Rodweek 48 Mimosa

Het was zo’n dag dat ik zin in had om iets heel erg lekkers te drinken, maar ook in iets gezonds. Daar is de ‘Mimosa’ voor uitgevonden. Ooit in 1925 bedacht in het Ritz Hotel in Parijs. Voor wie niet weet wat het is: men neme een groot glas met veel ijs en vult dat voor de helft met bubbels (Cava , Prosecco of als je echt rijk bent Champagne). En dat top je dan af met versgeperste jus d’orange. Het liefst nog een drupje Cointreau erbij en eventueel garneren met een schijfje sinaasappel, maar dat is geen must. Het is hoe dan ook een makkelijke en uitermate sfeerverhogende cocktail waar je erg van in de zomerse stemming raakt. Mimosa, onthoudt die naam.

Ik onthoud de naam Mimosa al sinds 1986, maar dan om een geheel andere reden dan om dat lekkere drankje. In de lente van 1986 boekten mijn ouders voor het eerst een gezinsvakantie naar het buitenland. Voor mijn zusje (toen bijna 6 jaar jong) en ondergetekende (9 lentes jong) werd het onze eerste buitenlandse vakantie. De reis ging helemaal naar Spanje, naar Lloret de Mar. Mijn ouwelui hadden daar een, volgens de vakantiegids, charmant en kindvriendelijk hotel op 100 meter van het strand en  met zwembad uitgezocht. Vervoer per luxe touringcar. En dat voor een prima prijs. Het kon niet op. Lees verder

Rodweek 47 Soms moet je hard zijn.

Eigenlijk had ik gistermiddag tijdens een lange wandeling een column bedacht waarin ik de VVD en hun leider, de man die onze premier acteert, helemaal zou fileren. Ik zou dan beginnen met de twee helden van Mark Rutte te noemen: Clown Bassie en volkszanger John de Bever. Boven het eenpersoons bedje van Rutte hangt namelijk groot de lijfspreuk van Bassie: ‘’Wat er ook gebeurt, altijd blijven lachen!’’ en die spreuk gaat de hele dag als een mantra door zijn hoofd. En onze Mark speelt elke ochtend bij het opstaan de piratenhit van John de Bever ‘’Jij krijgt die lach niet van mijn gezicht!’’

Zodoende is het verklaarbaar dat onze premier vrijdagavond zo vrolijk met zijn VVD-vrindjes op het strand van Scheveningen stond bij het concert van Anouk. Lachend op een Twitter-selfie van die olijke CDA-snaak met z’n krokodillenleren schoenen, die mediageile Hugo de Jonge. Terwijl de rechtervleugel het daar dus uitstekelbaars naar de zin had en genoot van elkaars warmte werd een kleine 50 kilometer verderop door de Rechtbank in Amsterdam ijskoud besloten dat het leven van twee Armeense kinderen die getogen zijn in Nederland voorgoed verkloot zou worden. Weg met jullie, rot maar op naar je eigen land, stomme kutkoters. We moeten jullie niet. Dat was vrij vertaald de kille boodschap aan de kinderen.  ‘Want soms moet je hard zijn’, aldus onze premier vlak voordat hij weer lachend naar het strand ging. Buitenlandse criminelen, teruggekeerde Jihad-strijders en misdragende asielzoekers laten we lekker hier blijven en twee getogen Hollandse kindertjes die het hartstikke leuk doen in onze samenleving die gooien we de grens over, want die zijn vervelend. En waarom moeten die asielprocedures zo idioot lang duren? Kan iemand mij van al die dingen de logica uitleggen? Want ik snap het niet zo goed.   Lees verder

Rodweek 46 Kikkerlikkers van ’t padje

De meest hilarische naam die de afgelopen week voorbij kwam is die van de bushcrafter die een tijdje optrok met de verdachte van de moord op Nicky Verstappen, toen deze nog geen verdachte was. Bushcrafters zijn mensen die kunnen overleven in de natuur met middelen uit de natuur. Die man heet Erik van ’t Padje! Naast dat het een grappige naam is (zeg die naam maar eens hardop), is het ook een juweel van een aptoniem. Een professionele padvinder die ‘Van t Padje’ heet. Ik vind dat soort dingen dus oergeestig.

Zoals ik ‘van ’t padje zijn’ sowieso een fijne uitspraak vind. Ik bezig ‘m ook bijzonder graag. Iemand die na 87 bier niet meer uit z’n woorden komt en de wereld aanziet voor een kaassoufflé is gewoon flink van ’t padje. Maar waar komt die uitspraak vandaan? Lees verder

Rodweek 45 Vlindermoer

Dat ik al mijn geld met mijn handen verdien is natuurlijk de dijenkletser van de eeuw. Ik heb een aangeboren onhandigheid die je bepaald niet tutoyeert. Daar zeg je met recht ‘U’ tegen. Dat ligt natuurlijk deels aan mijn weinig verfijnde motoriek. Mijn vader kocht ooit, toen ik nog een kleine brokkenpiloot was, eens een speelgoedautootje voor mij. Of het echt niet stuk kon, vroeg mijn vader. De verkoper sloeg en gooide met dat ding, haalde er allerlei capriolen mee uit en inderdaad dat kreng was niet stuk te krijgen. Ik speelde er een paar minuten mee: autootje total-loss. Alles kan stuk bij mij! Misschien dat ik daarom ook wel voetbalsupporter ben geworden. Een tweede verklaring is mijn eveneens aangeboren gebrek aan geduld: iets moet meteen lukken, anders word ik narrig. Helaas helpt een motorische gestoordheid daar niet bij. Tel daarbij dat nou niet bepaald iedereen in mijn omgeving mij vroeger al te veel stimuleerde om een Handige Harry te worden. Daarvoor heb ik vriendelijk uitgesproken teksten als ‘’Nee, bemoei jij je daar nou maar niet mee’’en  ‘’Nee, dat kan jij toch niet’’’ net iets te vaak gehoord. Lees verder

Rodweek 44 Rock ’n Rollator en een zure pislucht

Het zijn van die berichten waar ik zo intens blij van kan worden. Twee ouwe knakkers uit een Duits bejaardentehuis die vorige week de pleiterik maakten uit hun verzorgingstehuis en terug werden gevonden op Wacken, het grootste metalfestival ter wereld. Ik hoop, als ik zo’n gezegende leeftijd mag bereiken, dat ik ooit ook nog zo’n geintje kan uithalen. Ik ben sowieso best benieuwd hoe bejaarden er over twintig, dertig of veertig jaar uitzien. Ik ben nu 41 lentes jong en ik voel me ook nog jong. In mijn jeugd zagen mensen er vaak al vrij jong vrij oud voor hun leeftijd en ze waren ook vaak best oud voor hun leeftijd. Kijk maar eens naar een voetbalplaatjesalbum uit de jaren tachtig. Jongens van 25 zagen er uit alsof ze ouwe kerels van 45 waren. Met hun snorren en hun apenkapsels.

Niet dat iedereen er nu alleen maar fantastisch uitziet, maar mensen lijken gewoon wat jonger in deze tijd. En oude mensen waren ook echt oude mensen. Opa’s in pakken, met een jenever en een bolknak en oma’s in bloemetjesjurken aan de sherry, dat werk.
De eerste generatie punkers is nu tussen de 55 en de 65 jaar. Die lopen over twintig jaar dus achter hun rollator in hun Ramones-shirtje en hun ouwe spijkerbroek. Geen oubollige ouwe Nederlandse liedjes meer zingen in de aula onder leiding van een verzorgster die doet alsof je niet alleen oud maar ook debiel bent, maar keiharde punk door de gangen van het bejaardentehuis! De generatie daarna de hiphoppers, de generatie daarna de housers en een paar generaties daarna de mensen die met Dreetje Hazes en Lil’ Kleine zijn opgegroeid. Ik vond dertigers vroeger al hoogbejaard, maar hoe gaan bejaarden er uit zien als ik echt oud ben? Ik vraag het me weleens af. De foto bij deze column komt uit 2006. We waren na Ajax wezen drinken bij ’t Loosje op de Nieuwmarkt en zagen deze rollator op het terras staan. Ik was 29 en ouderdom was nog heel ver weg. We dreven gewoon de spot met ouderdom. Toch herinner ik me dit fotomoment als de dag van gisteren en dat geeft aan hoe snel de tijd gaat. Voor je het weet ben je gewoon ook echt op een rollatorleeftijd..   Lees verder

Rodweek 43 Over Van Gaal en normaal

Zomergastenpresentatrice Janine Abbring zei het perfect in het begin van haar op voorhand veelbesproken uitzending met Louis van Gaal: ‘’Nederlanders klagen over drie dingen: het weer, de bondscoach en de presentator van Zomergasten.’’ En zo is het ook. Nu is het te warm, in november is het te koud, de bondscoach is altijd die flapdrol die de verkeerde spelers selecteert en tijdens elke Zomergasten-uitzending Twittert iedereen zich een blauwe duim. We vinden er allemaal wel wat van, om het populair uit te drukken. Het maakt niet uit wie de presentator is. Als ik of wie dan ook op de stoel van Janine zou zitten zou de kritiek ook niet mals zijn.

Wat ik van Louis van Gaal vond? Een lieve, ietwat rechtlijnige man en niet in het bezit van een al te hoogdravende smaak. Het leek ook alsof hij niet in ‘Zomergasten’ maar in ‘In de Hoofdrol’ zat en  terugkeek op zijn leven.  Hier en daar humoristisch, zoals tijdens zijn flirt met Janine (‘’Ik val op brunettes, zoals jij’’). Een man met compassie, een groot rechtvaardigheidsgevoel en emotioneel. Een familieman die zijn kinderen volgens strikte normen en waarden opvoedde. Die met ongelooflijk veel liefde over zijn jong gestorven eerste vrouw en over zijn huidige partner sprak. Een absolute professional in zijn werk. Eigenlijk, in basis een heel erg normale man. Een normaal mens met hier daar wat kleine imperfecties, zoals we die allemaal hebben. Gewoon normaal. Lees verder

Rodweek 42 Toeval bestaat wel

Onlangs zag ik Anton lopen, hierachter op de Kloveniersburgwal. Anton is een oude man, ofschoon ik zomaar denk dat hij niet zo oud is als dat hij er uitziet. Zolang als ik hem tegenkom, dik twintig jaar, ziet hij er al heel oud uit. Ik kwam hem tot vorig jaar wat vaker tegen, want Anton kwam, en komt waarschijnlijk nog steeds, altijd wel twee of drie keer per week in de Melkweg waar ik toen nog werkte. En ik zag hem vaak door de stad lopen. Tas kranten onder de arm. Toen ik van 2001 tot 2004 op de Universiteit van Amsterdam én in de Melkweg werkte zag ik hem heel vaak. In de ochtend zag ik hem door de binnenstad fietsen, tijdens onze lunch zat hij, net als wij, ook in de Mensa te eten, terwijl hij zich door zijn stapel kranten worstelde en in de avond zag ik hem dan weer in de Melkweg of in één van de kroegen in de buurt. Ik was nooit zo verbaasd als wij elkaar vaak op drie of meer verschillende  plekken in de stad op dezelfde dag tegenkwamen. Dat ging gewoon zo. Lees verder

Rodweek 41 Oneerlijkheid duurt het langst

België er uit tegen Frankrijk. De zoveelste mooie ploeg met wie het slecht afliep op een WK. De Belgen mogen zich scharen in het rijtje Nederland 1974, Brazilië 1982, Denemarken 1986, Nederland 1998. Allemaal ploegen die de schoonheidsprijs wonnen, maar niet de enige prijs waar het op een WK echt om gaat: de wereldcup. Het WK wordt zelden door echt mooie ploegen gewonnen en dat zal dit jaar ook niet gebeuren. Ik denk dat het Frankrijk wordt. Frankrijk komt niet om te imponeren. Frankrijk komt gewoon die cup ophalen. Niet op een mooie manier. Gewoon zakelijk. Maar hey, met alleen maar zesjes ga je ook elk jaar over.

België is die lieve gozer die het meisje waar hij verliefd op is alles zou willen geven. Frankrijk is die stoere patjepeeër die er uiteindelijk met dat meisje vandoor gaat. Voor België rest de strijd om de 3e en 4e plaats, de troostfinale. De meest overbodige wedstrijd van het WK. Achter het mooie meisje aanzitten en dan op einde maar uit armoede en tegen je zin in met haar lelijke vriendin tongworstelen. Eigenlijk had je liever allang alweer thuis in je bedje willen liggen om jezelf zachtjes snikkend in slaap te masturberen. Maar nee, je moest zo nodig de troostprijs nog ophalen. Lees verder

Rodweek 40 De Piemelpolitie

Ik durf wel te stellen dat ik één van de meest gefotografeerde voordeuren van Amsterdam heb. De deurkruk is namelijk een fietsstuur. Elke dag gaan er wel toeristen met mijn voordeur op de foto en ze kijken altijd als een aap in een roestig klokkie als iemand van ons de deur openmaakt om naar binnen of naar buiten te gaan. Jawel, lieve toeristen, er leven echte mensen achter die deur! Wat die toeristen niet weten is dat even verderop, maar net buiten het toeristische centrum waar ik woon, kunstenaar Aat Veldhoen en zijn vrouw Hedy D’Ancona wonen. Aat en Hedy wonen, op de Oostelijke Eilanden. Daar heb ik eind jaren negentig ook nog een half jaartje gewoond. Het huis van de Veldhoentjes is bekend in die buurt. Dat huis heeft een deurkruk in de vorm van een piemel.  Lees verder

Rodweek 39 De Kurkentrekker

Toen ik midden jaren negentig voor het eerst op mezelf ging wonen kwam ik terecht in de Van Speijkstraat in Amsterdam-West. Een afzichtelijk klein peeshok van acht vierkante meter, maar het waren wel mijn acht vierkante meters waar ik helemaal zelfstandig woonde en waar mijn eigen wetteloze wetten golden. In de andere twee kamers van het huis woonden ook mensen. Die kamers waren groter.  Tegenover mij woonde een chronisch dronken bouwvakker, die wanneer hij thuis was, non-stop halve liters van het allergoedkoopste supermarktbier zat weg te tikken en elke dag linzensoep op het menu had staan. Als gevolg van het op mijn netvlies gebrande beeld van die ernstig verslonsde man die elke dag die soep in zijn vieze bakkes naar binnen zat te metselen heb ik jarenlang geen linzensoep meer willen eten. In de kamer naast mij woonden vier Egyptische illegalen op elkaar gepakt die allemaal baantjes in schimmige shoarmatenten en snackbars hadden en als gevolg daarvan altijd een ranzig parfum, bestaande uit een melange van frituurlucht en goedkope vleesgeur, met zich meedroegen.
In de keuken kon je van de vloer eten. Er lag genoeg. Hygiëne was een totaal onbekend begrip in dat huis. In de keuken liepen de muizen over mijn voeten. In mijn kamer stond één ding toen ik er in trok: een houten kurkentrekker. Erg leuk, alleen dronk ik nog amper wijn toen ik achttien was. Mijn drank was bier en nu en dan een Bacardi-cola. Mijn waardering voor wijn kwam pas jaren later toen ik al aardig richting de dertig liep. Desalniettemin verhuisde de kurkentrekker elke keer weer trouw mee naar elk nieuw adres. En wat ik in de loop der jaren ook allemaal kwijtraakte aan spullen en kleding die ik wel gebruikte: de werkloze kurkentrekker bleef altijd en raakte nooit kwijt. Lees verder