Rodweek 39 De Kurkentrekker

Toen ik midden jaren negentig voor het eerst op mezelf ging wonen kwam ik terecht in de Van Speijkstraat in Amsterdam-West. Een afzichtelijk klein peeshok van acht vierkante meter, maar het waren wel mijn acht vierkante meters waar ik helemaal zelfstandig woonde en waar mijn eigen wetteloze wetten golden. In de andere twee kamers van het huis woonden ook mensen. Die kamers waren groter.  Tegenover mij woonde een chronisch dronken bouwvakker, die wanneer hij thuis was, non-stop halve liters van het allergoedkoopste supermarktbier zat weg te tikken en elke dag linzensoep op het menu had staan. Als gevolg van het op mijn netvlies gebrande beeld van die ernstig verslonsde man die elke dag die soep in zijn vieze bakkes naar binnen zat te metselen heb ik jarenlang geen linzensoep meer willen eten. In de kamer naast mij woonden vier Egyptische illegalen op elkaar gepakt die allemaal baantjes in schimmige shoarmatenten en snackbars hadden en als gevolg daarvan altijd een ranzig parfum, bestaande uit een melange van frituurlucht en goedkope vleesgeur, met zich meedroegen.
In de keuken kon je van de vloer eten. Er lag genoeg. Hygiëne was een totaal onbekend begrip in dat huis. In de keuken liepen de muizen over mijn voeten. In mijn kamer stond één ding toen ik er in trok: een houten kurkentrekker. Erg leuk, alleen dronk ik nog amper wijn toen ik achttien was. Mijn drank was bier en nu en dan een Bacardi-cola. Mijn waardering voor wijn kwam pas jaren later toen ik al aardig richting de dertig liep. Desalniettemin verhuisde de kurkentrekker elke keer weer trouw mee naar elk nieuw adres. En wat ik in de loop der jaren ook allemaal kwijtraakte aan spullen en kleding die ik wel gebruikte: de werkloze kurkentrekker bleef altijd en raakte nooit kwijt. Lees verder

Mokum-funk van de Amsterdelics

De Melkweg, 9 mei 2018. De legendarische grond aan de Lijnbaansgracht, om de hoek bij het Leidseplein. Ik heb er negentien jaar gewerkt. Negentien doldwaze jaren waarin gezelligheid nooit een klokkie droeg. Het was, zeker in de tijd dat ik er werkte, het verlengstuk van mijn huiskamer. Ik kom er niet vaak meer, maar als ik er ben voelt het als een warm bad. Zogezegd is de Melkweg niet alleen mijn tweede huiskamer maar dus ook mijn tweede badkamer. Ik ken de mensen bij de deur, de bar, de garderobe en de techniek. En ik ken veel vaste en minder vaste bezoekers. Wat minder vaak voorkomt is dat ik ook de band ken die op het podium staat. Maar op deze mooie meidag staan de Amsterdelics op het podium. Een veelkoppige funkband. Met sommige bandleden heb ik geschiedenis. Melkweg-geschiedenis. En soms daarbuiten ook.   Lees verder

Rodweek 38 Slappe

Malle. Rare. Dooie. Slappe. En natuurlijk mijn eigen standaard-aanspreekvorm naar mensen: ‘ouwe’. Zomaar een paar woorden die in de rest van Nederland als bijvoeglijk naamwoord worden gebruikt, maar in Amsterdam net zo goed als zelfstandige naamwoorden om mensen te benoemen. Mensen aanspreken met zinnen als: ‘Gaat het lekker met je, malle?’  of ‘Let je even op, dooie?’ Heerlijk taalgebruik en het was daarom dat ik ook zo moest lachen om het filmpje van de agent die afgelopen vrijdag de chaos en de drukte bij de pont naar Noord in goede banen moest leiden. Je kon de agent niet zien in het filmpje maar je hoorde hem in prachtig plat Amsterdams door zijn megafoon schetteren dat mensen in de rode vlakken moesten blijven. En dan komt het mooiste. Kennelijk zegt iemand iets bijdehands tegen de agent die gelijk heerlijk Amsterdams reageert met ‘’Hou je grote waffel effe, slappe!’’ en vervolgens weer doorgaat met zijn instructies. Lees verder

Rodweek 37 Een puist op een mooie kont

Wat een akolei is wist ik tot dit stukje ging schrijven ook niet precies. Wat ik wel wist is dat de Akoleienstraat in de Jordaan ligt en dat veel straten in de buurt naar bloemen of planten genoemd zijn. Jordaan is immers een verbastering van het Franse woord voor tuin, ‘jardin’. De Akolei bleek, na een kleine virtuele zoektocht, inderdaad een bloem te zijn, behorend tot de ranonkelfamilie. Een vrij mooie bloem ook, zo zag ik op het internet. Maar zo mooi als de bloem is, zo lelijk is de Akoleienstraat, in de Jordaan. Al is mooi van lelijkheid eigenlijk beter uitgedrukt.

Ik fiets vanaf mijn huis, nabij het Waterlooplein, op weg naar mijn postronde in de Jordaan, twee keer in de week, op dinsdag en op vrijdag, een prachtige route. Vanaf de Verversstraat door de Staalstraat, langs de Munt, over het Singel, door de Wijde Heisteeg, de grachten over, door de Hazenstraat, Tweede Laurierdwarsstraat en de Tweede Rozendwars en dan sta ik ineens op de Rozengracht. Een prijswinnaar van een route. Alleen maar mooie straten en grachten. Dat vinden veel toeristen ook. Ik woon tussen de vrijelijk rondkrioelende toeristen. Ik vind dat niet erg. Ik ben er willens en wetens gaan wonen, dus ik zal de laatste zijn die er over klaagt. En daarbij laat ik toeristen graag  weten wat ik van ze verwacht, zodat dat duidelijk is voor ons allebei. Dus niet in m’n weg lopen dus als ik fiets en opzouten met leuke selfies maken op de brug als ik er langs moet, want daar houd ik niet van. Lees verder

Rodweek 36 Een blikje bier in de Jordaan

De dag na Koningsdag liep ik de post door de Jordaan. Normaliter loop ik op vrijdag de post, maar dat leek me op Koningsdag niet het beste idee. En zo liep ik, in gezelschap van een klein katertje, voor één keer mijn route op zaterdag, door de al bijna opgeruimde buurt. En toen gebeurde het, in één van de dwarsstraten van de Nieuwe Leliestraat. Een man, van middelbare leeftijd, deed zijn deur open en liep naar buiten. Met een vuilniszak om buiten te zetten. Tot zover niks bijzonders. In zijn andere hand had hij een leeg bierblikje en dat gooide hij achteloos op straat. Nou ben ik echt niet zo’n heldhaftige stoere gozer die snel de confrontatie zoekt met anderen en ik laat best wel eens dingen lopen die ik zie omdat ik geen zin in gezeik heb, maar dit vond ik gewoon zo raar, hier moest ik wel iets van zeggen.   Lees verder

Rodweek 35 Titanic Amsterdam

Afgelopen zondag was het precies 106 jaar geleden dat de Titanic zonk terwijl het orkest doorbleef spelen om nog paniek te voorkomen. Toen duidelijk werd dat het schip echt aan het zinken was en er nog maar weinig reddingssloepen aanwezig waren brak er natuurlijk alsnog paniek uit en was het dus voor veel mensen al te laat. Ik kan nooit meer aan de Titanic denken zonder de legendarische reis in 2013 van Marcel en mij naar Newcastle. Met de boot vanuit IJmuiden naar Newcastle. Op volle zee, na reeds een respectabel aantal pints, vonden wij het een goed moment om de ‘I’m the King of the World!’-scene uit die drakerige film die over de ramp gemaakt is na te spelen. Lees verder

Rodweek #34 Lubach is niet de Messias

Eén van mijn meest favoriete films ooit, op gepaste afstand van The Big Lebowski, is Life of Brian, een parodie op het leven Jezus Christus. Een film uit 1979 waar toen al ophef over was, maar die je nu over geen enkel geloof meer kunt maken, want dan word je kop er af gehakt. Brian wordt per ongeluk aangezien voor de Messias en krijgt vele volgers die alles blind geloven wat hij zegt. De mooiste scène is als hij in het raam bij zijn moeder zijn volgers toespreekt. ‘You’re all individuals! You don’t need to follow anyone! You are all different!’ ‘I’m not’, zegt er dan eentje uit die massa. Een prachtscène en exemplarisch voor de massahysterie en het blinde geloof van gelovige mensen.

Tegenwoordig hebben wij, Nederlanders die de laatste twee decennia tot in het extreme gevoelig zijn voor massahysterie, een nieuwe Messias: Arjen Lubach. Een grappige gozer bij wie op het naamplaatje bij zijn deur ‘Aan de deur wordt geen snuitpaling gekocht’ staat. Dat is echt waar en ik kan het weten want ik heb post bij hem bezorgd, maar dit terzijde. Ik vind ‘Zondag met Lubach’ leuk. Prima redactie  erachter, Lubach als prima anchorman en onderwerpen waar je toch even over nadenkt als hij ze heeft behandeld. Een tikkeltje teveel van David Letterman afgekeken, maar vooruit.    Lees verder

Rodweek #33  Het fluwelen eindje

Toen ik in 2010 met mijn toenmalige vriendin ging samenwonen in mijn huis aan de Marco Polostraat in Amsterdam-West kwamen haar opa en oma eens bij ons op bezoek. Opa Frits en oma Ans zijn  twee prachtige oude Amsterdammers met wie ik het altijd goed heb kunnen vinden. Ans had als kind in de buurt gewoond en vertelde dat ze het stukje straat waar wij woonden vroeger altijd ‘het fluwelen eindje’ noemden, omdat het een wat mooier gedeelte van de straat was waar de wat meer welgestelde mensen uit de buurt woonden.

Het is ook nog steeds het mooiste stuk van de Marco Polostraat, al zijn tegenwoordig alleen de huizenprijzen nog fluweel aan de straat. Toen ik in 1999, in de guldentijd,  in mijn woning kwam wonen werden de woningen er nog net niet weggegeven. Betaalbare huurwoningen in een buurt waar niemand wilde wonen, dus de koopprijzen waren ook nog niet zo achterlijk hoog. Dat is inmiddels allemaal anders. Een zoekopdracht op Funda leert dat voor een vierkamerwoning op het fluwelen eindje 625.000 euro mag worden afgetikt en voor een driekamerwoning van 80 vierkante meter, schuin tegenover waar ik woonde, 475.000 ekkies. Dan moet je de fluwelen eindjes dus flink aan elkaar knopen als je daar een hok wilt kopen. Ik betaalde voor mijn 80 vierkante meter onder de 300 euro huur. Dat is een fooi in het Amsterdam van 2018, al vond ik de huurprijs niet meer dan logisch en terecht gezien de staat van het huis. Een kleine greep uit de mankementen: enkel glas, open geiser, gaskachel, achterstallig schilderwerk, de kapotte treden in het trappenhuis, het licht op de gang dat vaak stuk was, de badkamer met de slappe douche en een balkon dat volledig gekaapt was door de plaatselijke duivenpopulatie die de boel daar naar hartenlust onderscheten. Ik noemde mijn balkon dan ook Station Duivendrek Centraal. Mijn verhuurders gaven geen ene reet om het huis en deden er weinig tot niets aan. Die hoopten alleen maar dat ik op een dag op zou rotten zodat ze de hut kunnen verbouwen en er de hoofdprijs voor kunnen vragen. Welnu, ze hebben hun zin. Lees verder

Rodweek #32 Van West naar Waterloo: Alles Hoog!

Iedereen heeft wel eens een beetje een hanige bui. Even stoer doen, even de pochkees uithangen, het kan de beste gebeuren. Zo ook Quincy Promes, tegenwoordig voetballend in Rusland in ruil voor heel veel centjes, maar een paar jaar geleden speelde hij nog bij FC Twente, ook niet voor lullig geld. Onze Quincy gaf ons destijds, paupers die hooguit een bedrag van drie nullen per maand voor hun werk krijgen, een inkijkje in zijn leven, becommentarieerd in een koddig straattaaltje, je weet toch. En hij was dus een beetje in een hanige bui. Hij had net boodschappen gedaan bij Juwelier Knoeff (voor al uw juwelen) en Quincy bewoonde in Hengelo naar eigen zeggen een heuse penthouse. Ik dacht altijd dat de enige Penthouses in Hengelo in de schappen van de plaatselijke rukboekjesdealer lagen, maar dat bleek een ernstige misvatting mijnerzijds. Quincy bewoonde er immers eentje. Quincy roept in de lift dat alles boven van hem is. En dan volgt het letterlijke hoogtepunt van het filmpje: Quincy kraait met een vertederend kinderlijk enthousiasme, maar natuurlijk heel straat en getto bedoeld ‘’Alles hoog! Alles hoog!’’ Onze Quincy woonde op de bovenste etage van een flatgebouw in Hengelo en de wereld mocht het weten ook. (Voor het filmpje, klik HIERO) Lees verder

Rodweek #31 Haverklapschaats

Terwijl ‘onze’ (als ‘we’ winnen zijn het in Nederland altijd ‘onze’, als ‘ze’ verliezen zijn het in wezen wezen) schaatsers daar in Zuid-Korea de medailles als een kralenketting aaneen rijgen gaan mijn gedachten terug naar 1986. Ik was negen en we gingen met een paar schoolklassen op excursie naar wat toen al het Mekka van de schaatssport was: het Thialfstadion in Heerenveen. Terwijl Sven Kramer in datzelfde Heerenveen in datzelfde jaar zijn eerste bronzen plak in zijn luiers legde reed ik mijn eerste rondje 32 op het heilige ijs. Het waren alleen 32 minuten en geen 32 seconden zoals een beetje goede schaatser dat doet, want ik lag om de haverklapschaats op mijn snuit of op mijn reet en hield me krampachtig vast aan de boardings om niet steeds te vallen. Terwijl iedereen om mij heen met duizelingwekkende vaart langs mij heen suisde en dolle pret had hoopte ik alleen maar dat deze dag in godesnaam heel snel voorbij zou zijn. In elk geval dit rondje rond die onmetelijke baan. De finish was nog lang niet in zicht. Toen ik eindelijk al klapwiekend met mijn armen de finish had bereikt en met een van pijn vertrokken gribusgrimas naar de kant klungelde leek het me een goed idee om mij terug te trekken uit de van plezier kraaiende en soepel schaatsende menigte en de vijf gulden die ik had meegekregen van mijn ouders stuk te slaan in de patatkraam. Nee, ook voor schaatsen was ik, zoals voor vrijwel elke actieve sport waar specifieke vaardigheden voor worden gevraagd, fysiek volledig ongeschikt. De enige schaats die ik in mijn latere leven nog wel eens aanzienlijk beter heb gereden was een scheve schaats, maar dat is weer een ander verhaal. Lees verder