Rodweek 67 Ode aan ome Piet: acceptere of Almere


Gisteravond was ik aan het werk in De Toog. De wind en de regen hadden behoorlijk wat mensen de lust tot uitgaan ontnomen en dus had ik niet al te veel te doen. Maar wel net genoeg om open te blijven. En toen stond ineens mijn ouwe buurman voor mijn neus, Dave. Dave was mijn buurman in de jaren negentig, in Bos en Lommer. Ik had hem sinds mijn verhuizing ook nooit meer gezien. Je weet hoe dat gaat als je verhuist: ‘’Ja we houden contact!’’ Niet dus.

Maar uit het oog is wat mij betreft niet uit het hart en dus was het weerzien hartelijk. Dave woonde nog steeds in onze ouwe buurt. Ik vroeg hem of ome Piet nog leefde. Ome Piet was mijn onderbuurman. Een prachtige ouwe Amsterdammer, met een accent dat zo plat was als een kanariepiet die onder een wild stampende heipaal heeft gelegen. Mooie vent met heerlijk vette verhalen en hilarische uitspraken. En z’n vrouw, tante Jopie, die dan maar weer hoofdschuddend naar de keuken liep als ome Piet, bulderend van het lachen,  weer eens een van zijn talrijke, meestal behoorlijk stoere, anekdotes opdiste. Tante Jopie had die verhalen natuurlijk al minstens driehonderd keer gehoord of was er bij, dus die ging dan lekker zitten puzzelen in de keuken en zette voor ons een biertje neer.

Met ome Piet en Tante Jopie heb ik nog wel een tijd contact gehouden.  Bracht ik eten langs of ging ik gewoon even langs om te ouwehoeren. Maar ook dat verwaterde op een gegeven moment, zo gaat dat. Toen ik daar woonde was ik begin 20 en zij ergens dik in de 70. Ze waren een soort bonus-opa en oma voor mij: als ik ergens mee zat ging ik naar hun toe. Tante Jopie was niet zo spraakzaam,  maar dat compenseerde ome Piet ruimschoots. Die zei alles wat voor z’n bek kwam. Als het weer eens uit was met een vriendinnetje zei ome Piet steevast: ‘’Jonge, laat dat wijf verrekke, je hep twee hande om te trekke!’’

Ik was begin twintig en zat behoorlijk in mijn wilde tijd. Ik werkte ook toen al in het nachtleven en als ik dat niet deed ging ik tot diep in de nacht uit en een feestje daarna schuwde ik ook niet. De jaren negentig in Amsterdam waren één groot feest voor mij. Daarna heb ik ook altijd leuk gehad, maar de jaren negentig waren wel echt buitencategorie leuk.
 
Maar toch, ik wil niemand tot last zijn en dus vroeg ik ome Piet of hij wel eens last van mij en mijn nachtelijke escapades had.
‘’Welnee jonge, dan ligt het gehoorapparaat toch al op het nachtkassie. Jij moet lekker geniete. We hebben totaal geen last van je. Mensen wie zeike over overlast, hou op met me. We wonen in Amsterdam boven op elkaar gestapeld. Laat ze opsodemietere. Natuurlijk hoor je wel eens wat, maar ik zeg altijd maar zo: acceptere of Almere!’’

Een heerlijke uitspraak die ik nog steeds gebruik als ik mensen hoor zeiken en klagen over de lasten van de grote stad. Ga weg.

Maar terug naar Dave in de kroeg. Ik vroeg hem of ome Piet nog leefde. Hij had slecht nieuws. Ome Piet  is vorig jaar gestopt met roken en Bos en Lommer en de pijp uitgegaan. Nou is ome Piet 95 geworden, dus om het op z’n Amsterdams te zeggen ‘niet in de wieg gesmoord’, maar ik vond het toch kut om te horen. Tante Jopie was al een tijdje geleden gaan hemelen, ik ben nog op de begrafenis geweest, maar nu zijn ze weer  samen. Waarschijnlijk zit ome Piet in het hiernamaals stoere verhalen te vertellen en loopt tante Jopie weer hoofdschuddend weg.  Ome Piet,  bedankt, ik heb van je genoten.  

Rodweek 66(6) Met Dikke Dennis in Canada, deel 2

Nadat we de sleutels van onze luxe kamers hadden gekregen besloten Dennis en ik om gelijk de buurt te gaan verkennen. Meteen dus naar die platenzaak en daarna de winkelstraat in. Die was niet eens supergroot, maar aangezien Dennis overal wat wilde eten en ik hier en daar wel een biertje lustte duurde het nog tamelijk lang voor we de straat door waren. In één van die tenten kwam ik toen ook voor het eerst in aanraking met het rookverbod. Daar was in Nederland nog totaal geen sprake van. Alle cafés en concertzalen stonden nog blauw. Ik weet nog dat ik het heel onwerkelijk vond om te zien. In Nederland kwam het rookverbod pas een jaar of zes later.

We begonnen onze weg in de stad al snel te vinden en we haalden elkaar elke ochtend op. Ik logeerde op de vijftiende etage, daar mocht ik roken en Dennis op de vijfde.  Toen ik op een ochtend weer op zijn deur klopte hoorde ik een brullend ‘’WACHT EFFE! IK KOM ER AAN!’’, gevolgd door het geluid van een leeglopend bad. ‘Dennis’ en ‘gêne’, zijn twee begrippen die niet samengaan en dus deed Dennis tot mijn verbazing in zijn blote reet de deur open. Daar stond dan ineens 160 kilo getattoeerd en gepierced vlees in vol ornaat voor me. ‘’Ga maar effe TV kijken of zo! Ik kom er zo aan!’’ En inderdaad, terwijl ik op zijn bed TV lag te kijken kwam hij er even later aan, slechts gehuld in een klein onderbroekje.

‘Zo, Rod, wat zijn de plannen?’
‘Nou, misschien als eerste dat jij je even aankleedt.’

Op dag vier was het dan eindelijk zo ver: de opnames voor onze reclame. We moesten er al vroeg zijn. Suzanne en onze chauffeur pikten ons om 6.30 uit het hotel op. Ik was toen en ben nog steeds geen ochtendmens, zeker niet om 6.30, maar Dennis had gelijk het hoogste woord. Ik moet altijd een beetje in de dag komen, maar hij stond gelijk op AAN.

De opnames waren in een supermarkt in een buitenwijk van Vancouver. Daar maakten we kennis met de productiecrew, cameramensen en de regisseur. En iets later met de figuranten. De figuranten waren ook veelal Nederlanders die als kind in Canada waren komen wonen. Sommigen spraken ook nog een beetje Nederlands.

Ik had dus de meest ongemakkelijke outfit ooit aan. Een soort tape dat om me heen was gewikkeld. De reclame had een soort kinky thema, want zo zien alle mensen in het vrijgevochten tolerante Nederland er kennelijk uit. Weten die Amerikanen en Canadezen veel. De figuranten waren aardige mensen die dachten dat wij ontzettend bekende sterren waren in Nederland, dus we lieten ze in die waan, maar één figurant vond zichzelf een wereldbekende ster. Die man, een man van middelbare leeftijd, had vaker gefigureerd. In series als LA Law of Married With Children had ie wel eens een kopje koffie geserveerd of mocht ie een zinnetje zeggen en daar deed ie heel hoogdravend over. ‘I’m an actor’, zei hij ook de hele tijd en hij liep de regisseur en de crew ook de hele tijd ongevraagd van tips te voorzien. Een ontzettende moeimaker. De regisseur werd dus ook een beetje heel erg moe van hem en bedacht iets geniaals. Die ‘actor’ was gekleed in een leren string, of zoals je dat in de Jordaan noemt: een holleeder. Een cruciale scene zou zijn dat hij op de parkeerplaats zou fietsen in die string, zo maakte de regisseur onze potentiele Oscar-winnaar the cat wise.

Dus die man heeft echt de hele opnames, urenlang, in z’n string over die parkeerplaats gefietst en dat nam hij ook echt serieus. Terwijl wij ‘m stonden uit te lachen. Natuurlijk is dat materiaal nooit gebruikt voor welke scene dan ook, maar we waren tenminste de rest van de opnametijd van hem verlost en hij kreeg ook gewoon keurig z’n figurantenvergoeding en eten tijdens de pauzes. Maar no way dat hij in het filmpje zou komen. Dennis en ik lagen in een deuk toen die regisseur dat vertelde. Zoals we trouwens sowieso veel lachten tijdens de opnames. Maakte één van ons weer een flauwe grap of iemand liet een scheet en dan lagen Dennis en ik alweer dubbel van het lachen. Ik weet niet hoe blij de figuranten daarmee waren want we vertraagden de boel af en toe wel behoorlijk met onze grappenmakerij.

Maar goed, rond 20.30 stond alles er op en mochten we weer terug richting het centrum van Vancouver alwaar wij ons laafden en copieuze hoeveelheden eten, Dennis gretig gebruik maakte van de unlimited cola refill en ik genoot van een welverdiende pint bier na gedane ‘arbeid’, voor zover het de naam ‘arbeid’ mocht dragen.

Een paar maanden later kwam de reclame dan ook echt uit op de Britse TV. Zo’n zestig miljoen Britten hebben in 2003 een jaar lang de aller slechtste Heinekenreclame ooit gezien. En een paar maanden later belde een vriendin me gierend van het lachen op vanuit Frankrijk  dat ze de reclame had gezien op het reclamefilmfestival in Cannes.  Bij mijn toenmalige werkgevers De Melkweg en de Universiteit van Amsterdam werd ik regelmatig herkend door Britten die daar kwamen (‘Are You the Heinekenman?’)  en moest ik ook vaak met ze op de foto.

Nee, de best ‘actors’ van de wereld waren Dennis en ik zeker niet, maar we hebben een tof avontuur  gehad, een geweldige stad gezien en er een leuke duit mee verdiend . Ik zou deze trip zo weer doen, samen met die brulboei uit de Jordaan.

Oh ja, deel één van dit feuilleton lees je hiero

En voor die wereldreclame van ons, klik hiero



    



Met Dikke Dennis in Vancouver, deel 1

2002, Lowlands. Ik sta met een duf katerhoofd in de Charlie-tent want daar gaat dadelijk Peter Pan Speedrock optreden. Een band waar ik op dat moment veel naar luister. De mascotte annex brulboei die elke show ook een paar nummers meespeelt is Dikke Dennis, beroemd en berucht in het Amsterdamse uitgaansleven. Dennis komt op met een bloedende cokeneus en krijst zijn hitje ‘Schoppen Aas’ door de volle tent. Het is nog redelijk vroeg op de dag, maar iedereen is gelijk wakker.

Later die week word ik voor een casting uitgenodigd. Het gaat om een reclame voor Heineken voor de Britse markt, maar ze willen per se Nederlanders als hoofdrolspelers. Er zijn veel mensen op de auditie afgekomen en ik verwacht, met nul acteerervaring dan ook niet dat ik word uitgekozen. Dat gebeurt dus wel. Ik schiet tijdens de auditie een keer onbedaarlijk in de lach en dat vond de media-afdeling bij Heineken zo grappig dat de keuze op mij viel.

Dennis was ook op de casting. Om een vriend daar naar toe te brengen. Maar toen ze Dennis zagen wilden ze niet de vriend, maar Dennis. En dan was er nog Juliette. Een dame met acteeraspiraties en zangeres in een punkbandje. Et voila, het team ‘acteurs’ was compleet. De locatie wordt Vancouver of Los Angeles. Heineken redeneerde dat het goedkoper was om drie Nederlanders naar Noord Amerika te laten vliegen dan dat hun hele productiecrew naar Amsterdam moet. Zit wat in. Ik hoop stiekem op de Los Angeles, maar het wordt Vancouver.  Nou ja, ook leuk.

Ik zie er wel een beetje tegenop om een week met Dikke Dennis op pad te gaan. Twee weken ervoor zag ik het bloed nog uit z’n neus spuiten op Lowlands en zoals gezegd: Dennis had nogal een naam in het Mokumse nachtcircuit. Dat kon nog wel eens een moeilijke trip worden.

De dame van het castingbureau, die ik ook privé ken, overhandigt mij de immigratiepapieren die je in Canada op het vliegveld moet invoeren. ‘’Vul jij ze maar voor jullie allemaal  in en regel jij alles daar maar. Jij bent de meest normale van de drie.’’ Dat ik dat nog eens mocht horen!

Het begint al hilarisch bij de douane op Schiphol. Dennis heeft nog wat boetes openstaan en mag niet doorlopen voordat die betaald zijn. Best een aardig bedrag. Hij vraagt of ie mag pinnen. Dat mag en zo kunnen we door. Dennis en ik kunnen het goed met elkaar vinden. We houden allebei wel van een beetje keten.

In het vliegtuig bekijkt Dennis onze tickets eens. We zitten niet naast elkaar en dat zinde hem niet. Dat loste Dennis op zijn Dennis’ op: ‘’Mevrouw, ik hoor net dat u daar zit.’’ De wat oudere mevrouw pruttelt nog wat tegen, maar Dennis sommeert de mevrouw nogmaals en op iets dwingender toon om op de stoel te zitten waar de naam van Dennis op stond. Dennis komt zeer overtuigend over en mopperend en tot onze verbazing vertrekt ze van haar stoel en Dennis en ik ploffen tevreden naast elkaar neer. Klaar voor een lange reis. Negen uur lang zitten we elkaar verhalen en grappen te vertellen en te keten en komen we gierend van het lachen Vancouver binnen. Na de plichtplegingen met formulieren kunnen we door. Er staat een jongedame met een bordje met onze namen er op en onze medepassagiers die inmiddels een beetje moe waren geworden van ons weten inmiddels ook wie we zijn. ‘’Daar komen ze aan. Succes’’, zegt één van de reizigers tegen de dame met het bordje. 

De dame met het bordje van wie ik niet meer weet hoe ze heet, maar laten we haar Suzanne noemen, is een Nederlandse die als kind naar Canada is geëmigreerd, nog perfect Nederlands spreekt en de weg in Vancouver weet. Zij zal die week onze steun en toeverlaat zijn.

Dennis en ik beginnen gelijk ‘’Ik ben Gerrit en ik steel als de raven’’ van Gerrit Dekzeil  te zingen en Suzanne weet dat ze nog een zware kluif aan ons gaat krijgen. Maar ze vindt ons ook wel weer grappig.

Ons hotel is copieus en midden in het centrum van de stad. Bij het inchecken zien we een grote groep lange, veelal donkere mannen voor ons staan: dat bleken de LA Lakers te zijn die in Vancouver moesten basketballen. Grappig, ik was als kind altijd Lakers-fan en nu stond ik achter ze in de rij.

Vanuit de auto hebben Dennis en ik al een toffe platenzaak gespot om de hoek bij ons hotel. Tot onze verrassing kregen we alle drie 600 dollar zakgeld om van te eten en te drinken. En om platen en kleding te kopen dus! Dennis en ik waren aan hondsdolheid grenzend blij. 

Wordt vervolgd….

Rodweek 64 Het laatste grapje van Jules Deelder

Vorige week was ik met mijn gabber in Folkestone. Folkestone is een wat suffig Engels kustplaatsje vlakbij Dover. Daar ga je niet zomaar heen, maar de familie van mijn gap resideert daar tegenwoordig en aangezien ik zijn familie ook al wat jaren ken vanuit Amsterdam vonden ze het leuk als ik ook eens mee kwam met hun zoon om hun nieuwe woonplek te zien. Het was gezellig om ze weer eens te zien. Lekker eten, drankje erbij en een beetje door het stadje lopen. Er is niet gek veel te doen, om niet te zeggen: geen reet. Het leven is er zo bruisend als een glas Spa Blauw en dan denk ik dat het Spaatje Blauw nog meer bruist, maar dat mocht de pret niet drukken. Prima dagen gehad daar.

Maar goed, aan alles komt een einde en dus gingen we weer Dover-waarts om daar op de boot naar Calais te stappen en vanaf daar met de bus weer naar Amsterdam te gaan. Kost niet zo veel geld, maar je bent wel een tijdje onderweg. Hadden we ingecalculeerd. Dat tijdje werd nog wat langer. Vertraging in Dover. OK, kan gebeuren. Drankjes gekocht en genoeg te roken: wat kon ons gebeuren?

Eindelijk, we konden de boot op. Door Het Nauw van Calais. Eenmaal in de buurt van Calais riep de kapitein om dat het allemaal wat langer ging duren voor we de haven in mochten. De Fransozen waren namelijk weer bezig met hun favoriete nationale hobby: staken. En dus  mochten we nog even een paar uur ronddobberen voor de Franse kust. De taxfree shop besloot binnen een uur ook maar om het werk neer te leggen, maar wij zijn niet voor één gat te vangen dus we kochten nog snel maar wat flessen wijn om onszelf te verdoven.  Filmpie kijken op de laptop. Prima.

Na een paar uur dobberen op die boot voor de Franse kust mochten we dan eindelijk de haven in, maar toen moesten we nog een koleretijd wachten tot de bus mocht vertrekken. Het was midden in de nacht en ik wilde niets liever dan in m’n nest liggen. Lekker naast poes Eva.

Ik ben dol op reizen. Dol op andere landen en culturen zien. Anders eten. Nieuwe mensen ontmoeten. Het enige is alleen dat het kutte aan reizen, reizen is. Slapen zonder een bed onder mijn derrière is voor mij niet weggelegd. Het lukt me gewoon niet. Ik ben wel eens jaloers op een vriend van mij die op Schiphol in het vliegtuig stapt, zijn luiken sluit en 10 uur later in Brazilië wakker wordt. Ik krijg het niet voor elkaar.  

Maar uiteindelijk waren we dus op weg naar Amsterdam. Ik dommelde zowaar hier en daar een beetje weg. Nog twee tussenstops te gaan. Rotterdam en Den Haag. In Rotterdam moest onze buschauffeur verplicht een uur rust pakken in verband met de rijtijdenwet. Onze chauffeur was een ouwe Rus met een stem als een kraakpand en die minstens drie pakjes Camel  per dag verried. De buschauffeur greep zijn verplichte pauze dan ook aan om veel te roken. Ik rookte een sigaretje met hem mee. Daarna ging ik weer naar binnen. Mijn gabber lag te pitten. Ik ging zitten. Klaarwakker, dus ik nam nog maar een wijntje. En toen gebeurde het.

Ik was af.

Onze buschauffeur had gezellig de radio aangezet. En dan ineens die melodie. ‘’Ta-da-da-da da-da-da-da-da-da.’’ Mijn hoofd zeeg in mijn gevouwen handen. Ik kreunde: ‘’Nooooooooo….’’ Mijn buurvrouw keek verschrikt. Fuck. Whammageddon verloren.  Last Christmas van Wham was op de radio. Als je die tussen 1 en 24 december waar dan ook hoort dan heb je Whammegeddon verloren. Gappie lag te ronken, dus die heeft ‘m niet gehoord. We waren dus in Rotterdam. Het was op de ochtend dat Jules Deelder in zijn door hem zo geliefde stad zijn laatste adem uitblies. Nou ben ik niet snel van de complottheorieën, maar misschien dat dit het laatste geintje van Deelder is geweest om zo’n pestpleuris-Amsterdammer te zieken en dat hij met zijn laatste krachten het liedje heeft aangevraagd. Gelukkig bleek ik, later toen ik thuis kwam, dat ik niet de enige was die af was gegaan. Dat scheelt dan weer. Gedeelder smart is halve smart.  

Rodweek 63 Berlijn

Een paar weken geleden was ik in Berlijn. Niet voor het eerst, maar het was wel een behoorlijke tijd geleden. Ik kwam er voor het eerst in de zomer van 1998. Ik had daar toen een scharrel, een dame die ik in Amsterdam had ontmoet. Ik was 21 en Silvana was een jaar of 12 ouder. Ze had al een hele geschiedenis van alcohol – en drugsverslavingen achter zich liggen. Sil was geboren en getogen in Berlijn, in Kreuzberg en daar woonde ze nog steeds. Ik was lekker relaxed met de trein gegaan en Sil haalde me op van het station. Dat was destijds nog behoorlijk achenebbisj, zoals de hele stad dat eigenlijk was. Beetje groezelig. Vooral in voormalig Oost-Berlijn. Daar stonden in sommige straten wel gevels overeind maar er zat niks meer achter. Een tamelijk rauwe stad, maar wel met een heel erg goede vibe.

Sil moest gewoon werken, maar ik had de sleutel en kon gaan en staan waar ik wilde in de stad. En dat deed ik dus ook. Sil had echter één belangrijke regel: ze wilde absoluut niet dat ik bier dronk in haar huis, vanwege haar verslavingsachtergrond. Maar goed, op een dag ging mijn dorst waar het niet gaan kon en kocht ik toch twee biertjes die ik in haar huis opdronk. De lege blikjes gooide ik keurig in de vuilnisbak, maar die had ik toch wat beter moeten verstoppen. Toen Sil thuiskwam van haar werk en de vuilnisbak opende om iets weg te gooien zag ze die twee blikjes en ontstak ze in blinde woede.

Ik kreeg direct rood. Ik kon vertrekken. Raus! Ik had niet zomaar haar voornaamste huisregel met gestrekt been overtreden, ik had m’n reet ermee afgeveegd zoals Ronald Koeman in 1988 deed met het shirt van Olaf Thon. En zo stond ik een paar minuten later met m’n tasje op straat. Haar beslissing was terecht, vond ik meteen: ik was een lompe lul geweest en moest daar nu de consequenties van dragen. Maar hoe nu verder?  Ik moest nog vijf dagen in Berlijn zijn en geld voor een hotel had ik niet, maar ik wilde ook nog niet naar huis. Berlijn beviel me wel. Ik besloot om maar even in de kroeg te gaan zitten en, als kersverse dakloze in Berlijn, eens na te denken wat nu te doen. De Frankenbar aan de Oranienstrasse was inmiddels bekend terrein voor me. Ik bestelde een grote bier en kreeg al snel gezelschap van een leuke jongedame, ongeveer mijn leeftijd, waar ik een leuk gesprek mee kreeg. Gaande de avond raakten we wel erg geïnteresseerd in elkaar, ét voila: ik had een slaapplek voor de komende vijf dagen gevonden. Mijn lange haren, die ze mooi vond, hadden me weer eens gered.

En zo bracht ik de tweede helft van mijn vakantie door met een andere dame dan degene voor wie ik eigenlijk kwam en kreeg ik de stad vanuit een ander perspectief te zien. En zo kwam het toch nog goed. Zoals eigenlijk alles doorgaans wel goed kwam bij mij in die tijd. Alles loste zich altijd wel op. Dat iets niet zou lukken was geen optie. Ik was daar als twintiger totaal nooit bang voor. Compleet onbevangen. Ik zou weleens willen dat ik die onbevangenheid nog steeds had.

Want ineens was het 2019 en ging ik, precies twee keer zo oud als in 1998, en een aantal vriendinnen verder, weer eens naar Berlijn, ditmaal met mijn huidige Nederlandse vriendin. Het station is inmiddels een groot modern complex met winkelcentra en restaurants geworden.

We kochten keurig openbaar  vervoerskaartjes voor de hele periode dat we daar zaten. Maar, dat bleek niet veranderd sinds de jaren 90: daar kijkt geen chauffeur of controleur naar. Als we niets hadden gekocht was het ook goed geweest, dus goed om te weten voor de volgende keer.

Ik hou van wandelen door een stad. En hier en daar neerploffen en dan eten en drinken. Lopen, kijken, de sfeer van de stad voelen en lekker buiten zijn. Ik kan daar intens van genieten en zo deden we het dus ook. Marijke kan daar ook prima in meegaan. Met musea doe je me doorgaans geen lol, maar toch hebben we er eentje bezocht. Het Ramones-museum waar we per ongeluk tegenaan liepen! Een kroeg met daarachter een heel museum. Voor de somma van zeven euro, inclusief bier, mag je rondstruinen tussen een uitbreide collectie parafernalia van één van mijn favoriete bands ooit.  Het eerste museum in jaren waar ik het een uur heb volgehouden zonder dat ik na tien minuten al zit te denken wanneer het eindelijk klaar is.

Het viel me op dat Berlijn weliswaar schoner en wat aangeharkter was dan zoals ik het kende, zo heeft Oost Berlijn nu ook hippe restaurantjes en barretjes, maar dat de stad me qua vrije sfeer meer doet denken aan het Amsterdam van de jaren negentig dan dat Amsterdam me soms nog aan het Amsterdam van de jaren negentig doet denken. Minder regeltjes, minder gedoe en vooral: minder gezeur. Ik heb het idee dat het in Berlijn allemaal wat vrijer en losser is dan in Nederland, het land waar de VAR niet alleen voor het voetbal maar voor de hele samenleving gebruikt wordt. Je weet hier soms niet meer wat je wel en niet kunt zeggen en doen zonder dat daar een grote maatschappelijke discussie over ontstaat met 80.000 verschillende meningen zodat we er uiteindelijk nooit uitkomen.

Ik zou niet in Berlijn willen wonen, daarvoor ben ik teveel aan Amsterdam gehecht, maar ik kom er zeker weer terug. En dat gaat dit keer geen 21 jaar duren.     

Rodweek 62 ALLES IS DE SCHULD VAN FEMKE!

De tram die te laat komt. Je pet die in de gracht waait. Het vluchtelingenprobleem. De snackbar in je straat die stinkt naar oud frituurvet. Die pestpleuristoeristen. Ajax verloren. Godverdomme, je favoriete toko dicht terwijl je zo’n zin had in die lekkere dagschotel. De kroeg ook dicht. Dat kan er ook nog wel bij. Je klotebaan. Je zeurende baas. Dat je net in de hondenstront hebt getrapt en dan ook nog in van die natte die zo lekker in je profiel blijft plakken. In Amsterdam heeft een deel van de bevolking voor al dit soort calamiteiten sinds een dik jaar een duidelijk aanwijsbare oorzaak gevonden. Bijzonder overzichtelijk, want dan hoef je ook niet meer verder te zoeken naar de bron van alle ellende. Die oorzaak luidt, heel simpel: ALLES IS DE SCHULD VAN FEMKE HALSEMA! DE LEIDSTER VAN DE GROENE KHMER IN DE STOPERA! PYONGYANG AAN DE AMSTEL! Lees verder

Pikhaar

Ja,ik ben schuldig. Ik heb het ook gedaan. Iedereen moet nou eenmaal geld verdienen en dus was ik vroeger ook zo’n  vervelend klierig mannetje die mensen altijd op de meest ongeschikte momenten belde. Het was half tot eind jaren negentig. Vanuit een groot glazen kantoorgebouw in het meest troosteloze gedeelte van Slotervaart/Overtoomse Veld colporteerden wij telefonisch proefabonnementen voor het Parool, het NRC, AD en de Volkskrant en deden we aan fondsenwerving voor onder andere Greenpeace.

Op mijn eerste dag, met mijn eerste klant, maakte ik mijzelf gelijk legendarisch. In het scherm verscheen de naam van een mijnheer Pikhaar. Niemand durfde die man te bellen omdat ze allemaal bang waren om in de lach te schieten. We waren toch allemaal nog een beetje giechelige pubertjes van negentien of twintig jaar. Je kon een naam doortikken naar een andere computer en zo verscheen Pikhaar bij mij in het scherm. ‘’Ik bel die Pikhaar wel!’’, zei ik stoer, zette mijn headset op en drukte op de belknop. Mijn nieuwe collega’s gingen om mij heen zitten. Kijken wat die nieuwe kan. De speaker stond aan.

Hij nam op! Shit, niet lachen, Rod, niet lachen! Lees verder

Rodweek 60 Brandende billen in Budapest

In 1994 kwam ik, als zeventienjarige, voor het eerst in Budapest. We mochten kiezen aan welk schoolreisje we deel wilden nemen: Londen, Parijs of Budapest. Opvallend: de wat saaiere leerlingen kozen Londen en Parijs, de boefjes kozen Budapest. Ik sloot me bij de laatste groep aan. Parijs en Londen lagen dichtbij. Daar konden we altijd nog heen, zo redeneerden wij. Budapest was Oost-Europa, mysterieus, beetje gek, de Muur was nog niet zo lang gevallen, en dus spannend! En wat hebben die knakkers daar al die tijd verborgen gehouden voor ons achter dat IJzeren Gordijn, zo vroegen wij ons af? Lees verder

Rodweek 59 Lieve Mona en Maria weet raad

Afgelopen week bleek ‘Lieve Mona’ het tijdelijke voor het eeuwige te hebben verwisseld en ik kreeg een flashback naar de jaren 80. Mijn moeder las diverse pulpblaadjes en ik bladerde die als kind ook wel eens door, nu ze er toch lagen. In deze tijd zou ik mijn tijd verdoen met veel te lang op social media blijven plakken, maar in die tijd las ik de tijdschriften die op dat moment voor handen waren. Zoals bijvoorbeeld de Story. Zo’n lekker dom roddelblaadje, waarin we het wel en wee van bekend Nederland konden volgen. RTL Boulevard, maar dan in tijdschriftvorm. Eén van de rubrieken in de Story was ‘Lieve Mona’. Mona, een vrouw van middelbare leeftijd, gaf haar moederlijke adviezen aan lezers die haar een brief stuurden over allerhande kwesties.

Weer wat later, in de jaren negentig, kwam ik op woensdagmiddagmiddag thuis uit school en een van de eerste dingen die ik dan altijd deed was kijken op teletekstpagina 371. Want dan stond de nieuwste ‘Maria weet raad’ op de pagina. Maria gaf pubers en adolescenten adviezen op seksueel gebied. De vragen waren soms redelijk en begrijpelijk, maar soms ook hilarisch. Vragen als: ‘’Ik heb mijn vriendje gepijpt en hij is in mijn mond klaargekomen. Ben ik nu zwanger?’’ Maria ging met elke vraag even respectvol om, hoe stom of naïef ze ook waren. We bespraken de vragen op donderdag vaak op het schoolplein. ‘’Heb je de nieuwe Maria al gelezen?’’ Dat was meestal het geval. Vrijwel iedereen klikte bij thuiskomst gelijk pagina 371 aan, zodat ze donderdag konden meepraten. Lees verder

Rodweek 58 Quartier Putain

1989. Een populair grapje in die tijd, waar ik als twaalfjarig kotertje ontstellend om moest lachen was: ‘’Het meest geile beroep ter wereld? Postbode natuurlijk! Dan ga je van gleuf tot gleuf net zolang totdat je zak leeg is!’’ Ik had nog nooit een gleufje van dichtbij gezien en hoe ik die zak moest legen wist ook nog niet zo goed, maar ik vond het een hilarische grap.

Ik kon op dat moment nog niet bevroeden dat ik 30 jaar later, anno 2019, als 42-jarig oud fossiel, als gleuvendouwer actief zou zijn in de rosse buurt van Amsterdam. Sinds een tijdje loop ik even tijdelijk niet mijn postrondes door de Jordaan, maar over de Dam, het Rokin en de Nes aan de ene kant en de Warmoesstraat en het Oudekerksplein aan de andere kant. Bij dat laatste plein begint de rosse buurt zo’n beetje. Dames uit alle windstreken tikken er tegen de ramen en knipogen naar potentiële klandizie. Hoewel er tegenwoordig eigenlijk voornamelijk giechelende toeristen en schreeuwende proleten langslopen die de dames uitlachen en compleet over hun toeren raken als ze een knipoogje krijgen. Mensen kunnen walgelijk zijn. Lees verder