Rodweek 135 Gebit Zonder End

Vanmorgen stond ik op met een lach en ik durfde voor het eerst in lange tijd weer in de spiegel te kijken naar mijn lach. Lachen is heel belangrijk voor mij. Ik doe het graag en veel en ik charmeer mensen er graag mee. En dat is voor mij zowel in mijn persoonlijke als in mijn professionele leven belangrijk. Als horecawerker charmeer je gasten door naar ze te lachen. Dat kon de laatste twee jaar niet. Althans, niet echt. Ik glimlachte wel naar mensen maar met mijn mond dicht. Niemand zit te wachten op een ober met een gat in z’n bek.

Dat zit zo. Ik ben jaren geleden eens gevallen met m’n fiets. De schade leek mee te vallen, maar er was een miniscuul klein splintertje van een tand afgebroken. Vrijwel niet zichtbaar, maar ik voelde dat die tand wel wat scherper was. Dat is in de loop der jaren gaan eroseren en een jaar of twee terug brak er een, nu wel behoorlijk zichtbaar, stukje tand af! Normale mensen gaan dan gelijk naar de tandarts om de boel recht te trekken, maar ik dus niet. Ik was sowieso in 2010 ofzo voor het laatst bij de tandarts geweest. De doodsangst die ik heb voor de tandarts grenst aan hondsdolheid. Dan kan ik in de kroeg of bij Ajax op de tribune een grote mond open doen: zodra ik diezelfde mond in een tandartsstoel moet opentrekken verschrompel ik dus van man tot mietje. Het in een stoel liggen en totaal geen controle over de situatie hebben grijpt me dan echt naar de keel. Angst is niet uit te leggen, want volkomen onredelijk. Echt letterlijk bang zijn om te sterven in een tandartsstoel. Ik haalde de meest verschrikkelijke scenario’s in mijn hoofd. Of ik bedacht me dat zo’n gebitsreparatie vast duizenden euro’s zou kosten en dat ging ik ook zelf geloven. En die had ik niet. Dus helaas. Niet dat ik ooit naar de prijs geïnformeerd had, maar ik had zelf maar bedacht dat het belachelijk duur zou zijn. Ook omdat ik geen tandartsverzekering heb. Dus tja, dan gaan we maar niet.

Het was vreselijk kut voor mij om twee jaar niet normaal te kunnen lachen naar mensen. Kijk maar naar alle foto’s van de laatste jaren: wel lachen maar met de mond dicht. Dat doet ook wel iets met je zelfvertrouwen. Ik keek weleens jaloers naar mensen die wel een mooie vreetmolen hadden. Het kon niet verder zo. Ik ben hier en daar toch maar eens gaan informeren naar de kosten en die vielen me alleszins mee. Goed, je moet het net hebben liggen, maar het waren zeker niet de horrorbedragen die ik mezelf had wijs gemaakt. Het was achteraf ook meer een smoes om niet te hoeven gaan.

Maar ik was er echt klaar mee. Dus man up, ouwe en gaan! Ik hoef geen hagelwitte Dries Roelvink-smile te hebben, maar gewoon alleen m’n glimlach terug, dat was het doel.

Ik heb uiteindelijk een geweldige smoelensmid gevonden, toevallig ook nog bij mij in de buurt op het Rokin. Een tandarts die mij volledig op m’n gemak wist te stellen. In iets meer dan een uur was de klus aan mijn klus geklaard en de missie is geslaagd: ik heb m’n glimlach weer terug!


Het pittoreske straatje om de hoek van de tandartsenpraktijk heet Gebed zonder End. Die noem ik vanaf nu Gebit zonder End. Ik ga die bakkes van mij vanaf nu gewoon weer goed bijhouden. Koste wat het kost. Een mooie glimlach is onbetaalbaar!

Rodweek 134 Amsterdamalia

Prinses Amalia is dankbaar dat ze ondanks de woningnood een kamer in Amsterdam heeft kunnen vinden. Vriendinnen van haar hadden daar wat meer moeite mee, zo vertelde ze laatst in een interview. Haar woorden zijn ongetwijfeld heel erg lief bedoeld, dat geloof ik echt. Ik geloof niet dat het kind enige kwade intenties heeft gehad met haar verhaal. Ze is gewoon een meisje van 18 die het leuk vindt om te studeren en op zichzelf te gaan wonen in onze hoofdstad. Dus bij dezen, Amalia, welkom in onze prachtige stad en geniet er van!

Maar toch schuren haar woorden een beetje. Als ik haar media-adviseur was geweest had ik daar ingegrepen. ”Amalia, lieve schattepatat van me, het is gewoon beter dat je dit gewoon even niet zegt. Mensen vinden je al een rijk verwend kutkind met te veel privileges. Ga nou niet vals bescheiden lopen te doen. Iedere gek weet dat je toch wel een woning daar krijgt. En anders vraag je of je achteroompje, de meest gehate man van Amsterdam, Bernard junior, nog een pandje heeft. Vast wel. Verdient ie er nog een roestig stuivertje aan ook. Hoe goed je het ook bedoelt: niemand gelooft dit. Ga daar wonen, geniet en hou je mond, indachtig je voorvader Willem de Zwijger.”

Natuurlijk hoeft Amalia geen moeite te doen om een kamer of een woning in onze stad te krijgen. Natuurlijk heeft zij niet hoeven hospiteren, natuurlijk gaat zij niet ergens in een verpauperde buitenwijk wonen en natuurlijk zal ze zich nooit zorgen hoeven te maken om zaken als huurschuld of andere financiële ratsmodee waar haar medestudenten misschien wel mee te te maken krijgen. Daarvoor staat een prinses te ver van het echte leven af. Amalia probeert een zo normaal mogelijk leven te leiden en dat is lovenswaardig, maar zal zij ooit weten hoe het is om te zwoegen in kroegen, achter de kassa van de supermarkt te staan of te weten hoe het is om nog maar een tientje te hebben om de week door te komen. Nee. Daar gaat ze allemaal geen idee van hebben. Terwijl ik haar eigenlijk wel een normaal jonge mensenleven zou gunnen. Weten hoe het is om echt je eigen geld te verdienen, om jezelf het snot voor de ogen te werken voor een schamel kutloontje, om drie dagen met een pan nasi te doen, starnakel dronken te worden en wakker te worden in het bed van een wildvreemde. Ik zou het haar allemaal gunnen, maar ik zie het niet gebeuren.

Daar kan Amalia niets aan doen. Zij is nou eenmaal met de spreekwoordelijke gouden lepel in haar mond geboren. Niemand op de wereld heeft ooit bepaald waar en in welke omstandigheden hij of zij is geboren.

Amalia, geniet van de mooiste stad van de wereld en het liefst op een zo normaal mogelijke manier. We noemen je vanaf nu Amsterdamalia. Maar één ding wil ik onze kersverse inwoonster meegeven: niet meteen ‘ja’ zeggen als een vriendelijke Amsterdammer je aanbiedt of-ie effe je gangetje mag witten.

Rodweek 133 Steentjes in Amsterdam

Mensen die niet onder ladders durven te lopen, die bang zijn voor zwarte katten, die vrijdag de dertiende vrezen of die in het slipje van hun vriendin voetballen omdat ze denken dat het geluk brengt (echt meegemaakt!): ik lach daar om. Ik geloof niet in zoiets mals als in door de mensheid verzonnen goden en elke vorm van bijgeloof is mij volkomen vreemd. En nee, de aarde is niet plat. Ik ben totaal niet van de complottheorieën en graancirkels en zo en je overtuigt mij eerder met wetenschap dan met een vaag knip- en plakartikeltje van Google of Facebook. Als je ergens een overtuiging van hebt dan kun je overal op het ‘alwetende’ internet de argumenten opzoeken die jouw ‘gelijk’ bewijzen. Vroeger kende ik ook mensen die aan kwakzalverij als Reiki deden. Die waren allemaal zo geschift als een pak yoghurt! En nou lust ik best graag een slokkie, maar wat dat soort zaken betreft sta ik volkomen nuchter in het leven.

Maar een paar maanden geleden werd mijn rotsvaste overtuiging toch ineens een beetje aan het wankelen gebracht. Een Indiase meneer kwam de winkel van mijn vriendin binnen die daar op dat moment aan het werk was. Die man begon honderduit te praten over haar heden en verleden, wist dingen over haar medische situatie en zo nog wat dingen die je eigenlijk alleen zou kunnen weten als je haar kent. Hij had niet alles goed, maar toch een boel wel. En hij voorspelde haar op korte termijn financiële voorspoed. Hij gaf haar een steentje en die moest ze bij zich houden. Nou ja, oké dan. Of ze daar wat voor over had. Mijn vriendin is net als ik, die maak je niet snel gek met zweefteverij. Maar om van zijn geouwehoer af te zijn en omdat ze het toch wel een bijzonder verhaal vond gaf ze de man een tientje.

Thuis vertelde ze het verhaal en we moesten er allebei om lachen, maar we hielden het steentje bij ons. Baat het niet, dan schaadt het niet, zeggen we dan maar. Later die week ging ik op gesprek voor een leuk betaalde baan als copywriter. ‘’Neem dat steentje maar mee!’’, zei mijn vriendin voor de gein. Ik deed dat steentje in m’n portemonnee. Ik kreeg de baan. Een paar dagen later keek ik eens op mijn staatsloterij-abonnement: 100 piek gewonnen! Ik heb nog nooit zoveel gewonnen in de loterij. We begonnen het steentje al bijna magische krachten toe te dichten, maar zoals gezegd: wij zijn nuchtere mensen. Ons maak je niet gek, want dat zijn we al. Ik ging boodschappen doen en vond op straat een anonieme OV-chipkaart. Even checken of er nog saldo opstaat: nog 50 piek! Weer een paar weken daarna, ik had het steentje nog steeds in mijn portemonnee: een leuke nieuwe part-time baan bij mijn Melkweg! Mijn grote liefde aan de Lijnbaansgracht. Terug bij de disfunctionele familie! En de leuke copywriterbaan dus. Perfect te combineren!
Dat Mo zelf niet direct de financiële voorspoed kreeg zoals de Indiase meneer zei, maar ik, maakt niet uit. Wij pleuren al onze inkomsten op een stapel, dus mijn voorspoed valt ook haar ten deel.

Ik vertelde het verhaal aan een vriend en die bood me gelijk 20 euro voor het steentje. Maar nee, onze steen is niet te koop. En natuurlijk zal het allemaal gewoon toeval zijn dat alles zomaar ineens lekker samenviel in een maand tijd, maar toch: we houden die steen toch nog maar even. Al is het alleen maar om het verhaal. En of die voorspoed lang of kort duurt zien we ook wel weer. Ik ben een financiële kameleon: ik weet hoe het is om van niks te leven en ik weet hoe het is om geld te hebben. Toen ik niks had leerde ik soep koken. Dat was makkelijk, voedzaam en goedkoop. Beetje rijst er doorheen en we noemen het een maaltijd. Daardoor houd ik nog steeds heel veel van soep en ken ik er zomaar 25 uit mijn hoofd. Mijn beste investering ooit: een staafmixer van een tientje. Als onze financiële voorspoed eindigt dan stap ik moeiteloos weer over op de soep.

Maar zolang het steentje rolt, rolt ie. Balen trouwens dat de Rolling Stones waren afgelast laatst. Niet voor mij hoor, ik ga geen 180 piek betalen om een band te zien spelen, hoeveel bewondering ik overigens ook voor ze heb. En daarbij heb ik ze al vijf keer gezien. En daar werd ik voor betaald.

Maar goed, stenen dus. Ik ben een fanatieke stadswandelaar. Ik loop elke dag veel. En dat begint ‘s ochtends al. Dan haal ik ontbijt. Vaak doe ik dat bij de supermarkt aan het Rembrandtplein want dan kan ik een mooi rondje om de Amstel lopen. Dat is eigenlijk wel mijn favoriete rondje. Vlakbij de Magere Brug ligt een groen woonbootje. Heel mooi en op een prachtige plek. Het bootje heeft een woonoppervlak van 36 vierkante meter. Dat is ongeveer mijn woonkamer en de keuken bij elkaar. Badkamer en slaapkamer dus nog nog niet meegerekend. Hij staat nu te koop. Interesse? Trek maar even negen ton uit je poeplap! Dan zeg jij als lezer nu: ‘’Rod, je maakt een typo, met je negen ton. Je bedoelde vast drie of vier.’’ Neen. Negen ton voor een drijvend kippenhok op de Amstel. Mensen vragen het en er komt vast ook nog een of andere gek die het betaalt. Net als dat mensen nu idioot veel poen betalen voor krotten waar vroeger niemand wilde wonen.

Steentjes in Amsterdam worden nooit minder waard. Dus hoewel mijn meisie en ik het momenteel echt niet slecht hebben: een woning op een echt mooie plek in Amsterdam kopen is nog een Magere Brug te ver. Die markt moet ooit een keer spatten. Geen normaal verdienend mens kan in deze tijd nog een huis kopen in die stad en dat is zorgelijk. Waar gaan je vuilnisman, je kassadame, je barman, je postbode, je leerkracht of verpleegkundige ooit wonen? Want ook de particuliere huren rijzen al jaren gierend de pan uit. En mensen zoals wij, die in een mooie sociale huurwoning zitten en zo scheef als de Toren van Pisa wonen, gaan er daarom niet zo snel weg. Ergens moet iemand een keer een steen in de vijver gooien. Zolang het maar niet die van ons is!



Rodweek 132 Zwarte Longsleeve

Ik schrijf tegenwoordig als copywriter voor een bedrijfsuitjes-site. Ze organiseren een diversiteit aan teamuitjes en daar schrijf ik dan wervende teksten voor. Zo weet ik inmiddels alles van de ‘City Escape Room’ in Breda, het ‘Wie is de Mol Spel’ in Leiden en ‘Het Moordspel’ in Zwolle. ‘Actieve teamuitjes’ en ‘teambuilding’ zijn termen die ik tegenwoordig dagelijks gebruik.

Nou, ik heb er sinds vanochtend zelf ook eentje bij bedacht. Dit uitje heet ‘Koop een zwarte longsleeve in het centrum van Amsterdam.’ ‘Een actief en dagvullend teamuitje waarbij je ook nog eens je kilometers maakt! Goed voor je stappenteller!’

Vanmorgen zei ik, nog half slaperig tegen mijn vriendin ‘Lieverd, ik ga even een paar zwarte longsleeves kopen in de Kalverstraat, voordat die klotedrukte daar uitbreekt. Ben zo terug.’ Gewoon een simpel zwart shirt met lange mouwen. Geen drukke teksten, prints of andersoortig gedoe erop. Gewoon basic. Daar koop ik er eens in de paar jaar altijd een zooitje van. Makkelijk, representatief en functioneel voor een horecamedewerker, want je ziet er geen vlekken op. Maar goed, de longsleeves die ik had begonnen wat slijtage te vertonen, dus ik had een paar nieuwe nodig.

Ik woon achter de Kalverstraat. Het winkelmekka van Nederland. Ik vind het een vervelende kutstraat, ik kom er zo min mogelijk, maar goed, soms moet het nou eenmaal even. Een zwarte longsleeve dus. Even snel halen en naar huis.

Ik begon bij de ‘We’, een soort H & M voor grote mensen. Geen longsleeve. Nog 2 andere kledingzaken, ook niks. De H & M op de Dam dan maar: alleen lichtblauw. De Bijenkorf vind ik een proletentent. Ten einde raad: in godsnaam dan de godvergeten Primark maar. Vooruit, tegen niemand zeggen dat je het daar hebt gekocht. Ook niks!

Zwarte longsleeves, die kocht je nog niet zo lang geleden met hetzelfde gemak als waarmee je een brood of een pak melk in de supermarkt uit het schap trok! Daarover gesproken: ik moest nog boodschappen doen. Door de Damstraat naar de Jodenbreestraat. Hey, daar is nog een Zeeman. Zouden die dan een zwarte longsleeve hebben? Neen. Gedesillusioneerd liep ik naar huis. In zes fokking winkels geweest zonder iets simpels als een zwart shirt met lange mouwen kunnen vinden. En niet in Schubbekutteveen of Koog aan de Greppel, maar in Amsterdam-Centrum!

Achter de Kalverstraat wonen en geen zwarte longsleeve kunnen vinden. Alsof je in de kroeg staat en dat de barkeeper dan zegt dat er niks te drinken is. Ongelooflijk.

Weer een uur van m’n leven dat ik niet terugkrijg. Maar m’n zwarte shirtjes komen er wel hoor! Gewoon zojuist besteld via internet….

Rodweek 131 Beroemd in Agia Galini

Mijn vriendin Mo viert haar vakanties reeds sinds 2007 in Agia Galini, een piepklein stipje op de kaart in het zuiden van Kreta. Er wonen ongeveer 500 mensen en in het toeristenseizoen misschien het dubbele. Het dorp bestaat uit drie hoofdstraatjes met wat zijstraatjes die gevuld zijn met winkeltjes en horeca. Heel pittoresk. Mo is daar in die vijftien jaar minstens dertig keer geweest, dus zoals iedere inwoner elkaar daar kent kent iedereen Mo daar ook. Ik ben nu, as we speak, voor het eerst mee en overal waar we komen wordt Mo als een verloren dochter in de armen gesloten. Het is echt alsof ik met een beroemdheid op stap ben.

Dat Agia Galini zo’n kleine gemeenschap is heeft één groot voordeel: is er geen criminaliteit. Alles en iedereen kent elkaar, dus je haalt het niet in je hoofd om iets al te stouts te doen, want als je gepakt wordt dreigt de verstoting. Als jongere zou het me vreselijk beklemmend lijken om in zo’n besloten gemeenschap op te groeien, maar voor ons, grotestadsmensen, is het wel eens lekker om even tien dagen totaal niet op je hoede te hoeven zijn voor zakkenrollers, dieven, junkies, agressievelingen en ander sfeerverlagend klotetuig. De enige vorm van agressie die ik hier tot nu heb gezien is dat vier straatkatten elkaar een paar tikken gaven en een beetje naar elkaar zaten te blazen. Spannender wordt het hier niet.
Normaal gesproken ga ik, ook als ik op vakantie ben, bijna altijd naar een grote stad. Ik houd van de reuring en de dynamiek van de de grote stad. Maar tien daagjes in dit kleine pittoreske stranddorpje is prima uit te houden. We kwamen om uit te rusten van een drukke periode en dat kan hier meer dan uitstekend. Daarbij zijn wij allebei totaal geen actieve vakantiemensen. Voor ons geen urenlange wandelingen door de bergen, abseilen of ander veel te sportief en actief gedoe. Wij hobbelen gewoon de hele dag van restaurant naar terras naar strand en weer terug naar het hotel. We eten en we drinken wijn. En we moeten overal verplicht raki drinken. We spelen Tric Trac en we lezen. Meer doen we niet en meer willen we ook niet. In Amsterdam krijgen we het straks weer druk zat met onze banen en het hele leven er omheen.
De toeristische populatie bestaat voornamelijk uit Nederlanders en Belgen en hier en daar wat Duitsers en Engelsen. En dat zijn net als Mo vaak ook mensen die er al jaren komen, dus die kennen elkaar ook weer allemaal. Iedereen die hier is geweest is dus al snel beroemd.

Met mijn 45 lentes ben ik nog een van de jongere toeristen hier. Dat is een grappige gewaarwording. De meeste toeristen hier zijn allemaal boven de 50 of pensionado’s. Voor jongeren is hier ook niet heel veel te doen. En nou is hier ook een strand en kun je ook hier zuipen tot je nek kraakt, daar helpen Grieken graag aan mee, maar heel wild is het stapleven hier natuurlijk niet. De jongeren zitten dus meer richting het noorden in plaatsen als Chersonissos of Malia met hun lamme kop shotjes tequila uit elkaars navel te lurken in hysterische barren met kutmuziek. Of ze hangen rond in de grote stad Heraklion.

Nee, wij slenteren lekker ouwelullerig door het dorpje, ploffen hier en daar neer op een terras van één van Mo’s vrienden en gaan dan weer door naar de volgende. Tijd bestaat niet. Behalve zometeen. We gaan heel actief met de bus naar de markt in een dorp verderop. En die moet je halen anders moet je twee uur wachten op de volgende bus. In Amsterdam vinden we het al bloedvervelend als de tram maar eens in het kwartier rijdt. Dat moet je loslaten hier.

Dorpsleven.

Voor een dagje of tien is dat prima uit te houden voor deze cityboy. We zitten nu op dag 5. Volgend jaar gaan we weer. Dan hoor ik waarschijnlijk ook al een klein beetje bij de beroemdheden van Agia Galini.

Rodweek 130 Broez’n met Henk

Enkele weken geleden kreeg ik ineens een bericht van Henk de Haan. Henk is een icoon in de Groningse voetbalwereld. Heeft, als rasechte Groninger in de jaren 80 en 90 als noeste middenvelder betaald voetbal gespeeld voor FC Groningen en later voor Veendam. Toen Veendam een aantal jaren geleden failliet dreigde te gaan (en dat ook uiteindelijk ging) maakte Nederland kennis met het mediafenomeen Henk de Haan.

Henk schoof aan bij Matthijs van Nieuwkerk in De Wereld Draait Door. En waar Matthijs nogal eens de de gewoonte heeft om door zijn gasten heen te gaan tetteren kreeg hij daar bij Henk niet de kans voor. In rap en sappig Gronings legde Henk uit dat hij bezig was om een reddingsplan voor Veendam te organiseren. Allemaal een tientje storten en dan zou het moeten lukken. Ik ook een tientje gestort. Ik had gelijk een zwak voor die ratelende Groninger met zijn aanstekelijke enthousiasme en zijn teksten waarin de termen ‘’Broez’n’’ en ‘’Pom Pom Pom Pom!’’ veelvuldig in voorkwamen.
‘’Broez’n’’ betekent in het Gronings van Henk zoiets als: ‘’Kom op, de beuk er in!’’ en ‘’Pom pom pom pom’’, wat er meestal op volgt zoiets als ‘’ Ja toch!’’

Ofschoon best wel wat mensen na Henks’ betoog een tientje doneerden om de zieltogende club uit de veenkoloniën te redden bleek het toch niet te lukken. Alle donateurs kregen, na het uitgesproken faillissement hun tientje weer teruggestort.

In de jaren daarna raakte ik via Facebook bevriend met Henk. Henk maakt voor de lokale TV daar leuke filmpjes, organiseert evenementen, staat altijd vrolijk op zijn foto’s en heeft zelfs zijn eigen kledinglijn die, het zal je verbazen, ‘’Broez’n’’ heet.

Maar terug naar het berichtje van Henk: hij nam dus een tijdje terug contact met me op. Wat ik op zaterdag 2 april te doen had. Want FC Groningen-Ajax! Nou ja, ik ben een horecajongen en mijn belangrijkste collega is op vakantie, dus ik zei op goed geluk ‘’Ja leuk!’’ , maar ik hoopte maar dat het goed zou komen. We hebben in onze kroeg een dun team, dus vrij zijn op zaterdag lukt vaak niet. Maar het lot was me dit keer gunstig gezind en dus kon ik op uitnodiging van Henk naar Groningen.

Een bloedeind reizen (maar mensen uit Amsterdam vinden alles buiten de ring A10 al snel ver), maar ik had er vreselijk veel zin in. Toch leuk als zo’n clubman je uitnodigt. Ik moest de nacht daarvoor nog tot 4.00 werken, daar kwam ik niet onderuit, maar ik wilde vroeg in de trein zitten. De wedstrijd zou 16.30 beginnen. Dus rond 12.00 in de trein en dan op naar Grunn! Helaas was ik er door allerlei gekloot met de treinen iets minder op tijd dan ik had gehoopt, maar er was gelukkig nog tijd voor een paar biertjes op weg weg naar het stadion.

Henk kwam me bij het station tegemoet lopen, met z’n ‘’Broez’n’’-muts op zijn vrolijke kop. We hadden elkaar nog nooit eerder in het echte leven ontmoet. Henk voldoet in niks aan het standaardbeeld van ‘’de stugge Groninger’’. Een gezellige ouwehoer. En aangezien ik, in het juiste gezelschap, ook lekker kan ouwehoeren werd het al snel gezellig.

Ik kreeg de Broez’n-muts en een sjaaltje van ‘De FC’ cadeau van Henk. Zo kon ik als undercover Ajacied en onder begeleiding van de lokale held, hij wordt overal herkend, moeiteloos mee het stadion in.

De wedstrijd? Ach, Ajax was niet best maar, gelukkig kon ik behalve mijn cadeautjes toch ook nog drie punten mee terug in de tas nemen naar Amsterdam.

Henk, bedankt voor een superdag! Volgend seizoen bij ons. En blijf lekker broez’n! Pom Pom Pom Pom!

Rodweek 129 Poezenplaatjes

Wat leuk dat Marc Overmars weer een baantje heeft. In mijn geliefde Antwerpen nog wel. Kan ie mooi als Antwerp in Brussel moet spelen een dickpic met Manneken Pis maken. Maar genoeg over dickpics, laat ik het vandaag eens hebben over poezenplaatjes. Poezenplaatjes. Ik kan op sociale media soms nutteloze momenten besteden aan het kijken naar leuke foto’s van katten. Of van andere huisdieren van mijn vrienden en kennissen. Of mooie vakantiefoto’s. Of kroegfoto’s. Foto’s van de buurtbarbecue. Foto’s van de kinderen van mijn vrienden. Een etentje bij de Chinees. Gewoon leuke foto’s. Een kijkje in het privéleven van mensen die ik in meer of mindere mate ken. Even gluren. Op Facebook zijn we allemaal een beetje voyeur. Mensen kunnen zich, tot zover ze willen, laten zien.

Maar, wat je er vaak bij krijgt: ze kunnen zich ook laten horen of laten lezen. Je krijgt er in sommige gevallen ook uitgebreide meningen en theorieën bij. Want we moeten natuurlijk allemaal weten hoe jij erover denkt. En dat laatste is weleens vermoeiend. Mensen zijn nogal eens geneigd om het open riool dat internet heet vol te kakken met hun meningen. Meningen waarin ik nou niet per se in geïnteresseerd ben. Meningen zijn als anussen: iedereen heeft er eentje maar die moet je niet overal maar te pas en te onpas te gebruiken en douw de inhoud er van zeker niet door m’n strot.

Dat kleutergeleuter op dat internet. Mensen die discussies aangaan met mensen die ze in het echte leven niet of nauwelijks kennen. Ik begrijp dat niet. Waarom moet je de stoere toetsenbordheld uithangen tegen een volslagen vreemde? Ik lees ook wel eens fora, over nieuws of over voetbal. Man, wat een vermoeiende bezigheid is dat. Die mensen hebben echt heel weinig te doen in hun leven, denk ik. Ik geef toe dat ik me er vroeger zelf ook wel eens aan heb bezondigd, maar inmiddels al jaren niet meer. Ik ga me toch niet boos maken om wat Mien uit de Zesde Tuinbloemdwarsstraat of ome Joop uit Koog aan de Greppel over allerlei zaken vinden? Of wat ze van mij vinden. Hou toch op. Wat je vindt moet je naar de politie brengen, leerde ik vroeger altijd.
Maar dan lees ik die fora en hoe mensen, die elkaar nog nooit in het echte leven hebben ontmoet, op elkaar reageren, met het stoom uit de oren, een rokend toetsenbord voor zich en dan denk ik… tja… Het is mooi weer, de zon schijnt. Je kan ook gewoon wat leuks doen. Of moet je de kattenbak niet eens verschonen? Of gewoon weer aan je werk gaan in de baas z’n tijd in plaats van het internet vol te schijten met je meninkjes.

Ook zo vermoeiend: online discussies aangaan met mensen waarvan je bij voorbaat al weet dat je het nooit met elkaar eens gaat worden. Daar ben ik ook al een tijd geleden mee gestopt. Zowel online als in het echte leven trouwens. Ik ga een PVV-er toch niet overtuigen dat er ook best leuke moslims bestaan? Ik ga iemand die niet in wetenschap maar in een gesjeesde dansleraar en Google gelooft niet overtuigen dat Corona wel even wat meer is dan een griepje en geen complot van de regeringsleiders? Ik ga een overtuigd gelovige toch niet overtuigen van mijn mening dat God niet bestaat? Die discussie win je toch nooit. En die ander ook niet van mij. Ergo: het is zonde van de tijd. Ik kan m’n energie wel beter besteden. Wat dat betreft ben ik misschien een wat atypische Nederlander want Nederlanders discussiëren graag zo lang en oeverloos dat de oever op het kokende hoogtepunt van het debat niet eens meer te zien is. Als ”discussie” een gerecht zou zijn, ”discussie-goreng” ofzo, dan zijn Nederlanders veruit de slechtste koks ter wereld: ze koken namelijk elke vorm van discussie compleet tot snot. Waarom zou ik dus mijn kostbare tijd verdoen aan een ellenlange doodvermoeiende online discussie met mensen die, over wat dan ook, een totaal andere voorkeur hebben dan ik?

Zo zijn er twee soorten mensen op de wereld: mensen die koriander door hun eten lekker vinden of mensen die het ontzettend naar zeep vinden smaken. Ik ben absoluut van team koriander! Heerlijk. Dus ik ga iemand die in het andere team speelt van m’n levensdagen niet overtuigen dat koriander helemaal niet naar zeep smaakt, maar dat het echt een smaakverrijker is. Dat win ik dus nooit. En waarom moet ik dat ook willen winnen.

Trouwens, even tussendoor: voor mijn lieve vrinden en vrindinnen van onder de rivieren die dit lezen: het is patat en geen friet, oké? Weten jullie zelf ook best wel, dus dat we het daar in elk geval wel over eens zijn, ja? Duidelijk.

Dit gezegd hebbende: zinloze discussies vind ik dus doodzonde van mijn tijd. Dat betekent niet dat ik de diepgang van een pierenbadje heb. Ik heb wel degelijk een zeer grondige en gefundeerde mening over dingen, maar als ik die zonodig kwijt moet dan vertel ik je die wel in het echte leven, als ik je goed genoeg ken. En als je goede tegenargumenten hebt, ben ik prima bereid om te luisteren en mijn mening bij te stellen. Maar niet op Facebook ofzo. En als columnist geef ik natuurlijk ook wel eens een meninkje. Maar de hele wereld hoeft niet tot in detail te weten hoe ome Rodney Rijsdijk over allerlei zaken denkt. Zo belangrijk is die mening van mij niet. En ik ga dus ook niet de moeite nemen om wie dan ook te overtuigen van mijn veronderstelde gelijk. Daar zijn mijn meninkjes die ik hier en daar spui niet voor bedoeld. Ik ben niet een of andere zendeling van de Rodzooi-kerk die Rods woord even als absolute waarheid komt verkondigen. Pleur op.

Nee, doe mij dan maar poezenplaatjes. Maar dat is mijn bescheiden mening.

Rodweek 128 Keith overleeft ons allemaal (en ome Jur ook!)


Het is nu 17 maart, 2022, 15.43 en ik ben m’n nest maar weer ingedoken. Vanuit mijn bed lig ik dit stukje te typen. Zelden heb ik me beroerder gevoeld dan nu. Ernstige ziektes zijn me tot dusverre gelukkig bespaard gebleven, dus ik heb tot op heden echt geluk gehad. Het is nou niet bepaald dat ik er erg veel aan heb gedaan om een lang leven te leiden, laten we eerlijk zijn. Tot nu toe ben ik in 45 jaar met veel weggekomen, dat is gewoon pure mazzel. Ik heb wel eens een griepje gehad, maar daar was ik na een dag of twee meestal wel klaar mee. De laatste serieuze griep kan ik me eerlijk gezegd niet eens meer herinneren. Dat kan zomaar tien jaar geleden zijn. Laat staan wanneer ik me voor het laatst heb afgemeld voor werk wegens ziekte. Ik heb zo vaak doorgewerkt met een licht griepje of een verkoudheidje. Ben echt geen zeikerdje in dat soort dingen. De ‘’Mannengriep’’ waarbij mannen met een duf griepje gelijk denken dat ze sterven is mij volkomen vreemd. Ik ben best een taaie.

En toen kwam Covid. Twee jaar lang ben ik er aan ontsnapt, maar uitgerekend op of rond mijn verjaardag kreeg ik het alom gevreesde virus als verjaardagscadeautje. Het leven zit toch ook vol verrassingen! En met mij nog een stoet mensen die op mijn verjaardag waren.

In beginsel viel het allemaal mee. Beetje keelpijn, beetje hoesten, niks ernstigs. Het zou in normale omstandigheden (twee jaar geleden) voor mij niet eens een reden zijn om me ziek te melden. Gewoon werken en niet zeiken. Ziek zijn kan altijd nog, toch? Maar de tijden zijn anders, je hebt ook met andere mensen rekening te houden en omdat ik ineens van meerdere mensen die op mijn verjaardag waren geweest hoorden dat ze positief waren getest heb ik me ook maar eens laten testen. En godnondeju: ik had het ook. M’n meisie dan gek genoeg weer niet, maar ik moest me dus afmelden voor werk. En wij hebben een dun team, dus als er eentje tussen uitvalt, en vooral iemand die veel diensten draait, dan is dat al snel problematisch.

Omdat ik niet echt weet hoe het is om ziek te zijn ging ik er eigenlijk vanuit dat dit gedoe binnen 2 of 3 dagen wel weer voorbij zou zijn. Veel rusten, wat extra vitaminen, et cetera. Mijn lichaam is doorgaans tamelijk resistent voor dit soort dingen. Dacht ik. Het ging ook wel. Niet helemaal lekker, maar wel oké. Gewoon even rusten en weer door. Maar vandaag, op dag 4, voel ik me dus echt alsof tram 17 drie keer over me heen is gereden. Heen en terug. Ik hoest me de blaftering, m’n keel voelt als schuurpapier en ik heb het energielevel van een przewalskipaard dat zich zuchtend en steunend naar z’n laatste rustplaats sleept. En nee, geen mannengriep.

Ik probeer nog zoveel mogelijk te doen. Wassen, koken en al dat soort huishoudelijke shizzle. Van de hele dag in bed liggen word ik ook niet beter. Wat dat betreft ben ik de meest talentloze patiënt ooit. Ook daar heb ik dus geen talent voor. Ik wil gewoon niet de hele dag in m’n nest liggen. Ik wil dingen doen. En dat terwijl ik Pleegzuster Bloedwijn de hele dag om me heen heb die juist alles voor me wil doen! Genoeg mensen die zich dat uitstekend zouden laten welgevallen, maar ik word daar dus heel onrustig van. En waar ik me eigenlijk nog het meeste zorgen om maak is dat ik Ajax-Feyenoord zondag mis! Geen klassieker, maar een klaszieker. Dat zal me godverdomme helemaal gebeuren. Ik hoop echt dat ik er zondag weer bij ben, maar dan zal er nog heel snel wat moeten veranderen aan mijn fysieke toestand.

Maar goed, ik doe het dus wel wat rustiger aan. Ik pak m’n rust. Lig meer in bed dan ik leuk vind. Soms slaap ik een paar uur, soms schrijf ik (zoals nu) en soms check ik het nieuws. De Rolling Stones komen weer in Nederland! Jawel! De dinosauriërs onder de rockbands spelen nog steeds. En weer in de Johan Cruijff Arena, daar heb ik ze in 1998 gezien. Vijf keer. Ik werd er ervoor betaald. De prijs van de kaartjes weet ik nog, want ik was van de kaartjescontrole. 98 gulden. Een kleine 44 euro. Dat vonden mijn collega’s en ik bizar duur. Wat een geld! De goedkoopste kaartjes beginnen nu bij 84 euro en de duurste zijn rond de 500. Tijden veranderen, maar ik vind het nogal wat geld om een paar puissant rijke bejaarde mannen te zien optreden.

Maar goed, tenslotte moeten die jongens ook aan de oude dag van Keith Richards denken. Die overleeft ons allemaal. En ome Jur van de Maloe Meloe ook. Daar kan geen virus tegenop.

Rodweek 127 Virussen of vier Russen

‘’Oh nee hè, daar zal je het hebben, het komt steeds dichterbij, de eerste Rus valt het café binnen!’’, riep ik toen de deur van ons café openzwaaide. Het was op de dag dat Poetin besloot dat het een leuk idee was om Oekraïne binnen te vallen. Gelukkig was het gevaar niet heel groot en ging het om een van onze stamgasten die toevallig Rus van zijn achternaam heet.

Tja, waar moeten we tegenwoordig nou meer bang voor zijn: van virussen of van vier Russen? Voorlopig het laatste. Dat virus waar de hele wereld twee jaar lang mee heeft moeten dealen lijkt inmiddels redelijk onder controle en dan krijgen we dit gezeik weer. We leven in een rare tijd.

Ineens moeten alle mannen van 18 tot 60 in de Oekraïne beschikbaar zijn om onder de wapenen te gaan. Ik moet er niet aan denken dat het hier ooit gebeurt. Mijn keuring voor de militaire dienstplicht was op 15 maart 1995, drie dagen na mijn 18e verjaardag op de marinekazerne bij Kattenburg, vlakbij het Centraal Station in Amsterdam. Ik had totaal geen zin om in dienst te gaan, maar ik had het geluk dat de dienstplicht in die tijd op de helling stond. Het negen maanden verplicht getraind te worden om mensen neer te schieten hoefde allemaal niet zo per se meer. Maar desalniettemin probeerde ik het lot toch een handje te helpen door net iets te bijdehand, onhandig of op andere wijze vervelend te doen. Dan zagen ze vast mijn ongeschiktheid en mijn totale gebrek aan motivatie. Er was wel één gelukkige omstandigheid aan deze voor mij totaal zinloze dag: het was op een woensdag en op die dag was het op Kattenburg altijd ‘’blauwe hap’’, dus Indonesische rijsttafel! Woohooooo! Dat hoefden ze deze achttienjarige pinda die destijds de eetlust van een Indische olifant had geen twee keer te zeggen, dus toen we mochten eten schepte ik drie keer op. En ik at veel in die tijd, dus bordjes met een kop er op. Dat ik toen amper 65 kilo woog is een wonder.

Aan het einde van de keuring werd ik op een kantoor geroepen. Ik was ondanks mijn vervelende gedrag en onhandigheid volledig goedgekeurd om het land te dienen. Maar of ik wel zin had om in dienst te gaan? Ik zei dat ik eerlijk gezegd wel wat andere plannen met mijn leven had. En dat ik het onzin vond om ooit voor zaken te vechten waar ik niks mee te maken heb. Als ik, of één van mijn vrienden ergens ruzie krijgt en ik daar op micro-niveau even een klein oorlogje mee moet uitvechten: prima. Dan is dat even mijn strijdje. Maar wat heb ik te maken met ruzies tussen wereldleiders? Helemaal niks. Zoek het uit. Oorlog voeren voor vrede is als neuken voor maagdelijkheid, het is zinloos. Maar gelukkig zijn er zat strijdvaardige mannen die dat vechtersvuur wel hebben. Laat die het lekker doen.

Met die verklaring nam de hoge pief genoegen. Ik had de tijd gelukkig mee, omdat de dienstplicht in 1995 dus zo ongeveer op afschaffen stond. Ik zou er nog wel van horen. Nooit meer wat van gehoord gelukkig. Bovendien hadden ze aan mij toch niet veel gehad. Wat moet je nou met ongemotiveerde soldaten? Ik ben voor een beroepsleger met mannen die het echt willen. Vrienden van mij die iets ouder waren hebben nog wel dienstplicht moeten doen en kwamen met de wildste verhalen over elke avond zuipen, roken, blowen, hoerensnoeren en er nog geld voor krijgen ook. Die vonden het fantastisch. Een aantal waren gelegerd in Seedorf, net over de grens bij Duitsland. ‘’Nou, als die Duitsers ergens Nederland konden binnenvallen dan was het bij ons!’’ Dat soort stoere verhalen hoorde ik dan. Misschien net iets te hanig verteld door de jongens in kwestie. Maar ik denk niet dat ik een veel betere soldaat was geweest. Aan mij is geen goeie militair verloren gegaan. En dat zuipen en achter de meiden aangaan deed ik liever gewoon in Amsterdam. Dat leek me wel spannend genoeg.

Maar er zijn dus nu mannen van mijn leeftijd in de Oekraïne die nu ineens een wapen in hun hand gedrukt krijgen: ‘’Zo, hier, kijk eens Evgeniy, hier is een geweer, trekkertje naar je toe trekken, richten, schieten en succes ermee.’’ Ik moet er niet aan denken. Geld ook voor de mannen aan de tegenpartij. Dit is niet hun strijd. Het is de strijd van de grote mannen boven ze. De mannen die nu gaan sneuvelen geven hun leven, maar voor wat? En voor wie? Voor je land? Hou op. Om maar te zwijgen over alle burgerslachtoffers die nergens wat mee te maken hebben.

Het is wellicht utopisch, want die Poetin is zo geschift als een pak yoghurt, maar ik hoop dat deze ellende snel voorbij is. En dat mijn stamgast de meest gevaarlijke Rus blijft die ik in mijn zaak krijg.

Rodweek 126 Rubbertegel-ouders

Een van de redenen waarom ik ooit ben gaan schrijven laat zich vangen in één simpel woord: verbazing. Ik kan met verbazing kijken naar de wereld en wat er allemaal gebeurt. Waarom doen mensen wat ze doen? En dus is het voor mij als columnist in deze tijden smullen geblazen, als ik alleen al naar Nederland kijk.

Hangende de onderzoeken:

Waarom zit een beroemde zanger aan veel te jonge meisjes? Waarom mishandelt een beroemde rapper zijn vriendin? Waarom maakt een beroemde directeur van Ajax foto’s van zijn Jodokus en stuurt hij die door naar jongedames die onder zijn gezag werken? Waarom gaat een beroemde zangeres met een knokploeg naar een supermarkt in de Jordaan om personeel te mishandelen terwijl haar zoontje het nodig vond om een elektronische sigaret aan te steken in diezelfde supermarkt? Waarom zit een andere beroemde rapper aan jonge vrouwen die kandidaat zijn in het programma waar hij aan meewerkt? En zoveel meer nog!

Het jaar is nog geen twee maanden ver en ik zit alweer vol met vragen. Dit zijn mensen die alles hebben. Waarom doen ze dit? Of zouden ze dit gedaan hebben, als alles echt zo is gegaan als we allemaal hebben kunnen lezen?

Als het allemaal waar is, goed ik ben niet zo groot, maar al was ik 3 meter 12: ik kan er met mijn pet niet bij. Waarom? Het gaat hier om mensen die alles hebben en dus ook veel te verliezen hebben. Zou roem en macht dan echt perverteren? Ik weet het niet. Ik ben nooit beroemd geweest. Een hele enkele keer word ik door een onbekende die mijn columns leest aangesproken in de stad. En dat vind ik dan al gek.
De eerste keer dat ik iets van mijn zogenaamde ‘beroemdheid’ merkte was een jaar of zeven terug in Volendam. Mijn vrienden en ik waren naar een wedstrijd van de plaatselijke FC geweest en we hadden ons rijkelijk gelaafd aan kibbeling en bier. Vooral bier. Kibbeling moet namelijk zwemmen. Terwijl ik zwalkend over de even beroemde als beruchte Dijk liep kwam er een gozer een café uitgestormd. ‘’JIJ BENT RODNEY RIJSDIJK!!!’’ schreeuwde hij mij toe. ‘’IK LEES ALTIJD ALLES VAN JOU!’’ Ik stamelde beduusd (en een tikje dronken) dat ik inderdaad Rodney Rijsdijk ben. Mijn fan was gelijk woest enthousiast, pakte me stevig vast, sloeg een arm over mijn schouder, hield me in een beklemmende greep en nam gelijk een selfie met mij, zonder mij daar verder om toestemming voor te vragen. ‘’FANTASTISCH! DANK JE WEL!!!’’ En hij sloeg mij nog even een paar keer triomfantelijk op mijn schouders en rende terug naar het café waar hij de foto aan al zijn maten liet zien. Ik vond dat raar. Zo vaak gebeuren dit soort dingen me niet. Een enkele keer word ik wel eens herkend, maar doorgaans niet.

De echt beroemde mensen die ik hierboven noemde, die hebben daar in honderdduizendvoud mee te maken. En alles ligt bij hen onder een vergrootglas. En ze zijn gewend dat iedereen alles geweldig vindt wat ze doen. Veel jaknikkers om zich heen. Ze worden allang niet meer gecorrigeerd door hun entourage. Als ik een keer iets stoms doe dan tikken er altijd wel wat mensen in mijn omgeving me op mijn vingers: ‘’Rijsdijk, kappen nou en niet zo dom doen.’’ En daar ben ik ook blij mee. Dat is wat deze mensen, denk ik, inmiddels een beetje missen. Zonder hier overigens de amateurpsycholoog uit te willen hangen. Ik ben gewoon een barman die schrijft, of omgekeerd, wat je wilt. Geen haptonoom, maar een taptonoom.

Maar ik blijf me verbazen over de wereld en al die gekke mensen. En waar ik me ook over verbaas: hoe truttig we zijn geworden. Vroeger na het voetballen douchen? Gewoon in je blote hol. Lachen om elkaars lul. Niet douchen met een onderbroek aan zoals je tegenwoordig vaak hoort, hou op. Dames zonnend op het strand? Gewoon topless. En steeds als ik denk dat we niet truttiger kunnen worden met z’n allen: afgelopen week waren er een paar ouders die aanstoot namen aan Mr. Bean. Serieus? Vroeger had je Charlie Chaplin of Laurel & Hardy. Slapstick. Charlie gleed uit over een banaan en stuiterde op z’n reet. De dikke gaf de dunne een klap en die laatste viel dan met z’n harses in een taart. Of zoiets. Niet per se mijn humor, maar als de rest van de wereld dat geweldige humor vindt: prima. Ik zoek er niks achter. Mr. Bean was een beetje nieuwerwetse slapstick, uit de jaren 90. Vaak ontstellend flauw, maar soms ook best grappig. Maar gewelddadig of grensoverschrijdend? Hou op met me. Dan slaan we dus heel ernstig door. ‘’Rubbertegel-ouders’’ noemt een vriend van mij dat soort trut-ouders altijd. Van die overbeschermende ouders die hun koters maar tegen alles willen beschermen en van de echte wereld willen afsluiten. Maar die ondertussen wel de hele tijd met hun snuit in hun telefoon hangen en geen aandacht voor die koters hebben. En maar janken als die kinderen iets heftigs zien. Je moest eens weten naar wat voor vreselijke dingen wij vroeger keken! The A-Team: die gasten schoten hele mitrailleurs leeg. Bloedbad, zou je denken. Resultaat: 98 afleveringen, 1 dooie. En dan was die ene dooie waarschijnlijk per ongeluk gevallen. Nochtans ben ik daar redelijk onbeschadigd uitgekomen, uit al die gewelddadige beelden. Maar goed, de tijden zijn veranderd. Zo stoer als in de jaren 70 worden kinderen kennelijk niet meer gemaakt. Al ligt dat meer aan de ouders dan aan die kids.

Advies: dan kunnen we SBS Shownieuws beter ook maar van de buis halen of naar een veel later tijdstip verplaatsen, zodat de overgevoelige kinderzieltjes dat maar niet zien. Want op dat Shownieuws krijgen de kindertjes de laatste tijd veel ergere dingen tegen hun fragiele koppies gesmeten. Daar helpt geen rubberen tegeltje meer tegen.