Rodweek 137 (B)Ruud uit het leven gerukt

Er gaan hele dagen voorbij dat ik niet aan Zuid-Scharwoude denk. Hele jaren zelfs. Ik weet nog net dat het in West-Friesland ligt. Ik was er ook nog nooit geweest. Dus wie mij vorige week had gezegd dat ik de volgende zaterdag met een fakkel in mijn klauwen in een nieuwbouwwijk van Zuid-Scharwoude zou staan had ik met spoed laten opnemen in het dolhuis.

Maar ja, zo zie je maar: het leven kan vreemde wendingen nemen. Daar stond ik dus gisteren in Zuid-Scharwoude met een fakkel in mijn rechterjat. Tussen allemaal Ajacieden als eerbetoon aan mijn vriend Ruud. Ik kende Ruud meer dan tien jaar. Onze bindende factoren: onze liefde voor Ajax, muziek, pubquizzen, een vergelijkbaar gevoel voor humor en bier. In willekeurige volgorde. Allebei levensgenieters.

Toen ik Ruud leerde kennen woonde hij in Betondorp, Amsterdam-Oost, om de hoek bij het vroegere Ajax-stadion De Meer. Ruud was een graag geziene gast in de Amsterdamse horeca en in de hoofdstedelijke poppodia. Een gozer die veel ondernam, vaak samen met z’n meisie Do. Die twee waren onafscheidelijk.

Hoewel Ruud op het oog ontzettend genoot van zijn Mokumse leven bleef hij altijd een echte West-Fries en hij maakte er ook nooit een geheim van dat hij graag weer terug wilde naar zijn geboortestreek. Een jaar of vijf geleden was het dan zover: Ruud liet Amsterdam achter zich en ging in Zuid-Scharwoude wonen. Op de voor hem vertrouwde grond, vlakbij zijn familie. Dat Ruud daar ging wonen weerhield hem er overigens niet van om nog met regelmaat de Amsterdamse horeca te frequenteren. Pubquizje spelen, Ajax kijken, een avond mosselen eten, op tweede kerstdag Engels voetbal kijken in de Ierse pub of een boekpresentatie van mij of andere schrijvers die hij kende? Voor dat soort gelegenheden kwam Ruud graag naar Amsterdam. Om dan ‘s avonds weer lekker in West-Friesland onder de wol te kruipen. Amsterdam voelde als een vertrouwd huis waarvan hij wist waar de koelkast met koud bier staat, maar zijn echte thuis was West-Friesland.

Hij kon ook wel een echte West-Fries zijn. Hartelijk en gezegend met een mooi gevoel voor humor, maar ook stijfkoppig, stellig of ronduit lomp. We hebben ook best weleens woorden gehad. Je moest van hele goede huize komen om Ruud van mening te doen veranderen of om hem zelfs maar een beetje te laten nuanceren. Maar boven alles een lieve, intelligente jongen die letterlijk en figuurlijk met volle teugen van het leven genoot met z’n meisie. Biertje en een sigaartje erbij en dan was Ruud een tevreden mens.

Aan dat levensgeluk kwam een bruut einde vorige week zaterdag. Ruud was met Do en wat vrienden in Alkmaar geweest en aan het begin van de avond besloten ze terug te fietsen. Ruud was wat onrustig in zijn hoofd en wilde gewoon lekker naar huis. Even wat eten halen en dan, zoals het echte Noord-Hollanders betaamt, terug naar het dorp fietsen. Bij Sint Pancras ging het gruwelijk mis. Verkeerde tijd en verkeerde plaats kwamen op tragische wijze samen. Een auto kwam slingerend en met hoge snelheid door een bocht, vloog uit die bocht en schepte Ruud en Do. Do overleefde het ongeval, Ruud niet. De dader: een 31-jarige man die dronken en zonder rijbewijs reed.

Een levensgenieter die zo uit het leven is geplukt door een onverantwoordelijke randdebiel: dat voelt heel erg oneerlijk en wrang. Als die gozer zichzelf nou aan gort had gereden hadden we in elk geval een domme klootzak minder op de wereld gehad. Nu is een mooi mens er niet meer en zijn de levens van zijn vrouw en familie verwoest. Ik ga niet over de strafmaat, daar gaat de rechterlijke macht over, maar voor een ongeval onder deze omstandigheden mag een dader van mij heel lang met zijn stinkreet op de blaren zitten. En call me Onderbuik, maar wat dat betreft mag die moordenaar blij zijn dat ik de rechter niet ben.

Ruud, zo’n (b)ruud einde had jij niet verdiend! Het laatste wat we voor je konden doen was op een passende manier afscheid van je nemen in jouw geliefde Zuid-Scharwoude. Rust zacht, lieve vriend. En Ajax gaat vanmiddag 3 punten voor je pakken!

Rodweek 136 Augustus

Het is nu augustus en dat betekent dat er in elk geval drie zekerheden zijn: voetbalsupporters klagen ach en wee over het nieuwe uittenue van hun club, de Gaypride is er en er is weer gezeur rond een of andere studentenvereniging.

Laten we met de eerste beginnen: zodra mijn club Ajax of welke andere club dan ook het nieuwe uittenue presenteert dan kun je de cola en de popcorn erbij pakken, je voeten op de tafel leggen en wachten tot het los gaat op de voetbalfora. Ik vind het elk jaar weer eeeeenig hoe volwassen mannen die elke week stoer doen in het stadion zich ineens ontpoppen tot ware modekenners of couturiers. Die grote kale gast met die tattoo op z’n hoofd en die drie tanden uit z’n smoel die altijd achter je in het stadion de meest wanstaltige liederen in je oren staat te schreeuwen blijkt achter z’n laptop stiekem de nieuwe Frans Molenaar of Frank Govers te zijn. Iemand die er dus echt verstand van heeft. Dan zitten ze ineens als jonge meisjes die net naar de modeacademie gaan te praten over kraagjes en motiefjes en wat er allemaal anders aan moet. Ik doe daar zelf niet aan mee, zoals ik al jaren niet meedoe aan fora. Ten eerste: smaken verschillen. Ten tweede: de meeste voetbalshirts verdienen de schoonheidsprijs niet. Ook die van mijn club niet. Shirts krijgen een iconische waarde door de successen of een mooi seizoen. Ajax 94/95: afzichtelijk, maar iconisch doordat ‘we’ de Champions League er in wonnen. Ik verzamel ze gewoon omdat ik een liefhebber ben. Maar nogmaals, ik volg de discussies elk jaar weer met veel plezier.

Dan de Gaypride. Het feest waarvan ik het nog steeds jammer vind dat het moet bestaan. En het moet ook nog bestaan omdat zoveel mensen uit de LHGTB-alfabet-scene in Nederland nog steeds niet zichzelf kunnen zijn. En nou ben ik het zeker niet altijd eens met die hele ‘woke’-beweging, maar wake up mensen! Iedere volwassene mag het van mij met iedereen doen. Liefde is liefde. Wat maakt jou het nou uit wie met wie in bed ligt? Dat het anno 2022 nog steeds een punt van discussie is is bizar. Jaren geleden kwam een vriendin van mij uit de kast. Met lood in haar schoenen ging ze bij haar opa en oma langs om te vertellen dat ze op vrouwen valt. Ze dacht dat haar coming-out misschien nog wel eens moeilijk kon zijn voor mensen die rond 1930 waren geboren. Maar oma reageerde met haar prachtige Jordanese accent: ‘’Ach, kind, al val je op een pinguïn. Wat maakt mij dat nou uit? Als jij maar gelukkig bent.’’ En zo is het. Iedereen moet de liefde kunnen beleven zoals ie dat fijn vindt.

Opa en oma waren dus tamelijk modern in hun denkwijze.

Dit in tegenstelling tot de koorkneuzen van het Amsterdams Studentencorps die ons een fijn inkijkje in hun normaal zo gesloten wereldje gaven. Rijkeluiskindjes die vrouwen voor ‘hoer’ en ‘sperma-emmers’ lopen uit te maken. Ik zou daar wel wat van vinden als ik de moeder, de zus, de oma of de vriendin van zo’n griezel was. Even een gesprekje van moeder tot zoon mee voeren: ”Zo Lodewijck, gezellig dat je komt eten bij de sperma-emmer die jou uitgescheten heeft. Oh ja, je toelage is stopgezet. Biertje?” Fijn om te weten dat dat soort klojo’s ons land moeten gaan regeren dankzij het geld van hun pappie’s en mammie’s. Elk jaar rond deze tijd zie je ze weer door de straten schuifelen: de ‘feutjes’, de nieuwe lichting studenten die dan weer de meest stomme opdrachten moeten doen terwijl ze worden afgeblaft door een hese koortrut of een bralbal uit Blaricum. Gelukkig heb ik altijd genoeg eigenwaarde gehad om me dat nooit te laten gebeuren. Voor wie denkt dat vroeger alles beter was in het Studentencorps: ga maar eens de documentaire op Andere Tijden terugkijken over ‘Dachautje spelen’, waar de feutjes de meest vernederende handelingen moesten ondergaan. Dat was in 1962. Die lieve Ome Willem die we kennen van TV was daar overigens ook bij. Fout koorballengedrag is van alle tijden.

En nou weet ik als voetbalsupporter wat het is om gestigmatiseerd te worden als ‘tuig’, dus ik weet ook dat ze niet allemaal zo zijn. Vanavond begint de voetbalcompetitie weer en morgen ga ik Ajax kijken in mijn stamkroeg. Ze spelen in de nieuwe uitshirts. Eens even horen of er aan de stamtafel nog kritische couturiers zijn. Goddank, het is augustus.

Rodweek 135 Gebit Zonder End

Vanmorgen stond ik op met een lach en ik durfde voor het eerst in lange tijd weer in de spiegel te kijken naar mijn lach. Lachen is heel belangrijk voor mij. Ik doe het graag en veel en ik charmeer mensen er graag mee. En dat is voor mij zowel in mijn persoonlijke als in mijn professionele leven belangrijk. Als horecawerker charmeer je gasten door naar ze te lachen. Dat kon de laatste twee jaar niet. Althans, niet echt. Ik glimlachte wel naar mensen maar met mijn mond dicht. Niemand zit te wachten op een ober met een gat in z’n bek.

Dat zit zo. Ik ben jaren geleden eens gevallen met m’n fiets. De schade leek mee te vallen, maar er was een miniscuul klein splintertje van een tand afgebroken. Vrijwel niet zichtbaar, maar ik voelde dat die tand wel wat scherper was. Dat is in de loop der jaren gaan eroseren en een jaar of twee terug brak er een, nu wel behoorlijk zichtbaar, stukje tand af! Normale mensen gaan dan gelijk naar de tandarts om de boel recht te trekken, maar ik dus niet. Ik was sowieso in 2010 ofzo voor het laatst bij de tandarts geweest. De doodsangst die ik heb voor de tandarts grenst aan hondsdolheid. Dan kan ik in de kroeg of bij Ajax op de tribune een grote mond open doen: zodra ik diezelfde mond in een tandartsstoel moet opentrekken verschrompel ik dus van man tot mietje. Het in een stoel liggen en totaal geen controle over de situatie hebben grijpt me dan echt naar de keel. Angst is niet uit te leggen, want volkomen onredelijk. Echt letterlijk bang zijn om te sterven in een tandartsstoel. Ik haalde de meest verschrikkelijke scenario’s in mijn hoofd. Of ik bedacht me dat zo’n gebitsreparatie vast duizenden euro’s zou kosten en dat ging ik ook zelf geloven. En die had ik niet. Dus helaas. Niet dat ik ooit naar de prijs geïnformeerd had, maar ik had zelf maar bedacht dat het belachelijk duur zou zijn. Ook omdat ik geen tandartsverzekering heb. Dus tja, dan gaan we maar niet.

Het was vreselijk kut voor mij om twee jaar niet normaal te kunnen lachen naar mensen. Kijk maar naar alle foto’s van de laatste jaren: wel lachen maar met de mond dicht. Dat doet ook wel iets met je zelfvertrouwen. Ik keek weleens jaloers naar mensen die wel een mooie vreetmolen hadden. Het kon niet verder zo. Ik ben hier en daar toch maar eens gaan informeren naar de kosten en die vielen me alleszins mee. Goed, je moet het net hebben liggen, maar het waren zeker niet de horrorbedragen die ik mezelf had wijs gemaakt. Het was achteraf ook meer een smoes om niet te hoeven gaan.

Maar ik was er echt klaar mee. Dus man up, ouwe en gaan! Ik hoef geen hagelwitte Dries Roelvink-smile te hebben, maar gewoon alleen m’n glimlach terug, dat was het doel.

Ik heb uiteindelijk een geweldige smoelensmid gevonden, toevallig ook nog bij mij in de buurt op het Rokin. Een tandarts die mij volledig op m’n gemak wist te stellen. In iets meer dan een uur was de klus aan mijn klus geklaard en de missie is geslaagd: ik heb m’n glimlach weer terug!


Het pittoreske straatje om de hoek van de tandartsenpraktijk heet Gebed zonder End. Die noem ik vanaf nu Gebit zonder End. Ik ga die bakkes van mij vanaf nu gewoon weer goed bijhouden. Koste wat het kost. Een mooie glimlach is onbetaalbaar!

Rodweek 134 Amsterdamalia

Prinses Amalia is dankbaar dat ze ondanks de woningnood een kamer in Amsterdam heeft kunnen vinden. Vriendinnen van haar hadden daar wat meer moeite mee, zo vertelde ze laatst in een interview. Haar woorden zijn ongetwijfeld heel erg lief bedoeld, dat geloof ik echt. Ik geloof niet dat het kind enige kwade intenties heeft gehad met haar verhaal. Ze is gewoon een meisje van 18 die het leuk vindt om te studeren en op zichzelf te gaan wonen in onze hoofdstad. Dus bij dezen, Amalia, welkom in onze prachtige stad en geniet er van!

Maar toch schuren haar woorden een beetje. Als ik haar media-adviseur was geweest had ik daar ingegrepen. ”Amalia, lieve schattepatat van me, het is gewoon beter dat je dit gewoon even niet zegt. Mensen vinden je al een rijk verwend kutkind met te veel privileges. Ga nou niet vals bescheiden lopen te doen. Iedere gek weet dat je toch wel een woning daar krijgt. En anders vraag je of je achteroompje, de meest gehate man van Amsterdam, Bernard junior, nog een pandje heeft. Vast wel. Verdient ie er nog een roestig stuivertje aan ook. Hoe goed je het ook bedoelt: niemand gelooft dit. Ga daar wonen, geniet en hou je mond, indachtig je voorvader Willem de Zwijger.”

Natuurlijk hoeft Amalia geen moeite te doen om een kamer of een woning in onze stad te krijgen. Natuurlijk heeft zij niet hoeven hospiteren, natuurlijk gaat zij niet ergens in een verpauperde buitenwijk wonen en natuurlijk zal ze zich nooit zorgen hoeven te maken om zaken als huurschuld of andere financiële ratsmodee waar haar medestudenten misschien wel mee te te maken krijgen. Daarvoor staat een prinses te ver van het echte leven af. Amalia probeert een zo normaal mogelijk leven te leiden en dat is lovenswaardig, maar zal zij ooit weten hoe het is om te zwoegen in kroegen, achter de kassa van de supermarkt te staan of te weten hoe het is om nog maar een tientje te hebben om de week door te komen. Nee. Daar gaat ze allemaal geen idee van hebben. Terwijl ik haar eigenlijk wel een normaal jonge mensenleven zou gunnen. Weten hoe het is om echt je eigen geld te verdienen, om jezelf het snot voor de ogen te werken voor een schamel kutloontje, om drie dagen met een pan nasi te doen, starnakel dronken te worden en wakker te worden in het bed van een wildvreemde. Ik zou het haar allemaal gunnen, maar ik zie het niet gebeuren.

Daar kan Amalia niets aan doen. Zij is nou eenmaal met de spreekwoordelijke gouden lepel in haar mond geboren. Niemand op de wereld heeft ooit bepaald waar en in welke omstandigheden hij of zij is geboren.

Amalia, geniet van de mooiste stad van de wereld en het liefst op een zo normaal mogelijke manier. We noemen je vanaf nu Amsterdamalia. Maar één ding wil ik onze kersverse inwoonster meegeven: niet meteen ‘ja’ zeggen als een vriendelijke Amsterdammer je aanbiedt of-ie effe je gangetje mag witten.

Rodweek 133 Steentjes in Amsterdam

Mensen die niet onder ladders durven te lopen, die bang zijn voor zwarte katten, die vrijdag de dertiende vrezen of die in het slipje van hun vriendin voetballen omdat ze denken dat het geluk brengt (echt meegemaakt!): ik lach daar om. Ik geloof niet in zoiets mals als in door de mensheid verzonnen goden en elke vorm van bijgeloof is mij volkomen vreemd. En nee, de aarde is niet plat. Ik ben totaal niet van de complottheorieën en graancirkels en zo en je overtuigt mij eerder met wetenschap dan met een vaag knip- en plakartikeltje van Google of Facebook. Als je ergens een overtuiging van hebt dan kun je overal op het ‘alwetende’ internet de argumenten opzoeken die jouw ‘gelijk’ bewijzen. Vroeger kende ik ook mensen die aan kwakzalverij als Reiki deden. Die waren allemaal zo geschift als een pak yoghurt! En nou lust ik best graag een slokkie, maar wat dat soort zaken betreft sta ik volkomen nuchter in het leven.

Maar een paar maanden geleden werd mijn rotsvaste overtuiging toch ineens een beetje aan het wankelen gebracht. Een Indiase meneer kwam de winkel van mijn vriendin binnen die daar op dat moment aan het werk was. Die man begon honderduit te praten over haar heden en verleden, wist dingen over haar medische situatie en zo nog wat dingen die je eigenlijk alleen zou kunnen weten als je haar kent. Hij had niet alles goed, maar toch een boel wel. En hij voorspelde haar op korte termijn financiële voorspoed. Hij gaf haar een steentje en die moest ze bij zich houden. Nou ja, oké dan. Of ze daar wat voor over had. Mijn vriendin is net als ik, die maak je niet snel gek met zweefteverij. Maar om van zijn geouwehoer af te zijn en omdat ze het toch wel een bijzonder verhaal vond gaf ze de man een tientje.

Thuis vertelde ze het verhaal en we moesten er allebei om lachen, maar we hielden het steentje bij ons. Baat het niet, dan schaadt het niet, zeggen we dan maar. Later die week ging ik op gesprek voor een leuk betaalde baan als copywriter. ‘’Neem dat steentje maar mee!’’, zei mijn vriendin voor de gein. Ik deed dat steentje in m’n portemonnee. Ik kreeg de baan. Een paar dagen later keek ik eens op mijn staatsloterij-abonnement: 100 piek gewonnen! Ik heb nog nooit zoveel gewonnen in de loterij. We begonnen het steentje al bijna magische krachten toe te dichten, maar zoals gezegd: wij zijn nuchtere mensen. Ons maak je niet gek, want dat zijn we al. Ik ging boodschappen doen en vond op straat een anonieme OV-chipkaart. Even checken of er nog saldo opstaat: nog 50 piek! Weer een paar weken daarna, ik had het steentje nog steeds in mijn portemonnee: een leuke nieuwe part-time baan bij mijn Melkweg! Mijn grote liefde aan de Lijnbaansgracht. Terug bij de disfunctionele familie! En de leuke copywriterbaan dus. Perfect te combineren!
Dat Mo zelf niet direct de financiële voorspoed kreeg zoals de Indiase meneer zei, maar ik, maakt niet uit. Wij pleuren al onze inkomsten op een stapel, dus mijn voorspoed valt ook haar ten deel.

Ik vertelde het verhaal aan een vriend en die bood me gelijk 20 euro voor het steentje. Maar nee, onze steen is niet te koop. En natuurlijk zal het allemaal gewoon toeval zijn dat alles zomaar ineens lekker samenviel in een maand tijd, maar toch: we houden die steen toch nog maar even. Al is het alleen maar om het verhaal. En of die voorspoed lang of kort duurt zien we ook wel weer. Ik ben een financiële kameleon: ik weet hoe het is om van niks te leven en ik weet hoe het is om geld te hebben. Toen ik niks had leerde ik soep koken. Dat was makkelijk, voedzaam en goedkoop. Beetje rijst er doorheen en we noemen het een maaltijd. Daardoor houd ik nog steeds heel veel van soep en ken ik er zomaar 25 uit mijn hoofd. Mijn beste investering ooit: een staafmixer van een tientje. Als onze financiële voorspoed eindigt dan stap ik moeiteloos weer over op de soep.

Maar zolang het steentje rolt, rolt ie. Balen trouwens dat de Rolling Stones waren afgelast laatst. Niet voor mij hoor, ik ga geen 180 piek betalen om een band te zien spelen, hoeveel bewondering ik overigens ook voor ze heb. En daarbij heb ik ze al vijf keer gezien. En daar werd ik voor betaald.

Maar goed, stenen dus. Ik ben een fanatieke stadswandelaar. Ik loop elke dag veel. En dat begint ‘s ochtends al. Dan haal ik ontbijt. Vaak doe ik dat bij de supermarkt aan het Rembrandtplein want dan kan ik een mooi rondje om de Amstel lopen. Dat is eigenlijk wel mijn favoriete rondje. Vlakbij de Magere Brug ligt een groen woonbootje. Heel mooi en op een prachtige plek. Het bootje heeft een woonoppervlak van 36 vierkante meter. Dat is ongeveer mijn woonkamer en de keuken bij elkaar. Badkamer en slaapkamer dus nog nog niet meegerekend. Hij staat nu te koop. Interesse? Trek maar even negen ton uit je poeplap! Dan zeg jij als lezer nu: ‘’Rod, je maakt een typo, met je negen ton. Je bedoelde vast drie of vier.’’ Neen. Negen ton voor een drijvend kippenhok op de Amstel. Mensen vragen het en er komt vast ook nog een of andere gek die het betaalt. Net als dat mensen nu idioot veel poen betalen voor krotten waar vroeger niemand wilde wonen.

Steentjes in Amsterdam worden nooit minder waard. Dus hoewel mijn meisie en ik het momenteel echt niet slecht hebben: een woning op een echt mooie plek in Amsterdam kopen is nog een Magere Brug te ver. Die markt moet ooit een keer spatten. Geen normaal verdienend mens kan in deze tijd nog een huis kopen in die stad en dat is zorgelijk. Waar gaan je vuilnisman, je kassadame, je barman, je postbode, je leerkracht of verpleegkundige ooit wonen? Want ook de particuliere huren rijzen al jaren gierend de pan uit. En mensen zoals wij, die in een mooie sociale huurwoning zitten en zo scheef als de Toren van Pisa wonen, gaan er daarom niet zo snel weg. Ergens moet iemand een keer een steen in de vijver gooien. Zolang het maar niet die van ons is!



Rodweek 132 Zwarte Longsleeve

Ik schrijf tegenwoordig als copywriter voor een bedrijfsuitjes-site. Ze organiseren een diversiteit aan teamuitjes en daar schrijf ik dan wervende teksten voor. Zo weet ik inmiddels alles van de ‘City Escape Room’ in Breda, het ‘Wie is de Mol Spel’ in Leiden en ‘Het Moordspel’ in Zwolle. ‘Actieve teamuitjes’ en ‘teambuilding’ zijn termen die ik tegenwoordig dagelijks gebruik.

Nou, ik heb er sinds vanochtend zelf ook eentje bij bedacht. Dit uitje heet ‘Koop een zwarte longsleeve in het centrum van Amsterdam.’ ‘Een actief en dagvullend teamuitje waarbij je ook nog eens je kilometers maakt! Goed voor je stappenteller!’

Vanmorgen zei ik, nog half slaperig tegen mijn vriendin ‘Lieverd, ik ga even een paar zwarte longsleeves kopen in de Kalverstraat, voordat die klotedrukte daar uitbreekt. Ben zo terug.’ Gewoon een simpel zwart shirt met lange mouwen. Geen drukke teksten, prints of andersoortig gedoe erop. Gewoon basic. Daar koop ik er eens in de paar jaar altijd een zooitje van. Makkelijk, representatief en functioneel voor een horecamedewerker, want je ziet er geen vlekken op. Maar goed, de longsleeves die ik had begonnen wat slijtage te vertonen, dus ik had een paar nieuwe nodig.

Ik woon achter de Kalverstraat. Het winkelmekka van Nederland. Ik vind het een vervelende kutstraat, ik kom er zo min mogelijk, maar goed, soms moet het nou eenmaal even. Een zwarte longsleeve dus. Even snel halen en naar huis.

Ik begon bij de ‘We’, een soort H & M voor grote mensen. Geen longsleeve. Nog 2 andere kledingzaken, ook niks. De H & M op de Dam dan maar: alleen lichtblauw. De Bijenkorf vind ik een proletentent. Ten einde raad: in godsnaam dan de godvergeten Primark maar. Vooruit, tegen niemand zeggen dat je het daar hebt gekocht. Ook niks!

Zwarte longsleeves, die kocht je nog niet zo lang geleden met hetzelfde gemak als waarmee je een brood of een pak melk in de supermarkt uit het schap trok! Daarover gesproken: ik moest nog boodschappen doen. Door de Damstraat naar de Jodenbreestraat. Hey, daar is nog een Zeeman. Zouden die dan een zwarte longsleeve hebben? Neen. Gedesillusioneerd liep ik naar huis. In zes fokking winkels geweest zonder iets simpels als een zwart shirt met lange mouwen kunnen vinden. En niet in Schubbekutteveen of Koog aan de Greppel, maar in Amsterdam-Centrum!

Achter de Kalverstraat wonen en geen zwarte longsleeve kunnen vinden. Alsof je in de kroeg staat en dat de barkeeper dan zegt dat er niks te drinken is. Ongelooflijk.

Weer een uur van m’n leven dat ik niet terugkrijg. Maar m’n zwarte shirtjes komen er wel hoor! Gewoon zojuist besteld via internet….

Rodweek 131 Beroemd in Agia Galini

Mijn vriendin Mo viert haar vakanties reeds sinds 2007 in Agia Galini, een piepklein stipje op de kaart in het zuiden van Kreta. Er wonen ongeveer 500 mensen en in het toeristenseizoen misschien het dubbele. Het dorp bestaat uit drie hoofdstraatjes met wat zijstraatjes die gevuld zijn met winkeltjes en horeca. Heel pittoresk. Mo is daar in die vijftien jaar minstens dertig keer geweest, dus zoals iedere inwoner elkaar daar kent kent iedereen Mo daar ook. Ik ben nu, as we speak, voor het eerst mee en overal waar we komen wordt Mo als een verloren dochter in de armen gesloten. Het is echt alsof ik met een beroemdheid op stap ben.

Dat Agia Galini zo’n kleine gemeenschap is heeft één groot voordeel: is er geen criminaliteit. Alles en iedereen kent elkaar, dus je haalt het niet in je hoofd om iets al te stouts te doen, want als je gepakt wordt dreigt de verstoting. Als jongere zou het me vreselijk beklemmend lijken om in zo’n besloten gemeenschap op te groeien, maar voor ons, grotestadsmensen, is het wel eens lekker om even tien dagen totaal niet op je hoede te hoeven zijn voor zakkenrollers, dieven, junkies, agressievelingen en ander sfeerverlagend klotetuig. De enige vorm van agressie die ik hier tot nu heb gezien is dat vier straatkatten elkaar een paar tikken gaven en een beetje naar elkaar zaten te blazen. Spannender wordt het hier niet.
Normaal gesproken ga ik, ook als ik op vakantie ben, bijna altijd naar een grote stad. Ik houd van de reuring en de dynamiek van de de grote stad. Maar tien daagjes in dit kleine pittoreske stranddorpje is prima uit te houden. We kwamen om uit te rusten van een drukke periode en dat kan hier meer dan uitstekend. Daarbij zijn wij allebei totaal geen actieve vakantiemensen. Voor ons geen urenlange wandelingen door de bergen, abseilen of ander veel te sportief en actief gedoe. Wij hobbelen gewoon de hele dag van restaurant naar terras naar strand en weer terug naar het hotel. We eten en we drinken wijn. En we moeten overal verplicht raki drinken. We spelen Tric Trac en we lezen. Meer doen we niet en meer willen we ook niet. In Amsterdam krijgen we het straks weer druk zat met onze banen en het hele leven er omheen.
De toeristische populatie bestaat voornamelijk uit Nederlanders en Belgen en hier en daar wat Duitsers en Engelsen. En dat zijn net als Mo vaak ook mensen die er al jaren komen, dus die kennen elkaar ook weer allemaal. Iedereen die hier is geweest is dus al snel beroemd.

Met mijn 45 lentes ben ik nog een van de jongere toeristen hier. Dat is een grappige gewaarwording. De meeste toeristen hier zijn allemaal boven de 50 of pensionado’s. Voor jongeren is hier ook niet heel veel te doen. En nou is hier ook een strand en kun je ook hier zuipen tot je nek kraakt, daar helpen Grieken graag aan mee, maar heel wild is het stapleven hier natuurlijk niet. De jongeren zitten dus meer richting het noorden in plaatsen als Chersonissos of Malia met hun lamme kop shotjes tequila uit elkaars navel te lurken in hysterische barren met kutmuziek. Of ze hangen rond in de grote stad Heraklion.

Nee, wij slenteren lekker ouwelullerig door het dorpje, ploffen hier en daar neer op een terras van één van Mo’s vrienden en gaan dan weer door naar de volgende. Tijd bestaat niet. Behalve zometeen. We gaan heel actief met de bus naar de markt in een dorp verderop. En die moet je halen anders moet je twee uur wachten op de volgende bus. In Amsterdam vinden we het al bloedvervelend als de tram maar eens in het kwartier rijdt. Dat moet je loslaten hier.

Dorpsleven.

Voor een dagje of tien is dat prima uit te houden voor deze cityboy. We zitten nu op dag 5. Volgend jaar gaan we weer. Dan hoor ik waarschijnlijk ook al een klein beetje bij de beroemdheden van Agia Galini.

Rodweek 130 Broez’n met Henk

Enkele weken geleden kreeg ik ineens een bericht van Henk de Haan. Henk is een icoon in de Groningse voetbalwereld. Heeft, als rasechte Groninger in de jaren 80 en 90 als noeste middenvelder betaald voetbal gespeeld voor FC Groningen en later voor Veendam. Toen Veendam een aantal jaren geleden failliet dreigde te gaan (en dat ook uiteindelijk ging) maakte Nederland kennis met het mediafenomeen Henk de Haan.

Henk schoof aan bij Matthijs van Nieuwkerk in De Wereld Draait Door. En waar Matthijs nogal eens de de gewoonte heeft om door zijn gasten heen te gaan tetteren kreeg hij daar bij Henk niet de kans voor. In rap en sappig Gronings legde Henk uit dat hij bezig was om een reddingsplan voor Veendam te organiseren. Allemaal een tientje storten en dan zou het moeten lukken. Ik ook een tientje gestort. Ik had gelijk een zwak voor die ratelende Groninger met zijn aanstekelijke enthousiasme en zijn teksten waarin de termen ‘’Broez’n’’ en ‘’Pom Pom Pom Pom!’’ veelvuldig in voorkwamen.
‘’Broez’n’’ betekent in het Gronings van Henk zoiets als: ‘’Kom op, de beuk er in!’’ en ‘’Pom pom pom pom’’, wat er meestal op volgt zoiets als ‘’ Ja toch!’’

Ofschoon best wel wat mensen na Henks’ betoog een tientje doneerden om de zieltogende club uit de veenkoloniën te redden bleek het toch niet te lukken. Alle donateurs kregen, na het uitgesproken faillissement hun tientje weer teruggestort.

In de jaren daarna raakte ik via Facebook bevriend met Henk. Henk maakt voor de lokale TV daar leuke filmpjes, organiseert evenementen, staat altijd vrolijk op zijn foto’s en heeft zelfs zijn eigen kledinglijn die, het zal je verbazen, ‘’Broez’n’’ heet.

Maar terug naar het berichtje van Henk: hij nam dus een tijdje terug contact met me op. Wat ik op zaterdag 2 april te doen had. Want FC Groningen-Ajax! Nou ja, ik ben een horecajongen en mijn belangrijkste collega is op vakantie, dus ik zei op goed geluk ‘’Ja leuk!’’ , maar ik hoopte maar dat het goed zou komen. We hebben in onze kroeg een dun team, dus vrij zijn op zaterdag lukt vaak niet. Maar het lot was me dit keer gunstig gezind en dus kon ik op uitnodiging van Henk naar Groningen.

Een bloedeind reizen (maar mensen uit Amsterdam vinden alles buiten de ring A10 al snel ver), maar ik had er vreselijk veel zin in. Toch leuk als zo’n clubman je uitnodigt. Ik moest de nacht daarvoor nog tot 4.00 werken, daar kwam ik niet onderuit, maar ik wilde vroeg in de trein zitten. De wedstrijd zou 16.30 beginnen. Dus rond 12.00 in de trein en dan op naar Grunn! Helaas was ik er door allerlei gekloot met de treinen iets minder op tijd dan ik had gehoopt, maar er was gelukkig nog tijd voor een paar biertjes op weg weg naar het stadion.

Henk kwam me bij het station tegemoet lopen, met z’n ‘’Broez’n’’-muts op zijn vrolijke kop. We hadden elkaar nog nooit eerder in het echte leven ontmoet. Henk voldoet in niks aan het standaardbeeld van ‘’de stugge Groninger’’. Een gezellige ouwehoer. En aangezien ik, in het juiste gezelschap, ook lekker kan ouwehoeren werd het al snel gezellig.

Ik kreeg de Broez’n-muts en een sjaaltje van ‘De FC’ cadeau van Henk. Zo kon ik als undercover Ajacied en onder begeleiding van de lokale held, hij wordt overal herkend, moeiteloos mee het stadion in.

De wedstrijd? Ach, Ajax was niet best maar, gelukkig kon ik behalve mijn cadeautjes toch ook nog drie punten mee terug in de tas nemen naar Amsterdam.

Henk, bedankt voor een superdag! Volgend seizoen bij ons. En blijf lekker broez’n! Pom Pom Pom Pom!

Rodweek 129 Poezenplaatjes

Wat leuk dat Marc Overmars weer een baantje heeft. In mijn geliefde Antwerpen nog wel. Kan ie mooi als Antwerp in Brussel moet spelen een dickpic met Manneken Pis maken. Maar genoeg over dickpics, laat ik het vandaag eens hebben over poezenplaatjes. Poezenplaatjes. Ik kan op sociale media soms nutteloze momenten besteden aan het kijken naar leuke foto’s van katten. Of van andere huisdieren van mijn vrienden en kennissen. Of mooie vakantiefoto’s. Of kroegfoto’s. Foto’s van de buurtbarbecue. Foto’s van de kinderen van mijn vrienden. Een etentje bij de Chinees. Gewoon leuke foto’s. Een kijkje in het privéleven van mensen die ik in meer of mindere mate ken. Even gluren. Op Facebook zijn we allemaal een beetje voyeur. Mensen kunnen zich, tot zover ze willen, laten zien.

Maar, wat je er vaak bij krijgt: ze kunnen zich ook laten horen of laten lezen. Je krijgt er in sommige gevallen ook uitgebreide meningen en theorieën bij. Want we moeten natuurlijk allemaal weten hoe jij erover denkt. En dat laatste is weleens vermoeiend. Mensen zijn nogal eens geneigd om het open riool dat internet heet vol te kakken met hun meningen. Meningen waarin ik nou niet per se in geïnteresseerd ben. Meningen zijn als anussen: iedereen heeft er eentje maar die moet je niet overal maar te pas en te onpas te gebruiken en douw de inhoud er van zeker niet door m’n strot.

Dat kleutergeleuter op dat internet. Mensen die discussies aangaan met mensen die ze in het echte leven niet of nauwelijks kennen. Ik begrijp dat niet. Waarom moet je de stoere toetsenbordheld uithangen tegen een volslagen vreemde? Ik lees ook wel eens fora, over nieuws of over voetbal. Man, wat een vermoeiende bezigheid is dat. Die mensen hebben echt heel weinig te doen in hun leven, denk ik. Ik geef toe dat ik me er vroeger zelf ook wel eens aan heb bezondigd, maar inmiddels al jaren niet meer. Ik ga me toch niet boos maken om wat Mien uit de Zesde Tuinbloemdwarsstraat of ome Joop uit Koog aan de Greppel over allerlei zaken vinden? Of wat ze van mij vinden. Hou toch op. Wat je vindt moet je naar de politie brengen, leerde ik vroeger altijd.
Maar dan lees ik die fora en hoe mensen, die elkaar nog nooit in het echte leven hebben ontmoet, op elkaar reageren, met het stoom uit de oren, een rokend toetsenbord voor zich en dan denk ik… tja… Het is mooi weer, de zon schijnt. Je kan ook gewoon wat leuks doen. Of moet je de kattenbak niet eens verschonen? Of gewoon weer aan je werk gaan in de baas z’n tijd in plaats van het internet vol te schijten met je meninkjes.

Ook zo vermoeiend: online discussies aangaan met mensen waarvan je bij voorbaat al weet dat je het nooit met elkaar eens gaat worden. Daar ben ik ook al een tijd geleden mee gestopt. Zowel online als in het echte leven trouwens. Ik ga een PVV-er toch niet overtuigen dat er ook best leuke moslims bestaan? Ik ga iemand die niet in wetenschap maar in een gesjeesde dansleraar en Google gelooft niet overtuigen dat Corona wel even wat meer is dan een griepje en geen complot van de regeringsleiders? Ik ga een overtuigd gelovige toch niet overtuigen van mijn mening dat God niet bestaat? Die discussie win je toch nooit. En die ander ook niet van mij. Ergo: het is zonde van de tijd. Ik kan m’n energie wel beter besteden. Wat dat betreft ben ik misschien een wat atypische Nederlander want Nederlanders discussiëren graag zo lang en oeverloos dat de oever op het kokende hoogtepunt van het debat niet eens meer te zien is. Als ”discussie” een gerecht zou zijn, ”discussie-goreng” ofzo, dan zijn Nederlanders veruit de slechtste koks ter wereld: ze koken namelijk elke vorm van discussie compleet tot snot. Waarom zou ik dus mijn kostbare tijd verdoen aan een ellenlange doodvermoeiende online discussie met mensen die, over wat dan ook, een totaal andere voorkeur hebben dan ik?

Zo zijn er twee soorten mensen op de wereld: mensen die koriander door hun eten lekker vinden of mensen die het ontzettend naar zeep vinden smaken. Ik ben absoluut van team koriander! Heerlijk. Dus ik ga iemand die in het andere team speelt van m’n levensdagen niet overtuigen dat koriander helemaal niet naar zeep smaakt, maar dat het echt een smaakverrijker is. Dat win ik dus nooit. En waarom moet ik dat ook willen winnen.

Trouwens, even tussendoor: voor mijn lieve vrinden en vrindinnen van onder de rivieren die dit lezen: het is patat en geen friet, oké? Weten jullie zelf ook best wel, dus dat we het daar in elk geval wel over eens zijn, ja? Duidelijk.

Dit gezegd hebbende: zinloze discussies vind ik dus doodzonde van mijn tijd. Dat betekent niet dat ik de diepgang van een pierenbadje heb. Ik heb wel degelijk een zeer grondige en gefundeerde mening over dingen, maar als ik die zonodig kwijt moet dan vertel ik je die wel in het echte leven, als ik je goed genoeg ken. En als je goede tegenargumenten hebt, ben ik prima bereid om te luisteren en mijn mening bij te stellen. Maar niet op Facebook ofzo. En als columnist geef ik natuurlijk ook wel eens een meninkje. Maar de hele wereld hoeft niet tot in detail te weten hoe ome Rodney Rijsdijk over allerlei zaken denkt. Zo belangrijk is die mening van mij niet. En ik ga dus ook niet de moeite nemen om wie dan ook te overtuigen van mijn veronderstelde gelijk. Daar zijn mijn meninkjes die ik hier en daar spui niet voor bedoeld. Ik ben niet een of andere zendeling van de Rodzooi-kerk die Rods woord even als absolute waarheid komt verkondigen. Pleur op.

Nee, doe mij dan maar poezenplaatjes. Maar dat is mijn bescheiden mening.

Rodweek 128 Keith overleeft ons allemaal (en ome Jur ook!)


Het is nu 17 maart, 2022, 15.43 en ik ben m’n nest maar weer ingedoken. Vanuit mijn bed lig ik dit stukje te typen. Zelden heb ik me beroerder gevoeld dan nu. Ernstige ziektes zijn me tot dusverre gelukkig bespaard gebleven, dus ik heb tot op heden echt geluk gehad. Het is nou niet bepaald dat ik er erg veel aan heb gedaan om een lang leven te leiden, laten we eerlijk zijn. Tot nu toe ben ik in 45 jaar met veel weggekomen, dat is gewoon pure mazzel. Ik heb wel eens een griepje gehad, maar daar was ik na een dag of twee meestal wel klaar mee. De laatste serieuze griep kan ik me eerlijk gezegd niet eens meer herinneren. Dat kan zomaar tien jaar geleden zijn. Laat staan wanneer ik me voor het laatst heb afgemeld voor werk wegens ziekte. Ik heb zo vaak doorgewerkt met een licht griepje of een verkoudheidje. Ben echt geen zeikerdje in dat soort dingen. De ‘’Mannengriep’’ waarbij mannen met een duf griepje gelijk denken dat ze sterven is mij volkomen vreemd. Ik ben best een taaie.

En toen kwam Covid. Twee jaar lang ben ik er aan ontsnapt, maar uitgerekend op of rond mijn verjaardag kreeg ik het alom gevreesde virus als verjaardagscadeautje. Het leven zit toch ook vol verrassingen! En met mij nog een stoet mensen die op mijn verjaardag waren.

In beginsel viel het allemaal mee. Beetje keelpijn, beetje hoesten, niks ernstigs. Het zou in normale omstandigheden (twee jaar geleden) voor mij niet eens een reden zijn om me ziek te melden. Gewoon werken en niet zeiken. Ziek zijn kan altijd nog, toch? Maar de tijden zijn anders, je hebt ook met andere mensen rekening te houden en omdat ik ineens van meerdere mensen die op mijn verjaardag waren geweest hoorden dat ze positief waren getest heb ik me ook maar eens laten testen. En godnondeju: ik had het ook. M’n meisie dan gek genoeg weer niet, maar ik moest me dus afmelden voor werk. En wij hebben een dun team, dus als er eentje tussen uitvalt, en vooral iemand die veel diensten draait, dan is dat al snel problematisch.

Omdat ik niet echt weet hoe het is om ziek te zijn ging ik er eigenlijk vanuit dat dit gedoe binnen 2 of 3 dagen wel weer voorbij zou zijn. Veel rusten, wat extra vitaminen, et cetera. Mijn lichaam is doorgaans tamelijk resistent voor dit soort dingen. Dacht ik. Het ging ook wel. Niet helemaal lekker, maar wel oké. Gewoon even rusten en weer door. Maar vandaag, op dag 4, voel ik me dus echt alsof tram 17 drie keer over me heen is gereden. Heen en terug. Ik hoest me de blaftering, m’n keel voelt als schuurpapier en ik heb het energielevel van een przewalskipaard dat zich zuchtend en steunend naar z’n laatste rustplaats sleept. En nee, geen mannengriep.

Ik probeer nog zoveel mogelijk te doen. Wassen, koken en al dat soort huishoudelijke shizzle. Van de hele dag in bed liggen word ik ook niet beter. Wat dat betreft ben ik de meest talentloze patiënt ooit. Ook daar heb ik dus geen talent voor. Ik wil gewoon niet de hele dag in m’n nest liggen. Ik wil dingen doen. En dat terwijl ik Pleegzuster Bloedwijn de hele dag om me heen heb die juist alles voor me wil doen! Genoeg mensen die zich dat uitstekend zouden laten welgevallen, maar ik word daar dus heel onrustig van. En waar ik me eigenlijk nog het meeste zorgen om maak is dat ik Ajax-Feyenoord zondag mis! Geen klassieker, maar een klaszieker. Dat zal me godverdomme helemaal gebeuren. Ik hoop echt dat ik er zondag weer bij ben, maar dan zal er nog heel snel wat moeten veranderen aan mijn fysieke toestand.

Maar goed, ik doe het dus wel wat rustiger aan. Ik pak m’n rust. Lig meer in bed dan ik leuk vind. Soms slaap ik een paar uur, soms schrijf ik (zoals nu) en soms check ik het nieuws. De Rolling Stones komen weer in Nederland! Jawel! De dinosauriërs onder de rockbands spelen nog steeds. En weer in de Johan Cruijff Arena, daar heb ik ze in 1998 gezien. Vijf keer. Ik werd er ervoor betaald. De prijs van de kaartjes weet ik nog, want ik was van de kaartjescontrole. 98 gulden. Een kleine 44 euro. Dat vonden mijn collega’s en ik bizar duur. Wat een geld! De goedkoopste kaartjes beginnen nu bij 84 euro en de duurste zijn rond de 500. Tijden veranderen, maar ik vind het nogal wat geld om een paar puissant rijke bejaarde mannen te zien optreden.

Maar goed, tenslotte moeten die jongens ook aan de oude dag van Keith Richards denken. Die overleeft ons allemaal. En ome Jur van de Maloe Meloe ook. Daar kan geen virus tegenop.