Rodweek 199 Je lul bij de kiloknaller

Als je een team horecamedewerkers vergelijkt met een voetbalteam dan is een kok je keeper. Ze zijn anders gekleed dan de andere teamgenoten, ze hebben een specialisme binnen het team en ze zijn door de regel genomen knettergek, een tikje zonderling of op z’n minst net een beetje anders dan de rest. Na een goeie twee decennia horeca-ervaring en een bonte stoet aan koks die ik voorbij heb zien komen mag ik die conclusie wel trekken.

Een van de gekste in zijn soort was dan toch wel Aart, de bulderende broodjeskok van Café Bax waar ik tussen 2007 en 2013 werkte. Aart was een geniale gek, zoals veel koks. Die was beroemd en berucht in Oud West. Beroemd omdat hij vreselijk goed was in zijn werk. Ik keek wel eens met hem mee hoe hij zijn broodjes maakte en daar heb ik tot de dag van vandaag profijt van. Van Aart heb ik echt de perfecte uitsmijter leren bakken. Met roomboter op laag vuur zodat je er een mooi bruin randje omheen krijgt. Mensen kwamen van heinde en verre voor een uitsmijter van die ouwe.

Maar hij was dus ook berucht omdat hij een bek als een roestig koksmes kon hebben. Als Aart je aardig vond dan kon hij grappig, vriendelijk, attent en gul zijn. En hij gaf daklozen gewoon vaak zomaar een tientje als hij zag dat ze honger hadden. Maar als ie je echt niet mocht was hij lomp, hard en vals en dan kwam het ook niet snel meer goed. Ik zat gelukkig in het eerste kamp. Of Aart je mocht dat hing ook een beetje samen met hoe je zijn wodka inschonk die hij na zijn werk als personeelsdrankje kreeg. Degene die zijn drankje te zuinig inschonk moest hard zijn of haar best doen om weer bij Aart in genade te vallen. ‘Die klootzak maakt godverdomme de bodem amper nat. Rod, als jij zo een biertje pakt, schenk me dan even fatsoenlijk bij’, bromde hij dan. Tegen de vrouw die zijn tonijnsalade te zuur vond: ‘Dan moet ze in de spiegel kijken, dan zal ze zien wat zuur is!’ schreeuwde hij dan uit de keuken. Hard genoeg zodat de mevrouw in kwestie het ook op het terras kon horen. Tegen een vervelende gast: ‘Als je nou niet oprot dan geef ik je zo’n klap op je bek dat je neus op achterhoofd staat!’ Hij was ook altijd spullen kwijt. Liep hij weer vloekend en tierend door z’n keuken en dan kwam ik binnen: ‘Aart, dat mes hangt daar.’ En dan was Aarts gevleugelde uitspraak: ‘Ah, dank je wel. Eerst vloeken, dan zoeken’ of ‘Eerst zeiken, dan kijken.’

Als Aart in deze tijd had gewerkt zou hij waarschijnlijk een ‘Matthijs van Nieuwkerkje’ krijgen, hoewel het in horeca niet abnormaal is om even tegen elkaar te schreeuwen als er iets misgaat. Je werkt nou eenmaal onder een bepaalde druk en de ene kan daar beter mee omgaan dan de ander. Al ben ik zelf niet snel schreeuwerig (maar wel duidelijk) en raak ik ook niet snel in paniek van een vol terras. Het zijn maar mensen en dan wachten ze maar even. Als ze niet zien dat het druk is gaan ze maar lekker weg. Aart kon weleens flippen, want die zag al die bonnetjes met bestellingen binnenkomen, maar na het werk dronken we weer een biertje samen en waren we het allebei allang weer vergeten. ‘Lekker gewerkt?’ ‘Ja hoor!’

De dagelijkse opmerkingen, beledigingen en scheldpartijen van Aart vielen natuurlijk niet bij iedereen in goede aarde, maar gek genoeg kwamen sommige mensen er echt voor om hem te horen tieren of om zelf een belediging te ontvangen. Sommige gasten leken welhaast masochistisch daarin. Die waren teleurgesteld als ze niet door Aart waren beledigd. Maar dan namen Robin en ik samen soms de honneurs waar.

Toch vond Aart zichzelf geen kok. ‘Ik ben een beunhaas’, zei hij altijd. Hij had er nooit een opleiding voor gedaan. Er werd hem ooit gevraagd of hij broodjes kon smeren. ‘Zeker’, antwoordde Aart en toen had hij een baan.

Als Aart en ik na het werk samen op het terras zaten, hij met z’n wodka en ik met m’n biertje dan mocht Aart ook graag naar voorbijtrekkend vrouwelijk schoon kijken. Dan zag hij een mooie dame achter een kinderwagen lopen en dan was het: ‘Nou, ik zou niet de vader maar wel de dader willen zijn!’ Maar als er dan een vrouw passeerde die aanmerkelijk minder in de smaak viel dan was zijn legendarische uitdrukking: ‘Als m’n lul daarop reageert dan breng ik ‘m naar de Kema!’ De Kema is de goedkope kiloknalslagerij aan de overkant op de Kinkerstraat.

Wat allesbehalve een kiloknalslagerij is is Slagerij Louman in de Jordaan. De beste slagerij van Amsterdam. Daar haalde Aart altijd die verrukkelijke osseworst. Osseworst zonder ‘n’ inderdaad. Mooi broodje, dikke plakken osseworst rode ui, zout, peper en zuur erbij: het is nog steeds een van m’n favoriete broodjes en eens in de zoveel tijd haal ik dan ook even een lekker stuk osseworst bij Louman. De slager op de Goudsbloemstraat waar je echt nog onvervalst Jordaans hoort.

Maar tot mijn grote schrik las ik onlangs dat Louman de deuren ging sluiten! De schrik sloeg me om het hart, waar moet ik nou mijn favoriete osseworst halen? Ik heb best een paar goede slagerijen bij mij in de buurt, maar Louman is echt mijn favoriet. Daar loop of fiets ik echt voor om.

Met paniek in mijn ogen, wat pips rond de neus en met licht trillende stem bestelde ik voor de zekerheid maar twee stukken osseworst en vroeg ik of het echt waar was dat de slagerij per 1 maart zou sluiten. ‘Nee hoor Rod, het gaat om de winkel in Landsmeer. Wij blijven gewoon. Maar je bent niet de eerste die het vraagt, want de hele buurt was in paniek!’


Het nieuws bleek op een nogal verwarrende manier te zijn gebracht. De hele Jordaan plus ik waren in rep roer! Maar gelukkig bleek het loos alarm. En zo kan ik mijn favoriete broodje voor mijn meisje (die inmiddels ook verslaafd is aan specifiek die osseworst) en mij blijven maken.

Aart ben ik al een jaar of acht compleet uit het oog verloren, net als veel mensen. Ik weet eerlijk gezegd niet eens of hij nog wel leeft. Hij lijkt van de Aartbodem verdwenen (ba-dum-tss!!) maar ik denk nog vaak aan hem. ‘Eerst vloeken dan zoeken’, zit nog steeds in mijn repertoire als ik weer eens iets kwijt ben, vloekend door het huis loop en het ding dan op een volkomen normale plek vind. En ik denk vaak aan Aart als ik een broodje osseworst, een broodje zalm met avocado of natuurlijk een uitsmijter maak. En als ik langs de Kema loop moet ik altijd even glimlachen.

Rodweek 198 Zeepsop en pruimenpap

Terwijl in de Jordaan momenteel een grimmig debat gaande is tussen wat zeurende expats en Jordanezen of de oude Westertoren nou wel of niet ‘s nachts mag blijven klingelen werd het symbool van de Jordaan afgelopen donderdag uit volle borst bezongen in het voormalige Rozentheater op de Rozengracht, tegenwoordig heet het Boom Chicago. Jordanese muziek op Jamaicaanse klanken. Jamaica en de Jordaan in innige omhelzing met elkaar. Het was het afscheid van het prachtige muzikale project De Porders. Ik heb de eer en het genoegen gehad om het project bijna letterlijk vanaf het begin te zien ontstaan.

Ik heb in de Melkweg jarenlang samengewerkt met Paul van Musscher. Paul is de drie hoog achterneef van Johannes van Musscher die we beter kennen als Johnny Jordaan. Een jaar of drie geleden had ik eens afgesproken met Paul. Paul kent mijn niet door iedereen begrepen voorliefde voor oude smartlappen.
‘Ik moet je even wat laten horen, Rod. Volgens mij is het een topidee. Jij gaat dit geweldig vinden. Maar je moet er nog wel effe je bek over houden.’ Hij zette een CD-tje op en ik vond het inderdaad meteen briljant: de muziek van Johnny Jordaan op reggae, ska en rocksteady-klanken. Wat een wereldplan inderdaad! Paul is zelf ook al jaren actief als zanger in verschillende bands en zo had hij voor dit project een selectie fantastische muzikanten bij elkaar verzameld uit zijn muziekvriendenkring. Leden van Jah6 die Andre Hazes-nummers op reggaemuziek zingen, leden van de legendarische Haarlemse funkband Gotcha!, Pieter Both van de geweldige reggaeband Beef, multitalent Jaro en hijzelf dus als frontman. Dan praat je over een topbezetting. Mag je dat zo zeggen? Ja, dat mag je zo zeggen, Mart Smeets!

De bandnaam ‘De Porders’ was gauw gevonden. Porders waren mensen die vroeger in de arbeiderswijken van de steden arbeiders wekten zodat ze op tijd op hun werk kwamen. Wekkers waren duur en niet altijd even betrouwbaar. Wie de porders dan weer wakker maakten zodat zij op tijd aan het werk waren weet ik dan weer niet. Jaro zijn opa was porder, Pieter zijn oma pelde garnalen met tante Leen en Paul is familie van Johnny Jordaan. Ze hadden zichzelf dus ook De Garnalenpellers kunnen noemen, maar De Porders bekt natuurlijk net even wat lekkerder.

Het heeft me grote moeite gekost om het geheim te houden want mijn enthousiasme grensde aan hondsdolheid! Ik hoorde er een tijdje niks over, maar in de lente van 2022 was het dan zover. Het eerste spontane optreden van De Porders was, hoe kan het ook anders, op het Johnny Jordaan-plein aan de Elandsgracht. Ook buiten Amsterdam werd het project inmiddels bekend en zo stonden de mannen ineens op de Zwarte Cross. Ik heb nog de twee optredens in het Rozentheater gezien, het theater waar Johnny voor het eerst optrad en waar hij om de hoek in de Rozenstraat is geboren.

Het is fantastisch hoe goed de Jordanese smartlappen zich met Jamaicaanse klanken laten mengen. Noem het Jaimanees. Een prachtige avond waar oude Jordanezen op af kwamen, maar ook jong publiek maakte kennis het het levenslied en het levensverhaal van Johnny Jordaan.

Die laatste avond in het prachtige Rozentheater kon me niet lang genoeg duren. Johnny Jordaan kreeg een dag na zijn honderdste geboortedag nog één keer de eer die hem toekomt. En Paul liet zien dat het muzikale talent in de familie Van Musscher blijft zolang de lepel in de brijpot staat. En Johnny zag dat het goed was. Net als wij. En een pikketanessie ging er zeker in. Eenmaal buiten klingelde de Westertoren nog een mooie toegift voor ons. Voor de jengelende expats en andere zeikerds in de Jordaan die het heerlijke geluid van de pas vier eeuwen oude Wester niet kunnen velen heb ik de wijze lijfspreuk van mijn vroegere buurman: ‘Acceptere of Almere!’

Er bleef op deze magische avond eigenlijk slechts één vraag onbeantwoord:

Wie heeft nou toch die zeepsop in de pruimenpap gedaan?

Een kleine impressie? Klik hier voor wat beelden van vorig jaar.

Rodweek 197 De Stroopwafeljuwelier

September 2010. Real Madrid had zojuist met 3-0 paella gemaakt van Ajax en mijn gabber Rick en ik besloten na de wedstrijd om nog even de Madrileense binnenstad in te duiken voor een klein drankje. Vlakbij Plaza Mayor, een van de drukste pleinen van de Spaanse hoofdstad. We werden gewenkt door een portier. Of we even een drankje kwamen drinken in zijn nachtclub. We hoefden geen entree te betalen. Dat leek ons wel sympathiek en we werden met alle egards binnengehaald. Het was er niet superdruk en ik bestelde twee biertjes. Ik legde een lapje van twintig euro neer in de veronderstelling minstens tien euro terug te krijgen maar ik kreeg slechts een muntstuk van twee euro terug. Ik legde uit dat ik maar twee bier had besteld en de barman legde grijnzend het bonnetje voor mij neer. De twee kleine flesjes bier die ik voor ons had besteld bleken negen euro per stuk te kosten. We waren er ingetuind: een klassieke duik in een toeristenfuik. Ik begreep ineens waarom het daar niet zo druk was. We dronken onze kleine cervezas op en kwamen een paar straten verderop een café tegen waar je voor een tientje een emmertje met vijf koude flesjes bier kreeg. Die deal vonden we toch net wat sympathieker.

Toeristen besodemieteren is al zo oud als de weg naar Rome. Of de weg naar Madrid. Of de weg naar Amsterdam. Geen weldenkende Amsterdammer gaat gezellig een biertje drinken op de Dam in één van de toeristenvallen van Won Yip en co. Daar betaal je standaard teveel geld. Waar ter wereld je ook komt: in de centra van grote steden op of in de nabijheid van de grote pleinen betaal je praktisch overal de hoofdprijs. In de grote stad verkopen ze veel. Helaas ook veel onzin. Een stadsmens heeft daar een radar voor. Ik vind het ook altijd leuker om de echte woonbuurten van een stad te zien. In datzelfde Madrid waar we een biertje van negen piek dronken heb ik in diezelfde week ook de allerlekkerste gazpacho ooit gegeten. Quanta costa? Twee euro. Gewoon in een achteraf steegje in een wijk net buiten het centrum. Nergens meer zulke lekkere gazpacho gegeten. Een tandeloos oud omaatje in de keuken, misschien was dat het geheim. Maar in elk geval alles behalve een toeristenval, want hier at de lokale bevolking gewoon. Ik was de enige toerist.

Afgelopen week viel mijn oog op een foto die op social media werd gedeeld. Een groepje toeristen kocht in de Kalverstraat drie verse stroopwafels bij de Firma Van Wonderen. Nooit van gehoord, maar volgens het logo op het raam bakken ze al sinds 1907 stroopwafels. Dat ik er nooit van heb gehoord kan zomaar kloppen want hoewel ik praktisch achter de Kalverstraat woon mijd ik die straat als de builenpest. De Kalverstraat is net zo’n duffe winkelstraat als die je van Delfzijl tot Terneuzen tegenkomt, alleen dan groter. D’Avenue du Middelmaat. Afijn, daar hadden die toeristen dus stroopwafels gekocht. Drie stuks. Maatje medium, dus niet eens de grootste. Quanta costa? Negenendertig euro. Negenendertig?! Voor drie koekies? Kan toch niet waar zijn? Anders heb ik nog wel een leuke reclameslogan voor ze: ‘’Wil jij je eens lekker laten bedonderen? Eet een stroopwafel bij Van Wonderen!’’

Ik had een vrije middag en besloot maar eens even met eigen ogen bij die stroopwafeljuwelier te gaan kijken of dit echt waar was en geen Tiktok-geintje. Ik bezoek zelf ook graag andere steden, ben makkelijk en allesbehalve gierig met geld op vakantie, maar ik zou bijvoorbeeld echt nooit vijftien euro voor een wafel op de Meir in Antwerpen, vijftien ballen voor een Bratwurst op de Kurfurstendam in Berlijn of twintig pond voor fish en chips op Trafalgar Square in Londen betalen. Dat is gewoon afzetterij. En een belediging van mijn intelligentie als mensen serieus denken dat ik dat soort woekerprijzen ooit zal betalen voor een simpele snack.

Ik dus naar die stroopwafeljuwelier. Een kleine winkel. Er hangt geen prijslijst. Er waren wat toeristen binnen. De ingeblikte cadeauverpakkingen op de schappen waren aan de prijs, maar soit, dan krijg je er tenminste nog een mooi blik bij. Ik was benieuwd naar de prijs van het verse werk. Een medium stroopwafel. Ik vroeg het aan het meisje achter de toonbank, die hoogst verbaasd was dat ik haar in het Nederlands aansprak. En inderdaad: ‘Dertien euro, meneer.’ Ze stotterde er niet eens bij. Droge ogen. Ik zei dat ik dat even niet bij me had en liep de winkel uit. Naast mij rekenden drie toeristen drie medium stroopwafels af. Negenendertig euro. Ze rekenden het zonder morren af. Ongelooflijk. Het is dus echt waar. De Van Wonderen zijn de wereld nog niet uit, zeggen we dan maar. Ik ben ooit gaan schrijven omdat ik me over heel veel zaken verwonder. Met Van Wonderen nu dus als mijn nieuwste verwondering.

Het moeten dan wel heel erg goede stroopwafels zijn. Ik bekeek een recensiesite. Nee dus! Gemiddeld slechts één van de vijf sterren! Van ongeveer honderd recensenten! En heel veel slechte commentaren. Dus die dure dingen zijn nog niet eens te vreten ook waarschijnlijk. Ga je daar dan een stroopwafel eten voor de mooie locatie? Nee. De Kalverstraat is een vieze en te drukke plek. Net zoals de Meir, Kurfurstendam of Trafalgar Square dat ook zijn. Daar kom je ook niet voor de mooie locatie of de geweldige sfeer en al helemaal niet voor kwaliteit. Op dat soort plekken betaal je altijd veel te veel voor fletse middelmaat.

En nou betalen ondernemers op die locaties met de goedkoopste uitstraling misschien de hoogste huren van de stad, maar daar mogen die toeristen dan lekker voor betalen als het ze toch niet uitmaakt. En mensen betalen gewoon zonder klagen (ja, later op internet), dus er is gewoon een markt voor.

En over de markt gesproken: vanmiddag voerde de middagwandeling me naar De Pijp. Dus even de Albert Cuyp op, want ik ben gek op markten. En ja hoor, daar stond mijn heerlijke stroopwafelkraam die ik al jaren ken. Waar je dus echt de lekkerste verse stroopwafels van de stad koopt. Voor een prikkie. Ik had er ineens zo’n gigantische trek in.

‘Doe maar een grote alsjeblieft.’

En dan krijg je dus ook echt een ouderwetse vers gemaakte stroopwafel, bijna ter grootte van een ouderwetse vinylsingle.

‘Drie euro alsjeblieft man!’

Hij smaakte ouderwets lekker en beter dan ooit.

Ik heb nog een aantal exemplaren van mijn bundel Lockdownsyndroom over. Voor een tientje per stuk (ex eventuele verzendkosten), omdat ik in een goede bui ben. Stuur maar een bericht op de socials of naar [email protected] als je interesse hebt. Voor die joet koop je in de Kalverstraat niet eens een stroopwafel , van mijn boek heb je langer plezier en gaat er ook een piekie naar de Voedselbank, dus grijp je kans!

Rodweek 196 Daar is ‘m!

Wat ik misschien wel het mooiste aan België vind is dat het er zo aftands en lelijk kan zijn. Dat begint al zodra je vanuit Nederland met de auto de eerste meters de Belgische snelweg oprijdt. Het hobbelt allemaal net wat meer, er ligt meer troep langs de weg en het landschap en de bebouwing worden er ineens een stuk slordiger. Dat geldt ook voor de steden. Hoe mooi en historisch steden er ook zijn: het is allemaal net wat smoezeliger dan het meer aangeharkte Nederland. We hebben in Nederland ook echt wel onze achterstandsbuurten, maar een echte troosteloze banlieue als Brussel-Noord hebben wij niet in Nederland. Maar ik ben gek op België, vergis je niet. Belgen verstaan de kunst van het genieten als geen ander, daar kunnen wij veel van leren.

Het smotsige wat België dus ook wel weer charmant maakt geldt ook voor de nationale voetbalcompetitie. En zo togen mijn vrienden en ik zowel begin december als afgelopen weekend, eind januari naar het Vlaamse land om wat wedstrijden mee te pikken. Een gemêleerd gezelschap van Rotterdamse en Amsterdamse voetballiefhebbers. De Rotterdamse jongens zijn voor Feyenoord, de Amsterdammers zijn voor Ajax. Lekker stereotype. Wat ons bindt zijn de passie voor het spel, voetbal(supporters)-cultuur en oude vervallen stadions, maar als maizena natuurlijk de humor en de vriendschappelijke band die we al jaren met elkaar hebben. Over onze onderlinge humor ga ik hier allemaal niet uitweiden. Had je bij moeten zijn.

Qua oude vervallen stadions zit je goed in België. Bijna alle clubs uit de hoogste divisie spelen er nog in oude vervallen bakken. Voor de liefhebber: pure stadionporno. Waar in Nederland in de jaren 90 en 00 heel veel oude stadions werden vervangen door veilige, effectieve doch zielloze nieuwbouw in buitenwijken of treurige industrieterreinen vind je in België nog veel oude, matig onderhouden stadions die in een woonwijk staan. Wel wat buiten het centrum, maar wel echt grenzend aan woonwijken. Geen moderne ‘foodcourts’, maar gewoon een kar waar ‘frituur’op staat.

De wedstrijden die wij hebben gezien bestrijken de gehele ranglijst van de competitie, dus we kunnen ons een beeld vormen van het algehele niveau van de Jupiler Pro League.

1. 1 december: RWD Molenbeek- Charleroi 0-0. Een middenmootduel
2. 1 december: Antwerp FC- OH Leuven 1-0. De regerend kampioen tegen een laagvlieger.
3. 26 januari: Cercle Brugge- Standard Luik 1-1. Subtopper tegen middenmoter.
4. 27 januari: Kortrijk- OH Leuven 0-0. Keiharde degradatiekraker tussen de laatste twee.

Drie doelpunten in vier wedstrijden. Dat is al geen dikke oogst, maar dat hadden er eerder minder dan meer kunnen zijn. Het waren alle 4 typische 0-0 wedstrijden. De drie doelpunten die er vielen waren allen toevalstreffers. Ze doen tegenwoordig toch veel met die rare data-cijfers? Bij de meeste wedstrijden was het aantal expected goals echt 0,0 tegen 0,0.

Wedstrijd 1 bij RWDM in het naargeestige Brussel-Noord: wij, mannen van middelbare leeftijd, met gezamenlijk toch een aantal eeuwen aan stadionervaring, waren het er unaniem over eens dat dit de allerslechtste wedstrijd was die we ooit hadden gezien. Zelfs op laag amateurniveau hadden we beter gezien. In de Nederlandse Keukenkampioen Divisie zouden beide ploegen er weinig van bakken.

Wedstrijd 2 bij Antwerp was ik niet bij, maar ik hoorde dat dat ook niet heel goed was en dat de enige goal min of meer toevallig viel. Een van de onzen was toevallig net aan het pissen, dus die heeft een doelpuntloze dag gehad.

Wedstrijd 3 was in Brugge, nummer 7 Cercle tegen de gevallen topclub Standard Luik die tiende stonden. Eerste helft was minimaal zo erg als bij de wedstrijd van RWDM. De tweede helft was ietsje beter en we werden zowaar getrakteerd op twee goals, al waren die eerder toeval dan uit een mooie uitgespeelde aanvallen. We waren allang blij. Zo erg waren we nog niet verwend in België.

Wedstrijd 4. Om het degradatiespook af te wenden moest KV Kortrijk winnen. Misschien lekker opportunistisch voetbal. Er op of er onder! Veel fouten! Een lekkere gekke uitslag! 6-4 of zo! Lang verhaal kort: dat gebeurde niet. Een bloedeloze 0-0. En niet dat die jongens geen inzet toonden: ze konden niet beter. Aan beide kanten. Echt niet. De meest simpele dingen gingen mis. De wedstrijd scoorde hoog op de RWDM-schaal.

Toch vond ik Kortrijk leuk. Kortrijk is een slaperig stadje op de grens met Frankrijk. Het is er, ook op zaterdagmiddag, op z’n aardigst gezegd niet heel erg wild, zo ontdekten we als zes stadsjongens die meer gewend zijn toen we door het stadje heen liepen. We vonden een brasserie die open was om een snelle lunch te nuttigen. Maar zo traag als het leven in Kortrijk gaat, zo traag was ook de bediening. Dus het duurde nogal een tijd voordat de niet al te moeilijke bestelling van een paar croque monsieurs, een opgewarmde lasagne en wat garnalenkroketten op tafel stonden. Het was ook niet bepaald dat de tent uitpuilde. Maar vooruit, we wilden niet gelijk de klagende ‘Ollanders’ uithangen. Zo’n beste reputatie hebben we al niet over de grens.

‘Verwacht u er maar niet te veel van hoor’, vertrouwde de aardige ober ons toe toen we zeiden dat we naar een wedstrijd van KV Kortrijk gingen. We deden lacherig, maar de ober bleek geen woord te veel te hebben gezegd. Zeldzaam armoedig voetbal. Al gold dat voor alle wedstrijden waar we waren. De nieuwe Kevin de Bruyne of Romelu Lukaku liep er bepaald niet tussen.

Hoewel de wedstrijd pas om 16.00 zou beginnen waren we ruim op tijd, want om 14.30 begon het happy hour op het supportersplein! Een happy 10 minuten dan: tot 14.40 konden we gratis bier krijgen! Dat hoef je dorstige Ollanders geen twee keer te zeggen. We mochten allemaal twee grote pinten nemen, dus dat deden we dan ook. Gratis! Kom er in Nederland maar eens om. Bij Ajax betaal je 7,50 voor zo’n unit. Hier kregen we twee grote pinten de neus voor nop! De vreselijke kermismuziek zoals die tegenwoordig bijna overal in en rond stadions wordt gedraaid namen we maar voor lief. Het gratis Jupilerbier vergoedde veel.

De toeschouwersaantallen in België zijn over het algemeen niet erg hoog. Bij de meeste wedstrijden zitten misschien zes a zevenduizend mensen. In Nederland zitten de stadions over het algemeen behoorlijk vol. Het zal ook met het gebrek aan veiligheid, comfort en hygiëne te maken hebben. Bij Cercle was bijvoorbeeld vrijwel elke stoel door vogels onder gescheten. En niemand die er daar aan denkt om daar op een loze dag eens even de hogedrukspuit op te zetten. Pissen doe je nog in zo’n grote pisgoot met van die blauwe blokjes er in om de geur te verdoezelen. België heeft echt nog veel stadions op het hoogste niveau zoals die er in Nederland tot hooguit in de jaren nul waren. Tenzij Telstar of Dordrecht weer eens promoveert. Dan hebben we ook weer een stadionnetje van Belgische allure op het hoogste niveau.

Op de terugweg keken we Heracles-Ajax. We hadden in een kwartier al beter voetbal gezien dan in een heel weekend België. De volgende dag vulde ik thuis met voetbalwedstrijden uit de Eredivisie op TV. Elke wedstrijd van hoog tot laag was vele klassen beter dan alles wat ik in België zag. Feyenoord-Twente was ook 0-0. Maar je hebt 0-0 en je hebt 0-0. Feyenoord en Twente kunnen allebei nog wel iets. De twee 0-0’s die wij in België zagen waren allebei duels van de lamme tegen de blinde.

Maar toch: ondanks het blaartrekkende voetbal kan ik iedere voetballiefhebber aanraden om gewoon eens een weekend met een leuk gezelschap richting de zuiderburen te trekken. Geniet van al het heerlijke dat België te bieden heeft! Lekker eten, lekker drinken. Maak gein met je vrienden en zie een aftandse wedstrijd in een bouwvallig stadion als hinderlijke, maar toch leuke onderbreking van de dag.

En dan, als de bal al eens in de buurt van de goal komt, waan je je even de legendarische Belgische commentator Rik de Saedeleer en roep je heel hard: ‘Daar is ‘m! Daar is ‘m!’

Rodweek 195 Echte Mannen

The Big Lebowski: ‘What makes a man, Mr. Lebowski?’
The Dude: ‘Uhh… I don’t know Sir.’
The Big Lebowski: ‘Is it being prepared to do the right thing, whatever the cost? Isn’t that what makes a man?’
The Dude: ‘Hmmm… Sure, that and a pair of testicles.’

Bovenstaand een fragment uit mijn favoriete film, The Big Lebowski. Het is een vraag die mij ook wel eens bezig houdt: wat is nou een echte man? En ben ik er één?

Aan het basiskenmerk zoals The Dude het omschrijft, het hebben van testikels, voldoe ik.

Maar verder? Wat is nou een echte man? Ik leg mezelf even langs de mannelijke meetlat.

Als ik naast mijn vriend Lex aan de bar zit en hij begint te praten over motoren, brommers, Formule 1, klussen en allerlei technische zaken, dan ben ik hem al snel kwijt. Lex is handig. Hij is timmerman, klusjesman en kan dingen repareren: dat zijn echt van die mannenskills die niet in mijn basispakket zitten. En die ik ook nooit geleerd heb. Als ik een spijker in de muur sla zit heel Amsterdam zonder stroom. Al was dat overigens niet de reden van de stroomstoring die er laatst was! Ik kijk wel beter uit.

Ik heb een handige vader, ik heb ook altijd handige schoonvaders gehad en ik heb genoeg handige vrienden om me heen. Dus de klusjes waar handigheid en een goede motoriek voor zijn vereist laat ik graag aan anderen over. Mijn talent is dan weer wel om handige mensen om me heen te verzamelen. Het is met klussen in huis gewoon beter en leuker voor iedereen dat ik de catering verzorg. Daar ben ik dan weer goed in. Ik ben een zorgzame man die mensen graag in de watten legt. Dat maakt mij dan ook uitermate geschikt voor horeca. Ik maak het mensen graag naar de zin. De jaarlijkse vergaderingen in ons pand zijn ook altijd bij ons. Dan is er voor iedereen genoeg te te eten en te drinken. Helaas waren mijn verzorgende skills niet genoeg om verpleegkundige te worden, wat ik ook nog een blauwe maandag heb geprobeerd. Dat was helaas niet mijn pad.

Auto’s! Je hebt toch wel iets met auto’s? Nog zo’n ‘mannenman’-dingen waar ik niks mee heb: ik heb nog nooit enig gemotoriseerd voertuig bestuurd. Ik nooit ook zelfs maar de lichtste ambitie gevoeld om een rijbewijs te halen, een motor te hebben of zelfs maar om een een brommer of een scooter te besturen. Met jongens die vroeger aan brommers en auto’s liepen te sleutelen in het fietsenhok had ik nooit zoveel gespreksonderwerpen. Dat was hun ding. Ik liep liever aan meisjes te sleutelen.

Computertechniek dan? Hou op met me! Ik weet nog net hoe dat ding aan en uit moet en hoe ik mijn columns kan posten. Voor de rest weet ik er helemaal niks van.

OK: sportief dan? Je kan toch wel iets mannelijks? Nee. Ik kijk heel graag naar sport in het algemeen en voetbal in het bijzonder. Ik praat en schrijf er veel over. Ik weet er ook veel van. Mensen betalen mij soms voor mijn voetbalschrijfsels en zijn benieuwd naar mijn meningen over wedstrijden, maar ik heb zelf nul komma nul balgevoel en de motoriek en de souplesse van een blok beton. Mijn beste positie is aan de zijlijn van het veld of op de tribune.

Ik ben dan wel weer heel competitief in spelletjes. Ik wil altijd winnen als ik weet dat ik minimaal gelijkwaardig ben in het spelletje.

Muziek dan? Zelfde verhaal als met voetbal. Ik weet er van alles vanaf. Ik presenteer muziekquizzen, schrijf er soms over, maar ik kan niet zingen, ik heb nul ritmegevoel en ik kan ook geen instrument bespelen. Een elektrische triangel misschien als ik m’n best doe.

OK. Niet technisch, weet niks van computers, is slecht in sport en kan ook geen instrument spelen.

Godsamme, wees toch eens ergens een vent in! Rod, je bent een kroegtijger. Altijd al geweest. Drinken, roken en vrouwen! Daar hou je van. Maar ook weleens een beetje vechten? Lekker beuken tegen andere testosteronbommen? Hard schreeuwen tegen andere mannen? Ook al niet. Ik ben totaal niet agressief aangelegd. Ook niet met een stoot drank in mijn mik. Van de paar keer dat ik, met wisselend succes, heb gevochten heb ik nooit de eerste klap uitgedeeld en was ik sowieso niet de agressor. Het zit er simpelweg niet in. Als het dreigend wordt loop ik liever weg dan dat ik het tot een fysieke confrontatie laat komen. Ik heb daar gewoon nooit zo’n zin in.

Goed, verder op de mannenschaal: ooit gedacht om een gezin te stichten?

Gezin, met kinderen maken en zo? Dat stond nooit hoog op mijn prioriteitenlijst. Ik vind het proces van kindjes maken bijzonder leuk, maar daar houdt het wel bij op. Ik hoef ze niet per se als onderdeel van mijn gezin te hebben. Wat overigens niet betekent dat ik een zure kinderhater ben. Ik vind het hartstikke leuk om op te passen, er mee door te stad te lopen en om met ze te ouwehoeren. De meeste kinderen zijn cool. Maar ik moet ze wel snel terug kunnen geven aan de rechtmatige ouders. Daarbij heeft mijn meisie er al eentje van 23 die op zichzelf woont, dus die is af. Daar hoeven we niks meer aan te doen.

OK Rod, dan moet je toch op z’n minst een huis hebben gekocht? Wel, dat is er nooit van gekomen en tenzij de loterijballetjes een keer leuk vallen of ik een enorme bestseller ga schrijven zie ik het er ook niet meer van komen. En al helemaal niet in mijn onbetaalbare stad. Daarbij woon ik al op de mooiste plek van mijn favoriete stad voor een betaalbare huur en dat is me bijzonder veel waard. Daardoor kan ik werken om te leven en leef ik niet om te werken.

Godver, ook al geen eigen koophuis. Wat kan jij nou wel als man? Jagen, ouwe, jagen! Toch? Er zit toch wel iets van een man in je? Welnu, het enige jachtinstinct dat in mij zat was op het jagen van rokken in het hoofdstedelijke nachtleven. Ik was altijd op jacht als een nachtluipaard. Sluipend en loerend op een vrouwelijke prooi. En daar was ik dan ook redelijk bedreven in. Dat is toch wel een goeie mannenskill? Maar na een lange en intensieve safari als nachtluipaard ben ik inmiddels alweer een paar jaar onder de pannen bij de vrouw van mijn dromen. En over pannen gesproken: daar ben ik dan ook wel weer handig mee. Ik kan goed koken. En daar wordt mijn meisie ook blij van.

De vrouw die de motorisch gestoorde, onhandige, atechnische, asportieve, aritmische, competitieve, geweldloze, kinderloze, rijbewijsloze nachtvlinder die schrijver dezes is toch maar mooi in haar armen heeft gesloten. Ze zal er altijd voor me zijn. En ik zal er altijd voor haar zijn en voor haar zorgen, koste wat kost en onvoorwaardelijk, zoals ik er ook tijdens haar ziekte altijd voor haar was. Misschien maakt dat me een echte man, Mr. Lebowski? Uhh.. Ja, dat. Oh ja, en de testikels.

Rodweek 194 2023 Kankerjaar


Of ik geen gezelligere titel kon bedenken om 2023 in één woord samen te vatten? Nee, eigenlijk niet. En ik gebruik de titel ook niet als scheldwoord. Ik vind ‘kanker’ als bijvoeglijk naamwoord namelijk altijd zo armoedig en ordinair klinken, dus ik scheld daar nooit mee. Mensen die praten in lelijke termen als ‘kankervet’ of ‘kankerhard’: zouden ze zelf horen hoe naar en dommig ze overkomen? Ik ben bang van niet. Nee, een kankerjaar, dat was gewoon wat ons jaar was. 2023 stond voor Mo en mij volledig in het teken van kanker. Als het jaar in het teken van appelvlaaien had gestaan had deze column ‘appelvlaaienjaar’ geheten. Of Ibrahim Appelvlaai om het wat poëtischer te maken.

Maar nee, wij werden het hele jaar bezighouden door kanker. Eind 2022 stapten we verplicht de spreekwoordelijke achtbaan in en nu eind 2023 zijn we uitgestapt. En net als in een echte achtbaan klommen we soms hoog en dan raasden we daarna weer hard naar beneden. Een van de eerste dringende en ook enigszins dwingende adviezen die we kregen nadat Mo de diagnose had gehad: blijf zoveel mogelijk leuke dingen doen. En dat hebben we dan ook gedaan. Veel op vakantie, dagjes uit of lekker een avondje met vrienden: het ging gewoon allemaal door. Behalve dat Mo er dan wel wat eerder af lag dan normaal en de dag daarna hartstikke doodop was gaf het haar ook veel energie.

We hebben dus zeker niet alleen maar zielig in een hoekje zitten huilen. Daar is nog nooit iemand beter van geworden. We zijn allebei mensen die positief en vrolijk in het leven staan, dus naast gevoel voor tumor behielden we gelukkig wel ons gevoel voor humor. Toen Mo eens een beetje druk was zei ik dat ik naar het ziekenhuis zou bellen of ze er nog zo’n zakkie in konden druppelen. Tram 2 die we de chemokar noemden. Toen ik haar Het Spook van de Stopera noemde, toen ze er niet op haar paasbest uitzag. Om dat soort grappen konden we samen dubbel liggen.

Maar ze had natuurlijk ook vaak genoeg de energie van een dood paard. Dat even de was ophangen al een immens karwei was. Gelukkig waren we in de prettige omstandigheid dat ik als copywriter mijn werk fijn thuis kan doen en zo veel tijd had om voor Mo te zorgen en het huishouden draaiend te houden. En we hadden gelukkig ook allemaal lieve mensen om ons heen die ons met van alles hielpen. En gelukkig hebben wij veel vrienden die er in goede en slechte tijden voor ons zijn, dat bewees dit jaar.

Terwijl wij dus zelf in onze achtbaan zaten kregen ook andere mensen in onze directe omgeving met de ziekte te maken. ‘Het heerst’, zeiden we op een gegeven moment.

Tegelijk met Mo ongeveer werd ook onze kat Eva ziek. En dat ging steeds sneller. Ik ben echt bang geweest om allebei mijn meisjes te verliezen. Het werd alleen Eva. Mijn poes voor het leven, het bleef bij twee keer zeven. Na dik veertien jaar vertrok Eva zoals ze ooit bij me kwam: op schoot. En vlak voordat Eva naar de eeuwige vogeltjesjachtvelden vertrok overleed Mo’s beste vriendin Agnes plotseling. Die had ik nog nooit ontmoet en dat zou een keer gaan plaatsvinden, maar dat is er dus helaas nooit van gekomen. Eva en Agnes verlieten ons dus allebei en vlak na elkaar in maart. Dat was alles bij elkaar wel de slechtste maand van 2023.

In zo’n verschrikkelijk jaar als 2023 hoopte ik me vast te kunnen klampen aan iets wat me nog plezier zou kunnen geven: Ajax. Helaas bleek mijn club ook doodziek te zijn en heb ik het bij leven nog mee moeten maken dat mijn club op de laatste plaats heeft gestaan en dat er, om 2023 maar in stijl af te sluiten, van een amateurclub werd verloren.

En dan het nieuws met als voornaamste narigheid de oorlogen in Rusland en de Oekraïne en in Israël en Palestina. Het is om treurig van te worden. En dan al die mensen die denken een partij te moeten kiezen. Alsof het een voetbalwedstrijd is. Ik ben voor niemand. Oorlogen worden gevoerd over mensenruggen. Ik ben voor al die onschuldige mensen. Aan die kant sta ik. Die leiders geven geen shit om de gewone mensen, die geven alleen maar om macht.

En onze eigen politieke klimaat, hier in Nederland, is natuurlijk ook om te janken. Dat is de echte klimaatcrisis. Vroeger had je op verjaardagen of aan de kerstdis altijd die ene foute iets te rechtse oom. Kijk naar de stemuitslag: tegenwoordig heb je een huiskamer vol. En de tantes doen ook gezellig mee. Het is er niet leuker op geworden en daar hebben de afgelopen kabinetten het zelf naar gemaakt. Ze hebben een partij die leeft op onvrede royaal gevoed, met deze verkiezingsuitslag als logisch gevolg.

De vrolijke noot van 2023 kwam in november met ons bezoek aan de Poezenboot. Daar werden wij verliefd op twee jonge poezen en die vrolijken ons leven sinds die tijd weer helemaal op. Ouwe en Dibbes hebben we ze genoemd. Ze zijn acht maanden oud. Allebei geboren net nadat Eva is overleden. Als ik een zweefteef was geweest dan zou ik schrijven dat Eva die twee naar ons heeft gestuurd.

Mijn wens voor volgend jaar: dat we allemaal maar gezond mogen blijven en dat de zieken zullen genezen. En dat die domme oorlogen eens stoppen. Dan kan ik deze column in 2024 ‘Vredesjaar noemen’ en dat klinkt toch een stuk gezelliger dan ‘Kankerjaar’, toch?

Iedereen fijne dagen, blijf gezond en wees een beetje lief voor elkaar.

Rodweek 193 Nog een keer naar de Roxy?

Tijdens een van mijn dagelijkse wandelingen viel mijn oog op een poster die op een elektriciteitskastje hing. In schreeuwerig zwart-geel werd gevraagd of we nog een keer naar de Roxy wilden, de legendarische club aan het Singel van Peter Giele en allebei al een kwart eeuw ter ziele.

De hartelijkheid en het uitnodigende vond ik zo grappig ironisch aan die poster. Alsof iedereen welkom is. Iedereen die de jaren negentig in Amsterdam heeft meegemaakt weet dat helemaal niet iedereen welkom was in de Roxy. Die hut had een nogal berucht deurbeleid. De twee broertjes stonden er vaak aan de deur. En daar was lastig langs te komen tenzij je bij het clubje chosen few met een felbegeerd Roxypasje hoorde. Of je moest een verdomd lekker wijf wezen. Nou had ik én geen Roxy-pasje en ik was ook al geen lekker wijf, dus ik was kansloos. Hoe je aan zo’n pasje moest komen was het best bewaarde geheim van Amsterdam. Ik was gewoon een jong gozertje gekleed in een vale spijkerbroek, een Nirvana- of De La Soul-shirtje en lopend op sportschoenen. Ik was bepaald niet het prototype gast dat ze binnen wilden.

‘Jij komt er niet in, guppie!’
‘Ga eerst maar eens andere schoenen aantrekken’
‘Op zoek naar meisies? Daar aan de overkant is de Odeon’
‘Besteed jij je geld maar bij de kapper en ga je scheren, dus scheer je weg!’

Dat soort teksten slingerden de broers eruit.

Er was altijd wel een reden om mij en/of mijn vrienden te weigeren dus na een keer of vijf kansloze pogingen was ik daar wel klaar mee. Dan maar niet mee met de Amsterdamse extravaganza. En toen werd het zomer 1998. Ik was op stap geweest geweest in Paradiso, zinnens om naar de Korsakoff te gaan en buiten kwam ik twee jongedames tegen waarmee ik een paar weken eerder een modeshow mee had gelopen! Jawel, die loopbaan op de catwalk heb ik ook nog kortstondig gehad. Het waren twee plaatjes van vrouwen. Champions League materiaal. Twee tienen die als twee elfjes om me heen dansten en die kirrend vroegen of ik mee wilde naar de Roxy. Flinke jongen van 21 die dan nee zegt. Hoewel ik dus al een keer of vijf niet langs de sterke armen van de broertjes was gekomen achtte ik mijn normaal gesproken kansloze kans met deze twee trofeedames aan mijn zijde toch ineens een stuk kansrijker. En dat klopte ook. De meisjes waren, niet geheel onterecht, graag geziene gasten en zij hadden uiteraard zo’n pasje, al hadden ze die niet eens nodig. Natuurlijk kenden die meiden de portiers en in hun gezelschap vormden mijn vale spijkerbroek, mijn grunge t-shirt, mijn sportschoenen, lange haren en ongeschoren bakkes ineens geen enkel beletsel en gingen de armen van de broertjes ineens opzij. En zo betrad ik dan eindelijk de Roxy. Dus dit was het dan. Hier kwam tout hip en extravagant Amsterdam dansen en sjansen. Dit was dus het grote uitgaanswalhalla. Hier was dus de navel van de wereld. En ik stond daar zomaar tussen. En ik werd geflankeerd door twee fotomodellen.

Lang verhaal kort: ik vond er geen reet aan. Dit was niet mijn sfeer.

Na een uur liet ik de mooie meiskes en de Roxy weer achter me en ging gewoon weer naar de plek waar ik me wel altijd thuis voelde: de Korsakoff. Een ervaring rijker en een illusie armer. Ik zou er ook nooit meer terugkeren. De jaren negentig in Amsterdam waren geweldig. Als ik één tijd nog eens over zou willen doen dan is het die tijd. Een stad in alle staten. Korsakoff, Melkweg, Paradiso, Vaaghuyzen, Soundgarden, Maloe Melo, Mazzo, The Minds, Vrankrijk: dat was mijn scene. De Roxy scene was totaal niet aan mij besteed, dat vermoeden had ik al, maar ik wilde het toch graag even zelf zien.

Een jaar na mijn korte bezoek fikte de Roxy af. Op de begrafenis van Peter Giele nota bene vatte de hut vlam door onvoorzichtigheid met vuurwerk. Ironisch omdat zijn levensmotto was dat het ene vuur het andere vuur aanstak.

De ‘Rookzie’ noemden we het een beetje flauw smalend, nadat de tent in rook was opgegaan. Maar ik verwijt de broertjes niks. Dat mijn vrienden en ik er altijd werden geweigerd was achteraf begrijpelijk. Dit was gewoon niet onze wereld, dat wisten wij en dat wisten zij nog net iets beter. Maar omdat ik altijd geweigerd werd wilde ik het toch per se eens zien.

Maar nog een keer de Roxy? Nee, dank je. Nog een keer de Korsakoff? Ja, graag! Gelukkig zijn er eens in de zoveel tijd nog Korsakoff revival feestjes en ben ik weer even terug in mijn favoriete tijd. Het wordt trouwens ook wel weer eens tijd!

Een van de portiersbroertjes van de Roxy is inmiddels overleden, vernam ik laatst. Het deurbeleid aan de hemelpoort is helaas een stuk minder streng.

Ho ho ho! Stop niet met lezen. Zoek je nog een leuk, origineel en gesigneerd cadeautje voor onder de kerstboom? Persoonlijke boodschap erbij? Ik heb nog wat exemplaren van mijn bundel Lockdownsyndroom liggen. Laat hieronder of op Facebook een reactie achter of stuur me een mailtje naar [email protected]. Quanta Costa? 15 piekies als je ‘m op komt halen in Amsterdam-Centrum of € 19,50 als ik de postduif of de rendieren van de kerstman aan het werk moet zetten.

Rodweek 192 De Cupido van het Waterlooplein

‘De liefde, ach ja, de liefde. Daar zouden ze eens een liedje over moeten schrijven.’ Een prachtige quote van Theo Maassen die ik zelf graag gebruik. De liefde: het kan je laten opstijgen en laten vliegen, maar het kan je ook laten neerstorten in een diep ravijn. Ik weet er alles van als voormalig brokkenpiloot in de liefde.

Als barman heb ik als stiekeme voyeur liefdes zien ontstaan en ontluiken als een mooie bloem of totaal zien verwelken als een plant die te lang geen water heeft gehad. En alles daar tussen in. Ik herken een Tinder-date op een kilometer afstand. De ietwat schichtige om zich heen kijkende man of vrouw die kijkt of de date er al zit. De blije blik die zegt ‘Jaaa, precies zoals op de profielfoto!’ of de blik van teleurstelling als blijkt dat de date een profielfoto van veel te lang geleden heeft gebruikt. Alsof je een mooi hotel hebt geboekt, maar per ongeluk in de hotelgids uit 1986 hebt gekeken en nu naar een oud vervallen gebouw zit te kijken.

Of je ziet de mensen die overduidelijk op een one night stand uit zijn. Dat ze de deur uitlopen en dat je denkt ‘als dat geen neuken wordt…’ Of mensen die lust met liefde verwarren. Zo eentje was ik er vroeger zelf ook nog weleens, dus ik herken dat gedrag onmiddellijk.

Maar ik ben na een lange en intensieve zoektocht inmiddels compleet gelukkig in de liefde en dat gun ik iedereen. En ik help ook graag. Soms bewust en soms onbewust.

Zo was ik gisteren aan het werk in Café Waterlooplein 77. Een mooie oude kroeg in de Amsterdamse binnenstad. Het café is een mooie mengelmoes van buurtbewoners, lokale dronkaards en vooral veel studenten van de Film- en Theateracademie die om de hoek zit. Als ik 25 jaar jonger was geweest had dat zomaar een van mijn jachtgebieden kunnen zijn. Ik was echt een jager. Altijd op zoek naar een prooi. Die onrust heb ik gelukkig niet meer.

Op tafel 3 zaten een jongeman en een jongedame. Ik schatte ze eind twintig. Terwijl ik aan het werk was observeerde ik ze een beetje. Ze waren aardig tegen elkaar, maar ook wat aftastend. ik vermoedde een date. Maar ineens werd zij wat verwijtend naar hem. Er werd met vingers gewezen. Ze verhief haar stem. Hij bleef cool, maar niet op z’n gemak. OK, die kennen elkaar dus langer, constateerde ik. Ik was tussen het serveren van de drankjes door een beetje mijn eigen playlist aan het samenstellen. Mooie liedjes. Ik zette ‘Be my Baby’ van The Ronettes op. Een juweeltje uit de jaren 1964. Ineens ontdooide de jongedame en er werd zelfs ineens gezoend. Met tong. Er werd in elkaars ogen gekeken en ik zag dat ze lieve woorden tegen elkaar uitspraken.

De jongedame rekende af. ‘Dank je wel dat je dat liedje van The Ronettes opzette. Je hebt zojuist onze relatie gered. Ik wilde het namelijk vanavond hier met hem uitmaken. Maar dit is ons liedje en toen smolt ik. Ik wil het nog een nieuwe kans geven.’
‘Heel goed lieverd. Jullie zijn hartstikke leuk en knap samen. Wees lief voor elkaar!’, zei ik met enige senioriteit, terwijl ik zelf ook een beetje smolt.

En daar liepen ze gearmd de deur uit. Nog even zoenen op de stoep. En ik dacht heel lief: ‘Als dat geen neuken wordt…’

Iets later op de avond zat er een ander stel aan de bar. Ik kende ze al van een eerder bezoek. Ook leuke mensen van rond de dertig. Zij was ijskoud en bitchy tegen hem. Hij werd gefusilleerd met een mitrailleursalvo aan verwijten en hij keek mij af en toe een beetje wanhopig aan met een blik van ‘Broer, wat doe ik fout?! Help me!’ Uiteindelijk bleven zij samen als enige gasten in het café over en toen besloot ik, aangemoedigd door mijn eerdere succes als Cupido, eens te kijken of ik nog eens raak kon schieten. Ofschoon mijn schone wederhelft weleens anders beweert: zo romantisch als mij worden ze niet vaak gemaakt!

Even de helpende hand bieden. Ik richtte mij tot de dame die chagrijnig en ijzig aan de bar zat, terwijl haar vriend op het toilet wat warmers in zijn hand nam: ‘Lieverd, wat is jullie favoriete liedje? Echt jullie liedje.’
De ijskoningin ontdooide ineens en straalde: ‘Groot Hart van De Dijk’
‘Dat is inderdaad een prachtig nummer van misschien wel de mooiste Nederlandstalige band ooit’, zei ik.

Ik zette het liedje op en toen kwam haar vriend van het toilet. En ook hij straalde ineens. We zongen het lied met z’n drieën mee en proostten nog met een drankje. Daarna moest ik sluiten en moest ik het lot aan de liefde overlaten. Ze keken ineens weer verliefd naar elkaar. Ik wenste het stel een mooie nacht en veel liefde toe. ‘Wel lief doen voor elkaar nu, oké?, voegde ik er met mijn romantische senioriteit nog even aan toe’. Het stelletje liep gearmd de deur uit en ze zoenden innig op de stoep. En ik dacht heel lief: ‘Als dat geen neuken wordt…’

En blij en tevree dat ik op één avond twee relaties gered had sloot ik de hut af en liep weer naar huis, waar mijn eigen meisie in bed op me lag te wachten. Ik neuriede ‘Be my Baby’ van The Ronettes en dacht heel lief ‘Ja, het is toch fijn dat er weleens mensen liedjes over de liefde hebben gemaakt. Als dat geen…’

Ho ho ho! Stop niet met lezen. Zoek je nog een leuk, origineel en gesigneerd cadeautje voor onder de kerstboom? Persoonlijke boodschap erbij? Ik heb nog wat exemplaren van mijn bundel Lockdownsyndroom liggen. Laat hieronder of op Facebook een reactie achter of stuur me een mailtje naar [email protected]. Quanta Costa? 15 piekies als je ‘m op komt halen in Amsterdam-Centrum of € 19,50 als ik de postduif of het paard van Sinterklaas aan het werk moet zetten!

Rodweek 191 Brrrussel

Het is elk jaar weer spannend. Zodra de loting voor het Europese avontuur van Ajax bekend is gaan de raderen bij mijn vrienden en mij draaien. Er zijn drie steden waar we dan uit kunnen kiezen. We zoeken het liefst de leukste stad uit, of anders een stad waar we toevallig allemaal tegelijk heen kunnen. Hoe ouder we worden en hoe meer verantwoordelijkheden er komen hoe lastiger het wordt om een trip te regelen, maar toch slagen we er al jaren in om minimaal een keer per seizoen met elkaar op Europese uittrip te gaan. En zo hebben we samen al flink wat van Europa gezien met Ajax.

Dit jaar viel de keuze op Marseille. Niet dat we Marseille nou zo’n toffe stad vinden, maar omdat het simpelweg de enige stad was waar we allemaal tegelijk konden zijn. Even een paar dagen uit de tentakels van het gewone dagelijkse leven ontsnappen. We waren dit keer wel zo slim om een annuleringsverzekering te nemen, want de situatie in Frankrijk wil nog wel eens vervelend zijn. En ja hoor: het dreigingsniveau in Frankrijk staat vol op standje ‘aan’ en Marseille is sowieso een ruige stad, dus Ajaxsupporters waren niet welkom. Jammer, maar helaas. Voor het eerst in flink wat jaren ging onze trip niet door. En na de winterstop is het maar afwachten of onze club nog Europees actief is én of wij überhaupt meekunnen.

Jammer. Gelukkig belde mijn vriend Luuk me gelijk op of ik dan interesse had om mee te gaan met een trip van Santos Magazine. Er ging ook een groep gozers uit Amsterdam en Rotterdam mee die mij zeer welbekend zijn. Met een hele ploeg voetbalnerds naar twee wedstrijden op een dag in België, RWDM-Charleroi en Antwerp-Leuven. Een mooi Plan B! Hartstikke leuk, maar de trip was helaas al volgeboekt. Van plan B door naar plan C: ik boekte van het geld dat ik van de Marseilletrip terugkreeg een weekendje Brussel voor mijn vriendin en mij en dan konden we in elk geval mee naar de Brusselse wedstrijd! RWDM is een kleine club in België, een laagvlieger, dus kaartjes aan de poort kopen moest geen probleem zijn. Toch nog een buitenlandse voetbaltrip!

Het hotel dat ik had geboekt lag niet al te ver bij het stadion van RWDM in Molenbeek vandaan, pal achter station Brussel-Noord waar we aankwamen met de trein. Nou schrik ik niet snel en hoeven steden van mij echt niet aangeharkt te zijn, maar vergeleken bij Brussel-Noord zijn de slechtste buurten in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam paradijselijke oorden. Wat een naargeestige gribus. Ik was weleens eerder in Brussel geweest, maar toen verbleef ik in de stedelijke grandeur van het centrum. En ik heb niks tegen buitenwijken, sterker nog, die vind ik vaak leuker omdat die vaak meer echt de stad ademen en geen toeristenfuiken zijn, maar Brussel-Noord raad ik niemand aan.

Enfin, de wedstrijd was om 16.00 dus nadat Mo en ik in ons matige hotel hadden ingecheckt togen wij met de bus naar het stadion. Ruim op tijd om de Santos-bus op te wachten, een kaartje te kopen en iets te eten. Vanuit de Santos-reis was één deelnemer afgevallen dus er was een kaartje over. Hoefden we er nog maar eentje zelf bij te kopen. Top!

RWDM-Charleroi, een wedstrijd tussen twee degradatiekandidaten. Vergelijkbaar met een affiche als Volendam-Vitesse op dit moment. Wij liepen naar het hek om wat suppoosten te vragen waar we een kaartje konden kopen. Antwoord: kon niet!!! Dit degradatiepotje werd gezien als een risicowedstrijd, dus het was sinds de avond ervoor niet meer mogelijk om nog een kaartje te kopen. Mooie klotezooi. Waren we hiervoor naar dat aftandse Brussel-Noord gekomen. Ik wilde Mo niet alleen laten, maar zij stond er op dat ik met de jongens mee zou gaan.

Daar kwam de bus met de Santos-boys. Na de hartelijke begroeting moesten we naar de tribunes en daar trok ome Luuk zijn supporterstrukendoos open. Iedereen had immers een kaartje behalve Mo en Luuk probeerde met een combinatie van Frans en Engels (Hoewel Brussel tweetalig is heb je aan Nederlands weinig in Brussel) aan de suppoost duidelijk te maken dat ‘Madame Mo’ haar kaartje was kwijtgeraakt. Mo trok er een Oscarwinnares-waardig droevig gezicht bij, de suppoost trapte er in en Mo mocht met ons doorlopen. Een prachtige glipactie van mijn Leidse Glibber!

In het stadion, vergelijkbaar met een stadionnetje als dat van RKC, was het ijskoud. Brrr! En het voetbal was ook allesbehalve hartverwarmend. Sterker nog, iedereen van onze groep (allemaal voetbalsupporters die al een lange loopbaan op de tribunes hebben) was het over eens dat dit echt de allerslechtste voetbalwedstrijd moet zijn die er ooit is gespeeld. De kans dat je de loterij wint is groter dan dat je ooit zo’n beroerde wedstrijd voor je kiezen krijgt. Het was dus ijskoud, maar voor de tweede keer trad Luuk op als reddende engel voor mijn meisie: hij had teenwarmers bij zich! Dus Mo had lekkere warme voetjes.

De wedstrijd eindigde logischerwijs zoals die begonnen was: 0-0, vrijwel geen kansen gezien. De beide ploegen hadden dit beter schriftelijk af kunnen doen. Ik keek naar mijn koukleumende meisie en dacht: ‘Kolere, die moet echt wel van me houden als ze zelfs hier met me mee naar toe wil gaan.’

Na afloop van deze moeder aller baggerwedstrijden gingen de Santos-mannen weer verder door naar Antwerp FC en Mo en ik gingen weer terug naar Brussel-Noord. Tijd om wat te eten. Punt is alleen dat er in onze best lange straat, de Rue de Brabant, alleen maar smoezelige snackbars, kebab- en dönertenten waren. Allemaal niet erg uitnodigend, maar we hadden echt wel trek. We kozen een willekeurige hut uit. Ik heb zelf het grootste deel van mijn leven in Amsterdam-West gewoond: dat soort achenebbisj tentjes kunnen zomaar juweeltjes zijn waar je de lekkerste hamburger ooit eet. Ik heb in Bangkok in een achterbuurt fantastisch gegeten in een restaurant waar je je hond niet eens zou laten schijten en in Madrid in een morsig restaurantje in een achteraf steeg de beste gazpacho ooit gegeten, gemaakt door een tandeloos oud omaatje. Lang verhaal kort: zo was het niet in Brussel-Noord. Ik ben absoluut geen snobistische connaisseur en ik kan uitstekend op goed snackvoer leven, maar dit was de meest gore hamburger en de meest vieze patat die ik ooit heb proberen te eten. Geprobeerd dus. Na twee happen was ik er klaar mee, Mo hield het iets langer vol. Het lekkerste van het menu was het blikje cola dat we erbij namen.

Voor een enigszins redelijke ontbijttent was het de volgende ochtend ook nog flink zoeken. Om mijn meisie toch te overtuigen dat Brussel best leuk is namen we de trein naar Centraal Station. In drie minuten reis je van gribus naar grandeur. Brussel heeft een mooi centrum, we kregen eindelijk fatsoenlijk eten, maar het was alleen zo stervenskoud dat we toch eerder weer terug naar Amsterdam zijn gegaan.

Het was brrr in Brussel, maar we geven Brussel in de lente of zomer weer een nieuwe kans. Alleen dan niet in Brussel Noord. Hoewel Brussel Noord in die zin uniek was dat ik er de slechtste wedstrijd ooit heb gezien, het goorste hamburgermenu aller tijden heb gegeten en dat het in West-Europa de meest smotsige buurt is waar ik ooit ben geweest. En die herinnering is ook wat waard. Anders heb ik tenslotte niks meer te schrijven.

Hohoho, nog niet stoppen met lezen! Wil jij nog een origineel en gesigneerd kerstcadeau voor onder de boom of heb je mijn bundel Lockdownsyndroom per ongeluk nog niet zelf gekocht? Dat kunnen we regelen. Ik heb nog een aantal exemplaren liggen. Voor 15 euro kun je het afhalen in Amsterdam-Centrum en voor 19,50 stuur ik het naar je op. Laat een reactie achter of stuur een bericht naar [email protected]


Rodweek 190 Circus Pff…

‘Oh nee, Rod, doe het niet, doe het alsjeblieft niet, hou je in, hou nooouuuuu iiihhiiiin, lieve ome Rod, ouwe dibbes! Dit wordt alleen maar gezeeeiiiiheeeik en geklooooohoooot!’, dacht ik nog voor het schrijven van deze column. Maar ik doe het toch: een column schrijven over politiek. Ik probeer me op mijn socials doorgaans zo ver mogelijk van politieke onderwerpen te houden. De reden is dat het, zeker als je een uitgebreide contactenlijst op die socials hebt, met mensen van diverse politieke pluimage (ik sluit niemand om politieke voorkeuren uit, tenzij het echt radicale gekken zijn) te maken hebt. En daar zitten dan ook altijd net iets te fanatieke internetschreeuwers tussen die hun meninkje er door willen persen. Die via hun toetsenbord gaan blèren tegen mensen die ze in het echte leven niet kennen. De zogenaamde toetsenbordhelden, u kent ze wel. Ik ook helaas. En daarom prefereer ik om mijn socials gewoon zoveel mogelijk te vullen met leuke en gezellige onderwerpen. Poezenplaatjes, columns, aptoniemen, foto’s of leuke columnquotes uitproberen. Ik heb wel meer te doen dan semantische discussies aan te gaan met mensen met wie ik het toch nooit eens word en ik heb ook geen tijd en geen zin om domme fitties tussen mensen op mijn tijdlijn te modereren.

Maar vandaag wil ik het dus even wel over ‘de polletiek’ hebben. Ik werd vanmorgen, net als iedere andere Nederlander wakker in een land waarin de PVV de grootste partij is. Dat is bizar. Dat ik het nog mee moet maken. 2023 is een raar jaar. Ajax heeft laatste gestaan en de PVV heeft ineens de grootste lul: hoe dan?!

In het geval van Ajax is het simpel: wanbeleid en de lul van Marc Overmars. In willekeurige volgorde. De PVV de grootste: wanbeleid van de VVD. Dertien jaar ‘kutte onder Rutte’ die grote onvrede onder de bevolking tot gevolg hebben gehad. Dat de PVV gisteravond de grootste partij is geworden is zoals je dat in het Engels mooi zegt: ‘An accident waiting to happen.’ Rutte heeft het verkut, veel mooie praatjes, lekker alles weglachen, maar ondertussen kunnen veel mensen amper hun boodschappen betalen en kan vrijwel niemand meer een woning vinden. En die lieve Dilan Yesilgöz met haar brugklasstem doet ook alleen maar loze beloftes waar niemand iets voor koopt. Mensen zijn klaar met dit soort gelul en ik snap het. De oude politiek had de macht en die hebben ze door hun eigen salonfähigheid zelf uit hun poten laten kletteren. De arrogantie van de macht. Het heeft zich nu tegen zich gekeerd. En dan kan ik als linkse stemmer heel hard gaan huilen dat het allemaal zo gemeen is en boehoehoe, maar de uitslag van gisteren kon je van minimaal tien kilometer zien aankomen. En hij was nog harder dan iedereen kon denken.

De PVV is een monster en dat monster voedt zich met onvrede. En laat die onvrede nou toevallig net in overvloed aanwezig zijn in ons landje. Het monster vreet z’n buikje rond. En dat hebben de gevestigde partijen aan zichzelf te danken. Je kunt PVV-stemmers niet zomaar als domme xenofobische boeren wegzetten. Het is gewoon de teleurgestelde arbeidersklasse die zich niet meer kan vinden in de oude linkse politiek. En hoe win je deze mensen weer terug? Bijvoorbeeld door minder in oude links/rechts-dogma’s te blijven hangen.

Ik zal van mijn leven nooit PVV stemmen. En ook geen VVD. Ik ben ook een gozer uit de arbeidersklasse en iemand die het beste voorheeft met iedereen, dat laatste mis ik nogal eens bij rechtse partijen. Die zitten er vooral voor zichzelf. Pluchepakkers. Kom je dus al snel uit bij de linkervleugel. Groen Links/SP, dat is mijn hoek, hoewel ook niet in alles. PvdA is al jaren VVD-light. En uitgerekend die gingen samen met Groen Links. Daar had ik in het begin nog wel wat verwachtingen van maar toen Frans Timmermans aan het roer kwam wist ik genoeg. Frans Timmermans is de ultieme salonsocialist, met z’n enorme 17 kamer-huis, z’n dikke pens, z’n royale salaris, bonussen, wachtgeld en de privéjet waarin hij graag met vriend Diederik in vliegt. Links lullen, rechts zakkenvullen en geen idee hoe arbeiders leven en sappelen. Joop den Uyl zou zich in zijn graf omdraaien. En toch heb ik op die fusiepartij gestemd. Niet op hem, natuurlijk niet, maar op een Groen-Linkse mevrouw uit die partij. Ik heb met frisse tegenzin op die partij gestemd, Alsof je verplicht een hapje uit de kattenbak moest eten. SP is te klein en ik wilde per se niet dat Wilders het zou worden. Ik ben dus gewoon zo’n lul die strategisch heeft gestemd. Mijn hart zegt SP.

Ik heb de debatten gevolgd. Omzigt hield zich staande maar is iets teveel een christelijke schoolmeester die te ver van het volk afstaat, Dilan vertelde vooral graag hoe ontzettend klaar ze er voor is en strooide met wat loze beloftes net als haar voorganger en Frans Timmermans was de hopeloze verliezer met z’n gegoochel over cijfers en z’n klimaatstokpaardje. Maar wie liep er na elk debat lachend en als glansrijke winnaar de studio uit: Geert Wilders. Wat je ook van de man vindt: hij is een geweldige debater en altijd goed voor een mooie one-liner. Zo moest ik best wel lachen toen hij de bolbuikige Timmermans in het VI-debat voor joker zette: ‘U kunt wachten tot u een ons weegt, mijnheer Timmermans. Maar dat kan in uw geval wel even duren.’ En hij sloeg ze allemaal links en rechts om de oren met hun eigen uitspraken. Hij won die debatten fluitend. Daar heeft hij geweldig mee gescoord in het land.

Mijn bezwaar tegen Wilders is dat ik nooit zou stemmen op iemand die mensen uitsluit (in zijn geval met name de Moslimgemeenschap) en discrimineert. Iemand die woorden als ‘kopvoddentax’ in de mond neemt. Iemand die polariseert in plaats van verbindend is. Dat is niet mijn volk.

Wie wel mijn volk is is mijn gabber Mounir die ik al bijna dertig jaar ken. Mounir is geboren in Marokko, opgegroeid in Amsterdam-Oost en net zo Nederlands en Amsterdams als ik, maakt net zulke platte grappen als ik, maar vergeet nooit zijn Marokkaanse roots. En hoewel hij moslim is drinkt hij ook graag een biertje met mij. Dan kijkt Allah maar even niet. ‘Hutspot met couscous’ noemde ik hem laatst toen ik hem sprak in zijn nieuwe woonplaats Amersfoort. Mounir schrijft ook en op een hele leuke verbindende wijze. Ik moet altijd erg lachen om zijn geschreven dialogen tussen Mounir en zijn Nederlandse tokkiebuurman Arie. Arie spreekt Mounir steevast aan met ‘Ali Baba’ of ‘Kameel’, maar ondertussen hebben ze tijdens hun gesprekken ook lol met elkaar en zien ze elkaars positieve kanten en respecteren ze elkaars cultuur. Ze kunnen niet met en niet zonder elkaar.

Mounir vertelde over zijn helaas overleden vader die bij de eerste lichting Marokkaanse gastarbeiders hoorde (‘toen vonden ze ons nog leuk’, lachte Mounir bitterzoet). ‘Mijn vader had een pleurishekel aan die Marokkaanse straatcrimineeltjes die de boel liepen te verzieken in de buurt. Die jochies maken alles stuk wat wij hebben opgebouwd. Ze hebben geen idee hoe goed ze het hier hebben.’ En dat is waar de oude politiek veel op heeft verloren.

Dat verbindende wat Mounir heeft heeft Wilders niet en dat gaat ie ook niet meer krijgen op z’n oude dag.

Daarnaast ís PVV Geert Wilders. En niemand anders. Net als dat de LPF alleen Pim Fortuyn was en FvD alleen maar Thierry Baudet is (inmiddels een marginaal splinterpartijtje). Toen Fortuyn door een extremistische idioot werd vermoord werd pijnlijk duidelijk dat er onder hem alleen maar kneuzen zaten (weet je nog, sukkels als Mat Herben en Herman Heinsbroek) en in de PVV zitten types als Fleur Agema, die engerd Dion Graus en nog een stapeltje brandhout. Mocht Wilders onverhoopt iets overkomen dan is die partij dus overgeleverd aan mensen die hem totaal, maar dan ook totaal niet kunnen vervangen.

Onder de zetel van Wilders zitten alleen maar clowns. Ik heb clowns nooit leuk gevonden. Weet je wat het is, je kunt de clowns wel naar het Torentje brengen, maar dat maakt ze geen regeerders. Het maakt van het Torentje een circus. Het doodvermoeiende Circus Pff…