Rodweek 109 Taart in de koninlijke reet

Iedereen die wel eens iets in de creatieve sector heeft gedaan, hetzij als muzikant, als schrijver, als beeldend kunstenaar of wat ook dies meer zij kent het fenomeen ‘exposure’. Dat werkt als volgt en laat ik voor het gemak dan mezelf maar even als voorbeeld nemen: ik ben ooit als hobby begonnen met schrijven. Daar bleek ik redelijk getalenteerd in te zijn en dus werd ik opgemerkt door publiek. Maar heel erg bekend was ik natuurlijk niet in het begin. Maar een talentje was er en ik kreeg steeds meer publiek. Dan komt er een moment dat mensen je gaan vragen of je niet eens wat voor hun site of hun boekje of krantje wil gaan schrijven. Voor gratis. “Want goed voor je exposure!”, zeggen ze er dan ook nog standaard bij. ”Want dan zien mensen je. Heel goed voor je! En trouwens, het is toch je hobby? Leuk toch?”

En in het begin doe je dat natuurlijk. Want je wilt een publiek opbouwen. Maar er komt dan ook een keer een moment dat je dat niveau ontstegen bent. Schrijven is kilometers maken en zo ontwikkel je jezelf steeds verder door. Dan zijn er inmiddels ook mensen die zien dat jij wel een bepaalde waarde vertegenwoordigt en die gaan je dan, na jaren van vrijwillige noeste arbeid, betalen voor je werk. En dat is ook logisch, dat je geld vangt als jij iets levert omdat jij iets kan wat niet iedereen kan. Zoals eigenlijk voor voor veel beroepen geldt. Alleen worden creatieve beroepen vaak niet als beroep maar als hobby gezien.

Het woord ‘exposure’ komt na een paar jaar dan inmiddels je strot uit als een bedorven gebakje. Ik krijg er zelfs een beetje kots van in m’n mond als mensen dat woord gebruiken in de hoop mij voor noppes te laten schrijven. Nee, ik hoef je exposure niet. En ik weet ook wel dat ik niet de nieuwe Harry Mulisch of de nieuwe Gerard Reve ben, maar ik heb intussen wel een niveau en een lezersschare bereikt waardoor ik niet meer afhankelijk ben van ‘exposure’ door alles maar gratis te doen. Ik kan toch niet aankomen in de winkel of bij de huurbaas en dan zeggen: ‘Nou, ik heb geen geld, maar ik heb me toch een bak met exposure! Zo heee! Zal ik anders daarmee betalen?’ Nee natuurlijk niet! De bakker ziet me aankomen. Zo werkt de wereld niet. En ik ben alles behalve een geldwolf, want ik heb het zakelijk instinkt van een kaasvlinder. Ik vraag meestal lang niet de hoofdprijs voor de betaalde opdrachten die ik doe.

Voor goede doelen, hele goede vrienden, benefieten of vrijwilligersinitiatieven die ik gewoon tof vind: geen probleem, daar hoef ik geen geld voor. Koop maar een keer een biertje voor me  in de kroeg of zeg gewoon ‘dank je wel’ en dan lullen we nergens meer over.

Maaaaaarrrrrr… op het moment dat er een taart wordt gebakken waar goed geld aan wordt verdiend en mijn bijdrage is één van de ingrediënten van die taart: dan wil ik ook een stukje van de taart. Want ik heb dan ook bijgedragen aan het succes van de taart.

En daarom vond ik het statement van ‘de Haarlemse band Chef’s Special mooi. Of de jongens maar even gratis wilden optreden op de Grand Prix in Zandvoort. Nou, vooruit, allemaal een paar VIP-kaartjes, een paar consumptiebonnen en een handje borrelnootjes erbij en dan zijn we goed, toch? .  

Georganiseerd door die griezel van een Prins Bernhard Jr. Ja daaaag! Opzouten! Het is de gotspe van het jaar. Deze jongens hebben bijna twee jaar niet kunnen optreden door alle Corona-ellende, hoeven het allang niet meer voor de ‘exposure’ te doen en daarbij: waar haalt die vreselijke Prins Rupsjenooitgenoeg het gore lef vandaan? Deze man is als lid van de Koninklijke Fam met een gouden lepel in zijn bebrilde bek geboren. Hij koopt honderden panden in Amsterdam op waardoor hij hardwerkende Amsterdammers de stad uitjaagt en de huurders die in zijn panden wonen betalen woekerhuren. En dan voor zo’n engnek en z’n enge vastgoedvrindjes gratis spelen? Ik zou nog liever de kattenbak van een heel weekend leegeten (en mijn lieve Eva kakt en pist veel uit dat kleine lijfje!) en het over zijn schoenen uitkotsen.  

Zanger Joshua Nolet van Chef’s Special zei in de talkshow van Humberto dat het natuurlijk niet de bedoeling was dat de prins nu via social media de strontkar over zich heen kreeg maar dat het nou eenmaal een soort van nevenschade van zijn domme actie is die de neef van onze koning erbij krijgt. De prins krijgt nu even die taart in z’n smoel, aldus de zanger. Nolet drukte zich uiteraard correct uit in interviews, maar off the record zal hij natuurlijk op z’n minst gegniffeld hebben. En terecht. Ik vind het niet meer dan redelijk dat zo’n schaamteloze prins die strontkar over zich uitgekieperd krijgt. Wat je zaait is wat je oogst.      

Zijne Hoogheid Bernhard Lucas Emmanuel Prins van Oranje-Nassau, van Vollenhoven heeft, niet voor het eerst in zijn leven, laten zien dat hij geen idee heeft hoe het gewone plebs leeft en die gewoon keihard moeten werken en sappelen om exorbitante huren te betalen van gore huisjesmelkers zoals hijzelf. En het interesseert hem waarschijnlijk ook niet. Hij laat een scheet in het gezicht van de muziekindustrie en van elke gewoon werkende mens. Maar helaas stond voor onze prins de wind verkeerd en dan krijg je ‘m een keer terug in je gezicht.

Het prinsje is dus geen keukenprinsje want hij probeerde een taart te bakken die nu al vies smaakt. Maar de specialiteit van de Haarlemse cheffies is goed gelukt. En wat zou ik nu graag willen dat wijlen Bob Fosko met de Raggende Manne nog één keer voor die walgelijke prins kon zingen en met zijn immer zoetgevooisde stem zou brullen dat Bernhard die taart in zijn koninklijke reet kon stoppen. Ik denk zomaar dat Bob dat gratis zou doen.

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!


 

Rodweek 108 Je krijgt er zoveel voor terug


’’Je krijgt er zoooooveel voor teruuuuug!’’ Deze heerlijke flauwe dooddoener gebruik ik altijd een beetje zuigerig als mensen uit mijn vrienden- of kennissenkring op hun sociale media weer eens lopen te zeiken over hun kinderen en hun bijbehorende gedrag. Van het dreinende gedrag tot ze eindelijk in nest liggen, de ruzies met hun broertjes en zusjes, het gezeur om een ijsje tot het vervelende pubergedrag. Weet je, als ik dat lees ben ik altijd zo blij dat ik daar allemaal niks mee te maken heb. Ik moet er niet aan denken.

Denk overigens vooral niet dat ik een of andere stomme kinderhater ben. Allesbehalve, ik vind kinderen fantastisch. Even een dagje oppassen of een nachtje bij mij logeren: ik vind het hartstikke leuk en gezellig. Lekker met ze op stap door Amsterdam. Filmpie pakken, ergens eten of voetballen in het park: ik vind het echt helemaal tof. Of gewoon lekker met ze ouwehoeren over wat ze bezighoudt, geweldig. Kinderen zijn ook zo lekker eerlijk, daar kan ik echt van genieten.

En ik ben zelf ook soms gewoon een groot kind, dus ik kan in zekere zin met ze levellen. En van mij mogen ze wat ze van hun ouders niet altijd mogen. Ze mogen van mij zoveel ijssies, patat en cola als ze willen en veel te laat naar bed omdat we nog gezellig zitten te kletsen. Kortom: ik ben dus echt de coolste oppas die een kind zich kan wensen.

MAAAAAARRRRRR……: ik wil ze graag na een dag weer terug kunnen geven aan de rechtmatige ouders. Want een kind hebben is natuurlijk niet elke dag leuk. Ik moet er niet aan denken om elke dag dat gezeik en gejengel aan m’n hoofd te hebben over bedtijden of wat ze allemaal willen. Oprotten. Ik heb daar compleet geen geduld voor. En je steeds zorgen over ze moeten maken en zo. En gedoe met school en ouderavonden of op zaterdagochtend om 8.00 rillend op een tochtig voetbalveld in Almere Muziekwijk staan: ik wil dat niet.

Kinderen passen simpelweg niet in mijn leven. Ik heb andere dingen te doen die ik belangrijker vind. Zoals mijn horecaleven, uit eten gaan, naar voetballen gaan, op reis gaan, met vrienden op stap gaan, leuke dingen met m’n meisie doen en nog veel meer. En dat alles in willekeurige volgorde.
‘Kinderen zijn hinderen’, zei een vriend van mij vroeger altijd als ie weer eens zuchtend over zijn energie opslurpende kroost vertelde en zijn gebrek aan tijd voor leuke dingen met z’n meisie of met z’n vrienden. Ik moet er niet aan denken. Kinderen zouden mij alleen maar ontzettend in de weg lopen. En daarbij: die wereldbol is al best vol, waarom moet er nog eentje van mij bij? Dus het voortbestaan van de mensheid laat ik mooi aan mensen over die daar wel een schone taak in zien. Veel plezier er mee. Ik houd het wel bij het proces van hoe je kindjes maakt. Dat vind ik veel leuker. ”Niet de vader, wel de dader”, dat is een van mijn lijfspreuken.

En bovendien mislukt de eerste pannekoek altijd bij mij. Zal je net zien, produceer ik per ongeluk een of andere geschifte mafkees. Zoals die rare Gooise jongetjes van rond de 18 en 20 jaar die laatst met een grote groep een jonge vent doodschopten op Mallorca. Je kind zal daar maar tussen zitten! En dan nog laf meteen naar Nederland terugvliegen ook en één van de andere ‘vrienden’ achterlaten. Met zulke vrienden heb je geen vijanden nodig. Peter R. de Vries wordt nu al gemist.

Nou ben ik dus zeer bewust geen ouder, maar als mijn kind ook maar enige vorm van betrokkenheid zou hebben bij deze moord dan zou ik hem hoogstpersoonlijk aan z’n oorlellen meesleuren en met ‘m terugvliegen naar Spanje. En dan mag de koter daar eens haarfijn uitleggen wat er op de plaats delict is gebeurd en wat zijn betrokkenheid is. En dan moet hij me ook recht in mijn ogen aan durven kijken. Schuldig verklaard, met camerabeelden en alles erbij? Je hebt het echt gedaan? Opsluiten in de meest gore Spaanse cel voor heel lang, lekker laten wegrotten. Ik pleur zelf nog de sleutel weg als ik de kans krijg. En als ie er na een jaar of twintig dan eens een keer onverhoopt uitkomt hoef ik dat klerejong ook niet meer te zien. Die vaderliefde zou bij mij niet onvoorwaardelijk zijn. Als jij samen met je kutvriendjes iemand zo laf uit het leven hebt geschopt dan zijn we klaar. Dan ben je gewoon af bij mij.

En zeg nou niet dat ik niet weet waar ik over praat omdat ome Rodje zelf geen koters heeft, want ik heb dit even getoetst bij wat vrienden die wel nageslacht hebben en die denken daar exact zo over. Eén van mijn vrienden zei dat hij dan gefaald heeft als vader. Zo zou ik het ook voelen. Als ik mijn kind niet heb kunnen bijbrengen dat je iemand niet mag doodschoppen en al helemaal niet met tien man dan is er iets heel erg misgegaan in mijn taak als opvoeder.  

Ik hoef de mislukte pannekoek dan dus ook echt nooit meer te zien. Dan ben ik ex-papa. Ik moet geen moordenaar in mijn gezin, Daar ben ik echt heel stellig in. Want wat doe je met een mislukte pannekoek? Die gooi je weg. Gelukkig voor die Gooise jongetjes hebben zij andere ouders. Rijke ouders die met ‘een leger advocaten’ proberen om hun mislukte pannekoeken uit handen van de Spaanse justitie te houden. Want als ze schuldig zijn bevonden in Spanje rotten ze voor 15 tot 20 jaar de bak in en hier waarschijnlijk maar 3 tot 4 jaar, als papa ze al niet vrij heeft gekocht. Maar ik zou er bijna voor gaan bidden dat die knulletjes in Spanje worden berecht. In plaats van dat ze hier met een verwaarloosbare celstraf wegkomen.  

Maar goed, dit gezegd hebbende: ik en kinderen? Nee man. Ik heb ze echt nooit gewild. Teveel gedoe, gezeik en zorgen aan m’n kanis. Goeie kans dat ik, als ik een leuk kind zou hebben, best een leuke papa zou zijn. Maar ik heb er gewoon geen zin in. Ik heb een kind wat dat betreft niks te bieden. Dus ik hoef er ook nooit iets voor terug. Dat houdt mijn leven overzichtelijk. En voor de liefhebbende ouders die ik ken en die het ouderschap fantastisch vinden: geniet er van. Dan heb je er zooooveeeeel voor teruuuuug gekregen.  

Rodweek 107 Deuren

Waar je een deur achter je dichtgooit gaat er ook altijd wel ergens weer eentje open. De deur van het verpleeghuis heb ik dus achter me dichtgetrokken en de deur van Café de Toog, die nooit echt dicht is geweest, heb ik maar weer wagenwijd opengetrapt. Ik doe gewoon weer datgene waar ik misschien gewoon het beste in ben, of waar ik in elk geval het meest gelukkig van word. En of er dan op een bepaald moment ergens anders weer een deur opengaat die me interessant lijkt: dat zien we dan wel weer.

Deuren, in het Engels heten die ‘doors’ en deze maand was het ook vijftig jaar geleden dat Jim Morrison van The Doors ineens voor de hemelpoort stond. Ik was vroeger als puber en jongvolwassene een groot fan van The Doors. Ik kende (en ken dientengevolge nog steeds) alles van The Doors, verslond biografieën, die Oliver Stone-film heb ik minstens twintig keer gezien en ik lulde heel interessant mee over zijn dichtbundels. Morrison was een iconisch figuur die ik machtig interessant vond. Nou zet ik The Doors nog steeds niet af als ik het ergens hoor en ik vind sommige dingen nog steeds leuk om te horen maar mijn devote onvoorwaardelijke fanschap is al een tijdje over. Uiteindelijk kwam ik toch op een punt dat ik durfde toe te geven dat veel van zijn werk natuurlijk compleet onbegrijpelijk en in drank en drugs gemarineerd pubergebrabbel is.

Waar Morrison overigens niet alleen in staat: er zijn nogal wat grote wereldhits met compleet belachelijke teksten. Vertaal de eeuwige nummer 1 in de top 2000, Bohemian Rhapsody maar eens letterlijk: het slaat nergens op. Eén van de onderdelen in mijn muziekquizzen is dat ik het eerste couplet van een grote hit letterlijk vertaal vanuit het Engels en die op Reviaans timbre voorlees. Dan moet mijn aandachtige publiek dus raden welke wereldhit het is en dan weten mensen soms echt niet wat ze horen als ik ze dan later het originele fragment laat horen. Het zijn vaak teksten waarvoor John Ewbank en de tekstschrijvers van Blöf, mensen die hier in Nederland nogal eens worden uitgelachen om hun rare teksten, zich diep zouden schamen.

Wat dat betreft ben ik blij dat Engels niet mijn moedertaal is en ik dus gelukkig ook niet in het Engels denk, want dan zit je dus de hele dag naar de meest rare onzin te luisteren. Nu filter ik de taal vaak nog weg en luister ik puur naar de muziek. Als het maar lekker klinkt. Op het moment dat je het gaat vertalen ga je anders naar een nummer kijken.  

Jim Morrison, werd dus 27. De beruchte rock ’n roll-leeftijd waar ook Janis Joplin, Jimi Hendrix, Kurt Cobain en Amy Winehouse niet voorbij kwamen. Maar wij hebben in Nederland onze eigen rock ’n roll-held: Herman Brood. Die werd 54, dus de dubbele rock ’n roll-leeftijd, toen hij ging bungeejumpen zonder touw. En dat was deze maand twintig jaar geleden. Twintig jaar! Als ik denk aan ‘twintig jaar geleden’ dan denk ik aan 1982 ofzo, maar nee, dat was dus in 2001. Ik werkte op de Universiteit van Amsterdam, zat op mijn computer mails te beantwoorden toen ik door mijn collega en vriend Hans werd gebeld vanaf de balie. Hij had even niks te doen en zag het gelijk op een nieuwssite: ‘Brood is dood’.

Twintig jaar geleden alweer. Ik herinner het me alsof het twee weken geleden was. De tijd gaat snel en we worden allemaal ouder. Al trap ik hiermee natuurlijk keihard een open deur in.

De wereld zag er nog anders uit in 2001. Iedereen belde nog met z’n Nokia 3310 (ik heb dat overigens ook nog behoorlijk lang volgehouden), we betaalden nog met guldens en ’s avonds keken we ‘’Peter R. de Vries, misdaadverslaggever’’ op de buis. Onze nationale TV-smeris, ook nog met zo’n echte smerissnor op z’n bakkes, die zich onverschrokken vastbeet in grote slepende zaken en dapper de strijd aanbond met de onderwereld. Vaak succesvol, maar niet zonder risico. ‘’Hij vangt er een keer één’’, daar was iedereen stiekem een beetje bang voor.

Die angst is dus twintig later, anno 2021, realiteit geworden. En dan niet eens door een echte topcrimineel, maar lafhartig door een zwakbegaafd jongetje van 21 die het voor wat centjes deed. Niet dat het minder erg was als het door een topcrimineel was gebeurd, maar dit voelt toch alsof hij jarenlang heel heroïsch allerlei monsters en draken heeft verslagen en vervolgens heel ongelukkig over een stoeprandje is gestruikeld. Alsof je Lionel Messi bent en je poten worden tijdens een potje voetbal gebroken door een amateurtje uit de onderbond.

Mijn vriendin en ik hebben vanmorgen bloemen gebracht op de plek des onheils in de Lange Leidsedwarsstraat. Open deurtje om te zeggen dat ik niet had verwacht dat we de enigen waren met dat idee, maar de bloemenzee is indrukwekkend en groeit alleen maar. Mensen van alle pluimage brengen een imposant eerbetoon aan een imposant man.

En over deuren gesproken: laat die dader en z’n eventuele mededader maar heel blij zijn dat ik geen rechter ben. Want ook al ben ik mordicus tegen de doodstraf: de deur van die cel zou echt nooit meer opengegaan.  

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!

Rodweek 106 Verpleegonkundige

Ken je dat gevoel dat je verliefd op iemand wordt, dat je er helemaal voor gaat en dat je er een paar maanden later achter komt dat je toch niet zo goed bij elkaar past? Nou, dat is ongeveer zoals het met mijn loopbaan in de zorg is gegaan. Ik ben er vol overtuiging ingegaan, maar ik ben helaas tot de conclusie gekomen dat ik geen geboren verpleegkundige ben en dus gestopt ben met de opleiding waar ik in april mee ben begonnen. Ik liep al weken met een knoop in mijn maag en die heb ik vandaag doorgehakt.

De horeca en de zorg hebben veel raakvlakken op het gebied van welzijn: in beide functies worden zorgzaamheid, attentie, behulpzaamheid, gastvrijheid en een flink scala aan sociale vaardigheden gevraagd. Dat heb ik toevallig allemaal in mijn vakkenpakket zitten, maar verpleegkunde is wel een heel andere tak van sport dan horeca. Ik zal niet zeggen dat ik het heb onderschat, maar moeilijk vond ik het wel.

En dan heb ik het niet eens zozeer over de fysieke werkzaamheden zoals mensen wassen en aankleden, maar met name over de mentale zaken. Ik werkte op een gesloten afdeling met ouderen. Dementerende ouderen op een gesloten afdeling. Ze kunnen er dus niet zomaar af. Sommige mensen beseffen prima waarom ze daar  zitten. Ze zitten daar niet voor zweetvoeten maar omdat ze echt een gevaar voor zichzelf zijn. Anderen hebben geen idee en proberen constant te ontsnappen. ‘’ Prison Break’’ noemden we het altijd.

Robert en Piet zijn partners in crime. Beide heren kunnen allebei nog prima lopen en willen graag samen naar buiten. Ze zijn echt de hele dag bezig om hun ontsnapping te plannen. Dat is aan de ene kant heel erg grappig om te zien, maar aan de andere kant stemt het me ook intens treurig. Het zijn mannen die vroeger echt niet dom waren. Ik zie de ouwe dames aan de tafel die amper nog iets kunnen. Die ik heb gewassen. Ze huilen om wat ooit geweest is en niet meer terugkomt. De scheldende meneer die uit pure onmacht op alles en iedereen blaft. De Surinaamse meneer met wie ik altijd sigaretjes rookte. Hij praat met bijna niemand maar hij nam mij onder het genot van een rokertje in vertrouwen over allerlei zaken. Man met een heftig levensverhaal. En een ouwe boef ook: ‘’Ik ben al vier keer ontsnapt hier. Laatste keer vonden ze me helemaal bij de RAI.’’ Hij grinnikte erbij. De ouwe Jordanees die nog elke dag z’n borrel wil. De seksueel ontremde meneer die elke ochtend als we ‘m wakker maakten eerst even een momentje voor zichzelf krijgt en die elke verpleegster de charmante vraag stelt of ze met hem willen neuken.

Ik zag de fysieke en mentale beperkingen van de mensen. Het deed meer met me dan ik had verwacht. Als je nog nooit iemand anders hebt gewassen en er ligt een oude mevrouw van 95 naakt op haar bed of een oude man die compleet afhankelijk van jou zijn: mij deed dat veel.  Uiteindelijk moet het natuurlijk een mechanische handeling worden: wassen, bovenkant, onderkant, haar kammen, tanden poetsen aankleden en klaar. Zo zag ik het veel ervaren collega’s doen. Flop, flop, flop en klaar. Volgende. Ik had altijd al bewondering voor zorgmedewerkers en dat is, nu ik er een paar maanden in heb gewerkt, alleen maar groter geworden. Het is prachtig, nobel en eervol werk.

Dus ja, met alle vaardigheden die ik heb ben ik een prima horecamedewerker. Ik houd er van om mensen te verzorgen en in de watten te leggen. Helaas bleek dat niet genoeg voor mij om in de verpleegkunde te werken. Daar worden ook andere vaardigheden gevraagd. En natuurlijk zat ik op de opleiding om mezelf die vaardigheden eigen te maken. En de fysieke handelingen had ik best aangeleerd. Dat is gewoon veel vlieguren maken. Het ging voornamelijk om de dingen in mijn koppie. Dat ik me hun verdriet en leed te veel aantrek en het ook mee naar huis neem. Dat ik daarnaast de locatie ook niet zo sfeerverhogend vond en de opleiding een beetje een zooitje was, waren eigenlijk de minst erge problemen. Ik beschik gewoon niet over de professionele distantie die een verpleegkundige nodig heeft. Dat is een essentiële vaardigheid waar ik niet over beschik. ”Je gaat jezelf tegenkomen in dit vak”, dat was één de eerste dingen die ik mij werd gezegd toen ik aan de opleiding begon. Dat is gebleken.

Elke keuze die ik in mijn leven heb gemaakt, heb ik met mijn hart gemaakt. Ik doe alleen maar iets als ik iets leuk, tof of interessant vind. In mijn jeugd heb ik te vaak mensen gezien die klagend en mopperend van hun werk thuis kwamen. Elke dag. ‘Zo mag mijn leven nooit worden’, bedacht ik me al op jonge leeftijd. En daarom heb ik vrijwel alleen maar leuke dingen gedaan. Het leven is te kort om het niet naar je zin te hebben met de dingen die je doet. Als ik het ergens niet naar m’n zin heb ben ik weg.  

Gelukkig zat ik met allemaal toppers in mijn klas en zij gaan allemaal fantastische verpleegkundigen worden. En ik? Ik zal weer wat vaker in De Toog te zien zijn en neem ondertussen even de tijd om te kijken wat ik verder wil doen. Ik heb nog geen idee. We zien wel. Met mij komt het altijd wel goed. Ik ben nog nooit een dag werkloos geweest in mijn leven. En dat ben ik nu ook niet, want ik werk nog steeds in De Toog.

Het voelt een beetje als falen, maar als ik eerlijk naar mezelf ben moet ik tot de conclusie komen dat ik helaas geen verpleegkundige maar een verpleegonkundige ben. Maar wel eentje die eerlijk naar de bewoners, klasgenoten, organisatie en niet in de laatste plaats naar zichzelf  is geweest.     

Rodweek 105 De broodnodige wederopstanding van Haantje Pik


In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw had het Vondelpark een even beroemde als beruchte parkwachter en dat was de heer H.F. Sixma. In de volksmond werd hij ‘Haantje Pik’ genoemd. Zo’n ouderwetse veldwachter Bromsnor. Inclusief snor. Zijn woning stond (en staat nog steeds) bij een ingang van het park, bij het Kattenlaantje. Dagelijks maakte Haantje Pik zijn dagelijkse ronde om kattenkwaad als het klimmen in bomen, stelen van kastanjes en andere kwalijkheden te bestrijden. Volgens de overlevering sloeg hij de daders van dit soort wandaden met een pikhaak ‘aan de haak’ en vandaar dus zijn bijnaam.

We zijn een kleine negentig tot honderd jaar verder, de tijden zijn veranderd, maar eigenlijk zou een moderne Haantje Pik niet misstaan in het Vondelpark. En dan niet voor kinderen die in bomen klimmen of kastanjes plukken, maar ter bestrijding van de ‘Vondelvarkens’ zoals ik ze altijd noem. En eigenlijk beledig ik de varkens daar mee, want varkens zijn een stuk schoner.

Je weet wel, het type mens dat op prachtige zonnige dagen als deze naar de parken trekt, bergen aan proviand meeneemt en vervolgens de rommel in het park achterlaat. En ik noem nu het Vondelpark, maar ook de Amstel waar ik elke dag langs wandel is op mooie dagen een slagveld. Eigenlijk op elke mooie zonovergoten plek in Nederland is het een baggerzooi als het mooi weer is geweest.

Wat zijn dat voor mensen? Ik zal niet zeggen dat alle mensen om mij heen allemaal unaniem ultieme goede mensen zijn, maar als ik met mensen in het park zit ruimen we gewoon onze zooi op. En dat doe ik nu niet alleen als belegen veertiger, maar dat deed ik ook als tiener al. Ik ken niemand die dat niet zou doen. Dus wie zijn die mensen? Wij gooien gewoon onze pleurisbende in een plastic tasje en gooien het weg. En als de containers vol zitten dan gooien we de bende onderweg ergens in een vullisbak of nemen we de bende desnoods mee naar huis. Hoe moeilijk is het?

Je struikelt tegenwoordig over de containers. Waarom zou je de zooi laten slingeren? En echt niet omdat ik zo’n ontzettende goeie jongen ben en heel eigenpijperig eens even kom vertellen hoe goed ik wel niet ben: nee. Dit is toch gewoon een kwestie van fatsoen?

Beelden van elk willekeurig park na een mooie dag: om je kapot te schamen.

En dat is veroorzaakt door de schaamteloze types die helemaal zich nergens voor schamen. De gemeente overweegt nu een alcoholverbod in de parken. En ik begrijp het ook nog. Als mensen niet normaal kunnen doen en steeds asocialer worden dan moeten de goeden onder de kwaden lijden. En dan staan dat soort aso-types ook nog als eerste te zeiken over ‘betutteling’ en ‘dat er ook niks meer mag in dit land.’ Flikker op met die lui.

Maar die lijers pikken wel mijn mooie parkdagen af. Ik vind weinig dingen lekkerder dan lekker met vrienden, wijn en eten in het park te zitten. En dat soort dingen dreigen nu van mij en vele andere goedwillende mensen te worden afgepikt.

En daarom wordt het tijd voor de wederopstanding van een 21e-eeuwse Haantje Pik. En die hoeft niet met een pikhaak mensen tot de orde te roepen, maar gewoon met een lekkere vette boete. Niet die slappe 95 euro, want daar lachen mensen om, maar gewoon een lekker vet en aanzienlijk veelvoud. Een bedrag dat dat soort egoïsten echt voelen. Eentje die zeer doet. Ik ben niet snel van de repressieve straffen: een inbreker hoeft van mij niet z’n huis kwijt, een dief hoeft geen afgehakte hand en een moordenaar hoeft niet op de elektrische stoel. Op die rechterlijke stoel ga ik niet zitten.

Maar onschuldig lijkend, maar toch hinderlijk asociaal gedrag als dit mag van mij keihard worden gestraft. Het lijkt me ook niet al te moeilijk om dat in te voeren en te handhaven. Gooi in Singapore maar eens een kauwgompje op straat. Dan krijg je een boete waar een paard de blafhik van krijgt. Nou, prima. Dan leer je dat rare gedrag wel af. Gevolg: niemand pleurt z’n zooi daar op straat. Dat lijkt simpel en sterker, dat is het ook, maar het werkt wel.
Haantje Pik, 21e-eeuw-stylie: kom er maar in. We pikken het niet langer. En straf hard maar rechtvaardig. Je bent hard nodig. Opdat de leuke mensen nog lang wijntjes kunnen drinken en lekker kunnen eten in de parken.

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!
     

Rodweek 104 De Tranen van Ome Dick

Vandaag is het 24 mei en dat is voor mij altijd een bijzondere dag. Het is de dag dat Ajax in 1995 in Wenen de Champions League won. Vandaag is het dus alweer 26 jaar geleden dat m’n gabber Jazz en ik het Leidseplein onveilig maakten en na de winst een paar gelukstraantjes plenkten. De beelden van matchwinner Patrick Kluivert die de volgende dag door zijn moeder van Schiphol werd gehaald vergeet ik nooit meer. Hij viel zijn moeder huilend in haar armen: wenen van geluk. Daar zouden ze eens een boek over moeten schrijven! (Pssst… hiero, via bol.com).

En gisteren zag ik de beelden van de huilende Dick Advocaat. Goed, het spel van Feyenoord was dit jaar natuurlijk ook om te janken, maar daar waren de tranen niet om. Ook ome Dick kan van stront nou eenmaal geen boter maken en het is ‘m toch nog gelukt om Europees voetbal te halen met een matig elftal. En hij sloot met zijn laatste kunstje een imposante trainersloopbaan af. Het publiek scandeerde ‘’Dickie bedankt!’’ En meer is er voor Dick Advocaat niet nodig om in huilen uit te barsten en zo snel mogelijk de kleedkamer op te zoeken.

Ik snap dat, want ik ben precies zo. Ik ben een jankepoot eersteklas. Dat kan om verschillende emoties zijn. Laat ik meteen met iets heftigs beginnen: een begrafenis. Ik zal een vergelijking geven. Speel je wel eens mee  met de Toto? Je vult een 1, een 2 of een 3 in op je formulier en je zet een paar piekies in. Doe ik af en toe, hartstikke leuk. De wedstrijd van vandaag is Ajax- FC De Manke Reiger. Drie keuzes: 1. Ajax wint: je krijgt slechts je inzet plus een roestig stuivertje terug, want zo bijzonder is het niet dat Ajax die wedstrijd wint. 2. FC de Manke Reiger wint, je krijgt 100 keer je inzet, dus dan ben je plotsklaps een rijke motherfucker. 3. Gelijkspel, je krijgt 75 keer je inzet en dan ben je ook nog best rijk. Optie 2 en 3 zijn dus tamelijk onwaarschijnlijk.
Dezelfde quotering kun je bij mij op begrafenissen inzetten: 1. Rodney huilt als eerste van iedereen 2. Rodney huilt niet. 3. Rodney snottert aan het einde een beetje mee met de mensen die hun traanbuis wel wat beter onder controle hebben. Voor de gokkers, hier is de tip voor je weddenschap: vul gerust een 1 in op je formulier, want ik huil gegarandeerd als eerste op een begrafenis. Ik zie het verdriet van de nabestaanden en voor ik het weet staan alle sluizen wagenwijd open. De relatie tot de overledene maakt niet eens veel uit. Ik was ooit op de begrafenis van de vader van een goede vriend van mij. Ik had de goede man ooit één keer gezien, kende hem verder niet, maar ik ging naar de begrafenis om mijn gabber te ondersteunen. Uiteindelijk stond mijn gabber na de begrafenis mij te troosten omdat ik maar niet kon stoppen met huilen. Het was echt gênant, vond ik.

Mijn tranen kunnen ook om iets moois vloeien. Toen mijn zus trouwde moest ik ook huilen. Nou vind ik trouwen zelf trouwens maar onzingelul. Ik zou het hooguit voor een belastingvoordeel doen. We zijn er in mijn familie over het algemeen ook niet heel erg goed in. Ik heb meer succesvol geslaagde scheidingen dan bruiloften gezien in mijn leven, dus van mij hoeft het niet zo. Maar omdat ik zag hoe mijn zus straalde op haar mooiste dag en hoe zij en haar man genoten van alles schoot ik vol. Dat doet me dan zomaar ineens iets. Zo’n cynische lul ben ik gelukkig ook weer niet. Ik ben overigens wel een goede getuige bij bruiloften. Ik ben op 5 bruiloften getuige geweest en 4 bruidsparen zijn nog bij elkaar. Een strakke 80 %. Nou jij weer.

Maar waar was ik? Oh ja, dat jankgedoe van mij. Toen ik na zes jaar stopte bij Café Bax werd er op mijn laatste dag een feest voor mij georganiseerd. Toeters, bellen en de hele mikmak. Toen ik mijn laatste biertje tapte begon het hele café ‘’Rodney bedankt!’’ te zingen.
Ik wist niet hoe snel ik achter die bar vandaan moest en rende meteen naar achteren om mijn collega te helpen met de kassa op te maken. Want ik moest huilen en ik wilde niet dat mensen dat zagen. Te laat. Al voor dat ik de deur naar de achterruimte had bereikt, toch al gauw 10 meter, stroomde mijn ogen al leeg. Mijn collega stuurde me overigens gelijk weg. ” Kas opmaken? Echt waar Rod? Fok jou, stomme klojo. Sodemieter op en ga zuipen, ouwe gek! Dit is jouw avond, pikkemoos!” Dus dat deed ik dan maar. Maar eerst moest ik even janken op de schouders van mijn collega’s natuurlijk, buiten het zicht van iedereen. Toen de tranen eindelijk opgedroogd waren dronk ik gezellig nog wat bier mee. Maar toen ik even later namens alle collega’s en stamgasten een mooi cadeau ontving en waar iedereen bij stond was het hek weer van de dam. Echt een beschamende vertoning, vond ik. Ik huil zo ongelooflijk makkelijk.

Serieus man, ik huil zo vaak, dat zelfs baby’s in een vliegtuig niet eens naast me willen zitten. Hypothetisch: Stel dat jouw enige taak in het leven is om mij een keer aan het huilen te krijgen, dan kan ik je zeggen: ‘Nou, er zijn moeilijkere taken om te vervullen.’ Voorbeelden? Zet  mijn ultieme break-up-nummer ‘’Flink zijn’’ van Robert Long maar op als ik weer eens voor de zoveelste keer door een verkering ben gedumpt. Zet een willekeurige aflevering van ‘’ Spoorloos’’ op waarin mensen elkaar na 40 jaar weer zien en elkaar in de armen vliegen. Of zet de scène van Bambi op waarin de moeder wordt doodgeschoten. Of de Amsterdamse filmklassieker Simon: al meer dan dertig keer gezien en nog steeds houd ik het niet droog op het einde. Laat die twee goals van Siem de Jong in de kampioenswedstrijd van 2011 zien. Echt, je hebt zo’n huilebalk als mij zo te pakken.   

Toen Ajax in 2011 kampioen werd, met die twee goals van Siem: tranen met tuiten. Ik kan er echt niks aan doen. Ik ben gewoon een ouwe emokikker. Als iets me raakt dan ben ik compleet kansloos in het gevecht tegen de tranen, wat trouwens eigenlijk niet eens een gevecht is. Zelfs VVV verdedigde zichzelf beter tegen Ajax toen ze met 0-13 op hun reet kregen dan ik in een gevecht tegen mijn tranen. En eigenlijk is daar ook niks mis mee. Ik ben net een mens. En dat is ome Dick ook. Hij heeft nooit een favoriete club van mij getraind, verre van zelfs, maar ik heb groot respect voor zijn loopbaan. Hij heeft dingen gepresteerd, zwaait af, krijgt zijn verdiende applaus. Het is over en het is mooi geweest. Dan mag je best een traantje laten. Gooi die sluizen lekker open. Maar afscheid nemen is kut. Ik houd daar niet van. Ome Dick ook niet. Dick Advocaat en ik zijn samen de slechtste afscheidsnemers van de wereld. En wat dan nog? Ik begrijp je, ome Dick.  

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!
Niet allemaal tegelijk want anders moet ik weer janken 😉

Rodweek 103 Bejaardenblog 7: Van De Klinker naar De Klencke

Vorige week, op 30 april, zat het avontuur bij Verpleeghuis De Klinker er op voor mij. Een klein half jaar ben ik daar met veel plezier en liefde gastheer geweest voor de bewoners van een afdeling. Het was een uitvloeisel van de tweede lockdown. De horeca ging weer dicht en zo werd het project #horecahelptdezorg in het leven geroepen. Ik had geen zin om weer een paar maanden alleen maar thuis te zitten en me bij tijd en wijle stierlijk te vervelen, dus ik dacht: ‘OK, waarom ook niet? ‘Als het niks voor me is ben ik zo weer weg en ga ik weer lekker thuis op m’n kont wachten tot m’n salaris binnenkomt of ik verzin wat anders’, zo redeneerde ik.

Maar nee, ik bleek het werken in een verpleeghuis serieus leuk te vinden. Ontbijt, lunch of diner voor de mensen maken, thee met ze drinken of een spelletje met ze doen: ik vond het allemaal gezellig om te doen. Ik ben er geen dag met tegenzin naartoe gegaan. Mijn afdeling bestond uit zeven bewoners. De één is wat beter in staat tot communiceren dan de ander, maar ik had ze allemaal even lief. Zelfs Leo met z’n eeuwige gezeur, z’n commanderende manier van praten en dan ook nog eens ontzettend onverstaanbaar. Ik had gehoopt dat ik zijn manier van spreken na een half jaar wel door zou hebben, maar vaak begreep ik nog steeds niks van wat hij zei. ‘’Leo, ik heb geen flauw idee wat je zegt, maar het antwoord is nee.’’, zei ik dan als hij twee minuten na mijn binnenkomst al 5 commando’s naar me had gebrabbeld. Of ik zei: ‘’Is goed Leo! Ik zeg 2-0!’’. Want hoewel hij een compleet gehospitaliseerde en ook nog eens aartsluie man is kon ik altijd wel gezellig met hem over Ajax praten, voor zover ik er wat van verstond. Daar weet hij alles van en hij volgt ook echt alles.

Daar heb ik hem ook nog wel eens mee geholpen. Toen mocht hij van een verpleegster geen Ajax kijken omdat we zaten te eten. Ik zag dat hij dat heel erg vond. Zoveel leed kon ik niet aanzien, dus dat heb ik overruled en heb hem met zijn bord eten in zijn rolstoel voor de TV gezet en ben samen met hem gaan kijken. Zoveel heeft die man al niet meer, dus dan moet je ‘m ook niet nog eens z’n wedstrijd afpakken. Dat zouden ze mij ook niet aan moeten doen en dat is hoe ik ook naar een zorgvrager kijk. Hoe zou ik op die leeftijd zelf behandeld willen worden? Het ging dan nu om Ajax, mijn ding, maar hetzelfde had ik ook gedaan als ie een ander favoriet programma had willen zien. Maar ik kon ook streng voor ‘m zijn. Moest ook want anders walst ie met rolstoel en al over je heen.

Ramona was mijn Indo-maatje, een gevoelige en lieve vrouw. Lekker over Indonesisch eten praten, samen quizzen spelen en rummikubben. En ze was mijn grote saladefan. Ik vond het eten wat ik daar moest maken niet altijd even spannend, dus dan zocht ik spullen bij elkaar om er een lekkere salade bij te maken. Ik kon haar geen groter plezier doen dan een lekkere salade bij het eten te maken. Ze is gek op groente.  

Met Ingeborg kon ik altijd fijn over het oude Amsterdam praten. Ze heeft op 43 verschillende plekken in de stad gewoond, waaronder ook in de buurt waar ik nu woon. Ze is 86, nu en dan warrig, maar bij vlagen ook nog verpletterend scherp en humoristisch. Ik kan echt in een deuk liggen om haar.
Ingeborg is ook een lekkerbek, houdt van verfijnd en mooi eten. Ze vond het eten vaak saai en dat begreep ik ook wel. Het menu is daar gewoon niet altijd even spannend, al proberen sommige mensen er nog wat van te maken. Dus bij een salade probeerde ik voor haar bijvoorbeeld wat extra feta of olijfjes te regelen. Of het eten anderszins wat leuker voor haar te maken. Lukte niet altijd, want we hadden vaak niet alles in huis, maar ik heb m’n best voor haar gedaan en ik weet dat ze me waardeerde.

Met Klara, de downie van de afdeling had ik een leuke band. Haar onnavolgbare manier van domino spelen (alle steentjes willekeurig achter elkaar leggen) en haar manier van koffie drinken (in één a twee teugen naar binnen, ook als het loeiheet is, de zogeheten ‘looien pijp’) zal ik nooit vergeten. Klara is ook altijd vrolijk en ze noemt mij altijd standaard ‘’mafkees’’. Als mensen aan haar vragen wie ik ben zegt ze gelijk ‘’Mafkees!’’ Maar ik kon haar ook charmeren. Want ze is een mannengek. Dan kregen de verpleegsters haar niet of moeizaam uit haar stoel, want dan wilde ze nog niet naar bed of zo en dan zei ik: ‘’Klara, gaan we samen uit? Gaan we naar de film? Geef me een arm!’’ En dan hing ze al aan m’n arm en liep ik zo met haar naar haar kamer.

Karel was altijd een beetje verliefd op mij, maar dat kon hij ook zomaar op andere mensen worden. Hem hielp ik altijd elke dag met eten. Door zijn hersenbloeding is zijn spraak- en denkvermogen heel erg achteruit gegaan, maar soms dan flapt hij er ineens een paar waanzinnig mooie volzinnen uit waaraan je kunt horen dat hij vroeger echt een man van flinke statuur was. Hij weet dat hij van alles mankeert, daar is hij zich soms ook ineens heel erg van bewust en uit machteloosheid gaat hij dan soms ineens keihard schreeuwen. Vaak tot radeloosheid van Ramona die naast hem aan tafel zit en dan niet snapt waarom Karel zo schreeuwt. Ik heb af en toe wel met haar te doen. Zij zit daar elke dag naast en ik zie dat ze het daar moeilijk mee heeft.

De twee die mijn afdeling completeren zijn Noortje en Eduard. En dat zijn ook de twee met wie ik het minste contact kon krijgen omdat ze communicatief nou eenmaal het minst kunnen. Daar is geen echt gesprek meer mee mogelijk. Hoewel Noortje altijd wel haar mooiste lach naar me lachte. Ze heeft een prachtige lach op haar gezicht. Haar hielp ik ook vaak met eten.

Verpleegkundige handelingen heb ik daar nooit gedaan. Want daar was ik niet voor opgeleid. Maar dat ga ik nu dus allemaal leren in Verpleeghuis De Vreugdehof in Amsterdam-Buitenveldert. De straat heet De Klencke, dus ik ga van de Klinker naar De Klencke.

Buitenveldert is niet de meest spannende buurt van Amsterdam, om niet te zeggen: doodsaai. Maar ik kom daar ook niet om gezellig de toerist uit te hangen. Ik ben in Buitenveldert gewoon om het vak leren en als ik de opleiding hopelijk over zo’n twee en een half jaar heb afgerond kom ik weer met gierende banden terug naar Oud West om weer in de Klinker te werken, als ze me willen. Weer terug van De Klencke naar de Klinker.

Ik moest op mijn laatste dag nog even afsluiten met een grap en had een taart gekocht met zo’n 35%-sticker er op. ‘’Die ouwe taart loopt een beetje tegen de datum, net als jullie, stelletje ouwe taarten!’’ In De Klinker kun je zulke geintjes maken, het is een lekker Amsterdams verpleeghuis waar de Mokumse humor nog hoogtij viert. Ik hou daar van.

Daarom heb ik ook geen afscheid genomen maar ‘tot ziens!’ gezegd. Na de opleiding kom ik, als De Klinker dat wil, gelijk weer terug om te werken in het leukste verpleeghuis van de stad. En tussendoor zoek ik m’n oudjes van daar af en toe even op, als ik in Oud West ben, dat is bij dezen beloofd.

Op mijn laatste dag kreeg ik een hoop bedankjes en een paar cadeaus als dank voor bewezen diensten en dat vond ik lief. Ik deed gewoon alleen maar m’n werk. Ik wil juist de bewoners, al het personeel, de mantelzorgers, de vrijwilligers en wie er ook maar iets met De Klinker te maken heeft bedanken voor alles wat zij voor mij hebben gedaan in het afgelopen half jaar. En dat zij mij hebben laten inzien hoe mooi het zorgberoep is. Jullie waren goud. Iedereen heeft mij altijd een gevoel gegeven dat ze het fijn en belangrijk vonden dat ik er was. Ik heb de waardering echt gevoeld en daarbij heb ik de sfeer in het tehuis en met de collega’s onderling als heel prettig ervaren. Ik ben daar heel gevoelig voor.

Jullie zijn allemaal toppers. Ik ben een medeklinker geworden, dus jullie zijn nog niet van me af, stelletje mafkezen! Tot gauw, vrienden.  

PS: De namen van de bewoners zijn in het kader van de privacy allemaal gefingeerd.

Voor Bejaardenblog 1: klik hiero

Voor Bejaardenblog 2: klik daaro

Voor Bejaardenblog 3: klik andere daaro

Voor Bejaardenblog 4: Klik weer andere daaro

Voor Bejaardenblog 5: Klik dan maar weer hiero

Voor Bejaardenblog 6: Klik dan maar weer daaro

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk.

Rodweek 103 De Toppers

Mijn lieve moeder heeft helemaal niks met voetbal. Het enige dat ze met voetbal heeft is dat ze het leuk vindt dat ik het zo leuk vind. Ze weet nog net dat er lucht en geen zand in een bal zit, maar daarmee houdt haar voetbalkennis- en liefde wel zo’n beetje op.

Maar daarmee heeft mijn moeder nog altijd meer liefde voor de edele voetbalsport dan het schorem dat met een onsmakelijk staaltje eigenpijperij de ‘’Superleague’’ probeerde op te richten. Twaalf rijke Europese topclubs die zich los wilden maken om in een eliteclubje hun eigen competitietje te vormen om zo nog rijker te worden. Hoewel? Rijk? FC Barcelona en Real Madrid staan samen voor bijna 2 miljard op de pof. Ik heb voetbalclubs voor minder failliet verklaard zien worden.

En topclubs? Arsenal en Tottenham wilden ineens ook met de grote jongens mee doen. Tottenham is in 1961 voor het laatst kampioen geworden en ook bij Arsenal is de prijzenkast al zolang niet meer bijgevuld dat het sleuteltje inmiddels verroest is. Qua statuur zijn ze in Engeland niet meer dan pak ‘m beet Vitesse en FC Utrecht in Nederland: leuke subtoppers, maar ze winnen zelden een prijs, laat staan een belangrijke.

En dan Italiaanse clubs als Milan en Inter: ook al jaren niks gepresteerd, al gaat Inter dit seizoen dan wel voor het eerst sinds de 80 jarige oorlog kampioen worden. Het zou eens tijd worden.

Het gaat natuurlijk gewoon om ordinair geld. Een sport van het volk? Dat is voetbal al lang niet meer, zeker in de ‘’grote’’ voetballanden. De goedkoopste seizoenkaart voor een club in de Premier League kost minimaal 800 pond. En zelfs in Schotland is het voetbal al lang niet meer van het volk. In Schotland zijn er maar twee clubs belangrijk: Celtic en Rangers eten de kip. De rest vecht om de kliekjes die aan de kippenbotjes hangen.

Ik werd er ooit, in 2002, in Glasgow, Celtic-park  rondgeleid door een heel aardige mijnheer. Als die man zich stootte en een wondje kreeg dan kwam er groen-wit bloed uit ‘m stromen. Hij praatte prachtig plat Glaswegian en hij vertelde vol passie over ‘zijn’ club. De club waar hij al van kleins af aan fan van is. Hij had uiteraard ook seizoenskaarten. Voor het hele gezin: hij, zijn vrouw en z’n twee kinderen. 1200 pond per stuk. Maar dan mochten ze ook naar de Europese wedstrijden en de beker, zo vertelde hij trots. En dan zat hij met zijn gezin in een hoekvak, niet eens een superplek. Die man kreeg zowat een appelflauwte toen ik vertelde dat ik bij Ajax voor onder de 300 euro een seizoenkaart had.

Maar die man ademde Celtic. Zijn halve jaarinkomen ging naar die club. En hij deed het graag. Voetbal bestaat bij de gratie van supporters. Dankzij mensen zoals die mijnheer hebben clubs bestaansrecht. De fans die jaarlijks veel geld uitgeven voor hun seizoenkaart en die voor belachelijk veel geld elk jaar maar weer het nieuwste shirt voor hun koters kopen. Voor het eerst aan de hand van je vader, je oom, of je voetbalgekke buurman naar het stadion. Dat is geen sentimenteel gelul, dat is wat voetbal is. De magie van de eerste keer een stadion binnenlopen is onbetaalbaar: dat kan geen Amerikaanse miljardair of Arabische oliesjeik betalen. Nooit.

Er gaat al veel te veel geld in die sport om. Supporters draaien nog maar een extra dienstje of twee  omdat ze anders hun seizoenkaart niet kunnen betalen. Een voetballer van Manchester City kan elke week gewoon een nieuwe Porsche kopen als ie geen zin heeft om z’n auto te wassen. De grote jongens in voetballand staan al een tijdje lichtjaren ver weg van de fans die sappelen voor hun geld. Ene Marco van Basten dacht eind jaren 80 al dat een bijstandsuitkering ”een tonnetje” was. Ja, in Italiaanse lire’s misschien. In dat geval geef ik San Marco met terugwerkende kracht gelijk.

En daarom was ik zo blij met de opstand van de supporters in Engeland: ‘’We say fuck off!’’ scandeerden de Chelsea-fans bij het stadion. Woedende menigte. Fok niet met de arbeidersklasse. De rest van Engeland volgde snel. De stront had de ventilator geraakt en dat geeft een boel troep. Resultaat: de Engelse clubs trokken zich terug en kwamen met kruiperige statements. Tja, dat hadden ze niet voorzien. We deden het om de toekomst van de club te garanderen. En het was niet de bedoeling om de supporters te kwetsen en meer van dat soort tralalala.

Welnu, voorzitters van die zogenaamde superclubs: kus m’n harige bolle reet! Klootzakken die een misdaad hebben gepleegd zeggen voor de rechter ook altijd ineens dat ze heel veel spijt hebben. Ja: omdat ze gepakt zijn! En omdat hun kutgedrag consequenties gaat hebben. Maar als ze niet waren gepakt zaten ze lachend hun geld te tellen. En zo is het ook met deze dieven. Dieven die het voetbal nog meer van de gewone mensen af willen pakken. Ze zijn alleen gelijk in de kraag gepakt door het volk en nu biggelen de krokodillentranen langs hun volgevreten spekwangen, murmelen ze dat ze het allemaal niet zo bedoeld hadden en meer van dat soort gejankepoot. Alles om het volk dat met brandende fakkels en rieken klaarstaat ver van zich te houden. De hoge heren hebben de kardinale fout gemaakt om te denken dat voetbalsupporters achterlijk zijn en dachten er mee weg te komen .

Was mijn Ajax hiervoor uitgenodigd en hadden ze ook maar overwogen om mee te doen? Ik had gelijk mijn seizoenkaart doormidden geknipt. Wat dat betreft alle respect voor Bayern München die wel zijn gevraagd voor dit perverse inteelt-rijkeluis-feestje, maar die dat gewoon geweigerd hebben. Dan heb je klasse.

De Super League, de zelfbenoemde Toppers. Hey, hadden we daar niet een of ander groepje artiesten van die zichzelf zo noemen in Nederland?  Waar mensen met een slechte muzieksmaak met een cowboyhoed op hun hoofd en gekleed in een glitterpak heengaan? Inderdaad, en zelfs De Toppers en hun fans zijn minder smakeloos.  

Rodweek 102 Stedentrippenhuis

Een van de eerste dingen die ik weer ga doen, zodra dat hele Corona-gezeik voorbij is, is een lekkere stedentrip in het buitenland maken. Het is mijn favoriete manier van vakantie vieren. Ik houd van de energie van steden, lekker wandelen door een stad en met enige regelmaat op een terras neerploffen voor een versnapering. Het liefst in een stad waar de zon ook uitbundig schijnt. Blijer kun je me niet maken. Maar goed, dat is voorlopig allemaal nog lang niet aan de orde. Buiten Amsterdam ben ik in het afgelopen half jaar alleen in wat omliggende kleine plaatsjes geweest en verder kom ik eigenlijk nergens.

Maar gelukkig woon ik in een mooie stad waar ook voor mij nog voldoende te zien valt en dat valt weer te combineren met mijn nieuwste verslaving: wandelen. Eindelijk eens een gezonde verslaving en dan ook nog eens eentje die geen geld kost. Zoals eerder gezegd houd ik sowieso van wandelen door een stad, maar het heeft het laatste half jaar tamelijk maniakale vormen aangenomen. Als ik iets leuk, lekker, fijn of tof vind dan wil ik er altijd veel van. Dat is met alles zo. Dan ben ik geen amateur. Of noem het gewoon ‘verslavingsgevoelig’, zo je wilt. En zo is dat dus ook met wandelen. Ik ben elke dag al voor 9.00 op pad om mijn eerste wandeling te maken en verder op de dag maak ik nog wel minimaal twee wandelingen. Mijn nieuwe hobby cq verslaving kost me minimaal twee tot drie uur per dag. En het is dat die verschrikkelijke avondklok er nog is, want anders zou ik ’s avonds laat voor het slapen de dag afsluiten met nog een kleine avondwandeling. Ik baal ook echt als ik ‘maar’ anderhalf uur heb gelopen op een dag. Twee uur is het absolute minimum. Ik voel me er goed bij, dus dat wandelen houd ik er ook na Corona in.

Bij gebrek aan de terrassen blijf ik gewoon lekker lopen door de stad. Nadenken over dingen en natuurlijk gewoon rondkijken in die mooie stad van mij. Het is anders kijken naar de stad zonder alle drukte en toeristen. Dingen zien die je nooit op zijn gevallen of waar je simpelweg nooit de tijd voor hebt genomen om eens rustig naar te kijken.

In plaats van als een opgejaagd beest haastig snelwandelend, zigzaggend tussen de toeristen door en met oogkleppen op door de stad te crossen, om maar zo snel mogelijk van A naar B te komen, neem ik nu rustig de tijd voor mijn wandelingen. Ik heb geen haast en hoef nergens naartoe. Behalve weer een keer naar huis op een gegeven moment. Als ik iets heb geleerd van deze Coronatijd is het om meer te onthaasten. Niet alles hoeft een wedstrijdje te zijn.  

Ik kijk dus veel naar gebouwen, naar straatkunst of soms gewoon naar mensen. En als iets me interesseert dan zoek ik daar thuis wat meer over op. Zo is er bij mij om de hoek, op de Kloveniersburgwal nummer 26 een heel smal pandje. Tegenwoordig huist er een designwinkeltje in het pand. Het is niet het smalste pand van de stad, maar wel één van de smalste. Het pand heet het Klein Trippenhuis, zo vond ik uit.

Aan de overkant van de gracht, op nummer 29, staat een heel breed pand met twee voordeuren. Dat is het Groot Trippenhuis. Het meest bekende verhaal over de panden gaat als volgt: de vermogende Amsterdamse broers Louis en Hendrick Trip lieten in de zeventiende eeuw een gigantisch dubbel woonhuis bouwen. Tijdens de bouw van het pand kwam de jonge koetsier van een van de twee broers kijken naar de vorderingen. De jongeman wilde trouwen met zijn verloofde maar kon met zijn schamele inkomen geen goed huis voor hem en zijn aanstaande vinden. De koetsier verzuchtte: ‘’Ach, had ik maar een huis zo breed als de voordeur van mijn meester.’’. De koetsier werd door zijn meester op zijn schouders getikt en deze beloofde hem dat hij van de overgebleven stenen zo’n huis voor zijn koetsier zou bouwen. Aldus geschiedde. Dat is natuurlijk een mooi en romantisch verhaal. Een ander verhaal is dat de broers het pandje voor hun minnaressen lieten bouwen en zo af toe eens konden ‘overwippen’. Allebei mooie verhalen en of deze stadslegenden nou waar zijn of niet: laat de waarheid nooit een goed verhaal in de weg staan. Ik ben gek op urbane legenden en het is leuk dat ik daar de laatste tijd weer wat meer tijd aan besteed.

En zo maak ik er toch elke dag een stedentrip van in eigen stad.   

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

Rodweek 101 Zeventien Doezoe.

Mannen en jongens en hun fascinatie voor piemels: het blijft een wonderlijk fenomeen. Gooi het woord ‘piemel’ in een gesprek en zelfs de meest serieuze man wordt op z’n minst een beetje melig of soms zelfs ronduit lacherig. Ik behoor tot de categorie van mannen die enorm  kan schaterlachen om flauwe piemelgrappen. Toen ik nog in de Melkweg-garderobe werkte en mijn collega James en ik het gevonden voorwerpen-boek moesten bijhouden: tussen alles wat wij hadden genoteerd stond er altijd een mooie piemel bij getekend. Tot wanhoop van de bedrijfsleiders soms. Die keken dan de volgende dag in dat boek en dan zagen tussen wat ze zochten gelijk weer zo’n knots van een lul. Of twee. Of drie.

Piemelstraatkunst: ik kan er onbedaarlijk hard om lachen als iemand een piemel op straat of op een muur heeft getekend. Of je kijkt naar de Tour de France en iemand heeft een grote fallus op de weg geschilderd. En afgelopen week bij de Kattenlaan, vlakbij de ingang van het Vondelpark, tegenover de tennisclub: onder een fonteinkraantje was er een pracht van een behaarde balzak getekend. Ook op mijn 44e kan ik daar nog bijzonder hartelijk om lachen.

Tegenwoordig douchen veel jongens na het voetballen in een onderbroekje, in mijn tijd als mislukte voetballer douchte iedereen gewoon in z’n blote reet en dus ook in z’n blote piemel. En hoeveel je als jongen of  man ook op vrouwen valt: onwillekeurig kijk je soms toch even een seconde naar wat er bij je teamgenoten tussen de benen hangt. In ons juniorenteam voetbalde een gozer die op z’n twaalfde al bijna volgroeid was en een werkelijk indrukwekkend klokkenspel had. Een soort baby-armpje. Ken je die grote Duitse braadworsten die twee keer zo groot zijn als het broodje waarin het geserveerd wordt? Dat was hij. De rest van het team was meer het niveau van kleine knakworstjes. We plaagden hem er ook wel mee: ‘’Hey, Miguel, hoe krijg je een paard aan het janken? Trek jij je broek maar naar beneden!’’ Gottegottegot, wat hadden we een lol om zijn lul. We waren toen beginnende pubers, maar zelfs nu ik dit dertig jaar later opschrijf moet ik er weer om lachen.

Maar zelfs mijn puberale piemelhumor kent grenzen. Die acteurs, leeftijd begin 20, die afgelopen week tijdens een livestream een jongetje van 12 uitdaagden om zijn piemel te laten zien in ruil voor ‘’17 doezoe’’, straattaal voor 17.000 ballen, moeten zich tot in de afgrond schamen. Gad-ver-dam-me. Smerig en vernederend. Ver voorbij het ‘’misplaatste grapje’’ zoals de jongeheren hun daad kwalificeerden. Hebben ze echt spijt van hun wanstaltige ‘’grap’’ of van de gevolgen die het met zich meebrengt? Ik ben bang voor het laatste. De heren waren immers aardig aan de weg aan het timmeren en worden nu overal ontslagen. Met hun leuke ”grapje”.

Ik heb op m’n 20e en later ook wel, stomme dingen gedaan en gezegd, maar nooit en zeker niet op die manier en al helemaal niet ten koste van een kind. Ik hoop van harte dat de rechter dan ook zal besluiten dat die jongeheren dat arme kind een veelvoud van die ‘’17 doezoe’’ mogen betalen.

Maar genoeg gelul over deze lullen.

Afgelopen week was er op het nieuws dat 195 Nederlanders komende zomer een proefvakantie mogen maken naar Rhodos. Uiteraard onder voorwaarde dat je bent getest, maar dan mag je dus ook niet van het resort af. Dan moet je wel een ontzettende hekel aan je eigen huis hebben, dacht ik gelijk. ‘Wie wil dat nou?’, dacht ik nog. ‘’Ze mogen blij zijn als ze 195 mafkezen vinden die op die voorwaarden op vakantie willen.’’ Nou wil ik ook heel erg graag weer op vakantie, maar dan moet ik me wel gezellig kunnen bewegen als ik dat wil. Ik ben niet zo desperaat dat ik me terwijl ik er voor moet betalen in een Grieks hotel laat opsluiten. Weet je hoeveel mensen zich hebben aangemeld voor die Griekse gevangenistrip? Geen grap: 17 doezoe!    

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.