Rodweek 53 Gebreide Condoom

Eerlijk is eerlijk. Ik verdien bakken met geld. Althans, dat moet ik iets nuanceren: ik verdien het wel, maar ik krijg het niet. Toch klaag ik niet. Ik heb een mooi huis in een prachtige buurt dat ik makkelijk kan betalen, ik heb elke dag goed te eten en te drinken, de kat heeft ook nog geen dag honger geleden, ik heb een seizoenkaart voor mijn favoriete voetbalclub, ik kan een paar keer per jaar op vakantie, ik kan af en toe uit eten, ik kan mijn biertjes in de kroeg betalen en als ik iets nodig heb dan kan ik dat kopen. En geloof me dat ik er een aardig Bourgondisch consumptiepatroon op nahoud. Met andere woorden: ik heb het beter dan pak ‘m beet 70% van de wereldbevolking. In zowel materieel als immaterieel opzicht heb ik compleet niets te klagen. Dat hebben veel van de Nederlanders die nu met een geel hesje aanlopen ook niet. Een inkomen, een dak, vreten, eventueel een auto en op vakantie kunnen: zo ongeveer iedereen met een middeninkomen, zoals ik, kan zich die luxe permitteren.
Lees verder

Rodweek 52 Toen was gelul nog heel gewoon

Wat zijn we toch een uniek volkje. Er bestaan geen mensen op de wereld die discussies zo tot snot kunnen koken als Nederlanders. De spruitjes van je ouwe opoe zijn er niks bij. We lullen maar en we lullen maar en uiteindelijk zitten we muurvast tegenover elkaar met de hakken in het zand. Nederlanders, van welke afkomst ook, lijden chronisch aan ‘De Ziekte van  Ja maar’. Ik heb het buitenlandse vrienden weleens geprobeerd uit te leggen hoe Nederlanders discussiëren: het duurt en het duurt maar en het duurt bijkans eeuwig voor er iemand oplossingsgericht denkt, want we willen allemaal ons gelijk doordrukken.  De zinnen in een Nederlandse discussie beginnen (en gaan oneindig door) dus vaak met de woorden ”Ja maar…”

En dus zijn we de eerstkomende jaren nog niet verlost van de Zwarte Pieten-discussie. Wie mij een beetje kent weet aan welke kant ik sta: Zwarte Piet, ouwe rups, je hebt je langste tijd gehad. Tradities en cultuur zijn nooit voor eeuwig en altijd aan verandering onderhevig. Dat heet beschaving. Als alle tradities voor eeuwig zouden zijn zouden we hier nog steeds aan palingtrekken, hanengevechten en katknuppelen doen, zou slavernij nog bon ton zijn en zouden kinderen op school nog steeds met een liniaal op hun vingers worden geslagen. En over al die verschillende dingen hebben we op een bepaald moment in de geschiedenis ook besloten dat ze toch niet meer zo van deze tijd zijn. En die weg gaat Zwarte Piet ook bewandelen. We leven niet meer in het naar die tot snot gekookte spruitjes van je opoe geurende roomblanke Nederland van de jaren vijftig. De samenstelling van de bevolking is nogal veranderd sinds die tijd en niet iedereen voelt zich nog prettig bij de negerkarikatuur die de Piet al enkele decennia is. Lees verder

Rodweek 51 Rodzooi’s Rapsodie

Op 24 november 1991 lag ik ziek in bed. Een griepje. Rillend lag ik naar ‘’MTV news’’ te kijken, het was in de tijd dat het op MTV nog voornamelijk over muziek ging. En daar kwam het nieuws  dat mijn griepje even in een ander perspectief plaatste: Freddie Mercury was dood. Die had een wat heftiger griepje onder de leden. Als ik het ontstaan van mijn muzieksmaak een geboortedatum mag geven dan zeg ik 13 juli 1985, de dag van het legendarische Live Aid-concert op Wembley. Ik wist niet wat ik zag. Ik was acht jaar en vooral volkomen gegrepen door het optreden van Queen in het algemeen en het charisma van Freddie Mercury in het bijzonder. Hij was mijn eerste muziekidool. Mijn muzieksmaak kreeg later nog ontelbare, niet allemaal levensvatbare vertakkingen, maar Queen is zonder meer mijn eerste muziekliefde. Ik heb er nog altijd een zwak voor.

Dat zwak voor Queen heeft niet iedereen. Mijn goede vriend Remi bijvoorbeeld. Ik heb jarenlang popquizzen met hem gemaakt. Met veel muziek zaten we op één lijn, maar een Queen-fragment kreeg ik er in al die jaren echt nooit doorheen gedrukt. Remi is een notoire Queen-hater en weigerde halsstarrig om ook maar iets van Queen in onze quizzen te stoppen.  Onbegrijpelijk maar waar. Lees verder

Rodweek 50 De Laatste der Nokiakanen en Joop Appzeiker

Jarenlang waren mijn Nokia en ik onafscheidelijk. Althans, ik was serieel monogaam. Als er eentje stuk ging kocht ik gewoon voor een geeltje een nieuwe op de Kinkerstraat. Ik kon er mee bellen en ik kon er een berichtje mee versturen. Meer had ik niet nodig. Buienradar? Je merkt het toch vanzelf als het regent? Ja, het is kut en vervelend. Maar smelt je er van? Nou dan. GPS? Je hebt toch een mond om de weg te vragen als je de weg even niet weet? Ik heb mij, sinds de komst van de mobiele telefoon eind jaren negentig altijd prima gered met een eenvoudige telefoon. En soms ook zonder. Echt waar! Ik vind het zelfs wel eens fijn als ik de telefoon thuis ben vergeten. Lekker: de hele dag niet gebeld kunnen worden. Geen blabla aan je kop. Zalig. En voor de komst van de mobiele telefoon in de jaren negentig, hoe deden we dat toen ook alweer? Oh ja: Gewoon, afspreken: 15.00 Leidseplein. En als je afspraak er om 15.15 niet was liep je weer weg en ging je gewoon je eigen ding doen. Dat we die barre tijd overleefd hebben, het mag een godswonder heten. Lees verder

Rodweek 49 Snollentosti

Op de één of andere manier kom ik haar heel vaak tegen tijdens mijn postrondes. Het maakt niet uit op welk tijdstip ik aan mijn wandeling begin. Of ze roept naar me vanaf een terras waar ze koffie zit te drinken en sigaretjes aan het roken is of ze hangt ineens uit het raam in haar woning in de Egelantiersbuurt: ‘’Hey ouwe sodemieter. Ben je er weer? Lekker aan de wandel vandaag? Heb je nog post voor me, lieverd?’’ Dat is zo’n beetje haar standaardbegroeting naar mij. Ik schat haar op een lente of zeventig. Ze heeft een doorleefde kop en een stem die minstens vijf decennia twee pakjes sigaretten per dag roken verraadt. Toch heeft ze een gezonde kleur op haar gezicht. Een goeie teint. Ze is vaak buiten. Dat is altijd goed voor een mens.

Ik heb,  behalve van haar achternaam, want die staat op haar post, geen idee wat haar voornaam is. Ik denk Ria of Rietje. Alle oudere Jordanese vrouwen die ik ken heten om onverklaarbare redenen altijd Ria of Rietje. Dus laat ik haar voor het gemak maar Rietje noemen. Rietje heeft, met die doorgerookte stem van haar, zo’n zangerig Jordanees accent dat zo plat is als een Mokumse patatduif die zes keer een heipaal op z’n treiter heeft gehad. Wie zegt dat er in de Jordaan geen plat Amsterdams meer gepraat wordt kent Rietje niet. Of is nooit bij slagerij Louman in de Goudsbloemstraat geweest, maar nu dwaal ik af. Rietje en ik maken altijd even een kort praatje. Dat gaat nooit over grote dingen. Gewoon, een klein praatje over het weer of zo.

En zo kwam ik haar afgelopen dinsdag weer tegen. ‘’Zo, ouwe sodemieter, je treft het maar weer met het zonnetje vandaag! Het blijft maar lekker!’’, riep ze mij vanaf een terras op de Prinsengracht toe.
‘’Het is heerlijk, en dat half oktober, maar wordt ook weer een keer november en december, dus ik geniet er nog maar van zolang het duurt. ’’
‘’God, jongen, je hebt gelijk. Hou op met me. Ik haat die kutherfst en ook die vreselijke winter. Die kou. Gadverdamme! Doe mij maar lekker in het zonnetje, veel beter! ’’
‘’Wat u zegt. Doe mij maar de zon. U heeft ook een gezond kleurtje.’’
‘’Ja, jongen, ik pak elke zonnestraal die ik ken pakken. Als er één streep zon in die stad is loop ik er in, maar volgende maand moet ik toch maar weer eens naar die snollentosti in de Nieuwe Leliestraat , ik wil dat kleurtje wel een beetje vasthouden.’’

Snollentosti. Ze zei het gewoon. Ik vind het één van de leukste Amsterdamse woorden die ik ken. Voor wie het woord niet kent: snollentosti is een fijn plat Amsterdams synoniem voor zonnebank. Ik ken het woord al jaren, maar ik hoor het nooit bijna nooit iemand gebruiken. En daar, op de Prinsengracht, terwijl de Oude Wester op ons neerkeek, bezigde een gezellige oude Jordanese mevrouw van zeventig dat prachtwoord.  Mijn hart maakte een vreugdesprongetje. We babbelden nog wat, we lachten nog wat en even later liep ik weer vrolijk verder. Op zonnige dagen als deze is er geen fijner werk denkbaar als postbode zijn in de Jordaan. Maar op een waterkoude regenachtige novemberdag vervloek ik deze beroepskeuze nog wel eens, zo’n opportunistisch stuk vreten ben ik dan ook wel weer.

Maar zover is het nog niet. Ik verleng de zomer gewoon nog even. Deze zomer, die toch al een klein half jaar duurt, heeft me eigenlijk nog niet lang genoeg geduurd. Daarom ga ik maandag lekker een paar dagen naar Sevilla. Daar is het nog een uitermate sfeerverhogende 28 graden. Nog even een lekkere kleur oplopen voor het weer november wordt. Daar heb ik de snollentosti niet voor nodig.

Rodweek 48 Mimosa

Het was zo’n dag dat ik zin in had om iets heel erg lekkers te drinken, maar ook in iets gezonds. Daar is de ‘Mimosa’ voor uitgevonden. Ooit in 1925 bedacht in het Ritz Hotel in Parijs. Voor wie niet weet wat het is: men neme een groot glas met veel ijs en vult dat voor de helft met bubbels (Cava , Prosecco of als je echt rijk bent Champagne). En dat top je dan af met versgeperste jus d’orange. Het liefst nog een drupje Cointreau erbij en eventueel garneren met een schijfje sinaasappel, maar dat is geen must. Het is hoe dan ook een makkelijke en uitermate sfeerverhogende cocktail waar je erg van in de zomerse stemming raakt. Mimosa, onthoudt die naam.

Ik onthoud de naam Mimosa al sinds 1986, maar dan om een geheel andere reden dan om dat lekkere drankje. In de lente van 1986 boekten mijn ouders voor het eerst een gezinsvakantie naar het buitenland. Voor mijn zusje (toen bijna 6 jaar jong) en ondergetekende (9 lentes jong) werd het onze eerste buitenlandse vakantie. De reis ging helemaal naar Spanje, naar Lloret de Mar. Mijn ouwelui hadden daar een, volgens de vakantiegids, charmant en kindvriendelijk hotel op 100 meter van het strand en  met zwembad uitgezocht. Vervoer per luxe touringcar. En dat voor een prima prijs. Het kon niet op. Lees verder

Rodweek 47 Soms moet je hard zijn.

Eigenlijk had ik gistermiddag tijdens een lange wandeling een column bedacht waarin ik de VVD en hun leider, de man die onze premier acteert, helemaal zou fileren. Ik zou dan beginnen met de twee helden van Mark Rutte te noemen: Clown Bassie en volkszanger John de Bever. Boven het eenpersoons bedje van Rutte hangt namelijk groot de lijfspreuk van Bassie: ‘’Wat er ook gebeurt, altijd blijven lachen!’’ en die spreuk gaat de hele dag als een mantra door zijn hoofd. En onze Mark speelt elke ochtend bij het opstaan de piratenhit van John de Bever ‘’Jij krijgt die lach niet van mijn gezicht!’’

Zodoende is het verklaarbaar dat onze premier vrijdagavond zo vrolijk met zijn VVD-vrindjes op het strand van Scheveningen stond bij het concert van Anouk. Lachend op een Twitter-selfie van die olijke CDA-snaak met z’n krokodillenleren schoenen, die mediageile Hugo de Jonge. Terwijl de rechtervleugel het daar dus uitstekelbaars naar de zin had en genoot van elkaars warmte werd een kleine 50 kilometer verderop door de Rechtbank in Amsterdam ijskoud besloten dat het leven van twee Armeense kinderen die getogen zijn in Nederland voorgoed verkloot zou worden. Weg met jullie, rot maar op naar je eigen land, stomme kutkoters. We moeten jullie niet. Dat was vrij vertaald de kille boodschap aan de kinderen.  ‘Want soms moet je hard zijn’, aldus onze premier vlak voordat hij weer lachend naar het strand ging. Buitenlandse criminelen, teruggekeerde Jihad-strijders en misdragende asielzoekers laten we lekker hier blijven en twee getogen Hollandse kindertjes die het hartstikke leuk doen in onze samenleving die gooien we de grens over, want die zijn vervelend. En waarom moeten die asielprocedures zo idioot lang duren? Kan iemand mij van al die dingen de logica uitleggen? Want ik snap het niet zo goed.   Lees verder

Rodweek 46 Kikkerlikkers van ’t padje

De meest hilarische naam die de afgelopen week voorbij kwam is die van de bushcrafter die een tijdje optrok met de verdachte van de moord op Nicky Verstappen, toen deze nog geen verdachte was. Bushcrafters zijn mensen die kunnen overleven in de natuur met middelen uit de natuur. Die man heet Erik van ’t Padje! Naast dat het een grappige naam is (zeg die naam maar eens hardop), is het ook een juweel van een aptoniem. Een professionele padvinder die ‘Van t Padje’ heet. Ik vind dat soort dingen dus oergeestig.

Zoals ik ‘van ’t padje zijn’ sowieso een fijne uitspraak vind. Ik bezig ‘m ook bijzonder graag. Iemand die na 87 bier niet meer uit z’n woorden komt en de wereld aanziet voor een kaassoufflé is gewoon flink van ’t padje. Maar waar komt die uitspraak vandaan? Lees verder

Rodweek 45 Vlindermoer

Dat ik al mijn geld met mijn handen verdien is natuurlijk de dijenkletser van de eeuw. Ik heb een aangeboren onhandigheid die je bepaald niet tutoyeert. Daar zeg je met recht ‘U’ tegen. Dat ligt natuurlijk deels aan mijn weinig verfijnde motoriek. Mijn vader kocht ooit, toen ik nog een kleine brokkenpiloot was, eens een speelgoedautootje voor mij. Of het echt niet stuk kon, vroeg mijn vader. De verkoper sloeg en gooide met dat ding, haalde er allerlei capriolen mee uit en inderdaad dat kreng was niet stuk te krijgen. Ik speelde er een paar minuten mee: autootje total-loss. Alles kan stuk bij mij! Misschien dat ik daarom ook wel voetbalsupporter ben geworden. Een tweede verklaring is mijn eveneens aangeboren gebrek aan geduld: iets moet meteen lukken, anders word ik narrig. Helaas helpt een motorische gestoordheid daar niet bij. Tel daarbij dat nou niet bepaald iedereen in mijn omgeving mij vroeger al te veel stimuleerde om een Handige Harry te worden. Daarvoor heb ik vriendelijk uitgesproken teksten als ‘’Nee, bemoei jij je daar nou maar niet mee’’en  ‘’Nee, dat kan jij toch niet’’’ net iets te vaak gehoord. Lees verder

Rodweek 44 Rock ’n Rollator en een zure pislucht

Het zijn van die berichten waar ik zo intens blij van kan worden. Twee ouwe knakkers uit een Duits bejaardentehuis die vorige week de pleiterik maakten uit hun verzorgingstehuis en terug werden gevonden op Wacken, het grootste metalfestival ter wereld. Ik hoop, als ik zo’n gezegende leeftijd mag bereiken, dat ik ooit ook nog zo’n geintje kan uithalen. Ik ben sowieso best benieuwd hoe bejaarden er over twintig, dertig of veertig jaar uitzien. Ik ben nu 41 lentes jong en ik voel me ook nog jong. In mijn jeugd zagen mensen er vaak al vrij jong vrij oud voor hun leeftijd en ze waren ook vaak best oud voor hun leeftijd. Kijk maar eens naar een voetbalplaatjesalbum uit de jaren tachtig. Jongens van 25 zagen er uit alsof ze ouwe kerels van 45 waren. Met hun snorren en hun apenkapsels.

Niet dat iedereen er nu alleen maar fantastisch uitziet, maar mensen lijken gewoon wat jonger in deze tijd. En oude mensen waren ook echt oude mensen. Opa’s in pakken, met een jenever en een bolknak en oma’s in bloemetjesjurken aan de sherry, dat werk.
De eerste generatie punkers is nu tussen de 55 en de 65 jaar. Die lopen over twintig jaar dus achter hun rollator in hun Ramones-shirtje en hun ouwe spijkerbroek. Geen oubollige ouwe Nederlandse liedjes meer zingen in de aula onder leiding van een verzorgster die doet alsof je niet alleen oud maar ook debiel bent, maar keiharde punk door de gangen van het bejaardentehuis! De generatie daarna de hiphoppers, de generatie daarna de housers en een paar generaties daarna de mensen die met Dreetje Hazes en Lil’ Kleine zijn opgegroeid. Ik vond dertigers vroeger al hoogbejaard, maar hoe gaan bejaarden er uit zien als ik echt oud ben? Ik vraag het me weleens af. De foto bij deze column komt uit 2006. We waren na Ajax wezen drinken bij ’t Loosje op de Nieuwmarkt en zagen deze rollator op het terras staan. Ik was 29 en ouderdom was nog heel ver weg. We dreven gewoon de spot met ouderdom. Toch herinner ik me dit fotomoment als de dag van gisteren en dat geeft aan hoe snel de tijd gaat. Voor je het weet ben je gewoon ook echt op een rollatorleeftijd..   Lees verder