Rodweek 143 Derksen’s Lingo

Mijn vriendin en ik hebben doordeweeks een redelijk vast ochtendritueel. Ik ben meestal het eerste wakker van ons twee, ergens tussen 6.30 en 7.30. Soms blijf ik nog even liggen, maar meestal ga ik er maar gelijk uit. Ik ben dan nog fris in het hoofd en dus begin ik dan maar gelijk een stuk voor mijn opdrachtgever te schrijven. Even later wordt mijn vriendin wakker, ik zet koffie voor haar en breng dat op bed. Een half uur later gevolgd door het tweede bakkie. Inmiddels is het dan tussen 8.30 en 9.00 en dan ga ik wandelen en omdat ik dan toch fris en fruitig ben koop ik gelijk fruit voor bij het ontbijt. Rond 10.00 ben ik terug, we gaan ontbijten en dan zetten we Vandaag Inside op van de vorige dag.

‘Wat? Vandaag Inside, met die vreselijke Johan Derksen?’
Inderdaad, die ja.

Ik volg het fenomeen Johan Derksen al zo’n 35 jaar. In die tijd was hij nog hoofdredacteur van Voetbal International, het blad waar ik tot op de dag van vandaag nog abonnee van ben. Een man van de vlijmscherpe columns. Net als wat we nu al een jaar of 20 van hem op TV zien deed hij toen ook al, maar dan alleen op papier. Hij is wat het uiten van zijn meningen een beetje zoals hij was als voetballer: met gestrekt been er in. Op het gemene af.

Ik kan het hartstochtelijk met hem oneens zijn. Zeker niet altijd hoor, maar regelmatig wel. Derksen is een beetje onze nationale foute oom. Net iets te reactionair, net iets te rechts en blijven hangen in het verleden. Derksen is opgegroeid in de jaren 50 en 60 en hij mist het Nederland uit zijn jeugd. De tijd dat begrippen als ‘woke’ nog niet bestonden en er geen Zwarte Pieten Discussie was. Het zijn dingen waar Derksen onverholen van walgt. Dat hij een kind van zijn tijd is merk je ook aan zijn taalgebruik. Hij praat vaak in termen die bijna niemand die jonger is dan 60 nog gebruikt:
‘Wat is dit voor een prietpraat?’
‘Ik ben toch geen kwajongen?’
‘Hansworst’
‘Vlerk’
‘Vlegel’
‘Blaag’
‘Domoor’
Scheldwoorden als ‘domoor’ laat hij graag voorafgaan door ‘notoire’ (spreek op z’n Johans uit als ‘notoore’). Een jonge vrouw is in Johan-lingo ‘zo’n juffrouw’, ‘dat meisje’ of een ‘hittepetit’. En als hij het heeft over een ‘notoire querulant’ bedoelt hij iemand die altijd ruzie zoekt.

Het ‘Orakel uit Grolloo’ afficheert zichzelf graag als de ultieme provinciaal. Hij heeft niks met Amsterdam, de ‘grachtengordel’, de ‘innercircle’ en ‘notabelen’ en hij zal geen gelegenheid onbenut laten om dat te vermelden. Geboren in de Betuwe, opgegroeid in de provincie, jarenlang met tegenzin in de door hem verfoeide Randstad gewoond en nu alweer een aantal jaren in het Drentse Grolloo, waar ook Cuby and The Blizzards vandaan komen en waar hij mee bevriend was. Derksen is van de blues en Americana.

De term ‘OK Boomer’, die jongeren bezigen als een oudere heel stellig is in een wat achterhaalde mening: hij zou zomaar voor Johan Derksen bedacht kunnen zijn.

Johan is rechts. Niet dom en lomp PVV- of FVD-rechts, maar wel iets aan de rechterkant van de VVD. In de Randstad ergerde hij zich aan ‘straatterroristen’ en ander tuig, ‘maar dat mag je dan weer niet zeggen’. Johan is een man die vindt ‘dat je niks meer mag zeggen’. Daar geef ik hem overigens wel deels gelijk in. Mensen zijn erg snel op het pikkie getrapt nowadays, maar niet alles kan ook gewoon meer. Tijden veranderen en daar heeft Derksen het duidelijk moeilijk mee. Hij mag ook graag afgeven op ‘de linkse kerk’ en hij hekelt de ‘politieke correctheid’. Zoals hij ook een hekel heeft aan ‘demagogen’ en ‘volksmenners’. Hij heeft ook niks met het koningshuis, dat noemt hij ‘een gedateerd sprookje’ en daar geef ik hem trouwens 100% gelijk in.

In discussies is hij stellig. En zijn meningen bekrachtigt hij dan nog weleens met voorvoegsels als ‘kut-’, ‘klote-’, ‘enge’ en ‘ordinaire’. Zeker als hij de discussie dreigt te verliezen, zoals laatst met columniste Angela de Jong. Dan gaat hij ineens zijn stem verheffen, verbaal om zich heen slaan en roept hij dat hij het maar een ‘kut-column’ vond. Dat Angela de Jong zijn geblaas keurig en rustig pareerde zinde ‘De Snor’ niks. Hij verloor de discussie en weigerde het toe te geven.

Derksen is een ‘voetbaljongen’ als oud-prof van clubs als Veendam, Haarlem, Cambuur en MVV. Een verdediger, of zoals hij zichzelf (en vele andere voetballers) typeert als een ‘gemankeerde voetballer’. Hoewel hij een voetballer soms ineens ‘alleraardigst’ vindt. En voetballers mogen graag wat overdreven stoere verhalen vertellen, zo weet ik uit de voetbalkringen waarin ik zelf heb verkeerd. Allemaal mannetjes en daar is Derksen geen uitzondering op, zoals met dat rare kaarsenverhaal.

Kortom, ik dacht een paar dagen geleden: laat ik eens een Johan Derksen Bingo maken, ik kom makkelijk tot 25 termen die hij vaak bezigt. Maar helaas, die bleek al een paar jaar te bestaan. Dan maar gewoon een column over Derksen’s Lingo.

En nou heeft ie weer dat relletje met die rare Baudet dat hij in plaats van ‘politiek elimineren’ het woord ‘liquideren’ gebruikte. Ik kijk er naar uit hoe het afloopt. Johan Derksen levert altijd en ik zou hem eerlijk gezegd missen als hij op een dag niet meer met zijn lompe en ongenuanceerde meningen op de buis is.

Inmiddels is het 9.15, mijn meisie heeft haar tweede bakkie gehad en ik ga wandelen en fruit scoren. En daarna Vandaag Inside kijken. Met de ‘ijdeltuit’ Genee, de hinnekende Gijp en die ouwe chagrijnige provinciaal. De dag is begonnen!

Rodweek 142 Italia (3) Van Pluisje naar Popie Jopie

Het eigenlijke doel van onze trip was Napels. De stad ontdekken en een wedstrijdje van Napoli meepakken. Napels was de stad waar ik altijd al heen wilde en dat stadionbezoek stond al jaren op mijn verlanglijst. Die pelgrimstocht was dus volbracht. Maar nu we toch in de buurt waren: waarom zouden we Rome niet ook nog even meepakken? Daar was ik ook nog nooit geweest en ‘De eeuwige stad’ moet je tenslotte ook eens gezien hebben.

Van Napels naar Rome is een slordige 225 kilometer en daar hebben we gelukkig treinen voor. De ene trein doet er meer dan drie uur over en de andere een uur en tien minuten. De tweede kost minstens twee keer zoveel geld, maar liever dat dan meer dan drie uur in de trein zitten en overal stoppen op kleine stations als Napoli aan de Greppoli, Tagliatelle aan de Tibre en Rome Muziekwijk.

We hadden iets meer dan 26 uur om alle highlights van de stad te zien en als je daar de nachtrust, douchen en het ontbijt als belasting vanaf haalt dan hou je netto een goede 16 uur over. Maar goddomme we hebben het gedaan: het Colosseum, de Spaanse Trappen, de Trevi-fontein, de Bruidstaart, het schilderachtige Trastevere en het godvergeten Vaticaanstad, dus we pikten nog een extra landje mee ook, want Vaticaanstad is een officieel land. Het is ook een leuke pubquizvraag: welk land heeft het laagste geboortecijfer van de wereld? Veel mensen beginnen dan de meest exotische landen op te noemen, maar het antwoord is simpel: Vaticaanstad met welgeteld nul. Er wonen een kleine 800 mensen, allemaal geestelijken en die hebben zich aan het celibaat te houden, dus daar wordt niemand geboren. Al ben ik trouwens benieuwd of er ooit een toerist is geweest die een baby op het heilige Sint Pieters-plein heeft uitgepoept.

De rijen voor de basiliek op het Sint Pietersplein zijn bizar. Ik heb sowieso al een bloedhekel aan rijen, maar uren in de rij staan voor een kerk zou ik al helemaal niet doen. Je kunt van Napolitanen zeggen wat je wilt, maar die aanbidden met ‘Pluisje’ Maradona in elk geval een God die echt heeft bestaan. En ik kan het weten want ik heb de God van Napels ook ooit in het echt gezien. Dat kan ik van die andere imaginaire niet zeggen. Maar de door God op Aarde aangestelde bedrijfsleider van de Rooms-Katholieke Kerk, de Paus, sinds Spaan en Vermeegen in de jaren 80 ook bekend als Popie Jopie, kun je iedere zondag zien bidden vanaf z’n balkonnetje op het Sint Pietersplein.

Ik vond Rome mooi en leuk, echt een plaatje van een stad. Ik ben er net te kort geweest om echt een goed oordeel over de stad geven maar ik vond het heel tof om ‘De Eeuwige Stad’ eens gezien te hebben. Het is een stuk meer aangeharkt en veel toeristischer dan Napels. Resumerend kijk ik na 4 dagen Italië als volgt terug: als ik Rome en Napels met twee vrouwen zou vergelijken dan is Rome op het oog absoluut de knapste. Rome is het mooie meisje uit de klas dat weinig fout doet. Een lief, braaf en knap meisje. Napels is compleet anders. Stouter en brutaler. Napels is die vuige vuilbekkende tante met drie ladders in haar panty die luidkeels te laat op het feestje komt, grof en grappig scheldend op het openbaar vervoer omdat ze de tram heeft gemist. Napels is rauwer en onaangepaster. Op Napels zit wat meer ‘een kop’. Persoonlijk zou ik eerder verliefd worden op Napels. Ik hou wel van karaktertjes en Napoli heeft heel veel karakter. Al zou ik Rome zeker een knipoogje geven in het voorbijgaan. Ik zou beide steden graag in elk geval nog eens graag terug willen zien.

Italia (2) nog niet gelezen? Klik HIERO
Italia (1) nog niet gelezen? Klik DAARO



Rodweek 141 Italia (2) La Dolce Vita. Nou nog een kroeg.

Italië is wonderschoon, Bella Italia! Je kunt er fantastisch eten, het weer is er, zeker in het zuiden, doorgaans beter dan hier en de mensen ademen er voetbal. Allemaal dingen die ik sfeerverhogend vind. Maar toch mist het land van La Dolce Vita één ding: kroegen. Natuurlijk kom je er heus wel aan je wijntje, biertje of wat je maar wilt. Dat verkopen ze ook in die koffiebarretjes, ijssalons, lelijk TL-verlichte eettentjes of trattoria. Maar een echte kroegcultuur zoals we die in Nederland (of de meeste andere Europese landen) kennen hebben ze daar niet. Even lekker naar de Italiaanse ome Nico of tante Inge, zoals ik die hier heb zit er niet in. Voor een beetje soort van kroeggevoel moet je hopen dat je tegen een Irish Pub aanloopt die toevallig in de stad is gevestigd. Al zitten daar niet veel mensen, want Italianen zijn, logischerwijs, niet van die kroeggangers. Gelukkig is het er vaker mooi weer dan hier, dus je kunt lekker buiten zitten, maar toch: als ik daar zou gaan wonen zou ik een stamcafé missen.

Kortom, vergeet de kroeg in Italië. Qua eten zit je dan wel weer helemaal goed in Italië, bijna elke menukaart is een feestje om naar te kijken. Bij vriend Remi was de kaart wat beperkter. Remi heeft met eten wat ik met techniek heb: de ontwikkeling is ergens rond het achtste levensjaar gestopt. Als je geen kaas, mozzarella, vis, schelpdieren, schaaldieren en olijven lust dan valt er een aanzienlijk deel van de Italiaanse menukaart weg! En er is zoveel lekkers te eten daar! Ik heb me dus heerlijk uitgeleefd en Remi was ook gelukkig met de mogelijkheden die hij had. Al keken de obers lichtelijk fronsend als Remi zijn culinaire wensen kenbaar maakte. Remi is niet alleen op de wereld, maar qua culinaire smaak is hij dat wel in Italië.

Het meest eenvoudige dat ik heb gegeten was een pizza Margherita, die zou ik in Nederland niet zo snel bestellen, maar in Napels wel, want de Margherita is in Napels uitgevonden, dus dan wil ik ‘m ook daar eten. Bij restaurant Brandi in een van die kleine Napolitaanse steegjes hangt ook nog steeds een plaquette aan de muur ter herinnering aan die dag in 1889. De Italiaanse koningin Margherita kwam toen namelijk op bezoek en mevrouw had trek in pizza. De kok, Raffaele Esposito, bedacht voor de gelegenheid een pizza met tomatensaus, mozzarella en basilicum, naar de kleuren van de Italiaanse vlag. De pizza viel bijzonder in de smaak bij de vorstin, de pizza werd de Margherita gedoopt en is dus tot de dag van vandaag in elke uithoek van de wereld te knagen.

Ik at mijn Margaritha in een TL-verlicht restaurantje vlakbij het Diego Armando Maradona-stadion, want je bent natuurlijk niet in Napels geweest als je niet naar een wedstrijd van Napoli bent geweest! Napels en Napoli was echt een bucketlijstding voor mij. Ik heb bijna alle grote stadions in Europa gezien en Stadio San Paolo, zoals het tot voor kort heette, stond in Europa bovenaan mijn lijst van stadions die ik nog graag wilde zien. Ik hoopte al jaren op een Champions League-loting met Ajax, maar steeds ging dat niet door. Dus we besloten om zelf maar te gaan. En tegen wie lootte Ajax uitgerekend dit jaar? Juist. Mijn geluk weer…. Het stadion heet het Diego Armando Maradona Stadion sinds Diego naar de eeuwige voetbalvelden vertrok. Bij Ajax duurde het, mede door gesteggel met de erven Cruijff en Nederlandse bureaucratie 2 jaar voordat het stadion van Ajax naar z’n grootste zoon werd vernoemd. In Napels pakten ze gelijk door. Maradona was nog niet eens koud en het stadion werd gelijk naar hem vernoemd.

Napoli-Lecce, dat was de kraker die we gingen bezoeken. De nummer 1 tegen de nummer 18. Het Nederlandse equivalent van Ajax-Fortuna Sittard of zo. Ik had de kaarten besteld via de site viagogo (tip!) en ik had voor een redelijke prijs twee kaarten achter het doel uitgezocht. Ik dacht in het niet al te fanatieke gedeelte. We hadden ook genummerde plaatsen. Dat had ik even verkeerd ingeschat. Remi en ik stonden met onze ouwe lijven van respectievelijk 48 en 45 jaar tussen de bloedfanatieke springende en zingende jongens en meiden op Curva A die overwegend zo rond de 20 jaar jong waren. Mijn inschatting dat het niet zo druk zou zijn omdat het tegen een laagvlieger was kwam ook niet uit. Het stadion was niet uitverkocht, maar waar wij stonden natuurlijk wel. Rammend vol en bloedheet. Nou heb ik natuurlijk vaker in dat soort drukke vakken gestaan, maar voor Remi was het echt een belevenis. Een vak vol juichende Napolitanen is vergelijkbaar met een uitbarsting van de Vesuvius. Het gaat door elke geluidsbarrière. Die sensatie hebben we twee keer mee mogen maken. Eén keer toen Lecce een penalty miste en een paar minuten later toen Napoli scoorde. De eindstand was overigens een verrassende 1-1, maar dat mocht de pret niet drukken. Met een hoofd vol indrukken pakten we de metro weer terug naar het centrum.
En wat is er leuker om dan de avond en de wedstrijd nog even na te bespreken onder het genot van een sappie? Zullen we nog even een afzakkertje halen in de kroeg? Oh nee…. Wacht….

Italia (1) over Scooters en Toeters gemist? KLIK HIERO!

Rodweek 140 Italia (1) Toeters en scooters en God in Napels

Een gevleugelde uitspraak van Goethe was: ‘Eerst Napels zien en dan sterven.’ Wat dat betreft ben ik nu dus klaar en kan ik rustig De Pijp uit gaan (of in mijn geval het centrum), maar no worries, ik wil nog wel wat jaren mee, dus jullie zijn nog niet van me af! Goethe gebruikte zijn uitspraak als metafoor voor dingen die je nooit meer mooier zal zien of een doel wat je wilt bereiken. De recensie van mijn vader over Napels was minder lovend: ‘een smerige criminele stad waar ze je beroven voor een roestige stuiver.’ Mijn vader bevoer de zeeën in de jaren 70 en kwam zo ook in Napels terecht. Napels was toen ook echt een gore stad die in de tentakels van de maffia was gevangen.

Vraag me niet waarom, maar ik ben altijd gefascineerd geweest door Napels. Ik ben een stadsjongen, hou van steden en steden mogen van mij wel een beetje vuig en rauw zijn. Het hoeft van mij allemaal niet zo aangeharkt. Er mag een randje aan zitten. Mijn beeld van Napels was ook: arme stad, smalle straatjes met overal wapperend wasgoed, volks, toeterende taxi’s, chaotisch en het is natuurlijk de stad van Diego Maradona. De stad voldoet grotendeels aan dat beeld.

Vanaf het moment dat ik het Centraal Station uitliep sprong de vonk tussen Napels en mij meteen over. Een heerlijke bende. Een complete verkeerschaos, overal toeterende taxi’s en Napels telt minstens zoveel scooters als Amsterdam fietsen.

Mijn gabber Remi en ik resideerden vlakbij het station en vlak achter de karakteristieke oude binnenstad. Een perfecte uitvalsbasis voor onze ontdekkingstocht door Napels. Het historische centrum is exact wat ik me er van voorstelde: vervallen smalle straatjes, wapperend wasgoed, schreeuwende mensen op balkonnetjes, overal eettentjes en scooters die zich overal langs en tussendoor manoeuvreren.

En Diego Maradona is overal. En als ik zeg overal, dan bedoel ik ook overal. Op muurschilderingen, op vlaggen, op huisdeuren, in de winkels, in restaurant: je ontkomt niet aan zijn afbeelding. Wat Maradona heeft betekent voor de stad gaat veel verder dan dat hij zo goed kon voetballen en de club Napoli titels schonk. De Argentijn, zelf afkomstig uit een arme wijk van Buenos Aires, schonk de Napolitanen iets veel belangrijkers dan voetbalprijzen: hun trots en waardigheid. Noord-Italianen kijken van oudsher neer op het arme zuiden. Zuid-Italianen werden geminacht, bespot en vernederd door de veel rijkere noorderlingen. ‘Afrikanen’ werden ze genoemd omdat Napolitanen wat donkerder getint zijn. Ze werden bestempeld als vieze arme criminelen. Er werden bij uitwedstrijden in het Noorden zeepjes naar de Napolitaanse aanhang gegooid. Maradona werd snel Napolitaan onder de Napolitanen. Aanbiedingen om voor veel meer geld in het gefortuneerde noorden van Italië te spelen wees hij af. Dat zou voor hem als verraad voelen naar ‘zijn’ stad. En zo werd ‘El Diego’ een zoon van Napels. Sterker en niet overdreven: Napolitanen zijn religieuze mensen. Alleen heet God in Napels Diego Armando Maradona. Probeer in Amsterdam maar eens zoveel verafgoding van Cruijff, kind van de stad, in het openbaar te vinden. Ik kan geen 5 plekken noemen. In Napels lacht Maradona je vanuit elke steeg meermaals toe. Napels is Maradona en vice versa.

De stad borrelt als de vulkaan Vesuvius die vlak voor de kust ligt, het kan elk moment uitbarsten. De mensen hebben er temperament. De stad heeft een rauw en puur karakter. Dat alles bij elkaar geeft de stad een soort zinderende spanning zonder dat het echt heel spannend wordt. Ik heb me geen seconde onveilig gevoeld in Napels. De ruige verhalen die mijn vader daar heeft meegemaakt zijn in de verste verte niet in mijn buurt geweest. Zelfs geen zakkenrollers. Al kan het misschien ook meespelen dat mijn vader destijds een haantje van 20 was en ik een rustige man van 45. En daarnaast is dat hele heftige volgens mij ook wel een beetje van Napels af. Rauw: zeker. Gevaarlijk: nee.

Het enige waar je in Napels goed voor moet uitkijken is het verkeer. Dat moet je overal, maar in Napels nog net iets meer. Waarschijnlijk verzekert geen Napolitaan de auto of de scooter. Praktisch elke auto in de binnenstad heeft deuken, krassen, scheuren en gaten. Littekens van het Napolitaanse verkeer. Als ze zich zouden verzekeren zouden ze hun no-claimkorting in een poep en een scheet kwijt zijn. Remi en ik gingen voor de gein 10 auto’s fotograferen met serieuze schade. Dat is geen uitdaging: die heb je in Napels binnen een paar minuten gevonden.

Scooters zijn het Napolitaanse equivalent van Amsterdamse fietsen. Ze scheuren overal dwars doorheen. Leeftijd maakt ook niet heel veel uit. Ook kinderen van een jaar of acht scheuren al geroutineerd door de nauwe Napolitaanse straatjes.

Ik zit een beetje tussen Goethe en mijn vader in qua mening over Napels, wel iets meer naar Goethe trouwens: Napels is niet de mooiste stad waar ik ben geweest, maar wel één van de meest karaktervolle. Smerig? Je kunt er van de vloer eten: er ligt genoeg! De vuilnisdienst laat er ook nog wel eens op zich wachten. En crimineel? Ik denk dat Amsterdam minstens zo ‘gevaarlijk’ is en daar voel ik me ook nooit onveilig.

Amsterdam is poep op de stoep. En Napels is toeters en scooters. En Diego. Heel veel Diego, God in Napels.


Rodweek 139 Bierenbeulen

Noem mij ouderwets opgevoed, maar ik heb altijd geleerd dat je bier of wat voor drank dan ook, moet opdrinken en niet zomaar weggooien. Dat niet iedereen zo is opgevoed weet ik al een tijdje. Ergens in de jaren negentig ontmoette ik een leuk meisje in Amsterdam. Ze was op stap met vrienden uit haar dorp. De avond eindigde met een beetje tongworstelen en telefoonnummers uitwisselen en na enkele dagen hing de jongedame inderdaad aan de telefoon. Zij vroeg of ik langs wilde komen naar de boerenkermis in haar dorp.

En zo bevond ik mij een weekend later in de bus naar een dorp waarvan ik de naam niet eens meer weet. Mijn scharrel van de week daarvoor was met een grote vriendengroep uit haar dorp op stap. Ik besloot maar meteen om een goede beurt te maken (ook in de hoop op een goede beurt later) en bestelde een tray bier voor haar en haar vriendengroep. Ik deelde het bier keurig uit en nam een slok. Niet veel later vlogen de eerste biertjes door de lucht. En weer iets later zag ik mensen hele bladen bier door de lucht gooien! Ik had nog nooit zoiets gezien. Altijd netjes je bier opdrinken had ik altijd geleerd, maar dat bleek hier een totaal onbekende gedachtegang. In dit dorp spaarden de mensen letterlijk het hele jaar voor de kermis en om met bier te gooien! Ik begreep er geen klote van. Ik was al blij als ik met mijn spaarzaam verdiende centjes op stap kon gaan en dan mijn biertjes kon opdrinken. Daar op die boerenkermis vloog het bier met honderden guldens tegelijk de tent door. Ik wist niet wat ik zag en vond het ook eerlijk gezegd zonde om van mijn zuurverdiende geld nog bier voor deze mensen te kopen. Het meisje dat ik een week daarvoor dus nog wel zag zitten bleek eenmaal in haar eigen dorp ook in een bierenbeul te zijn veranderd en gooide vrolijk lachend mee. Om een uur of 20.00 had ik het wel gehad met deze onzin en besloot ik weer terug te gaan naar Amsterdam. Dit was niet mijn feestje. Ik ging gewoon weer naar mijn stamkroeg om daar gewoon bier te drinken met andere mensen die ook gewoon bier dronken.

En ondanks de economische crisis is het kennelijk dus nog steeds hot and happening om met bier te gooien op dit soort festijnen. De laatste tijd komt het steeds vaker in het nieuws dat er gericht gegooid wordt op artiesten ‘want dat is traditie’. Tja, Nederlanders en hun tradities… Ik begrijp de artiesten die tegenwoordig gewoon van het podium stappen na een bierdouche volledig. Wat je ook van die artiesten vindt. Ik ben bepaald geen fan van artiesten als Mart Hoogkamer of Lil’Kleine maar ik snap dat ze dat barbaarse gedrag naar hen toe gewoon niet meer pikken. Naast de respectloosheid kan er ook apparatuur beschadigd raken of is een DJ al zijn muziek en data kwijt omdat een of andere randdebiel bier over z’n laptop heeft gegooid. De organisatie die hard z’n best heeft gedaan om voor veel geld een bekende artiest te contracteren is z’n geld kwijt en de mensen die wel voor de show komen zien hun favoriete artiest niet optreden.

Zoals veel van die gezellige Nederlandse tradities nou eenmaal terecht een keer eindig zijn mag deze zogenaamde traditie van mij ook stoppen. Gewoon omdat het idioot en respectloos is naar de artiesten, organisatie en het welwillende publiek toe. En daarbij is bier toch gewoon veel lekkerder om te drinken? Stelletje bierenbeulen!

Rodweek 138 Marnixstraat

Afgelopen week was ik aan het lunchen met mijn gabber Marnix. Marnix en ik kennen elkaar van Ajax. Ik heb een vaste stoel bij Ajax maar ik sta liever achter de tribunes bij de bar met de jongens die daar ook altijd komen en vanaf daar kunnen we de wedstrijd ook prima volgen. Hoeven we ook niet zo ver te lopen om bier te halen en hinderlijk voor mensen langs te lopen. Daar kies ik zelf voor. Marnix heeft ook een vaste stoel bij ons in het vak maar daar heeft hij nooit zelf voor gekozen. Daar zit hij zijn hele leven al in, namelijk een rolstoel. Wat ik zo tof vind aan Marnix is dat hij ondanks zijn fysieke beperkingen nooit zeikt en klaagt, maar overal gewoon het beste van maakt. En die instelling helpt er zeker aan mee dat hij het gewoon goed voor elkaar heeft in het leven. Leuk huis in een mooie Amsterdamse buurt, een goede baan als gemeenteambtenaar, z’n Ajax-seizoenkaart en een actief sociaal leven.

Marnix is nooit negatief. Hij telt zijn zegeningen en roeit met de riemen die hij heeft. En dat doet ie verdomd goed. Niet zeiken en janken van ‘boehoehoe, wat is het leven toch moeilijk’, maar gewoon doen. Daar zouden de klagerige mensen die ik ken (best veel) en die geen fysieke beperkingen zoals hij hebben echt eens een heel groot voorbeeld aan moeten nemen. Met enige regelmaat gaan we samen lunchen op het Waterlooplein. Hij is ambtenaar en werkt bij mijn overburen van de Stopera, de ietwat bipolaire combinaam van het Amsterdamse stadhuis en operagebouw. We lunchen dan altijd bij Café Waterloo, een fijne echte Amsterdamse lunchtent waar ze voor een prima prijs nog een lekker broodje bal en een puike uitsmijter serveren. Even lekker bijlullen over levenszaken, voetbal, vrouwen en andere dingen die wij belangrijk vinden. We betalen altijd om de beurt, maar we vergeten allebei altijd wie als laatste heeft betaald, dus dan trekt een van ons twee random de kaart en dan vergeten we de volgende keer gewoon weer wie er de laatste keer heeft betaald. Ik hecht veel waarde aan onze lunches.

Zijn rolstoelplek in de Johan Cruijff Arena noem ik dan ook altijd liefkozend ‘De Marnixstraat’.

En over de Marnixstraat gesproken: het is niet de Brad Pitt of de Brigitte Bardot van de Amsterdamse straten, laten we eerlijk zijn. Het is wel een straat waar ik veel voetstappen en historie heb liggen. Vooral qua uitgaan. En de laatste 2 maanden heb ik er ook gewerkt.

‘Ja maar, Rod, de Melkweg ligt toch aan de Lijnbaansgracht?’
Dat klopt, maar ik werkte in de MILK, wat vroeger gewoon het Melkweg Café heette, en die heeft de ingang aan de Marnixstraat. Ik schrijf dus ‘werkte’, in de verleden tijdsvorm. Dat klopt, want ik ben er alweer gestopt. Mijn hart ligt helemaal in de Melkweg. Ik ben een kind van de Melkweg. Ik heb daar 19 jaar gewerkt (1998-2017) en ik had gehoopt om de MILK, wat altijd een beetje een loshangend deeltje is geweest van de Melkweg, te kunnen helpen met mijn jarenlange horeca-ervaring. Helaas hebben we elkaar niet kunnen brengen wat we er van gehoopt en van verwacht hadden. Ik ben dan in dat soort situaties altijd tamelijk rigoureus: als ik het niet naar m’n zin heb dan ga ik weg. Dan ga ik er mijn tijd niet verder mee verdoen. Zo heb ik het altijd en overal gedaan. Ik moet het ergens goed naar mijn zin hebben. En als niet: even goede vrienden, maar dan maakt deze pappie de pleiterik. Het lag overigens niet aan de collega’s, dat zijn lieve leuke jongmensen. Het lag er meer aan dat ik daar bepaalde dingen niet gauw zie veranderen die wel gauw moeten veranderen en die ik niet zomaar kan veranderen. Dan heb ik het gevoel dat ik aan een dood paard sta te trekken. Daar ga ik me dan dus niet meer verder meer tegenaan bemoeien en zo sloot ik vannacht mijn tweede Melkwegperiode af. En de tweede periode duurde dus maar twee maanden. Jammer maar helaas. Het doet niets af aan mijn liefde voor de Melkweg. De Melkweg is mijn tweede huiskamer en ik zal daar altijd terugkomen. Alleen waarschijnlijk niet meer als werknemer.

Ik heb wat dat betreft dezelfde instelling als Marnix. Ik zeur en klaag niet over dat soort dingen: als iets me niet bevalt of niet goed voelt en ik zie dat ik er niks aan veranderen dan ga ik er gewoon vandoor. ‘Sans rancune’. Ik blijf nooit hangen in het negatieve. Mazzeltov ouwe en op naar het volgende project.

Nou ben ik al bijna 25 jaar werkzaam in het uitgaansleven: het is een mooie tijd om de pauzeknop even in te drukken en me te focussen op mijn werk als copywriter en op het uitbrengen van mijn nieuwe boek. En wanneer en of ik die horecapauzeknop weer op ‘play’ zet zien we over een paar maanden wel weer. Het eerstkomende half jaar ben ik lekker mijn eigen baas. Even geen gezeur meer van werkgevers. Geen gesmeek of ik op feestdagen wil werken. Collega’s die altijd willen ruilen. Of nog erger: niet op komen dagen omdat ze niet goed op het rooster hebben gekeken. Als ik 5x oud en nieuw heb gevierd zonder te werken is het veel. Koningsdag idem. Niet erg, want ik geef niet veel om feestdagen en heb het altijd met plezier gedaan, maar ik wil het de komende tijd gewoon even zelf bepalen. Ik wil even geen vrij meer vragen maar vrij zijn. En dat kan nu! Dat is een groot goed.

En mocht het horecabloed over een tijdje toch weer kruipen waar het niet gaan kan over dan zal ik vast wel weer eens ergens achter een barretje kruipen. Met alle plezier. En gewoon omdat ik het dan weer leuk vind om te doen.

Misschien wel ergens op de Marnixstraat.

Rodweek 137 (B)Ruud uit het leven gerukt

Er gaan hele dagen voorbij dat ik niet aan Zuid-Scharwoude denk. Hele jaren zelfs. Ik weet nog net dat het in West-Friesland ligt. Ik was er ook nog nooit geweest. Dus wie mij vorige week had gezegd dat ik de volgende zaterdag met een fakkel in mijn klauwen in een nieuwbouwwijk van Zuid-Scharwoude zou staan had ik met spoed laten opnemen in het dolhuis.

Maar ja, zo zie je maar: het leven kan vreemde wendingen nemen. Daar stond ik dus gisteren in Zuid-Scharwoude met een fakkel in mijn rechterjat. Tussen allemaal Ajacieden als eerbetoon aan mijn vriend Ruud. Ik kende Ruud meer dan tien jaar. Onze bindende factoren: onze liefde voor Ajax, muziek, pubquizzen, een vergelijkbaar gevoel voor humor en bier. In willekeurige volgorde. Allebei levensgenieters.

Toen ik Ruud leerde kennen woonde hij in Betondorp, Amsterdam-Oost, om de hoek bij het vroegere Ajax-stadion De Meer. Ruud was een graag geziene gast in de Amsterdamse horeca en in de hoofdstedelijke poppodia. Een gozer die veel ondernam, vaak samen met z’n meisie Do. Die twee waren onafscheidelijk.

Hoewel Ruud op het oog ontzettend genoot van zijn Mokumse leven bleef hij altijd een echte West-Fries en hij maakte er ook nooit een geheim van dat hij graag weer terug wilde naar zijn geboortestreek. Een jaar of vijf geleden was het dan zover: Ruud liet Amsterdam achter zich en ging in Zuid-Scharwoude wonen. Op de voor hem vertrouwde grond, vlakbij zijn familie. Dat Ruud daar ging wonen weerhield hem er overigens niet van om nog met regelmaat de Amsterdamse horeca te frequenteren. Pubquizje spelen, Ajax kijken, een avond mosselen eten, op tweede kerstdag Engels voetbal kijken in de Ierse pub of een boekpresentatie van mij of andere schrijvers die hij kende? Voor dat soort gelegenheden kwam Ruud graag naar Amsterdam. Om dan ‘s avonds weer lekker in West-Friesland onder de wol te kruipen. Amsterdam voelde als een vertrouwd huis waarvan hij wist waar de koelkast met koud bier staat, maar zijn echte thuis was West-Friesland.

Ruud was een 24-karaats West-Fries. Hartelijk en gezegend met een mooi gevoel voor humor, maar ook stijfkoppig, stellig of ronduit lomp. We hebben ook best weleens woorden gehad. Je moest van hele goede huize komen om Ruud van mening te doen veranderen of om hem zelfs maar een beetje te laten nuanceren. Maar boven alles een lieve, intelligente jongen die letterlijk en figuurlijk met volle teugen van het leven genoot met z’n meisie. Biertje en een sigaartje erbij en dan was Ruud een tevreden mens.

Aan dat levensgeluk kwam een bruut einde vorige week zaterdag. Ruud was met Do en wat vrienden in Alkmaar geweest en aan het begin van de avond besloten ze terug te fietsen. Ruud was wat onrustig in zijn hoofd en wilde gewoon lekker naar huis. Even wat eten halen en dan, zoals het echte Noord-Hollanders betaamt, terug naar het dorp fietsen. Bij Sint Pancras ging het gruwelijk mis. Verkeerde tijd en verkeerde plaats kwamen op tragische wijze samen. Een auto kwam slingerend en met hoge snelheid door een bocht, vloog uit die bocht en schepte Ruud en Do. Do overleefde het ongeval, Ruud niet. De dader: een 31-jarige man die dronken en zonder rijbewijs reed.

Een levensgenieter die zo uit het leven is geplukt door een onverantwoordelijke randdebiel: dat voelt heel erg oneerlijk en wrang. Als die gozer zichzelf nou aan gort had gereden hadden we in elk geval een domme klootzak minder op de wereld gehad. Nu is een mooi mens er niet meer en zijn de levens van zijn vrouw en familie verwoest. Ik ga niet over de strafmaat, daar gaat de rechterlijke macht over, maar voor een ongeval onder deze omstandigheden mag een dader van mij heel lang met zijn stinkreet op de blaren zitten. En call me Onderbuik, maar wat dat betreft mag die moordenaar blij zijn dat ik de rechter niet ben.

Ruud, zo’n (b)ruud einde had jij niet verdiend! Het laatste wat we voor je konden doen was op een passende manier afscheid van je nemen in jouw geliefde Zuid-Scharwoude. Rust zacht, lieve vriend. En Ajax gaat vanmiddag 3 punten voor je pakken!

Rodweek 136 Augustus

Het is nu augustus en dat betekent dat er in elk geval drie zekerheden zijn: voetbalsupporters klagen ach en wee over het nieuwe uittenue van hun club, de Gaypride is er en er is weer gezeur rond een of andere studentenvereniging.

Laten we met de eerste beginnen: zodra mijn club Ajax of welke andere club dan ook het nieuwe uittenue presenteert dan kun je de cola en de popcorn erbij pakken, je voeten op de tafel leggen en wachten tot het los gaat op de voetbalfora. Ik vind het elk jaar weer eeeeenig hoe volwassen mannen die elke week stoer doen in het stadion zich ineens ontpoppen tot ware modekenners of couturiers. Die grote kale gast met die tattoo op z’n hoofd en die drie tanden uit z’n smoel die altijd achter je in het stadion de meest wanstaltige liederen in je oren staat te schreeuwen blijkt achter z’n laptop stiekem de nieuwe Frans Molenaar of Frank Govers te zijn. Iemand die er dus echt verstand van heeft. Dan zitten ze ineens als jonge meisjes die net naar de modeacademie gaan te praten over kraagjes en motiefjes en wat er allemaal anders aan moet. Ik doe daar zelf niet aan mee, zoals ik al jaren niet meedoe aan fora. Ten eerste: smaken verschillen. Ten tweede: de meeste voetbalshirts verdienen de schoonheidsprijs niet. Ook die van mijn club niet. Shirts krijgen een iconische waarde door de successen of een mooi seizoen. Ajax 94/95: afzichtelijk, maar iconisch doordat ‘we’ de Champions League er in wonnen. Ik verzamel ze gewoon omdat ik een liefhebber ben. Maar nogmaals, ik volg de discussies elk jaar weer met veel plezier.

Dan de Gaypride. Het feest waarvan ik het nog steeds jammer vind dat het moet bestaan. En het moet ook nog bestaan omdat zoveel mensen uit de LHGTB-alfabet-scene in Nederland nog steeds niet zichzelf kunnen zijn. En nou ben ik het zeker niet altijd eens met die hele ‘woke’-beweging, maar wake up mensen! Iedere volwassene mag het van mij met iedereen doen. Liefde is liefde. Wat maakt jou het nou uit wie met wie in bed ligt? Dat het anno 2022 nog steeds een punt van discussie is is bizar. Jaren geleden kwam een vriendin van mij uit de kast. Met lood in haar schoenen ging ze bij haar opa en oma langs om te vertellen dat ze op vrouwen valt. Ze dacht dat haar coming-out misschien nog wel eens moeilijk kon zijn voor mensen die rond 1930 waren geboren. Maar oma reageerde met haar prachtige Jordanese accent: ‘’Ach, kind, al val je op een pinguïn. Wat maakt mij dat nou uit? Als jij maar gelukkig bent.’’ En zo is het. Iedereen moet de liefde kunnen beleven zoals ie dat fijn vindt.

Opa en oma waren dus tamelijk modern in hun denkwijze.

Dit in tegenstelling tot de koorkneuzen van het Amsterdams Studentencorps die ons een fijn inkijkje in hun normaal zo gesloten wereldje gaven. Rijkeluiskindjes die vrouwen voor ‘hoer’ en ‘sperma-emmers’ lopen uit te maken. Ik zou daar wel wat van vinden als ik de moeder, de zus, de oma of de vriendin van zo’n griezel was. Even een gesprekje van moeder tot zoon mee voeren: ”Zo Lodewijck, gezellig dat je komt eten bij de sperma-emmer die jou uitgescheten heeft. Oh ja, je toelage is stopgezet. Biertje?” Fijn om te weten dat dat soort klojo’s ons land moeten gaan regeren dankzij het geld van hun pappie’s en mammie’s. Elk jaar rond deze tijd zie je ze weer door de straten schuifelen: de ‘feutjes’, de nieuwe lichting studenten die dan weer de meest stomme opdrachten moeten doen terwijl ze worden afgeblaft door een hese koortrut of een bralbal uit Blaricum. Gelukkig heb ik altijd genoeg eigenwaarde gehad om me dat nooit te laten gebeuren. Voor wie denkt dat vroeger alles beter was in het Studentencorps: ga maar eens de documentaire op Andere Tijden terugkijken over ‘Dachautje spelen’, waar de feutjes de meest vernederende handelingen moesten ondergaan. Dat was in 1962. Die lieve Ome Willem die we kennen van TV was daar overigens ook bij. Fout koorballengedrag is van alle tijden.

En nou weet ik als voetbalsupporter wat het is om gestigmatiseerd te worden als ‘tuig’, dus ik weet ook dat ze niet allemaal zo zijn. Vanavond begint de voetbalcompetitie weer en morgen ga ik Ajax kijken in mijn stamkroeg. Ze spelen in de nieuwe uitshirts. Eens even horen of er aan de stamtafel nog kritische couturiers zijn. Goddank, het is augustus.

Rodweek 135 Gebit Zonder End

Vanmorgen stond ik op met een lach en ik durfde voor het eerst in lange tijd weer in de spiegel te kijken naar mijn lach. Lachen is heel belangrijk voor mij. Ik doe het graag en veel en ik charmeer mensen er graag mee. En dat is voor mij zowel in mijn persoonlijke als in mijn professionele leven belangrijk. Als horecawerker charmeer je gasten door naar ze te lachen. Dat kon de laatste twee jaar niet. Althans, niet echt. Ik glimlachte wel naar mensen maar met mijn mond dicht. Niemand zit te wachten op een ober met een gat in z’n bek.

Dat zit zo. Ik ben jaren geleden eens gevallen met m’n fiets. De schade leek mee te vallen, maar er was een miniscuul klein splintertje van een tand afgebroken. Vrijwel niet zichtbaar, maar ik voelde dat die tand wel wat scherper was. Dat is in de loop der jaren gaan eroseren en een jaar of twee terug brak er een, nu wel behoorlijk zichtbaar, stukje tand af! Normale mensen gaan dan gelijk naar de tandarts om de boel recht te trekken, maar ik dus niet. Ik was sowieso in 2010 ofzo voor het laatst bij de tandarts geweest. De doodsangst die ik heb voor de tandarts grenst aan hondsdolheid. Dan kan ik in de kroeg of bij Ajax op de tribune een grote mond open doen: zodra ik diezelfde mond in een tandartsstoel moet opentrekken verschrompel ik dus van man tot mietje. Het in een stoel liggen en totaal geen controle over de situatie hebben grijpt me dan echt naar de keel. Angst is niet uit te leggen, want volkomen onredelijk. Echt letterlijk bang zijn om te sterven in een tandartsstoel. Ik haalde de meest verschrikkelijke scenario’s in mijn hoofd. Of ik bedacht me dat zo’n gebitsreparatie vast duizenden euro’s zou kosten en dat ging ik ook zelf geloven. En die had ik niet. Dus helaas. Niet dat ik ooit naar de prijs geïnformeerd had, maar ik had zelf maar bedacht dat het belachelijk duur zou zijn. Ook omdat ik geen tandartsverzekering heb. Dus tja, dan gaan we maar niet.

Het was vreselijk kut voor mij om twee jaar niet normaal te kunnen lachen naar mensen. Kijk maar naar alle foto’s van de laatste jaren: wel lachen maar met de mond dicht. Dat doet ook wel iets met je zelfvertrouwen. Ik keek weleens jaloers naar mensen die wel een mooie vreetmolen hadden. Het kon niet verder zo. Ik ben hier en daar toch maar eens gaan informeren naar de kosten en die vielen me alleszins mee. Goed, je moet het net hebben liggen, maar het waren zeker niet de horrorbedragen die ik mezelf had wijs gemaakt. Het was achteraf ook meer een smoes om niet te hoeven gaan.

Maar ik was er echt klaar mee. Dus man up, ouwe en gaan! Ik hoef geen hagelwitte Dries Roelvink-smile te hebben, maar gewoon alleen m’n glimlach terug, dat was het doel.

Ik heb uiteindelijk een geweldige smoelensmid gevonden, toevallig ook nog bij mij in de buurt op het Rokin. Een tandarts die mij volledig op m’n gemak wist te stellen. In iets meer dan een uur was de klus aan mijn klus geklaard en de missie is geslaagd: ik heb m’n glimlach weer terug!


Het pittoreske straatje om de hoek van de tandartsenpraktijk heet Gebed zonder End. Die noem ik vanaf nu Gebit zonder End. Ik ga die bakkes van mij vanaf nu gewoon weer goed bijhouden. Koste wat het kost. Een mooie glimlach is onbetaalbaar!

Rodweek 134 Amsterdamalia

Prinses Amalia is dankbaar dat ze ondanks de woningnood een kamer in Amsterdam heeft kunnen vinden. Vriendinnen van haar hadden daar wat meer moeite mee, zo vertelde ze laatst in een interview. Haar woorden zijn ongetwijfeld heel erg lief bedoeld, dat geloof ik echt. Ik geloof niet dat het kind enige kwade intenties heeft gehad met haar verhaal. Ze is gewoon een meisje van 18 die het leuk vindt om te studeren en op zichzelf te gaan wonen in onze hoofdstad. Dus bij dezen, Amalia, welkom in onze prachtige stad en geniet er van!

Maar toch schuren haar woorden een beetje. Als ik haar media-adviseur was geweest had ik daar ingegrepen. ”Amalia, lieve schattepatat van me, het is gewoon beter dat je dit gewoon even niet zegt. Mensen vinden je al een rijk verwend kutkind met te veel privileges. Ga nou niet vals bescheiden lopen te doen. Iedere gek weet dat je toch wel een woning daar krijgt. En anders vraag je of je achteroompje, de meest gehate man van Amsterdam, Bernard junior, nog een pandje heeft. Vast wel. Verdient ie er nog een roestig stuivertje aan ook. Hoe goed je het ook bedoelt: niemand gelooft dit. Ga daar wonen, geniet en hou je mond, indachtig je voorvader Willem de Zwijger.”

Natuurlijk hoeft Amalia geen moeite te doen om een kamer of een woning in onze stad te krijgen. Natuurlijk heeft zij niet hoeven hospiteren, natuurlijk gaat zij niet ergens in een verpauperde buitenwijk wonen en natuurlijk zal ze zich nooit zorgen hoeven te maken om zaken als huurschuld of andere financiële ratsmodee waar haar medestudenten misschien wel mee te te maken krijgen. Daarvoor staat een prinses te ver van het echte leven af. Amalia probeert een zo normaal mogelijk leven te leiden en dat is lovenswaardig, maar zal zij ooit weten hoe het is om te zwoegen in kroegen, achter de kassa van de supermarkt te staan of te weten hoe het is om nog maar een tientje te hebben om de week door te komen. Nee. Daar gaat ze allemaal geen idee van hebben. Terwijl ik haar eigenlijk wel een normaal jonge mensenleven zou gunnen. Weten hoe het is om echt je eigen geld te verdienen, om jezelf het snot voor de ogen te werken voor een schamel kutloontje, om drie dagen met een pan nasi te doen, starnakel dronken te worden en wakker te worden in het bed van een wildvreemde. Ik zou het haar allemaal gunnen, maar ik zie het niet gebeuren.

Daar kan Amalia niets aan doen. Zij is nou eenmaal met de spreekwoordelijke gouden lepel in haar mond geboren. Niemand op de wereld heeft ooit bepaald waar en in welke omstandigheden hij of zij is geboren.

Amalia, geniet van de mooiste stad van de wereld en het liefst op een zo normaal mogelijke manier. We noemen je vanaf nu Amsterdamalia. Maar één ding wil ik onze kersverse inwoonster meegeven: niet meteen ‘ja’ zeggen als een vriendelijke Amsterdammer je aanbiedt of-ie effe je gangetje mag witten.