is ook nog steeds visser. George kon eerder een vis vangen dan lezen en schrijven en hij vaart nu elke dag recreatief. De Libische Zee waar Agia Galini aan ligt is al een dikke halve eeuw zijn achtertuin. Varen geeft hem het ultieme gevoel van vrijheid.

En zo werden mijn Belgische vriend Chris en ik uitgenodigd om eens een ochtendje met hem mee te gaan. Chris en ik zijn allebei geen vissers. Je zal mij nooit op een krukje aan een prutsloot, rivier of een meertje zien zitten met een hengeltje, een sigaretje en een flessie drank. Althans met die laatste twee misschien nog wel. Maar vissen? Nooit mijn ding geweest. Heb ik het geduld niet voor. De Amsterdamse vissenpopulatie heeft dus niets van mij te vrezen.

Maar een uitnodiging van een echte Kretenzer visserman mag je natuurlijk nooit in de wind slaan en dus stonden Chris en ik op een windstille dinsdagochtend in de kleine haven van Agia Galini. Klaar om de zee te bevaren en vis te vangen. Ik heb nog nooit in mijn leven een vis gevangen, Chris ook niet, maar George verzekerde dat daar op de deze dag verandering in zou komen. Zeker niet ‘tipota’ (het Griekse woord voor ‘niets’).

En godverdomme, hij kreeg nog gelijk ook. Mijn eerst gevangene was een lullig klein visje, maar die tellen ook. Onder de vakkundige leiding van George vingen Chris en ik gezamenlijk zo’n vijftien vissen in anderhalf uur. Voornamelijk red snappers. Ik weet dat George zijn vis weleens verkoopt aan de restaurants in de haven en aan het strand, maar deze oogst gingen we zelf opeten. Hij belde met een restaurant en daar werd onze vers gevangen vis klaargemaakt en gebakken voor ons en onze dames. Salades, wijn en raki erbij: het was een toplunch! Het is een aparte sensatie om je zelf gevangen lunch te nuttigen.

Ik vond het fantastisch. Chris en zijn vrouw moesten de volgende dag weer terug naar België, maar ik wilde en mocht nog een keer mee met George. En aldus zat ik woensdag weer op de boot. We gingen dit keer voor het grotere werk: baracuda’s. Noem mij maar Fisherman’s Friend. De zee was wilder dan de dag ervoor, dus het was deze dag helaas tipota.

Voor wie weet wat mijn sterrenbeeld is: Vissen. Zoals je met boeven boeven vangt vang je dus vissen met Vissen!


Rodweek 202 Heerlie de peerlie

Wat je van ver haalt is goed, zo luidt het gezegde en dus had ik eind 2002, begin 2003 een buitenlandse scharrel. We hebben elkaar over en weer een aantal keren bezocht en kwamen er gelukkig snel genoeg achter dat een echte relatie er nooit in zou zitten. Temeer omdat we er in onze eigen steden allebei een tamelijk flamboyant uitgaansleven op nahielden. Het zou gewoon nooit hebben gewerkt. We zijn tot op de dag van vandaag nog steeds vrienden op afstand en ik ben jaren na onze korte romance zelfs nog op haar huwelijk geweest.

Toen de dame voor het eerst bij mij in Amsterdam op bezoek kwam kreeg ze gelijk een stukje Nederlandse cultuur mee. De lieve schat was nog niet goed bekend met de ongeschreven wetteloosheid van de Amsterdamse verkeersjungle en werd als voetganger bijna van haar sokken gereden door een fietser. Op het zebrapad met het voetgangerslicht op groen. Dus hij was fout. In plaats van nederig en hoffelijk excuses aan de dame aan te bieden voor zijn eigen domme fout fietste die lul snel door en schreeuwde in het voorbijgaan nog even lomp: ‘Voortaan uitkijken, vuile kankerhoer!’

Mijn dame vroeg aan mij wat die rare man nou naar haar schreeuwde. Met het schaamrood op mijn kaken vertaalde ik dus letterlijk wat haar zojuist was toegevoegd. Dat is hoe veel Nederlanders schelden, legde ik uit. Ze kon het niet geloven. Schelden met de heftigste en meest dodelijke ziekte uit dit tijdperk? En dan in combinatie met het oudste beroep ter wereld? Waarom doe je dat? En of ik dat ook deed? Het is altijd een beetje beschamend om aan buitenlanders uit te leggen hoe ongelooflijk lomp, grof en kwetsend Nederlanders schelden. Ze geloven het vaak amper. ‘Dat zeg je toch niet….’ hoor ik mijn buitenlandse gasten dan vaak vol ongeloof zeggen. Yep, hier wel.

Ik probeerde het uit te leggen. Ik vind schelden met ‘kanker’ verschrikkelijk lelijk, maar laat ik meteen zeggen dat enige hypocrisie in dezen mij ook niet vreemd is. Ik kan een bek als een roestig scheermes hebben. Ik kan een goed belegd broodje namelijk ook ‘teringlekker’ vinden, een vervelende gozer een ‘pleurisbak’ of een ‘tyfushond’ noemen en iemand uit de grond van mijn hart de pestpokken toewensen. En als ik mijn grote teen stoot komt citeer ik ook wel eens wat uit de medische encyclopedie. Dat is dan ook weer de Nederlander in mij. Maar schelden met kanker heb ik echt altijd zo lelijk, plat en ordinair gevonden. Alsof de door mij gebruikte toevoegingen dat trouwens niet zijn, maar dit terzijde. En ik heb in een kwaaie bui heus ook hier en daar wel eens een ongepast kankertje als bijvoeglijk naamwoord gebruikt, maar niet vaak omdat ik het gewoon zo ontzettend aso vind klinken.

‘s Lands wijs, ‘s lands eer, zullen we dan maar zeggen. Zo keek ik een aantal jaren geleden met een Servische vriend van mij naar een wedstrijd van Ajax. Hij kon liplezen wat de toenmalige aanvoerder, zijn landgenoot Dusan Tadíc, naar zijn tegenstanders riep na een overtreding op hem. Dat waren uitdrukkingen als ‘Je vader pijpt ezels’ of ‘Je oma neukt met een geit.’ Mijn gabber legde mij uit dat dat is hoe sommige Joego’s naar elkaar schelden. De belediging bestaat daar simpelweg uit drie componenten: familielid + seksuele handeling + dier. Tja, dat doen we in Nederland dan weer niet.

Ik werk sinds een half jaar in een bar waar veel jonge studenten komen. Veel mensen van de Filmacademie en van de Theater- en Dansacademie. Tikje theatraal en expressief volk, inherent aan de opleiding die ze volgen. Begin twintigers. Ik ben gek op ze en zij gelukkig ook op mij. Ik vind het dan, als krasse knar van 47 die dol is op taal, ook leuk om nieuwe uitdrukkingen van de jongere generatie te leren. Dat studententaaltje is echt een taal op zich. Zoals straattaal dat ook is, heb ik ook altijd fascinerend gevonden, je weet toch!

Studenten korten veel dingen af. Zoals ze het hebben over een ‘spebi’ (speciaalbier) of een ‘Esma’, dat is een ‘afko’ (afkorting) voor een Espresso Martini. ‘Het is weekend, kladiladi!’ (‘Het is weekend, klap die laptop dicht!’). ‘Heb je ook een bopla?’ (Borrelplank). En ik weet nu ook wat een ‘kwarrel’ is: een kwaliteitsscharrel, niet zomaar een neukertje maar potentieel relatiemateriaal. Of als ze vertellen dat ze in ‘de burgerrups’ zaten: de trein voor mensen die naar hun werk gaan. Mijn favoriet is momenteel het voornamelijk door meisjes gebezigde ‘heerlie de peerlie’ of afgekort ‘HDP.’ Lief, ontwapenend en het zorgt altijd voor een glimlach.

‘Kijk eens, drie biertjes en drie Salmari.’
‘Thanks, Rod! Heerlie de peerlie!’

Waar ik dan weer minder van gecharmeerd ben is dat ‘kanker’ ook onder hele slimme studentjes te pas en te onpas als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt. Alles is maar ‘kankervet’, ‘kankerlekker’ of ‘kankersick’. En zoals gezegd, ik ben dus bepaald geen heilige: ik scheld ook met ziektes. Weliswaar met ziektes die nog amper bestaan, maar toch: ook niet chique.

Dat ik me daar steeds meer aan stoor heeft er wellicht mee te maken dat ik sinds de borstkanker van mijn vriendin vorig jaar beter de weg ken in het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis dan ik ooit had willen weten. En mijn vriendin is dan nu genezen, maar ik heb momenteel nog meer dan een handvol mensen in mijn directe omgeving die met die ziekte te kampen hebben. Dan komt een gezellig en vrolijk bedoeld ‘kankerlekker’ gewoon even niet zo lekker bij me binnen.

Want ik weet dat zo’n studentje het echt niet lullig meent als hij mij enthousiast over iets vertelt en lyrisch roept hoe ‘kankervet’ zijn weekend was. En ik ben alles behalve een woke dominee die iedereen wel eventjes gaat vertellen hoe het allemaal hoort. Alsjeblieft niet en we hoeven echt niet met Middeleeuwse spruitjestaal te schelden. Zeker omdat ik daarin zelf bepaald geen heilige in ben, maar toch… Een beetje minder met ziektes schelden zou ons allen sieren. Mij dus ook. En laten we sowieso eens iets hoffelijker naar elkaar zijn. Daar wordt de wereld een stuk meer heerlie de peerlie van.

Rodweek 201 Fuck a Duckstore

In de Amsterdamse buurtkroeg in West die ik eind jaren negentig graag frequenteerde kwam altijd een grote gozer met lang haar. Dus nee, het gaat niet over mij. Ik was ‘die kleine’ met lang haar. Hij was ook een brede gast. Een stoere verschijning om te zien. Dus het gaat echt niet over mij. Mario heette hij. Maar op een dag kwam ik daar binnen en de barman keek mij grijnzend aan. ‘Hier, moet je kijken, Rod.’ Hij toverde een Donald Duck uit 1984 tevoorschijn die hij had gevonden. Ik sloeg het blad open bij de brievenrubriek. Ik ben zelf vroeger ook lid geweest van de Donald Duck en het eerste dat ik altijd las was de brievenrubriek. ‘Kijk jij maar eens wie de brief van de week was.’ En inderdaad, daar stond inderdaad de toen 8-jarige Mario uit Amsterdam, met foto erbij. Het was ‘m echt. De brieven begonnen vaak met een aanhef als ‘Lieve Oom Donald’, maar Mario had het wat prozaïscher aangepakt en begon met ‘Lief donzig duckje’ en dan vervolgens een heel verhaal over wat hij allemaal had gedaan in het weekend. Afgesloten met kusjes van Mario. Te lief. De barman en ik hadden er wel lol over en we plakten de brief van de week op een paal bij de bar, zodat iedereen het kon zien. Even later kwam onze Mario zoals gewoonlijk weer met veel bombarie binnen, maar dat werd gauw in de kiem gesmoord door de barman: ‘Zo, lief donzig duckje, gaat alles goed met je? Wil je wat drinken?’ Mario kreeg een kop als een boei toen hij zag wat de barman had gevonden, maar kon er ook wel om lachen. We hebben er nog vaak plezier om gehad.

Van Mario naar een verhaal over eendjes is een kleine stap. Ik kijk vanuit mijn woonkamer uit op een gracht, de Zwanenburgwal om het maar bij gevogelte te houden, en daar zwemmen weleens lieve donzige duckjes. Eenden met hun pasgeboren kroost. Superlief om te zien. Maar nog vaker zie je een ander soort eendjes in mijn buurt. Dat heeft een kleine introductie nodig. Kijk: als je zoals ik in een toeristenbuurt als Amsterdam-Centrum woont dan ben je wel gewend aan veel onzinwinkels. Nutellawinkels, veel te dure kaaswinkels waar ze troep verkopen, stroopwafelwinkels waar je dertien euro voor een stroopwafel betaalt, een overdaad aan hippe koffietentjes waar hipsters hartjes in je cappuccino gieten en je 6,50 voor een kopje koffie betaalt, patatzaken waar om een of andere bullshitreden een rij van honderd meter voor staat en je kunt sinds kort naar de puppy yoga: i shit you not. Ik zie de hoofdstedelijke gekte hoofdschuddend aan, maar goed, als mensen zich willen laten besodemieteren voor al die gebakken lucht: ‘I don’t give a duck… eh.. fuck… Eh fuck a duck! Men doet maar. Waarmee ik dus tot mijn punt kom: de meest onzinnige winkels die er dus in ons toeristendorp bestaan vind ik de duckstores. Winkels waar ze badeendjes verkopen. Badeendjes in allerlei soorten, maten en uitdossingen. In Amsterdam mag je al blij zijn als je een woning hebt, laat staan eentje met een bad. Dus de meeste Amsterdammers vallen al af als clientèle. En bovendien: als je al badeendjes wil: hoeveel wil je er hebben?

OK, ik vind het dus een totale onzinwinkel. Dat kan. Dus ik ga er niet heen en ik verbaas me over mensen die dat wel doen, maar hey, ieder z’n ding. Bij mij om de hoek zit er een. Het is er nooit druk. Mensen komen er even kijken en dan gaan ze weer weg. Ik heb er nog nooit iemand met een tas vol badeendjes naar buiten zien lopen. Eén zo’n winkel in de buurt lijkt me dus rijkelijk genoeg voor de badeendjesfetisjisten onder ons. Maar nee. Weet je hoeveel van die belachelijke duckstores er binnen een straal van een kilometer rond mijn huis bestaan? Vier! Vier fucking badeendjeswinkels! En het waren er tot vorig jaar vijf. We bleken er toch eendje te veel te hebben. En waar betalen al die belachelijke duckstores de huur op absolute A-locaties van? Wat is hun verdienmodel? Of krijgen die gele eendjes daar fiscaal wit spoelinkje? Fuck a duckstore, schiet mij maar lek. Ik heb het concept nooit begrepen en ik verwacht ook niet dat ik het kan, laat staan wil begrijpen.

Het is weer lente, althans volgens de kalender. Hopelijk gaat de zon weer snel schijnen en kan ik binnenkort op de Zwanenburgwal weer echte donzige duckjes zien in plaats van de plastic exemplaren in de duckstores.

Rodweek 200 Willem zei alleen ‘hoi’

Het is een kleine twaalf jaar geleden dat ik met mijn bescheiden, om niet te zeggen bescheten, voetbalkwaliteiten in een heus stadion mocht voetballen. Weliswaar in het reeds half ontmantelde stadion van het ter ziele gegane HFC Haarlem, maar toch! Een echt stadion waar in lang vervlogen tijden Eredivisie en zelfs Europees voetbal werd gespeeld. En daar mocht Lulletje Lampenkatoen voetballen. Dichterbij het betaalde voetbal ben ik nooit gekomen. Het was een feestje ter ere van de meest legendarische snordrager in het Nederlandse betaalde voetbal: Abe van den Ban, gewezen middenvelder in de jaren zeventig bij Haarlem en FC Amsterdam. Twee legendarische clubs die inmiddels al jaren op het kerkhof liggen. Het feestje heette ‘In den Ban van Abe’.

Ik voetbalde in een team van voetbalschrijvers of om het affreuze woord maar te gebruiken: bloggers. Onze tegenstanders was een team van voetbaljournalisten met onder meer Sjoerd Mossou, Willem Vissers, Paul Onkenhout, Edwin Struis en nog wat andere coryfeeën in de gelederen. Wij spelend in tenues van FC Amsterdam. Het journaille was gekleed in tricots van Haarlem. Beroepsouwehoer Sierd de Vos was in ruil voor twee goede flessen Rioja en een roestig stuivertje de grappige stadionspeaker van dienst. Tal van Oud-Haarlemmers waren aanwezig. Oud-Spits Piet (Li-)Keur vertrouwd aan de bar. De ‘Entertrainer’ Barry Hughes nog altijd met de karakteristieke pet op zijn kamerbrede tapijt. Mijn Panini-plaatjesalbums uit de jaren 80 kwamen tot leven die dag aan de Jan Gijzenkade in Haarlem.

Onze coaches waren Europacupwinnaar Johnny Rep en ‘de snor der snorren’ Abe van den Ban. En die kregen dan ook nog ondersteuning van David Endt, de assistent. De journo’s werden gecoacht door Hans Kraaij Jr. en Willem van Hanegem. De scheidsrechters van dienst waren een viertal oude scheidsrechters uit het betaalde voetbal, onder wie Volendammer Jan Keizer en de nog immer in een iets te strak broekje gehesen Frans Derks. Mannen van een respectabele leeftijd inmiddels.

Willem van Hanegem, ‘De Kromme’, is natuurlijk een fenomeen, al ben ik net te jong om hem als voetballer te hebben gekend. Ik kende hem eigenlijk alleen als coach. Maar natuurlijk hebben we de beelden nog en weet ik als liefhebber natuurlijk dat hij één van de grootste middenvelders van zijn tijd was. Ik keek even naar hem voor de wedstrijd. En hij bekeek ons, hij stond wat nurks langs de kant. Wij waren qua leeftijd gemiddeld een stukje jonger en een X aantal kilo’s lichter dan de journalisten. Ik hoorde Willem bij de warming-up tegen iemand zeggen: ‘Nou, die bloggerts zien er toch net wat afgetrainder uit.’

Iets voor de wedstrijd stond ik in de spelerstunnel. Willem van Hanegem stond er ook. De oude scheidsrechter Jan Keizer passeerde ons en groette Willem hartelijk: ‘Ha Willem, wat leuk je te zien! Hoe gaat het met je?’ Nou moet je weten dat De Kromme zijn leven lang een bloedhekel heeft gehad aan scheidsrechters. Van Hanegem was ook de man die toen de gele kaart werd ingevoerd in 1972 gelijk het eerste exemplaar in ontvangst mocht nemen. Het is nooit meer goedgekomen tussen Willem en de fluitisten, zo bleek ook op dat moment.

De vriendelijke groet van de Volendamse arbiter werd door De Kromme zonder hem aan te kijken beantwoord met een koeltjes en afgemeten ‘hoi’.

Keizer bleef nog even staan, hopend op een handdruk of een wat vriendelijker begroeting, maar Willem stak geen hand uit en keek strak langs de oude arbiter heen. Meer dan dertig jaar na zijn afscheid als voetballer had hij kennelijk nog steeds niet veel op met de scheidsrechter. Keizer liep maar weer door en Willem keek stoïcijns voor zich uit. Willem zei alleen ‘hoi’. Dat leek hem meer dan genoeg. Ik vond het een van de mooiste momenten van die toch al zo mooie dag.

Voor een kleine tweehonderd belangstellenden, mijn grootste publiek als voetballer ooit, won mijn team, ondanks dat ik meespeelde, in de laatste minuut met 3-2 van zijn ploeg. Onze jongere leeftijd en mindere kilo’s betaalden zich in extremis toch uit.

Willem zal het ongetwijfeld niet met de arbitrage eens zijn geweest.

Afgelopen week werd De Kromme tachtig. Mijnheer van Hanegem, van harte en nog vele jaren! En dank voor dit mooie moment.

Rodweek 199 Je lul bij de kiloknaller

Als je een team horecamedewerkers vergelijkt met een voetbalteam dan is een kok je keeper. Ze zijn anders gekleed dan de andere teamgenoten, ze hebben een specialisme binnen het team en ze zijn door de regel genomen knettergek, een tikje zonderling of op z’n minst net een beetje anders dan de rest. Na een goeie twee decennia horeca-ervaring en een bonte stoet aan koks die ik voorbij heb zien komen mag ik die conclusie wel trekken.

Een van de gekste in zijn soort was dan toch wel Aart, de bulderende broodjeskok van Café Bax waar ik tussen 2007 en 2013 werkte. Aart was een geniale gek, zoals veel koks. Die was beroemd en berucht in Oud West. Beroemd omdat hij vreselijk goed was in zijn werk. Ik keek wel eens met hem mee hoe hij zijn broodjes maakte en daar heb ik tot de dag van vandaag profijt van. Van Aart heb ik echt de perfecte uitsmijter leren bakken. Met roomboter op laag vuur zodat je er een mooi bruin randje omheen krijgt. Mensen kwamen van heinde en verre voor een uitsmijter van die ouwe.

Maar hij was dus ook berucht omdat hij een bek als een roestig koksmes kon hebben. Als Aart je aardig vond dan kon hij grappig, vriendelijk, attent en gul zijn. En hij gaf daklozen gewoon vaak zomaar een tientje als hij zag dat ze honger hadden. Maar als ie je echt niet mocht was hij lomp, hard en vals en dan kwam het ook niet snel meer goed. Ik zat gelukkig in het eerste kamp. Of Aart je mocht dat hing ook een beetje samen met hoe je zijn wodka inschonk die hij na zijn werk als personeelsdrankje kreeg. Degene die zijn drankje te zuinig inschonk moest hard zijn of haar best doen om weer bij Aart in genade te vallen. ‘Die klootzak maakt godverdomme de bodem amper nat. Rod, als jij zo een biertje pakt, schenk me dan even fatsoenlijk bij’, bromde hij dan. Tegen de vrouw die zijn tonijnsalade te zuur vond: ‘Dan moet ze in de spiegel kijken, dan zal ze zien wat zuur is!’ schreeuwde hij dan uit de keuken. Hard genoeg zodat de mevrouw in kwestie het ook op het terras kon horen. Tegen een vervelende gast: ‘Als je nou niet oprot dan geef ik je zo’n klap op je bek dat je neus op achterhoofd staat!’ Tegen ongeduldige zeurders die vonden dat ze te lang op hun broodje moesten wachten: ”Die is nog bang dat ie te laat op z’n eigen begrafenis komt! Nou, ik zal ‘m helpen!” En nog een Aart-klassieker: ”Jij wordt nooit zo oud als je eruit ziet!”

Hij was ook altijd spullen kwijt. Liep hij weer vloekend en tierend door z’n keuken en dan kwam ik binnen:
‘Aart, dat mes hangt daar.’ En dan was Aarts gevleugelde uitspraak: ‘Ah, dank je wel. Eerst vloeken, dan zoeken’ of ‘Eerst zeiken, dan kijken.’

Als Aart in deze tijd had gewerkt zou hij waarschijnlijk een ‘Matthijs van Nieuwkerkje’ krijgen, hoewel het in horeca niet abnormaal is om even tegen elkaar te schreeuwen als er iets misgaat. Je werkt nou eenmaal onder een bepaalde druk en de ene kan daar beter mee omgaan dan de ander. Al ben ik zelf niet snel schreeuwerig (maar wel duidelijk) en raak ik ook niet snel in paniek van een vol terras. Het zijn maar mensen en dan wachten ze maar even. Als ze niet zien dat het druk is gaan ze maar lekker weg. Aart kon weleens flippen, want die zag al die bonnetjes met bestellingen binnenkomen, maar na het werk dronken we weer een biertje samen en waren we het allebei allang weer vergeten. ‘Lekker gewerkt?’ ‘Ja hoor!’

De dagelijkse opmerkingen, beledigingen en scheldpartijen van Aart vielen natuurlijk niet bij iedereen in goede aarde, maar gek genoeg kwamen sommige mensen er echt voor om hem te horen tieren of om zelf een belediging te ontvangen. Sommige gasten leken welhaast masochistisch daarin. Die waren teleurgesteld als ze niet door Aart waren beledigd. Maar dan namen Robin en ik samen soms de honneurs waar.

Toch vond Aart zichzelf geen kok. ‘Ik ben een beunhaas’, zei hij altijd. Hij had er nooit een opleiding voor gedaan. Er werd hem ooit gevraagd of hij broodjes kon smeren. ‘Zeker’, antwoordde Aart en toen had hij een baan.

Als Aart en ik na het werk samen op het terras zaten, hij met z’n wodka en ik met m’n biertje dan mocht Aart ook graag naar voorbijtrekkend vrouwelijk schoon kijken. Dan zag hij een mooie dame achter een kinderwagen lopen en dan was het: ‘Nou, ik zou niet de vader maar wel de dader willen zijn!’ Maar als er dan een vrouw passeerde die aanmerkelijk minder in de smaak viel dan was zijn legendarische uitdrukking: ‘Als m’n lul daarop reageert dan breng ik ‘m naar de Kema!’ De Kema is de goedkope kiloknalslagerij aan de overkant op de Kinkerstraat.

Wat allesbehalve een kiloknalslagerij is is Slagerij Louman in de Jordaan. De beste slagerij van Amsterdam. Daar haalde Aart altijd die verrukkelijke osseworst. Osseworst zonder ‘n’ inderdaad. Mooi broodje, dikke plakken osseworst rode ui, zout, peper en zuur erbij: het is nog steeds een van m’n favoriete broodjes en eens in de zoveel tijd haal ik dan ook even een lekker stuk osseworst bij Louman. De slager op de Goudsbloemstraat waar je echt nog onvervalst Jordaans hoort.

Maar tot mijn grote schrik las ik onlangs dat Louman de deuren ging sluiten! De schrik sloeg me om het hart, waar moet ik nou mijn favoriete osseworst halen? Ik heb best een paar goede slagerijen bij mij in de buurt, maar Louman is echt mijn favoriet. Daar loop of fiets ik echt voor om.

Met paniek in mijn ogen, wat pips rond de neus en met licht trillende stem bestelde ik voor de zekerheid maar twee stukken osseworst en vroeg ik of het echt waar was dat de slagerij per 1 maart zou sluiten. ‘Nee hoor Rod, het gaat om de winkel in Landsmeer. Wij blijven gewoon. Maar je bent niet de eerste die het vraagt, want de hele buurt was in paniek!’


Het nieuws bleek op een nogal verwarrende manier te zijn gebracht. De hele Jordaan plus ik waren in rep roer! Maar gelukkig bleek het loos alarm. En zo kan ik mijn favoriete broodje voor mijn meisje (die inmiddels ook verslaafd is aan specifiek die osseworst) en mij blijven maken.

Aart ben ik al een jaar of acht compleet uit het oog verloren, net als veel mensen. Ik weet eerlijk gezegd niet eens of hij nog wel leeft. Hij lijkt van de Aartbodem verdwenen (ba-dum-tss!!) maar ik denk nog vaak aan hem. ‘Eerst vloeken dan zoeken’, zit nog steeds in mijn repertoire als ik weer eens iets kwijt ben, vloekend door het huis loop en het ding dan op een volkomen normale plek vind. En ik denk vaak aan Aart als ik een broodje osseworst, een broodje zalm met avocado of natuurlijk een uitsmijter maak. En als ik langs de Kema loop moet ik altijd even glimlachen.

Rodweek 198 Zeepsop en pruimenpap

Terwijl in de Jordaan momenteel een grimmig debat gaande is tussen wat zeurende expats en Jordanezen of de oude Westertoren nou wel of niet ‘s nachts mag blijven klingelen werd het symbool van de Jordaan afgelopen donderdag uit volle borst bezongen in het voormalige Rozentheater op de Rozengracht, tegenwoordig heet het Boom Chicago. Jordanese muziek op Jamaicaanse klanken. Jamaica en de Jordaan in innige omhelzing met elkaar. Het was het afscheid van het prachtige muzikale project De Porders. Ik heb de eer en het genoegen gehad om het project bijna letterlijk vanaf het begin te zien ontstaan.

Ik heb in de Melkweg jarenlang samengewerkt met Paul van Musscher. Paul is de drie hoog achterneef van Johannes van Musscher die we beter kennen als Johnny Jordaan. Een jaar of drie geleden had ik eens afgesproken met Paul. Paul kent mijn niet door iedereen begrepen voorliefde voor oude smartlappen.
‘Ik moet je even wat laten horen, Rod. Volgens mij is het een topidee. Jij gaat dit geweldig vinden. Maar je moet er nog wel effe je bek over houden.’ Hij zette een CD-tje op en ik vond het inderdaad meteen briljant: de muziek van Johnny Jordaan op reggae, ska en rocksteady-klanken. Wat een wereldplan inderdaad! Paul is zelf ook al jaren actief als zanger in verschillende bands en zo had hij voor dit project een selectie fantastische muzikanten bij elkaar verzameld uit zijn muziekvriendenkring. Leden van Jah6 die Andre Hazes-nummers op reggaemuziek zingen, leden van de legendarische Haarlemse funkband Gotcha!, Pieter Both van de geweldige reggaeband Beef, multitalent Jaro en hijzelf dus als frontman. Dan praat je over een topbezetting. Mag je dat zo zeggen? Ja, dat mag je zo zeggen, Mart Smeets!

De bandnaam ‘De Porders’ was gauw gevonden. Porders waren mensen die vroeger in de arbeiderswijken van de steden arbeiders wekten zodat ze op tijd op hun werk kwamen. Wekkers waren duur en niet altijd even betrouwbaar. Wie de porders dan weer wakker maakten zodat zij op tijd aan het werk waren weet ik dan weer niet. Jaro zijn opa was porder, Pieter zijn oma pelde garnalen met tante Leen en Paul is familie van Johnny Jordaan. Ze hadden zichzelf dus ook De Garnalenpellers kunnen noemen, maar De Porders bekt natuurlijk net even wat lekkerder.

Het heeft me grote moeite gekost om het geheim te houden want mijn enthousiasme grensde aan hondsdolheid! Ik hoorde er een tijdje niks over, maar in de lente van 2022 was het dan zover. Het eerste spontane optreden van De Porders was, hoe kan het ook anders, op het Johnny Jordaan-plein aan de Elandsgracht. Ook buiten Amsterdam werd het project inmiddels bekend en zo stonden de mannen ineens op de Zwarte Cross. Ik heb nog de twee optredens in het Rozentheater gezien, het theater waar Johnny voor het eerst optrad en waar hij om de hoek in de Rozenstraat is geboren.

Het is fantastisch hoe goed de Jordanese smartlappen zich met Jamaicaanse klanken laten mengen. Noem het Jaimanees. Een prachtige avond waar oude Jordanezen op af kwamen, maar ook jong publiek maakte kennis het het levenslied en het levensverhaal van Johnny Jordaan.

Die laatste avond in het prachtige Rozentheater kon me niet lang genoeg duren. Johnny Jordaan kreeg een dag na zijn honderdste geboortedag nog één keer de eer die hem toekomt. En Paul liet zien dat het muzikale talent in de familie Van Musscher blijft zolang de lepel in de brijpot staat. En Johnny zag dat het goed was. Net als wij. En een pikketanessie ging er zeker in. Eenmaal buiten klingelde de Westertoren nog een mooie toegift voor ons. Voor de jengelende expats en andere zeikerds in de Jordaan die het heerlijke geluid van de pas vier eeuwen oude Wester niet kunnen velen heb ik de wijze lijfspreuk van mijn vroegere buurman: ‘Acceptere of Almere!’

Er bleef op deze magische avond eigenlijk slechts één vraag onbeantwoord:

Wie heeft nou toch die zeepsop in de pruimenpap gedaan?

Een kleine impressie? Klik hier voor wat beelden van vorig jaar.

Rodweek 197 De Stroopwafeljuwelier

September 2010. Real Madrid had zojuist met 3-0 paella gemaakt van Ajax en mijn gabber Rick en ik besloten na de wedstrijd om nog even de Madrileense binnenstad in te duiken voor een klein drankje. Vlakbij Plaza Mayor, een van de drukste pleinen van de Spaanse hoofdstad. We werden gewenkt door een portier. Of we even een drankje kwamen drinken in zijn nachtclub. We hoefden geen entree te betalen. Dat leek ons wel sympathiek en we werden met alle egards binnengehaald. Het was er niet superdruk en ik bestelde twee biertjes. Ik legde een lapje van twintig euro neer in de veronderstelling minstens tien euro terug te krijgen maar ik kreeg slechts een muntstuk van twee euro terug. Ik legde uit dat ik maar twee bier had besteld en de barman legde grijnzend het bonnetje voor mij neer. De twee kleine flesjes bier die ik voor ons had besteld bleken negen euro per stuk te kosten. We waren er ingetuind: een klassieke duik in een toeristenfuik. Ik begreep ineens waarom het daar niet zo druk was. We dronken onze kleine cervezas op en kwamen een paar straten verderop een café tegen waar je voor een tientje een emmertje met vijf koude flesjes bier kreeg. Die deal vonden we toch net wat sympathieker.

Toeristen besodemieteren is al zo oud als de weg naar Rome. Of de weg naar Madrid. Of de weg naar Amsterdam. Geen weldenkende Amsterdammer gaat gezellig een biertje drinken op de Dam in één van de toeristenvallen van Won Yip en co. Daar betaal je standaard teveel geld. Waar ter wereld je ook komt: in de centra van grote steden op of in de nabijheid van de grote pleinen betaal je praktisch overal de hoofdprijs. In de grote stad verkopen ze veel. Helaas ook veel onzin. Een stadsmens heeft daar een radar voor. Ik vind het ook altijd leuker om de echte woonbuurten van een stad te zien. In datzelfde Madrid waar we een biertje van negen piek dronken heb ik in diezelfde week ook de allerlekkerste gazpacho ooit gegeten. Quanta costa? Twee euro. Gewoon in een achteraf steegje in een wijk net buiten het centrum. Nergens meer zulke lekkere gazpacho gegeten. Een tandeloos oud omaatje in de keuken, misschien was dat het geheim. Maar in elk geval alles behalve een toeristenval, want hier at de lokale bevolking gewoon. Ik was de enige toerist.

Afgelopen week viel mijn oog op een foto die op social media werd gedeeld. Een groepje toeristen kocht in de Kalverstraat drie verse stroopwafels bij de Firma Van Wonderen. Nooit van gehoord, maar volgens het logo op het raam bakken ze al sinds 1907 stroopwafels. Dat ik er nooit van heb gehoord kan zomaar kloppen want hoewel ik praktisch achter de Kalverstraat woon mijd ik die straat als de builenpest. De Kalverstraat is net zo’n duffe winkelstraat als die je van Delfzijl tot Terneuzen tegenkomt, alleen dan groter. D’Avenue du Middelmaat. Afijn, daar hadden die toeristen dus stroopwafels gekocht. Drie stuks. Maatje medium, dus niet eens de grootste. Quanta costa? Negenendertig euro. Negenendertig?! Voor drie koekies? Kan toch niet waar zijn? Anders heb ik nog wel een leuke reclameslogan voor ze: ‘’Wil jij je eens lekker laten bedonderen? Eet een stroopwafel bij Van Wonderen!’’

Ik had een vrije middag en besloot maar eens even met eigen ogen bij die stroopwafeljuwelier te gaan kijken of dit echt waar was en geen Tiktok-geintje. Ik bezoek zelf ook graag andere steden, ben makkelijk en allesbehalve gierig met geld op vakantie, maar ik zou bijvoorbeeld echt nooit vijftien euro voor een wafel op de Meir in Antwerpen, vijftien ballen voor een Bratwurst op de Kurfurstendam in Berlijn of twintig pond voor fish en chips op Trafalgar Square in Londen betalen. Dat is gewoon afzetterij. En een belediging van mijn intelligentie als mensen serieus denken dat ik dat soort woekerprijzen ooit zal betalen voor een simpele snack.

Ik dus naar die stroopwafeljuwelier. Een kleine winkel. Er hangt geen prijslijst. Er waren wat toeristen binnen. De ingeblikte cadeauverpakkingen op de schappen waren aan de prijs, maar soit, dan krijg je er tenminste nog een mooi blik bij. Ik was benieuwd naar de prijs van het verse werk. Een medium stroopwafel. Ik vroeg het aan het meisje achter de toonbank, die hoogst verbaasd was dat ik haar in het Nederlands aansprak. En inderdaad: ‘Dertien euro, meneer.’ Ze stotterde er niet eens bij. Droge ogen. Ik zei dat ik dat even niet bij me had en liep de winkel uit. Naast mij rekenden drie toeristen drie medium stroopwafels af. Negenendertig euro. Ze rekenden het zonder morren af. Ongelooflijk. Het is dus echt waar. De Van Wonderen zijn de wereld nog niet uit, zeggen we dan maar. Ik ben ooit gaan schrijven omdat ik me over heel veel zaken verwonder. Met Van Wonderen nu dus als mijn nieuwste verwondering.

Het moeten dan wel heel erg goede stroopwafels zijn. Ik bekeek een recensiesite. Nee dus! Gemiddeld slechts één van de vijf sterren! Van ongeveer honderd recensenten! En heel veel slechte commentaren. Dus die dure dingen zijn nog niet eens te vreten ook waarschijnlijk. Ga je daar dan een stroopwafel eten voor de mooie locatie? Nee. De Kalverstraat is een vieze en te drukke plek. Net zoals de Meir, Kurfurstendam of Trafalgar Square dat ook zijn. Daar kom je ook niet voor de mooie locatie of de geweldige sfeer en al helemaal niet voor kwaliteit. Op dat soort plekken betaal je altijd veel te veel voor fletse middelmaat.

En nou betalen ondernemers op die locaties met de goedkoopste uitstraling misschien de hoogste huren van de stad, maar daar mogen die toeristen dan lekker voor betalen als het ze toch niet uitmaakt. En mensen betalen gewoon zonder klagen (ja, later op internet), dus er is gewoon een markt voor.

En over de markt gesproken: vanmiddag voerde de middagwandeling me naar De Pijp. Dus even de Albert Cuyp op, want ik ben gek op markten. En ja hoor, daar stond mijn heerlijke stroopwafelkraam die ik al jaren ken. Waar je dus echt de lekkerste verse stroopwafels van de stad koopt. Voor een prikkie. Ik had er ineens zo’n gigantische trek in.

‘Doe maar een grote alsjeblieft.’

En dan krijg je dus ook echt een ouderwetse vers gemaakte stroopwafel, bijna ter grootte van een ouderwetse vinylsingle.

‘Drie euro alsjeblieft man!’

Hij smaakte ouderwets lekker en beter dan ooit.

Ik heb nog een aantal exemplaren van mijn bundel Lockdownsyndroom over. Voor een tientje per stuk (ex eventuele verzendkosten), omdat ik in een goede bui ben. Stuur maar een bericht op de socials of naar [email protected] als je interesse hebt. Voor die joet koop je in de Kalverstraat niet eens een stroopwafel , van mijn boek heb je langer plezier en gaat er ook een piekie naar de Voedselbank, dus grijp je kans!

Rodweek 196 Daar is ‘m!

Wat ik misschien wel het mooiste aan België vind is dat het er zo aftands en lelijk kan zijn. Dat begint al zodra je vanuit Nederland met de auto de eerste meters de Belgische snelweg oprijdt. Het hobbelt allemaal net wat meer, er ligt meer troep langs de weg en het landschap en de bebouwing worden er ineens een stuk slordiger. Dat geldt ook voor de steden. Hoe mooi en historisch steden er ook zijn: het is allemaal net wat smoezeliger dan het meer aangeharkte Nederland. We hebben in Nederland ook echt wel onze achterstandsbuurten, maar een echte troosteloze banlieue als Brussel-Noord hebben wij niet in Nederland. Maar ik ben gek op België, vergis je niet. Belgen verstaan de kunst van het genieten als geen ander, daar kunnen wij veel van leren.

Het smotsige wat België dus ook wel weer charmant maakt geldt ook voor de nationale voetbalcompetitie. En zo togen mijn vrienden en ik zowel begin december als afgelopen weekend, eind januari naar het Vlaamse land om wat wedstrijden mee te pikken. Een gemêleerd gezelschap van Rotterdamse en Amsterdamse voetballiefhebbers. De Rotterdamse jongens zijn voor Feyenoord, de Amsterdammers zijn voor Ajax. Lekker stereotype. Wat ons bindt zijn de passie voor het spel, voetbal(supporters)-cultuur en oude vervallen stadions, maar als maizena natuurlijk de humor en de vriendschappelijke band die we al jaren met elkaar hebben. Over onze onderlinge humor ga ik hier allemaal niet uitweiden. Had je bij moeten zijn.

Qua oude vervallen stadions zit je goed in België. Bijna alle clubs uit de hoogste divisie spelen er nog in oude vervallen bakken. Voor de liefhebber: pure stadionporno. Waar in Nederland in de jaren 90 en 00 heel veel oude stadions werden vervangen door veilige, effectieve doch zielloze nieuwbouw in buitenwijken of treurige industrieterreinen vind je in België nog veel oude, matig onderhouden stadions die in een woonwijk staan. Wel wat buiten het centrum, maar wel echt grenzend aan woonwijken. Geen moderne ‘foodcourts’, maar gewoon een kar waar ‘frituur’op staat.

De wedstrijden die wij hebben gezien bestrijken de gehele ranglijst van de competitie, dus we kunnen ons een beeld vormen van het algehele niveau van de Jupiler Pro League.

1. 1 december: RWD Molenbeek- Charleroi 0-0. Een middenmootduel
2. 1 december: Antwerp FC- OH Leuven 1-0. De regerend kampioen tegen een laagvlieger.
3. 26 januari: Cercle Brugge- Standard Luik 1-1. Subtopper tegen middenmoter.
4. 27 januari: Kortrijk- OH Leuven 0-0. Keiharde degradatiekraker tussen de laatste twee.

Drie doelpunten in vier wedstrijden. Dat is al geen dikke oogst, maar dat hadden er eerder minder dan meer kunnen zijn. Het waren alle 4 typische 0-0 wedstrijden. De drie doelpunten die er vielen waren allen toevalstreffers. Ze doen tegenwoordig toch veel met die rare data-cijfers? Bij de meeste wedstrijden was het aantal expected goals echt 0,0 tegen 0,0.

Wedstrijd 1 bij RWDM in het naargeestige Brussel-Noord: wij, mannen van middelbare leeftijd, met gezamenlijk toch een aantal eeuwen aan stadionervaring, waren het er unaniem over eens dat dit de allerslechtste wedstrijd was die we ooit hadden gezien. Zelfs op laag amateurniveau hadden we beter gezien. In de Nederlandse Keukenkampioen Divisie zouden beide ploegen er weinig van bakken.

Wedstrijd 2 bij Antwerp was ik niet bij, maar ik hoorde dat dat ook niet heel goed was en dat de enige goal min of meer toevallig viel. Een van de onzen was toevallig net aan het pissen, dus die heeft een doelpuntloze dag gehad.

Wedstrijd 3 was in Brugge, nummer 7 Cercle tegen de gevallen topclub Standard Luik die tiende stonden. Eerste helft was minimaal zo erg als bij de wedstrijd van RWDM. De tweede helft was ietsje beter en we werden zowaar getrakteerd op twee goals, al waren die eerder toeval dan uit een mooie uitgespeelde aanvallen. We waren allang blij. Zo erg waren we nog niet verwend in België.

Wedstrijd 4. Om het degradatiespook af te wenden moest KV Kortrijk winnen. Misschien lekker opportunistisch voetbal. Er op of er onder! Veel fouten! Een lekkere gekke uitslag! 6-4 of zo! Lang verhaal kort: dat gebeurde niet. Een bloedeloze 0-0. En niet dat die jongens geen inzet toonden: ze konden niet beter. Aan beide kanten. Echt niet. De meest simpele dingen gingen mis. De wedstrijd scoorde hoog op de RWDM-schaal.

Toch vond ik Kortrijk leuk. Kortrijk is een slaperig stadje op de grens met Frankrijk. Het is er, ook op zaterdagmiddag, op z’n aardigst gezegd niet heel erg wild, zo ontdekten we als zes stadsjongens die meer gewend zijn toen we door het stadje heen liepen. We vonden een brasserie die open was om een snelle lunch te nuttigen. Maar zo traag als het leven in Kortrijk gaat, zo traag was ook de bediening. Dus het duurde nogal een tijd voordat de niet al te moeilijke bestelling van een paar croque monsieurs, een opgewarmde lasagne en wat garnalenkroketten op tafel stonden. Het was ook niet bepaald dat de tent uitpuilde. Maar vooruit, we wilden niet gelijk de klagende ‘Ollanders’ uithangen. Zo’n beste reputatie hebben we al niet over de grens.

‘Verwacht u er maar niet te veel van hoor’, vertrouwde de aardige ober ons toe toen we zeiden dat we naar een wedstrijd van KV Kortrijk gingen. We deden lacherig, maar de ober bleek geen woord te veel te hebben gezegd. Zeldzaam armoedig voetbal. Al gold dat voor alle wedstrijden waar we waren. De nieuwe Kevin de Bruyne of Romelu Lukaku liep er bepaald niet tussen.

Hoewel de wedstrijd pas om 16.00 zou beginnen waren we ruim op tijd, want om 14.30 begon het happy hour op het supportersplein! Een happy 10 minuten dan: tot 14.40 konden we gratis bier krijgen! Dat hoef je dorstige Ollanders geen twee keer te zeggen. We mochten allemaal twee grote pinten nemen, dus dat deden we dan ook. Gratis! Kom er in Nederland maar eens om. Bij Ajax betaal je 7,50 voor zo’n unit. Hier kregen we twee grote pinten de neus voor nop! De vreselijke kermismuziek zoals die tegenwoordig bijna overal in en rond stadions wordt gedraaid namen we maar voor lief. Het gratis Jupilerbier vergoedde veel.

De toeschouwersaantallen in België zijn over het algemeen niet erg hoog. Bij de meeste wedstrijden zitten misschien zes a zevenduizend mensen. In Nederland zitten de stadions over het algemeen behoorlijk vol. Het zal ook met het gebrek aan veiligheid, comfort en hygiëne te maken hebben. Bij Cercle was bijvoorbeeld vrijwel elke stoel door vogels onder gescheten. En niemand die er daar aan denkt om daar op een loze dag eens even de hogedrukspuit op te zetten. Pissen doe je nog in zo’n grote pisgoot met van die blauwe blokjes er in om de geur te verdoezelen. België heeft echt nog veel stadions op het hoogste niveau zoals die er in Nederland tot hooguit in de jaren nul waren. Tenzij Telstar of Dordrecht weer eens promoveert. Dan hebben we ook weer een stadionnetje van Belgische allure op het hoogste niveau.

Op de terugweg keken we Heracles-Ajax. We hadden in een kwartier al beter voetbal gezien dan in een heel weekend België. De volgende dag vulde ik thuis met voetbalwedstrijden uit de Eredivisie op TV. Elke wedstrijd van hoog tot laag was vele klassen beter dan alles wat ik in België zag. Feyenoord-Twente was ook 0-0. Maar je hebt 0-0 en je hebt 0-0. Feyenoord en Twente kunnen allebei nog wel iets. De twee 0-0’s die wij in België zagen waren allebei duels van de lamme tegen de blinde.

Maar toch: ondanks het blaartrekkende voetbal kan ik iedere voetballiefhebber aanraden om gewoon eens een weekend met een leuk gezelschap richting de zuiderburen te trekken. Geniet van al het heerlijke dat België te bieden heeft! Lekker eten, lekker drinken. Maak gein met je vrienden en zie een aftandse wedstrijd in een bouwvallig stadion als hinderlijke, maar toch leuke onderbreking van de dag.

En dan, als de bal al eens in de buurt van de goal komt, waan je je even de legendarische Belgische commentator Rik de Saedeleer en roep je heel hard: ‘Daar is ‘m! Daar is ‘m!’

Rodweek 195 Echte Mannen

The Big Lebowski: ‘What makes a man, Mr. Lebowski?’
The Dude: ‘Uhh… I don’t know Sir.’
The Big Lebowski: ‘Is it being prepared to do the right thing, whatever the cost? Isn’t that what makes a man?’
The Dude: ‘Hmmm… Sure, that and a pair of testicles.’

Bovenstaand een fragment uit mijn favoriete film, The Big Lebowski. Het is een vraag die mij ook wel eens bezig houdt: wat is nou een echte man? En ben ik er één?

Aan het basiskenmerk zoals The Dude het omschrijft, het hebben van testikels, voldoe ik.

Maar verder? Wat is nou een echte man? Ik leg mezelf even langs de mannelijke meetlat.

Als ik naast mijn vriend Lex aan de bar zit en hij begint te praten over motoren, brommers, Formule 1, klussen en allerlei technische zaken, dan ben ik hem al snel kwijt. Lex is handig. Hij is timmerman, klusjesman en kan dingen repareren: dat zijn echt van die mannenskills die niet in mijn basispakket zitten. En die ik ook nooit geleerd heb. Als ik een spijker in de muur sla zit heel Amsterdam zonder stroom. Al was dat overigens niet de reden van de stroomstoring die er laatst was! Ik kijk wel beter uit.

Ik heb een handige vader, ik heb ook altijd handige schoonvaders gehad en ik heb genoeg handige vrienden om me heen. Dus de klusjes waar handigheid en een goede motoriek voor zijn vereist laat ik graag aan anderen over. Mijn talent is dan weer wel om handige mensen om me heen te verzamelen. Het is met klussen in huis gewoon beter en leuker voor iedereen dat ik de catering verzorg. Daar ben ik dan weer goed in. Ik ben een zorgzame man die mensen graag in de watten legt. Dat maakt mij dan ook uitermate geschikt voor horeca. Ik maak het mensen graag naar de zin. De jaarlijkse vergaderingen in ons pand zijn ook altijd bij ons. Dan is er voor iedereen genoeg te te eten en te drinken. Helaas waren mijn verzorgende skills niet genoeg om verpleegkundige te worden, wat ik ook nog een blauwe maandag heb geprobeerd. Dat was helaas niet mijn pad.

Auto’s! Je hebt toch wel iets met auto’s? Nog zo’n ‘mannenman’-dingen waar ik niks mee heb: ik heb nog nooit enig gemotoriseerd voertuig bestuurd. Ik nooit ook zelfs maar de lichtste ambitie gevoeld om een rijbewijs te halen, een motor te hebben of zelfs maar om een een brommer of een scooter te besturen. Met jongens die vroeger aan brommers en auto’s liepen te sleutelen in het fietsenhok had ik nooit zoveel gespreksonderwerpen. Dat was hun ding. Ik liep liever aan meisjes te sleutelen.

Computertechniek dan? Hou op met me! Ik weet nog net hoe dat ding aan en uit moet en hoe ik mijn columns kan posten. Voor de rest weet ik er helemaal niks van.

OK: sportief dan? Je kan toch wel iets mannelijks? Nee. Ik kijk heel graag naar sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder. Ik praat en schrijf er veel over. Ik weet er ook veel van. Mensen betalen mij soms voor mijn voetbalschrijfsels en zijn benieuwd naar mijn meningen over wedstrijden, maar ik heb zelf nul komma nul balgevoel en de motoriek en de souplesse van een blok beton. Mijn beste positie is aan de zijlijn van het veld of op de tribune.

Ik ben dan wel weer heel competitief in spelletjes. Ik wil altijd winnen als ik weet dat ik minimaal gelijkwaardig ben in het spelletje.

Muziek dan? Zelfde verhaal als met voetbal. Ik weet er van alles vanaf. Ik presenteer muziekquizzen, schrijf er soms over, maar ik kan niet zingen, ik heb nul ritmegevoel en ik kan ook geen instrument bespelen. Een elektrische triangel misschien als ik m’n best doe.

OK. Niet technisch, weet niks van computers, is slecht in sport en kan ook geen instrument spelen.

Godsamme, wees toch eens ergens een vent in! Rod, je bent een kroegtijger. Altijd al geweest. Drinken, roken en vrouwen! Daar hou je van. Maar ook weleens een beetje vechten? Lekker beuken tegen andere testosteronbommen? Hard schreeuwen tegen andere mannen? Ook al niet. Ik ben totaal niet agressief aangelegd. Ook niet met een stoot drank in mijn mik. Van de paar keer dat ik, met wisselend succes, heb gevochten heb ik nooit de eerste klap uitgedeeld en was ik sowieso niet de agressor. Het zit er simpelweg niet in. Als het dreigend wordt loop ik liever weg dan dat ik het tot een fysieke confrontatie laat komen. Ik heb daar gewoon nooit zo’n zin in.

Goed, verder op de mannenschaal: ooit gedacht om een gezin te stichten?

Gezin, met kinderen maken en zo? Dat stond nooit hoog op mijn prioriteitenlijst. Ik vind het proces van kindjes maken bijzonder leuk, maar daar houdt het wel bij op. Ik hoef ze niet per se als onderdeel van mijn gezin te hebben. Wat overigens niet betekent dat ik een zure kinderhater ben. Ik vind het hartstikke leuk om op te passen, er mee door te stad te lopen en om met ze te ouwehoeren. De meeste kinderen zijn cool. Maar ik moet ze wel snel terug kunnen geven aan de rechtmatige ouders. Daarbij heeft mijn meisie er al eentje van 23 die op zichzelf woont, dus die is af. Daar hoeven we niks meer aan te doen.

OK Rod, dan moet je toch op z’n minst een huis hebben gekocht? Wel, dat is er nooit van gekomen en tenzij de loterijballetjes een keer leuk vallen of ik een enorme bestseller ga schrijven zie ik het er ook niet meer van komen. En al helemaal niet in mijn onbetaalbare stad. Daarbij woon ik al op de mooiste plek van mijn favoriete stad voor een betaalbare huur en dat is me bijzonder veel waard. Daardoor kan ik werken om te leven en leef ik niet om te werken.

Godver, ook al geen eigen koophuis. Wat kan jij nou wel als man? Jagen, ouwe, jagen! Toch? Er zit toch wel iets van een man in je? Welnu, het enige jachtinstinct dat in mij zat was op het jagen van rokken in het hoofdstedelijke nachtleven. Ik was altijd op jacht als een nachtluipaard. Sluipend en loerend op een vrouwelijke prooi. En daar was ik dan ook redelijk bedreven in. Dat is toch wel een goeie mannenskill? Maar na een lange en intensieve safari als nachtluipaard ben ik inmiddels alweer een paar jaar onder de pannen bij de vrouw van mijn dromen. En over pannen gesproken: daar ben ik dan ook wel weer handig mee. Ik kan goed koken. En daar wordt mijn meisie ook blij van.

De vrouw die de motorisch gestoorde, onhandige, atechnische, asportieve, aritmische, competitieve, geweldloze, kinderloze, rijbewijsloze nachtvlinder die schrijver dezes is toch maar mooi in haar armen heeft gesloten. Ze zal er altijd voor me zijn. En ik zal er altijd voor haar zijn en voor haar zorgen, koste wat kost en onvoorwaardelijk, zoals ik er ook tijdens haar ziekte altijd voor haar was. Misschien maakt dat me een echte man, Mr. Lebowski? Uhh.. Ja, dat. Oh ja, en de testikels.