Rodweek 123 Lockdownsyndroom

De ene na de andere bekende Nederlander wordt dezer dagen verdacht van allerlei grensoverschrijdend gedrag. De verdachten zijn onder anderen Marco B., Manuel B., Ali B. en Jeroen Rietb. Wat een toestanden allemaal.
Vorige week heb ik mijzelf als redelijk onbekende Nederlander trouwens ook schuldig gemaakt aan wat grensoverschrijdend gedrag, al was mijn gedrag wel wat onschuldiger.
Het was een week of anderhalf geleden dat ik de hele wereld van nu en z’n moeder even helemaal zat was. De lockdown die als gevolg heeft dat ik al twee maanden zonder werk zit. De onzekerheid en het bijkomende gevoel van verveling die onbewust meer en meer vat op mijn gemoedstoestand begonnen te krijgen.

Omdat ik altijd gewend ben om iets te doen en slecht stil kan zitten werd ik dus heel onrustig. Ik weet tegenwoordig bij het wakker worden soms niet eens gelijk welke dag het is omdat al mijn dagen al twee maanden als twee druppels op elkaar lijken. Ik werd er bloedchagrijnig van en dat terwijl mijn meisie juist net lekker twee weken lekker en welverdiend vakantie had na een periode van hard werken in de zorg en in haar winkel. Zij genoot lekker van haar vakantiedagen en rust terwijl ik juist steeds onrustiger werd in mijn hoofd. Al deed ik voor haar echt heel hard mijn best om toch een zo leuk mogelijke versie van mezelf te blijven. Maar ik ken mezelf: ik ben gewoon een minder leuke jongen als ik me verveel en mezelf nutteloos voel. Dan word ik narrig. Niet altijd even leuk voor mijn dame, maar ik kon er niks aan doen, de mentale batterij was even helemaal leeg. Noem het maar mijn lockdownsyndroom.

En zo stond ik dus een week of anderhalf geleden in de keuken. Geestelijk afgeknoedeld. Ogen op standje David Neres. Voor wie David Neres niet kent: de recent verkochte Braziliaanse aanvaller van Ajax wiens ogen altijd zo halfdicht (of halfopen) staan dat het lijkt alsof hij net een kilo spacecake naar binnen heeft gemetseld of altijd moe is. Wil je weten hoe hij eruit ziet? Google is je vriend.

Maar ik wilde gewoon weer even een dagje enig gevoel van leven in mijn donder hebben. Het gevoel van gewoon weer lekker door een stad wandelen, terrasjes pakken, copieus eten, veel zuipen en voor mijn part winkelen erbij. Er moest wat gebeuren. Dan is er in deze tijd voor mij maar één optie: Antwerpen. Ik ben gek op die stad. En dus boekten wij diezelfde avond de trein en een fijn nachtje hotel tegenover het mooiste treinstation van Europa. Even eruit! Even de grens overschrijden en even weer proeven van het vrijere leven.

Ik woon in Amsterdam op loopafstand van toeristenfuiken als de Kalverstraat, Damrak en het Rembrandtplein, maar ik kom daar vrijwel nooit, tenzij het de kortste route ergens naartoe is. Ik heb daar gewoon niet zoveel te zoeken en vind er ook bijzonder weinig aan. Toeristenzooi. En dat terwijl Antwerpen eigenlijk een soortgelijke entree heeft. Vanaf het majestueuze station loop je de Keyserlei op, dat eigenlijk een equivalent van het Damrak is, vol slechte en te dure vreetschuren, geen bijzondere cafés en oninteressante winkels vol toeristenmeuk. Vanaf de Keyserlei loop je de Meir op. De Meir is de Kalverstraat van Antwerp. Zelfde oppervlakkige dertienduizend in een dozijnwinkels als in de Kalverstraat of elke andere geestdodende winkelstraat in elke willekeurige plaats. En vanaf de Meir loop je dus zo via de Eiermarkt de Groenplaats op, de Antwerpse evenknie van het Rembrandtplein. Op soortgelijke plekken in Amsterdam kom ik dus zo goed als nooit, terwijl ik er tussen woon.

Maar in Antwerpen voelde ik mezelf afgelopen week alsof ik al twee maanden niet had gegeten. Dan smaakt alles! Honger maakt rauwe bonen zoet. Dus ik vond ook de Keyserlei en de Meir geweldig en ik ging zelfs winkels in. Doe ik in Amsterdam ook bijna nooit. Mijn manier van kleding kopen gaat namelijk al sinds jaar en dag volgens een simpel doch uiterst effectief vijfstappenplan:

1. Ik heb iets nodig, dus ik loop de winkel binnen
2. Ik weet welke maat ik heb, dus passen is niet nodig.
3. Ik trek dat product uit het rek
4. Ik reken de zooi af
5. Ik loop die stinkhut weer uit.

Ik ben zelden langer dan strikt noodzakelijk in een grote kledingwinkel. Twee minuten max. En nee, ik zal mijn kont in Amsterdam ook zelden tot nooit op het Rembrandtplein neerplanten. Laat de toeristen daar lekker zitten. Maar ik ga dus wel altijd met mijn reet op de Groenplaats zitten. Is ook gewoon toeristenzooi. Maar goed, nou ben ik toevallig ook een toerist in Antwerpen, dus ik mag daar gewoon zomaar zitten, vinnik!

Maar ik had me echt geen betere twee dagen in Antwerpen kunnen wensen. Lekker met m’n meisie door een levende stad wandelen. Natuurlijk gingen we de winkels in waar mijn dame heen wilde en natuurlijk hadden we na elk half uurtje lopen steeds ergens een wijntje verdiend, vonden we. Of een vers getapt bolleke de Koninck! Mijn koninckrijk voor een vers getapt bolleke! Ik woon in een buurt vol toffe horeca en nu moest ik een kleine twee uur omrijden voor een vers getapt biertje in de haven van Antwerp bij café de Batavier. Het maakte me echt geen drol uit. Het was het me allemaal meer dan waard. Het was het lekkerste biertje in tijden.

Net buiten het centrum verdwaalden we op een prachtig terras, café Buenos Aires. We waren de enige twee gasten. De verwarming stond aan. De barman draaide prachtige muziek van onder anderen Leonard Cohen, Nick Cave en The Thindersticks die wij via de speakers buiten konden horen. De wijn was totaal niet bijzonder en toch was het de lekkerste wijn van de dag. We bleven er een paar wijntjes te lang hangen omdat we genoten. Van alles: het fijne terras, de muziek, elkaar en de matige wijn. In willekeurige volgorde.
We moesten nog eten. We hadden ons voorgenomen om flink culinair uit te pakken. De goede restaurants op de terugweg naar ons hotel waren al dicht. We eindigden uiteindelijk in de Ierse pub op de Keyserlei, met veel te dure borden spaghetti voor de dame en een fish and chips voor mij. Twee bloemenvazen slecht getapte uilenzeik erbij, voetbal op TV en niks meer aan doen. Ons eigenlijke plan om copieus te eten in Antwerpen was dan weliswaar niet helemaal gelukt (of beter: helemaal niet), maar het was eigenlijk perfect zo. Het paste precies in de dag. Of we nog iets cultureels hebben gedaan? Wel, een groot deel van de Belgische cultuur bestaat uit eten en drinken, dus als we dat tellen dan hebben we toch aardig wat aan cultuur gedaan.

Deze grensoverschrijdende dag en de halve dag daarna smaakte naar meer. Maar belangrijker was dat onze batterijen weer even opgeladen zijn. Zelfs van anderhalve dag Antwerpen. Al hoop ik toch dat ik voor zo’n fijne dag binnenkort niet meer de grens over hoef, maar gewoon weer lekker mijn eigen Amsterdamse horeca kan steunen. Om dan aan het einde van de dag weer grenzeloos gelukkig in mijn eigen bed te ploffen.

Rodweek 122 De echte Nederlandse inburgeringscursus

Een jaar of vijftien geleden heb ik ooit met een groep van een stuk of tien mensen een Nederlandse inburgeringscursus ingevuld. Het ging voornamelijk over Nederlandse etiquette. Allemaal geboren en getogen Nederlanders. Op een in Turkije geboren jongen na, maar die was wel grotendeels opgegroeid in Nederland, dus die tellen we ook mee als echte Nederlander. We tellen Max Verstappen tenslotte ook als Nederlander en die heeft er nooit een seconde gewoond. Mijn score: een 5,4. De anderen in mijn groep ook onvoldoendes of magere voldoendes. De geboren Turk had volgens mij nog het hoogste cijfer met een 6,5 of zo. Nou weet ik niet hoe die testen nu zijn, maar toen waren ze voor Nederlanders al bijna niet doen, laat staan voor mensen die hier niet vandaan komen. In de praktijk had je er geen flikker aan.

Toen ik nog in de Melkweg werkte hadden we wel eens rollenspellen om ons voor te bereiden op lastige klantsituaties. Ik vond dat altijd hartstikke gezellig, maar om nou te zeggen dat ik er op de werkvloer wat aan had: nou nee.

Ik kom hier op door een stripje uit de serie ‘9 tot 5’ die ik vaak op Facebook lees. Een Nederlandse meneer wil een buitenlandse meneer toetsen op zijn kennis van de Nederlandse cultuur. Waarop de buitenlandse meneer antwoordt: ‘Wat nou? Bepaal jij dat? Denk je dat je beter bent of zo? En trouwens, die koffie is ook niet te zuipen!’ De examinator feliciteert de man en zegt dat hij cum laude geslaagd is.

Het is natuurlijk een beetje kort door de bocht, maar Nederlanders kunnen ontzettend bot, lomp en betweterig zijn.

Zomaar een paar voorbeelden uit het dagelijkse Nederlandse leven die je niet op de inburgeringscursus leert maar simpelweg door er te leven. Laat ik het ‘de echte inburgeringscursus’ noemen.

– Nederlanders die op een druk perron niet, zoals in elk ander beschaafd land, rustig wachten tot mensen uit de trein of metro zijn gestapt, maar zichzelf gewoon door de meute heen naar binnen persen.

– Het eeuwige ‘Ja maar…’ Nederlanders kunnen discussies compleet tot snot koken. Geen volk is daar beter in. Zelfs als een Nederlander een discussie hopeloos dreigt te verliezen beginnen ze hun tegenargument met diezelfde op de mond bestorven twee weerwoorden: ‘Ja maar…’ Want we weten het altijd allemaal beter. Of het nou over politiek, Corona, Zwarte Piet, de presentator van Zomergasten of het selectiebeleid van de bondscoach gaat: Nederlanders vinden daar wat van. En dan ook niet allemaal hetzelfde: nee, er vormen zich felle pro- en contragroepen die de hakken tegen elkaar in het zand zetten waardoor er nooit meer een dialoog mogelijk is. Nederlanders zijn doorgaans namelijk belabberd slecht in luisteren en tateren graag door elkaar heen. Liefst met stemverheffing, want dat maakt de kans op winnen groter. En dat denken alle debatterende partijen. Gevolg: niemand snapt op een bepaald moment nog iets van de discussie omdat de kluwen van argumenten en verwijten tot een welhaast onmogelijk te ontrafelen knoop is verworden. In discussie gaan met Nederlanders is als een moeras inlopen. Het is bijna onmogelijk om eruit te komen. Met dit belangrijke verschil: uit een moeras klimmen is makkelijker en stukken minder vermoeiend.

– Nederlanders klagen graag en veel. Vooral over het weer. In de winter is het koud, in de zomer is het te heet en als het drie dagen achter elkaar regent in de zomer krijgt die zomer al gauw de kwalificatie van ‘kutste zomer ooit!’

– We klagen ook graag en massaal over de regering. Toch word er al jaren op dezelfde ouwe hap gestemd, waardoor er eigenlijk geen reet verandert. Er moet tenslotte wat te klagen blijven.

– Wat ik ook mis in de inburgeringscursus is de ‘Hoe gedragen Hollanders zich over de grens-excursie? Nou ben ik best in een boel landen geweest, maar zo Popie Jopie als wij denken te zijn, zijn we niet over de grens. Ze vinden Nederlanders vaak lomp en horkerig. Niet onterecht ook vaak. Er is nogal eens gezeik met Nederlanders in den vreemde. Zodra Nederlanders zich uit de tentakels van de werkgever en gezin hebben weten te ontworstelen willen ze nogal eens transformeren in nare wezens die het allemaal wel even uit komen leggen.

– Wat je ook niet meekrijgt in de cursus: doodsaaie kringverjaardagen waarbij iedereen van de eerste tot de laatste minuut van zijn aanwezigheid op dezelfde plek zit. Beginnen met een kopje thee of koffie, dan een borrel (mannen bier, vrouwen wijn) en een schaaltje met stukjes kaas en worst (een worst-kaas-scenario) die rondgaat en waar iedereen er eentje van mag pakken, zodra het schaaltje voorbij komt. En na afloop zegt iedereen dat het gezellig was en dan is het weer wachten tot de volgende kringverjaardag.

– Verder zou ik graag een praktijktoets ‘Hoe spreek ik een Nederlander aan op asociaal gedrag en wat voor antwoord kan ik verwachten?’ zien. Een voorbeeld: iemand gooit een leeg frisdrankblikje op straat. Daar zeg je iets van en vraagt beleefd of hij/zij het in het vervolg niet in de vuilnisbak kan gooien. Nederlanders houden daar doorgaans niet van. De kans dat je als antwoord: ‘’Bemoei je met je eigen zaken, kankermongool/kankerhoer!’’ krijgt is aanzienlijk.

– Schelden met ziektes is een dingetje in Nederland. Ik heb buitenlandse vrienden van verschillende nationaliteiten weleens uitgelegd op welke manier hier gescholden wordt: die stonden met hun oren te klapperen. Daar snappen ze helemaal niks van. Maar misschien is het ‘lands’ wijs, lands’ eer’. Een Servische vriend van mij legt wel eens uit hoe er in de Balkanlanden wordt gescholden. Daar worden familieleden en seksuele handelingen met dieren bij betrokken. ”Je oma neukt ezels!” of dat soort dingen. Hij vertaalde laatst eens wat scheldwoorden die hij van Ajax-aanvoerder Dusan Tadic kon liplezen. Dat je dan ook denkt: ”Tja, kennen we hier dan weer niet.”

– ‘’Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg.’’ Hollandser dan dat worden uitspraken niet meer gemaakt. Val vooral niet op. Niet dat hoofd boven het maaiveld uitsteken. Nederlanders zat die die kop er lachend afhakken.

– Tradities! Nederlanders zijn gek op tradities! En kom daar maar beter niet aan met je buitenlandse tengeltjes, want dan vinden veel Nederlanders je een vieze cultuurverpester en als het je niet bevalt dan moet je, volgens een aloud Hollands adagium, maar gewoon oprotten. Krijg je gewoon die Limburgse Wilders-vlaai in je porem gedrukt. Het adagium wordt trouwens breed rechts gedragen. Ook onze Minister President, die iedereen vreselijk vindt maar die toch steeds wordt herkozen, liet zich ooit in soortgelijke bewoordingen uit.

Ach ja, Nederlanders. De meesten zijn echt zo kwaad niet als ik hierboven beschrijf. Al heb ik natuurlijk allemaal wel zeer eloquente mensen om mij heen verzameld, maar dat terzijde. Ik chargeer natuurlijk een beetje hier en daar, maar een wonderlijk volkje zijn we absoluut. En dan kun je nog zo’n goed cijfer voor je inburgeringscursus hebben gehaald: de meeste dingen leer je alleen door met elkaar te leven en begrip voor elkaar te hebben. En alle voorbeelden die ik hierboven heb genoemd kun je gewoon makkelijk meemaken. Dus succes hier, beste nieuwkomer!

En voor de rest vind ik het hier best prima. Zo slecht hebben we het hier niet in Nederland. Veel Nederlanders vergeten dat nog weleens tot ze in een ander land hebben gewoond. Dus ik blijf gewoon. Want, en dat is dan toch de Hollander in mij: als het me hier niet meer bevalt, dan rot ik gewoon lekker op!

Rodweek 121 Kart Vader

Als ik in het café ben en ik hoor mannen praten over auto’s, motoren, welke handige klussen ze allemaal thuis hebben gedaan, techniek, Star Wars, de Tour de France, de Moto GP of de Formule 1 dan denk ik wel eens: ergens in mijn ontwikkeling als ‘echte’ man zal ik dan wel wat afslagen gemist hebben want dat zijn dus precies de dingen waar ik nooit ook maar enige vorm van interesse in heb gehad.  

Terwijl nagenoeg mijn hele Facebook-schare aan hondsdolheid grenzend euforisch was over de gewonnen Formule 1-wedstrijd van Max Verstappen zat ik met mijn meisie een potje triktrak te spelen. Het nieuws van de overwinning nam ik ter kennisgeving aan. Ik heb nooit iets met Formule 1 gehad, dus ik ga ook niet nu ineens doen alsof ik er wel wat mee heb, laat staan dat ik ga doen alsof ik er iets van af weet. Ik zie wat mensen rondjes rijden en daar vind ik nou eenmaal weinig aan.

En terwijl ik die laatste zin net opschreef weet ik dat een echte Formule 1-liefhebber nu van mij gruwt. Zoals ik slecht tegen mensen kan die niks van voetbal weten maar er toch wat over willen zeggen: ‘’Nou, dat zijn toch ook maar gewoon 22 mannetjes die achter een bal aan rennen en als ze ‘m hebben dan schoppen ze ‘m weer weg.’’ Of die wat vinden van voetbalsupporters terwijl ze nog nooit in een stadion hebben gezeten. Dat soort figuren.
Nee, hou op! Ga weg. Kssssst! Je weet er niks van, ome Hannes en tante Gerda, dus bemoei je met je eigen sport. Ik hou er niet van om met mensen over voetbal te praten die niet eens weten of er lucht of zand in een bal zit, maar die daar dan wel hun scherpe ondeskundige meningen en analyses over uit braken. Dus daarom bemoei ik me ook niet met Formule 1. Het is totaal niet mijn expertise en ik ga ook niet meelullen om interessant te doen.  

Wat niet wegneemt dat ik de vreugde-explosie van de racefans natuurlijk wél compleet snapte toen Verstappen zich in die laatste ronde de geschiedenisboeken inreed. Het was dezelfde hysterische blijdschap die ik in 1995 ervoer toen Patrick Kluivert Ajax vlak voor tijd naar de Champions League-zege punterde. Of de dag dat Ajax in 2011 op de laatste dag in een heroïsche wedstrijd kampioen werd. Dat zijn gewoon waanzinnig mooie sportmomenten en ik snap sportbeleving en de vreugde (of de intense teleurstelling) die je als fan kunt hebben. Ongeacht welke sport het is.
Dus hieperpepiep voor onze Max. Een in Monaco woonachtige Belg die om belastingtechnische redenen *kuch, fiscale ontvluchting* nooit ook maar een dag in Nederland heeft gewoond, maar die dan uiteraard ineens wel een Nederlander is. Alles voor een oranje gekleurd feestje! We duwen Max’ geboortedorp, dat Belgische Hasselt, hoe groot kan het zijn, gewoon een paar kilometer verderop de grens over bij Maastricht, we noemen hem een Nederlander en dan is het gewoon ‘onze Max’. Klaar. Zo zijn we dan ook wel weer in ons kikkerlandje. Als Max op een domme manier verloren had was ie gewoon ‘die Belg’ geweest.  

Maar voor nu dus ‘onze Max.’ Het succes van ‘onze Max’ zal natuurlijk tot een explosie aan aanmeldingen leiden bij de lokale kartclubs. Waar Kartbaan De Roestige Bougievonk in Koog aan de Greppel al jaren een zieltogend bestaan leidt mag deze zich nu gaan verheugen op een invasie aan dolenthousiaste  kinderen die allemaal in de voetsporen van ‘onze Max’ willen treden. En dat is op zich niet zo erg, maar dan krijgt zo’n kartcentrum de vaders van die kinderen er ook gratis bij.

Die mannen worden de opvolgers van de ouderwetse voetbalvaders. Voetbalvaders zijn proleterige mannen (remember Michiel Romeijn als de voetbalvader uit Jiskefet of Martin van Waardenberg) die de voetbalwedstrijd van hun kind verpesten door als een wildeman te staan schreeuwen langs de kant. Vaders die allemaal de nieuwe Van Basten (mijn tijd) of de nieuwe Messi (tegenwoordige tijd) in hun koter zien. Goddank dat mijn vader nooit zo was. Die stond gewoon zwijgzaam langs de kant een sjekkie te roken en naar mijn onbeholpen geklootviool te kijken. Daarna kreeg ik een patatje en een colaatje in de kantine en gingen we weer naar huis. En dat was prima. Nou hoefde je trouwens ook geen kennersoog te hebben om te zien dat ik nou niet bepaald de nieuwe Van Basten was, dus schreeuwen langs de kant was per definitie zinloos. Met schreeuwen injecteer je geen talent.

Maar deze nieuwe generatie vaders gaat dus en masse schreeuwend langs de kant van de kartbaan staan omdat ze allemaal een nieuwe Max Verstappen in hun koter zien. Van die vaders die het coureurtalent van het kind natuurlijk al gelijk zagen toen het kind op 2-jarige leeftijd zijn debiele buurjongetje inhaalde op zijn driewieler. En die dan met half dichtknepen oogjes wijsneuzerig tegen de trainer van het kind orakelen: ‘’Toen kon je het eigenlijk al zien, he!’’ Het zullen doodvermoeiende taferelen worden langs de kartbaan. Ik heb nu al met die trainers te doen.

En hoewel ik dus ook niks met Starwars heb, laat ik mezelf in dezen dan toch maar een Starwarsje permitteren: wij gaan in Nederland snel kennismaken met Kart Vader.

Hey psssst, ouwe! Boekie kopen? Voor de feestdagen, voor een verjaardag of gewoon voor jezelluf? Ik heb nog wel wat exemplaren van mijn columnbundel ”Het nut van een gebreide condoom” liggen. 15,- per stuk bij afhalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 per stuk als ik de postduif stuur. Desgewenst persoonlijk gesigneerd en wel. Bestellen kan via [email protected] of via Facebook Rodney Rijsdijk.

   

Rodweek 120 Repbrandt

Gisteren lag er een boek, geschreven door Theun de Winter, in mijn brievenbus. Het boek gaat over de roadtrip die de auteur in 1975 met voetballer Johnny Rep maakte van de Zaanstreek naar Valencia, alwaar Rep een contract met de plaatselijke FC had getekend. Voor 12,50 inclusief verzendkosten werd het boek gesigneerd en wel door Rep opgestuurd. ‘Dat is geen geld voor een boek!’, dacht ik. Dat is het ook niet, maar de omschrijving ‘boek’ is dan ook eigenlijk wel lichtelijk overdreven. De officiële telling geeft aan dat het boek 48 pagina’s telt, maar trek daar de witpagina’s, de inhoudsopgave, colofon, een paar foto’s en een voorwoord vanaf  en je houdt netto 30 pagina’s over. Op A6-formaat en met een lettertype dat zo groot is dat er geen leesbril of loep bij nodig is.

Ik had mezelf een glaasje wijn ingeschonken, nestelde mij met poes Eva op schoot languit op de bank en begon te lezen. Bij mijn derde slokje, na een klein kwartier, halverwege het glas, was het boek uit. Serieus, over de feestdagenfolder van de HEMA doe je langer. Het is gewoon een leuk reisverslag, zoals mijn vrienden en ik die ook vaak hebben geschreven na reisjes, alleen is hier dan een kaft omheen gedaan.

Maar hoewel het werkje te kort is om het als een echt boek te beschouwen, je noemt een regenworm tenslotte ook geen slang: ik vond het twaalf en een half welbestede euro’s. Het geeft een leuk tijdsbeeld van twee jonge gappies van in de twintig, die in de jaren zeventig met een autootje naar Spanje tuffen.
Rep, Ajacied, Europacupwinnaar en wereldbekerwinnaar zou in deze tijd in een privéjet en met alle bijbehorende egards worden overgevlogen naar zijn nieuwe werkgever. Reppie niet, die kachelde gewoon met z’n beste maat in een karretje van de Zaan naar de zon. Tassie voetbalschoenen, wat te eten en te drinken mee en gaan. Onderweg moest even worden gestopt in Llorett de Mar. Daar had Rep over gelezen dus daar moest gestopt worden. ‘’Daar is het gezellig, dus daar moeten we wezen!’’ was de gevleugelde uitspraak van ‘Goudhaantje’, zoals zijn bijnaam luidde. Die uitspraak is ook de opdracht van het boek. Een uitspraak waar ik mijzelf ook altijd prima in heb kunnen vinden. Al met al een amusant reisverslag. Ik vertel niet te veel want voor ik het weet heb ik het hele verhaal verklapt.  

Daarbij gun ik Rep en zijn gabber wel een paar centjes. Al is het alleen maar omdat Johnny Rep ooit eens gelegenheidscoach was van het gelegenheidsteam waarin ik in 2012 in speelde. Hij was samen met de legendarische snor Abe van den Ban medeverantwoordelijk voor de 3-2 zege die de voetbalbloggers in het Haarlem-stadion behaalden tegen een team van sportjournalisten, die Willem van Hanegem en Hans Kraaij jr. als coaches hadden. Maar wij werden geïnspireerd door de meest legendarische snor uit het Nederlands betaald voetbal en door ‘Goudhaantje’. En zo wonnen wij in de laatste secondes van de wedstrijd met 3-2. Niet dat mijn aandeel daarin heel groot was, maar toch, ik was erbij. Zodra ik de bal kreeg deed ik wat ik altijd doe als ik ergens mee voetbal: ik pass ‘m zo snel mogelijk door aan iemand die er wel wat mee kan. Bij voorkeur aan iemand die hetzelfde shirt aanheeft als ik. Dat is voor iedereen het beste. Na een 0-2 achterstand kantelde de wedstrijd, terwijl Johnny Rep langs het veld cola-tikkies kantelde. Johnny zag dat het goed was. Dus alleen al om die herinnering vond ik dit werkje een prima aankoop.

En daarbij: we doe allemaal wel eens een aankoop toch? Zo ook de Nederlandse staat. Die deed ook maar eens een aankoop. Iets waar we allemaal wat aan hebben! Natuurlijk, een Rembrandt! Want daar kunnen we er niet genoeg van hebben. Rembrandt, die zelf in armoede stierf, Wat zou hij er van hebben gedacht dat zijn werk nu voor 175 miljoen ekkies zou worden gekocht door de Nederlandse staat? Goed, het is Nederlands cultureel erfgoed, maar het is als regering toch niet te verkopen aan de culturele sector die nu zo goed als op z’n gat ligt, om dan maar voor één fucking schilderij  175 mio af te tikken? Dat geld had leuker verdeeld kunnen worden. Zeker aan een steeds kwader en radelozer wordende bevolking zijn dit soort rare fratsen gewoon niet uit te leggen.

De vroegere Amsterdamse wethouder Jan Schaeffer had ooit de legendarische uitspraak: ‘In gelul kan je niet wonen’. Vertaald naar deze tijd zou je kunnen zeggen: ‘Van een Rembrandt kan de cultuursector niet vreten.’

Andere mooie Schaeffer-uitspraak: ‘Is dit beleid of is hier over nagedacht?’ Die is nog steeds 1 op 1 toepasbaar in deze situatie.

Of het schilderij mooi is of niet en wel of niet het geld waard is, daar ga ik niet over. Daar hebben andere mensen meer verstand van. Ik vind het overigens wel treffend dat de jonge André Hazes (de ouwe, niet de kleine) sprekend lijkt op de mijnheer die Rembrandt destijds als vaandeldrager afbeeldde. Maar alle gekheid op een blogje: zo’n uitgave voor een schilderij is in deze tijd niet te rechtvaardigen.


We herinneren ons allemaal toch nog de uitspraak van demissionair staatssecretaris Hugo de Jonge toen de theaters dichtgingen? ‘Dan zet je thuis toch lekker een DVD-tje op?’ Een uitspraak waar het dedain voor de cultuursector in klodders vanaf droop. Bedankt voor de scheet in het gezicht van cultuurminnend Nederland, Hugo.

Veel plezier met dat schilderij. Ik denk niet dat ik ga kijken. Als ik het al de moeite waard zou vinden had ik de ansichtkaart wel voor 1,75 gekocht, Hugo.  

Nee, dan was die 12,50 voor dat boekie van Johnny Rep een stuk beter besteed. Ik hoop dat hij en zijn makker er een lekkere borrel van drinken, proostend op mooie herinneringen.

Hey psssst, ouwe! Boekie kopen? Voor de feestdagen, voor een verjaardag of gewoon voor jezelluf? Ik heb nog wel wat exemplaren van mijn columnbundel ”Het nut van een gebreide condoom” liggen. 15,- per stuk bij afhalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 per stuk als ik de postduif stuur. Desgewenst persoonlijk gesigneerd en wel. Bestellen kan via [email protected] of via Facebook Rodney Rijsdijk.

Rodweek 119 Fresh up, Blue Stratos en kokosbrood

Afgelopen week werd ik pardoes even terug de jaren tachtig in geharryslingerd. Ik liep de drogisterij binnen en wat zag ik daar bij de parfums staan, naast elkaar? Fresh Up en Blue Stratos. Fresh Up was het luchtje van mijn opa en Blue Stratos gaven mijn zus en ik wel eens aan mijn vader op zijn verjaardag of op vaderdag. Ik wist niet eens dat beide luchtjes nog bestonden. Er stonden ook testflesjes. Op mijn linkerpols spoot ik wat Fresh up en op mijn rechterpols wat Blue Stratos. Beide luchtjes roken nog exact zoals ik ze me kon herinneren. Mijn linkerpols rook naar mijn opa. Dat vond ik wel mooi. Het is een luchtje dat een bepaalde senioriteit van de drager verraadt. Echt een luchtje voor opa’s. Bij de mijne paste het luchtje in elk geval perfect. En m’n rechterpols… Tja, ik moet mijn ouweheer misschien toch maar eens met terugwerkende kracht excuses aanbieden voor de keren dat we dat spul voor ‘m hebben gekocht. Een gemeen scherp jaren 80-luchtje. Maar toch, grappig om te zien dat het dus nog bestaat.

Een ander ding waarvan ik dacht dat het allang niet meer zou bestaan zag ik even later, nog ruikend naar de jaren 80, bij de supermarkt in de aanbieding staan: kokosbrood! Zo, daar kwam even een jeugdtrauma binnen. Wat een ongelooflijk smerig spul was dat. Die door mijn moeder gesmeerde broodjes zijn destijds met enige regelmaat in de bosjes getoedeledokied. Gelukkig leerde ik al snel om mijn eigen broodtrommeltje te vullen en zo verdween kokosbrood langzaam maar zeker uit ons huishouden. En naar ik dacht dus ook voorgoed van de planeet. Maar nee! Ook dat bestaat nog! Er bestaan dus serieus nog mensen die dat nog eten! Kennelijk. Ik ken ze niet. En ik ken best veel mensen. Of ze doen het in het diepste geheim. Stiekeme kokosbroodeters die in geheime genootschappen van kokosbroodeters in schimmige keldertjes die vieze zooi zitten weg te werken.

In één ochtend met twee winkelbezoekjes werd ik, als in de Teletijdmachine van Professor Barabas, even teruggeflitst naar de parfum en het kokosbrood uit de jaren 80. En alsof dat niet genoeg was las ik later die dag dat Simon Kistemaker was overleden. Eén van de laatste nog echte cult-trainers.

Toen ik in de jaren 80 ongeneeslijk werd besmet met het voetbalvirus was Simon Kistemaker een markante trainer in het betaalde voetbal. Hij trainde nooit bij grote clubs, maar was altijd goed voor mooie verhalen. Zoals je in die tijd meer van die ontzettend aparte trainers had in het betaalde voetbal. Minder eenheidsworsten. Meer karaktertjes. De tijd was ook anders. Voetbal werd nog een stuk minder gedomineerd door geld, dus de sfeer was ook minder zakelijk en met wat meer romantiek omgeven. En dat levert meer anekdotische persoonlijkheden op dan deze tijd.

Fritz Korbach bijvoorbeeld met zijn eeuwige sigaren. Altijd trainer bij kleinere clubs, in voor grappen en grollen, hield van een stevige slok en zat altijd vol verhalen. Hij kreeg één keer de kans om naar een grote club te gaan: Ajax. Toen zijn zaakwaarnemer met het bestuur van Ajax aan het overleggen was over de contractvoorwaarden kwam Korbach ineens de bestuurskamer binnengestormd met de prangende vraag hoe laat het neuken nou eigenlijk begon. Mijnheer Korbach werd niet meer gebeld.

Bert Jacobs die met zijn fiets een nachtclub probeerde binnen te rijden en een brandslang leegspoot in de gang van een duur hotel.

Barry Hughes, ‘’de entertrainer’’ die met carnavalhits in de hitparade stond en die een boze ‘Sir’ Georg Kessler, de nogal serieuze trainer van de tegenpartij, boos maakte door treiterig met een roltoetertje naar hem te blazen.

De eeuwig zuchtende Leo Beenhakker die altijd goed was voor ontelbaar veel mooie onliners.

En dus Simon Kistemaker. Simon Kistemaker, bijnaam ‘De Kist’ die het lef had om Louis van Gaal uit zijn kleedkamer te bonjouren. We schrijven 1993: Het kleine Telstar uit IJmuiden, onder leiding van ‘De Kist’ speelde als afsluiting van de open dag tegen Ajax. Om een beetje aan klantenbinding te doen sommeerde Kistemaker zijn spelers om er hard en vol in te vliegen tegen de raspaardjes uit Amsterdam. Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Telstar speelde met het mes tussen de tanden en hanteerde de tactiek van hakken en zagen.

In de rust kwam Louis van Gaal ziedend verhaal halen in de kleedkamer van de gastheren. Of Simon Kistemaker wel goed bij z’n hoofd was om zijn ploeg zo hard te laten spelen in een vriendschappelijk potje. Of het allemaal even een tandje minder kon.

Kistemaker reageerde als volgt:

’’Hallo, Louis van Gaal. 1. Vriendschappelijk voetbal bestaat niet. 2. En nou opgesodemieterd uit mijn kleedkamer!’’ En onder een groot honend applaus van de Telstar-spelers droop Van Gaal af.

Voor zo’n trainer ga je als speler natuurlijk als de brandweer. En zo zijn er over al dat soort trainers onnoemelijk veel anekdotes te vertellen.

Als ik dan kijk naar hedendaagse trainers en ik vergelijk die met bovengenoemde heren dan denk ik: ‘’Met wie zou ik nou graag een avond in de kroeg zitten?’’ Ze zijn allemaal zo zaaddodend saai en serieus tegenwoordig. Met trainers van deze tijd als Erik ten Hag, Erwin van de Looi en Pieter Huistra zou ik het ongetwijfeld prima kunnen vinden. Lijken me stuk voor stuk hartstikke aardige kerels en ik zou veel over tactieken leren. Maar ik prefereer dan toch een straalbezopen avond en met kramp in m’n kaken van het lachen van alle mooie anekdotes van heren als De Kist, Korbach, Jacobs of Barry Hughes. Maar helaas, die zijn dus allemaal al dood. De Kist nu dus ook in de kist.

Alles uit de jaren 80 wordt uiteindelijk voorbij geraasd door de tijd. Behalve Fresh Up, Blue Stratos en kokosbrood dus, zo ontdekte ik dus afgelopen week.

Hey psssst, ouwe! Boekie kopen? Voor Sinterklaas, voor een verjaardag of gewoon voor jezelluf? Ik heb nog wel wat exemplaren van mijn columnbundel ”Het nut van een gebreide condoom” liggen. 15,- per stuk bij afhalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 per stuk als ik de postduif stuur. Desgewenst persoonlijk gesigneerd en wel. Bestellen kan via [email protected] of via Facebook Rodney Rijsdijk.
     

Rodweek 118 QRankzinnig

Gisteren zag ik bij een Facebook-kennis van mij een artikel uit het NRC, al dacht ik in eerste instantie even dat het een grappig bedoelde witz van De Speld was. De strekking van het artikel was dat politici zonder Coronapas niet geweigerd hadden mogen in café’s. Want voor volksvertegenwoordigers geldt de voor iedereen verplichte QR-code dus kennelijk niet. Aldus minister Ferd Grapperhaus.

’’KRAK!’’, hoorde ik ineens.

Nou, dat was dus mijn klomp die brak.

Wat is dit voor een onverklaarbare onzin? Loop ik me daarvoor elke avond dat ik in de  kroeg werk een tennisarm te scannen op de meest onhandige momenten? Ferd laat hiermee dus gewoon een vieze stinkscheet in het gezicht van elke horecamedewerker.

Iedereen die mijn kroeg binnenloopt wordt gescand. Van Koningin Maxima tot minima. Van Mark Rutte tot tante Greet uit de Zesde Tuindwarsstraat en iedereen daar tussenin.

Niemand hoeft met mij een discussie aan te gaan over de zin of onzin van het beleid. Dat interesseert me namelijk geen ene mallemoer. Mijn mening met betrekking tot het overheidsbeleid of die van wie dan ook is volstrekt onbelangrijk als ik achter die bar sta. Wat mij interesseert is dat ik mijn baan en, nog belangrijker, mijn werkgeefster haar café behoudt. Want ook bij mij gaat de huur van mijn mooie huis gewoon door. Maar voor mij is het nog kippiesimpel: ik sta de volgende dag wel weer achter een nieuw barretje bier te tappen en koffie te maken. Als ervaren horecajongen loop ik dan een rondje door de buurt en ik heb binnen een uur een nieuwe baan. Daar heb ik echt nul stress over. Maar zij is haar kroeg dan dus kwijt, met alle gevolgen van dien. Daar fok ik dus niet mee.

Nou zijn 999 van de 1000 mensen prima voor rede vatbaar en die laten dan ook zonder enig probleem hun QR-code zien als ze bij mij de kroeg binnenkomen, maar zo heel af en toe is er zo’n zelfbenoemde vrijheidsstrijder die dan ineens moeilijk doet. Of ineens de Google-viroloog gaat lopen uithangen. Want die vindt het onzin en blablabla. Pleur op. Die mensen zijn doodvermoeiend. Want het maakt mij, als dubbel gevaccineerde, dus werkelijk geen kut uit of je je wel of niet wilt laten vaccineren. Daar heeft iedereen zijn of haar eigen redenen voor. Die kontklemmend vermoeiende discussie ga ik niet eens voeren. Zoek het uit. Het zal me echt aan mijn bolle bips oxideren. Maar blijf van mijn geld af! En van het geld van mijn collega’s en mijn werkgeefster!

En daarom vond ik het dus zo frappant dat juist onze eminente minister, ome Ferd Grapperhaus (off all people!) dus maar vindt dat politici dus wel zonder QR-code naar binnen zouden mogen. Die zijn dus onschendbaar. Die kunnen dus geen virus overdragen. Maar goed, we hebben het natuurlijk over Ferd. Diezelfde Ferd die het anderhalve meterbeleid moest verdedigen maar die op zijn eigen bruiloft in die eerste coronaweken alles en iedereen stond te omhelzen en af te lebberen. Goed, en ook de kersverse vrouw Grapperhaus kreeg een likkie, maar dat mag. Maar die man is bij mij is dus al een tijdje af. Hij is voor mij sinds die dag totaal ongeloofwaardig. Waarom mocht hij blijven? Die man mag God, of welk imaginair opperwezen dan ook, op zijn blote knietjes danken dat hij überhaupt nog zijn dikbetaalde baan heeft. 

En ik wil ook graag mijn iets minder dikbetaalde baan behouden. Dus begin niet tegen mij met dit soort onzin. Wij, de horecatijgers, moesten toch zonodig bij iedereen QR-codes scannen? Prima. Doen we dan ook netjes. Maar hey, Ferd, dan geldt het ook echt voor iedereen. Iedereen is welkom bij mij in de kroeg, van Maxima tot minima, maar voordat wij een dikke boete van 2500 piek krijgen of in het ergste geval zelfs moeten sluiten, door een overijverige dan wel streberige BOA: gewoon je QR laten zien. Ik zou, op wat kopstukken na, de meeste politici overigens niet eens van gezicht herkennen, dus ze moeten dat ding sowieso laten zien aan mij. Het beleid valt steeds moeilijker uit te leggen aan een steeds kwader wordend volk. Dan moet je dus helemaal niet aankomen met rare en niet uitlegbare uitzonderingen op regels die nu voor iedereen gelden.

Maar hey, zelfs Ferd is welkom in mijn kroeg. Die zal ik nog wel herkennen. En ik zal de man met dezelfde egards behandelen als ieder ander die bij mij over de drempel stapt. Daarvoor ben ik een prof. Maar dan moet je wel je QR-code laten zien, Ferd. Net als het klootjesvolk dat niet in de politiek zit. Gelijke monniken, gelijke kappen, Ferd. En anders betaal jij gewoon netjes 25 meijertjes borg aan ome Rod. Cash graag. En als we dan niet gecontroleerd worden krijg je het netjes terug. En als wel: dan is het jammer voor je. Dan heb je gegokt en verloren, Ferd. Maar goed, kan jou het schelen. Dat kan jij namelijk makkelijk betalen, Ferd. Anders zou het wel heel QRankzinnig zijn. Of niet soms, Ferd? Kom je gauw een bakkie bij me halen, Ferd? Lijkt me dolgezellig. Nou weten we sinds je bruiloft dat je wel vaker iets vergeet, maar vergeet je dan niet je telefoon met je QR-code mee te nemen, Ferd? Of dus gewoon 25 meijer cash, lullen we nergens meer over. We doen het tenslotte allemaal samen, Ferd.

Hey psssst, ouwe! Boekie kopen? Voor Sinterklaas, voor een verjaardag of gewoon voor jezelluf? Ik heb nog wel wat exemplaren van mijn columnbundel ”Het nut van een gebreide condoom” liggen. 15,- per stuk bij afhalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 per stuk als ik de postduif stuur. Desgewenst persoonlijk gesigneerd en wel. Bestellen kan via [email protected] of via Facebook Rodney Rijsdijk.

Rodweek 117 Funda-menta-list

Ken je dat nog van vroeger, als kind? Dat je met je ouders door de stad liep en dat je een mooi, maar toch iets te duur stuk speelgoed in de etalage zag staan. Daar stond je dan watertandend naar te kijken, terwijl je ouders gewoon door wilden lopen.

’’Vind je het mooi?’’, vroeg mijn vader dan.
’’Ja ja, heel mooi!’’, kraaide ik dan hoopvol enthousiast terug. 
’’Goed zo jongen, dan lopen we er morgen nog een keer langs.’’

 En zo voel ik me ook altijd als ik langs een makelaarskantoor loop en naar prachtige, doch (voor mij) onbetaalbare huizen kijk, of als ik voor de gein een digitaal Funda-wandelingetje door de stad maak. Ik weet dat ik met mijn horecaloon en hier en daar wat geld voor mijn schrijfsels never nooit een huis in Amsterdam zal kunnen kopen op de compleet verkankerde woningmarkt hier. De enige mogelijkheden om hier ooit een koophuis te realiseren zijn voor mij de Staatsloterij winnen of een unaniem belachelijk goed verkopende bestseller schrijven. Kortom: vergeet het. En daarbij: ik woon al op één van de mooiste plekken van de stad en dan ook nog eens voor een redelijke prijs, dus ik zit prima waar ik zit.

Maar Funda dus. Ik ben sinds kort lid van de Facebookpagina ‘Funda-mentalisten’, een pagina waarin gekke, aparte, wanstaltige, bizarre of soms juist ontzettend mooie Funda-advertenties worden gedeeld. Ik kan me daar soms zomaar een uurtje kostelijk mee vermaken.

Wat ik dan altijd het meest grappige vind is het makelaarsjargon. Het is vaak echt een strikje om een drol heen doen.

Onderstaand geef ik een lijst met voorbeelden ( ik noem het dan ook maar ‘de funda-menta-list’) en dan vertaal ik in ‘gewone mensentaal’ wat zo’n gladde geparfumeerde kakkerige vlotterik in zo’n mooi pak en met een moeilijke bril nou eigenlijk echt tegen je zegt.     

’’Karakteristiek’’ of ‘’Alsof de tijd er heeft stilgestaan’’ – Oud beschimmeld pleurishok met muizenoverlast, lekkende gaskachel en enkel glas.

’’Buurt in opkomst’’ of ‘’levendige wijk’’- Nog steeds een armoedige probleemwijk.

’’Dichtbij uitvalswegen’’ –  Je woont aan de snelweg of langs het spoor.

’’Knus appartement’’ – Een kippenhok van 25m2 voor drie ton.

’’Frans balkon’’ – Nutteloze deur met een hekje ervoor zodat je ’s ochtends niet met je slaapdronken kop uit je huis flikkert.

’’Kindvriendelijke buurt’’ – De hele dag schreeuwende koters en/of hangjongeren voor je deur.

’’Basisschool in de nabijheid” – Je woont aan een schoolplein.

’’Rustige wijk’’ – Er wonen alleen maar bejaarden. Of je woont tegenover een kerkhof.

’’Huis met potentie’’ of ‘’authentiek’’ – Nooit iets aan gedaan. De rest van je leven klussen.

’’Op 15 minuten van de grote stad’’ – Je woont 8 dorpen verder.

’’Centrum op loopafstand’’ – Half uur fietsen,

’’Turn Key Object’’- Je wordt opgezadeld met de lelijke plavuizen, schrootjes, de limegroen geverfde muur, achtergelaten Buddhabeelden op het toilet en andere wansmakelijkheden van de vorige bewoner.   

‘’Speelse indeling’’ – Rare onhandige hoekjes in het huis waar je niks mee kan maar die wel ruimte inpikken.

’’Natuurlijke weelderige tuin’’ – Eén groot nooit onderhouden oerwoud vol met onkruid.  

’’Lommerijke omgeving’’ – Je hebt geen zon in je tuin, ouwe.

’’Buurt met veel groen’’ – Er staan twee bomen voor je deur.

’’Actieve VVE’’ – je krijgt bemoeizieke buren, ouwe.


Tot zover mijn funda-menta-list. Ik ga zo boodschappen doen. En langs een makelaarskantoor lopen. Even kijken of er wat moois te koop staat. En als ik echt iets heel moois zie, dan loop ik er morgen gewoon nog een keer langs.

Hey psssst! Boekie kopen? Voor Sinterklaas, voor een verjaardag of gewoon voor jezelluf? Ik heb nog wel wat exemplaren van mijn columnbundel ”Het nut van een gebreide condoom” liggen. 15,- per stuk bij afhalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 per stuk als ik de postduif stuur. Desgewenst persoonlijk gesigneerd en wel. Bestellen kan via [email protected] of via Facebook Rodney Rijsdijk.


Rodweek 116 Dromen van de Obrigadogado

Elke 10e van de maand heb ik een droom, namelijk dat ik een hele vette prijs in de Staatsloterij win. Ik heb een abonnement. En dan heb ik het niet over die 7,50, dat tientje of die 20,- die ik zo en dan wel eens win, nee, de komma is dan een plaatsje of zes naar rechts verschoven. Ik droom dan dat ik een dik grachtenpand in Amsterdam zou kopen. Of een tweede huis in Barcelona. Of een vakantiestulpje in Budapest. Of ik droom van een eigen helikopterplatform op de Dam. Waarom een helikopterplatform? Ik heb helemaal niks met helikopters. Nou, gewoon omdat het kan! Of, mijn nieuwste droom: ik zou een Indonesisch restaurant openen in het centrum van Lissabon en die dan Obrigadogado noemen. En dan zou ik daarnaast een slijterij openen die ik Portugall en Gall zou noemen. Gewoon omdat het kan!

Zo huppel ik elke 11e , zodra ik wakker word, gloeiend van hoop richting de laptop, log in op de site van de Staatsloterij, zie vervolgens dat ik niks of weinig heb gewonnen en de dromen zijn weer als overrijpe puisten uit elkaar gespat. Zo ook vanmorgen. Ik mocht weer eens 7,50 bijschrijven op mijn rekening en zodoende moeten de plannen voor de Obrigadogado weer terug de koelkast in. En in die koelkast zullen ze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wel blijven ook. Maar een mens moet altijd blijven dromen toch? En daarbij heb ik in mijn leven al genoeg (en iets realistischere) dromen wel zien uitkomen, dus mij hoor je niet klagen.

Maar Lissabon vind ik dus echt een droomstad. Ik ben er slechts één keer geweest. En dat was toen ik met vrienden onze jaarlijkse voetbaltrip met Ajax maakte. Dat was in 2018. Wat een verpletterend mooie stad. Heerlijk weer, lekker eten en drinken en de schilderachtige stad als decor: in zo’n omgeving houdt ome Rod het wel een tijdje uit. Daar kom ik dus zeker nog terug.

Mijn liefde voor voetbal heeft me sowieso op prachtige plekken in Europa gebracht. Prachtsteden als Barcelona, Madrid, Praag en Lissabon. Maar ook in niet per se supermooie, maar wel leuke steden als Lille en Hamburg. Of in echte Britse voetbalademende steden als Londen, Newcastle, Manchester en Glasgow. Een gekke plaats als Timisoara in Roemenië. Saaie steden als Milaan en Turijn. Maar ook lelijke steden zoals Warschau of, zoals vorige week, Dortmund.

Meine gutte, Dortmund. Wat een grafstad is dat. Je zal er maar wonen. Als je denkt dat Eindhoven lelijk is, dan ben je nog nooit in Dortmund geweest. Dat die stad zwaar getroffen is in de Tweede Wereldoorlog is verschrikkelijk, maar dat ze er in die kleine tachtig jaar daarna werkelijk niks leuks van hebben weten te maken is tenhemelschreiend. Gelukkig wordt er genoeg bier verkocht om je er niet al te bewust van te hoeven zijn.

Maar, en dat moet ik eerlijk zeggen, het stadion van Borussia Dortmund behoort absoluut tot de mooiste en meest indrukwekkende stadions waar ik ben geweest. Vroeger heette het nog gewoon het Westfalenstadion, en zo noemen de fans het ook nog steeds, maar tegenwoordig heet het officieel het Signal Idunapark. Een afzichtelijk lelijke sponsornaam voor zo’n voetbalwalhalla. Net zo lelijk en nietszeggend als de stad zelf.

Als volgend tripje hadden we, ook om de lelijkheid van Dortmund te compenseren, eigenlijk gepland om eind deze maand naar Istanbul te gaan. Dat is ook zo’n stad waar ik al jaren van droom, maar door alle maatregelen en het feit dat Ajax-fans die dag sowieso niet welkom zijn in het stadion moeten we de trip naar de parel aan de Bosporus ook nog even in de koelkast zetten. Nou ja, er is in die koelkast nog genoeg plek tussen al mijn droomhuizen en de Obrigadogado.

    

Rodweek 115 Gouden Lepel

Met een gouden lepel in de bek geboren worden. Mensen die door hun rijke afkomst al gelijk met 3-0 voorstaan in het leven. Dat ben ik dus niet. Gewoon afkomstig uit een normaal arbeidersmilieu. Ik begon gewoon met 0-0. Niet rijk, niet arm, maar altijd geleerd dat als je iets wilt bereiken dat je daar hard voor moet werken. En dat heb ik dus ook altijd gedaan. De ene keer met meer succes dan de andere, maar ik heb altijd en overal hard m’n best gedaan. Ik ben een harde werker en ik ben nog nooit een dag werkloos geweest. Ook geholpen door de gelukkige omstandigheid dat ik altijd gezond ben geweest natuurlijk.

Maaarrrrrrrrr: na dik 44 jaar zwoegen op deze planeet heb ik dan eindelijk die gouden lepel in m’n bek. Goed, ik moest er dan weliswaar zegels voor sparen bij de Zaanse grootgrutter, maar die gouden lepel heb ik! Als mede een gouden kaasbestek en gouden messen en vorken. Niet dat ze trouwens overdreven mooi zijn, maar ik vind het gewoon leuk om gouden bestek te hebben.

Zoals ik trouwens vrijwel altijd aan de zegeltjesacties en voetbalplaatjes-acties meedoe. Wijnglazen, messensets, bestek, bewaarbakjes en waar je de afgelopen jaren allemaal niet meer voor kon sparen, you name it: ik doe aan bijna alles mee, gewoon omdat ik dat leuk vind. Zegeltjesacties bij de ETOS voor badkamerspullen? Doe ik ook aan mee! Behalve dingen als moestuintjes (wat moet ik met een halve tuinkers?) of pretparkzegels (ik haat pretparken), maar die spaar ik dan soms voor andere mensen. Maar de andere dingen waar je voor kunt sparen en die ik nuttig vind: ja leuk!

Dan zijn er altijd van die types die dan op zo’n snugger zurig toontje tegen je zeggen:

‘’Buuuuuuuh-buuuuh-buuuhhhuuhh, Rodney, je kan toch ook voor een paar tientjes een bestekset of een setje wijnglazen bij de HEMA of de Blokker kopen? Dat is toch veel makkelijker?’’
Mijn antwoord is dan standaard: ‘’Ja, Gerda, daar heb je inderdaad helemaal gelijk in, maar ik vind dingen sparen gewoon leuk, dus laat me met rust, capiche? ’’  

Ik maak er ook echt een sport van, zoals ik van bijna alles in mijn leven altijd een competitie maak, want ik ben nergens een amateur in. Zelfs niet in zegeltjes sparen. Ik neem het echt bloedserieus. Van de drie supermarkten waar ik vaak kom, Nieuwmarkt, Jodenbreestraat en Rembrandtplein, weet ik precies bij wie ik in de kassarij moet staan voor meer zegels. Niet de zelfscan, want dan krijg je afgepast het aantal zegels waar je recht op hebt: nee, de kassarij. Daar krijg je altijd meer. Het enige wat ik de laatste tijd dus minutieus heb gescand in de supermarkt is wie de meest vrijgevige zegeltjesgevers zijn. Een soort antropologisch onderzoek.

Eigenlijk komt bij elke zegeltjesactie de verveelde puber als beste uit de bus. Die kinderen zitten daar toch al niet voor hun lol en het zal ze werkelijk aan hun bolle bips oxideren of ome Rod nou 3 of 12 zegeltjes krijgt. Dus nadat ik bij het afrekenen heel enthousiast heb gezegd dat ik ook graag zegeltjes wil, scheurt de verveelde puber zonder te kijken een grote rits zegeltjes af, wenst mij verveeld een fijne dag toe en vervolgens ik loop blij weg.

Dan heb je ook de wat serieuzere pubers met ambities die heel afgepast je twee zegeltjes afscheuren en dan zijn er nog de twee oudere dames die ik bijna dagelijks zie en die er dan ook altijd wel een paar bij doen omdat ze mij aardig vinden. Noem mij kinderachtig, maar als ik dat serieuze meisje zie dan ga ik bij de verveelde puber of bij de oudere dames in de andere rij staan, ook al is de rij daar veel langer, maar daar krijg ik dan meer zegels.  

Zou Ronald Koeman trouwens, de kersvers ontslagen trainer van Barcelona, ook zegeltjes sparen bij het boodschappen doen zodra hij terug is in Nederland? Ach, hij krijgt een afkoopsom van 12 miljoen euro mee van zijn voormalige werkgever omdat hij kennelijk zijn werk niet goed deed, dus hij zal genoeg gouden lepels hebben. Dat is hoe de wondere wereld werkt. Als ik mijn werk niet goed doe dan kan ik gewoon opsodemieteren en het uitzoeken, in de voetbalwereld krijgt Ronald Koeman gewoon 12 miljoen mee van het armlastige Barça dat zo weinig geld heeft dat ze eigenlijk nog te arm voor de voedselbank zijn, maar dan wel zulke afkoopsommen moeten aftikken. Als ie maar oprot. Nou, dan wil je wel heel graag van hem af. Alsof Koeman van stront boter kan maken. Geen enkele trainer gaat het daar beter doen met dit materiaal, dus ik wens ze veel succes daar met hun geklooi.

Maar toch, ook in Koemans’ financiële positie, zou ik denk ik gewoon meedoen aan zegeltjescompetities, wijnzegels en voetbalplaatjes. Gewoon omdat het kan en omdat ik het leuk vind.

Ik heb nog vier volle kaarten liggen. En aangezien de actie tot februari doorloopt zal ik die bestekbak van mij tegen die tijd minimaal 4 keer kunnen vullen. Dus voor wie de komende tijd jarig is: die weet ongeveer wat voor cadeautje die van me krijgt.

Ik zeg het maar vast.

Het is lunchtijd. Ik ga een lekker pompoensoepie eten.

Met m’n gouden lepel.  

Rodweek 114 Doood! Dood moet je!


Afgelopen maandag nam ik mijn vriendin voor haar verjaardag mee naar Antwerpen. Lekker hotel in het centrum, copieus eten en drinken en lekker genieten van de stad en elkaar. Geloof mij maar, zo romantisch als deze jongen worden ze niet meer gemaakt. Al denkt mijn lief soms wat anders over mijn definitie van romantiek. Maar laten we het er maar op houden dat ik zo mijn momenten heb.

Op de terugweg richting Amsterdam bleven we nog een nachtje bij een vriend van ons in Breda logeren. Ook hier weer copieus lekker eten en drinken en gelukkig kon ik ook nog de galavoorstelling van Ajax tegen Borussia Dortmund op TV zien in een nabijgelegen kroeg. Allemaal top.

De volgende ochtend keken we met z’n drieën naar afleveringen van ‘’José en Oboema’’. Voor wie dit illustere duo niet kent: het waren in de jaren 90 personages uit mijn favoriete programma Jiskefet. Het programma heette ‘Achter de wolken. Liefdeslessen van José en Oboema’’. Oboema is een lompe plat Amsterdams pratende, zelfverklaarde witte neger met een imposante bos haar uit Amsterdam-Oost en José is het wat tuttige huisvrouwtje die de boel wanhopig in het gareel probeert te houden. Ze krijgen rond het avondeten om de meest onnozele dingen knallende ruzies die er dan steevast mee eindigen dat José Oboema een daverende soejang voor z’n harses geeft en dan keihard dingen als ‘’Dooooood! Dood moet je! Sterf nou toch eens eindelijk! Donder toch op, engerd!’’ roept naar haar eega. En vervolgens sluit ze zich dan op in de slaapkamer.

Aan het eind van de aflevering, vaak na wat lieve Afrikaanse woordjes van Oboema, is het dan altijd weer goed gekomen en legt Oboema in zijn eigen onnavolgbare vocabulaire uit hoe de ruzie heeft kunnen ontstaan en hoe je dat weer goed kunt maken. Samengevat: het is haar schuld en misschien ook een heel piepklein beetje die van hem. Eindigend: ‘En zo komt alles toch weer goed.’

Mijn dame was niet echt bekend met de serie, dus die kreeg snel een spoedcursus liefdeslessen mee.

Ik heb een zelfde soort haatliefde-verhouding als José en Oboema, maar dan met technische apparaten zoals telefoons en laptops. Aan de ene kant zie ik het gemak en het comfort dat ze bieden en heb ik daar liefde voor, maar aan de andere kant heb ik het technisch vernuft van een amoebe en is geduld bij mij eerder een vuile dan een schone zaak. Dingen moeten bij mij makkelijk en praktisch gaan en ik houd niet van onzin en ingewikkeld gedoe. Ik kan die apparaten intens vervloeken als ze niet doen wat ik verwacht en heb er meer dan eens aan gedacht om die zooi van 5 hoog naar beneden te flikkeren. Gelukkig zorgt een bovenmenselijke kracht er voor dat ik me toch steeds nog net weet in te houden.

Want op diezelfde ochtend in Breda mocht ik, met mijn voorrang EU-seizoenkaart, ook een kaartje kopen voor Borussia Dortmund-Ajax! Er waren ruim voldoende kaarten, dus zeker met mijn voorrangkaart moest het geen enkel probleem zijn. Dat was het ook voor niemand, Behalve weer voor deze piemelepoges natuurlijk. Om stipt 10.00 klikte ik mijn telefoon aan en ik kwam meteen in de wachtrij van een kwartier. No worries. Daar heb ik geen invloed op, dus daar wachtte ik nog geduldig op. Ik lag ook nog wel lekker in bed. Het kwartier was om en ja hoor! Ome Rod mocht ook een kaartje kopen. Dat leek soepel te gaan. Betalen met Ideal? Prima. Doen we dat. Word ik bij het betalen godverdomme uit Ideal geflikkerd!

Kwaaier kun je me niet krijgen, als zooi die gewoon moet werken niet werkt. Dus dan schiet ik al lichtelijk in de José-stand inwendig. Doooood, dood moet je! Met de Ajax-app in de rol van Oboema. De volgende 2 dagen zat ik nog steeds te kutten. Ik moest dingen verifiëren en ik begreep natuurlijk weer niet hoe dat moest op een telefoon. Het ‘dooood, dood moet je!’ schalde inmiddels ook al op luid volume door de huiskamer (vriendin gelukkig niet thuis) en ik begon de hoop op een kaartje al redelijk op te geven. Treinreis al wel geboekt. Dan maar in de kroeg kijken daar. Of lekker stiekem in een thuisvak tussen de Duitse fans? Ik dacht al over alles na. Mijmerend dacht ik terug aan de tijd dat mijn sigarenboer Max in de Jordaan altijd gewoon op de dag en precies het goede tijdstip van de voorverkoop onze seizoenkaarten door de scanner heen trok. En dan haalden we later onze wedstrijdkaartjes op en dan betaalden we. En dan kregen we er nog gratis een gezellig ouwehoerpraatje met Max bij ook. Mooie tijd. Geen enkele vorm van stress. Max heeft ons nooit teleurgesteld. De techniek daarentegen wel meer dan eens. Op zulke momenten denk ik met vochtige ogen aan die fijne sigarenwinkel van ome Max in de Tweede Goudsbloemdwarsstraat. Waarom moest dat veranderen? Iets met nieuwe tijd en zo. Het zal wel, maar ik mis het wel eens.

Ik had vanmorgen nog tot 10.00 de tijd om van  mijn voorrangsrecht gebruik te maken en de kaartjes gingen hard. Ik lag laat in bed en zette 8.00 de wekker. In 2 uur tijd moest zelfs zo’n digibetische staatsmongool als ik dit klusje toch kunnen klaren? Ik was al voorbereid dat er, na het zoveelste misverstand tussen mij en de hedendaagse techniek weer een ‘’Doooood! Dood moet je!’’ uit mijn mond zou vliegen, maar niets bleek minder waar vandaag. Gewoon op de laptop had ik binnen de tien minuten alles voor elkaar en betaald! Nul moeite! Twee dagen stress aan m’n kanis gehad voor dat kutkaartje en nu in één keer binnen een paar minuten de hele shizzle geregeld. En zo gaan de boys en ik gezellig naar Dortmund om de door Europa voortdenderende Ajax-trein te ondersteunen.    

Om met Oboema te spreken: ‘’En zo komt alles toch weer goed.’’