Rodweek 102 Stedentrippenhuis

Een van de eerste dingen die ik weer ga doen, zodra dat hele Corona-gezeik voorbij is, is een lekkere stedentrip in het buitenland maken. Het is mijn favoriete manier van vakantie vieren. Ik houd van de energie van steden, lekker wandelen door een stad en met enige regelmaat op een terras neerploffen voor een versnapering. Het liefst in een stad waar de zon ook uitbundig schijnt. Blijer kun je me niet maken. Maar goed, dat is voorlopig allemaal nog lang niet aan de orde. Buiten Amsterdam ben ik in het afgelopen half jaar alleen in wat omliggende kleine plaatsjes geweest en verder kom ik eigenlijk nergens.

Maar gelukkig woon ik in een mooie stad waar ook voor mij nog voldoende te zien valt en dat valt weer te combineren met mijn nieuwste verslaving: wandelen. Eindelijk eens een gezonde verslaving en dan ook nog eens eentje die geen geld kost. Zoals eerder gezegd houd ik sowieso van wandelen door een stad, maar het heeft het laatste half jaar tamelijk maniakale vormen aangenomen. Als ik iets leuk, lekker, fijn of tof vind dan wil ik er altijd veel van. Dat is met alles zo. Dan ben ik geen amateur. Of noem het gewoon ‘verslavingsgevoelig’, zo je wilt. En zo is dat dus ook met wandelen. Ik ben elke dag al voor 9.00 op pad om mijn eerste wandeling te maken en verder op de dag maak ik nog wel minimaal twee wandelingen. Mijn nieuwe hobby cq verslaving kost me minimaal twee tot drie uur per dag. En het is dat die verschrikkelijke avondklok er nog is, want anders zou ik ’s avonds laat voor het slapen de dag afsluiten met nog een kleine avondwandeling. Ik baal ook echt als ik ‘maar’ anderhalf uur heb gelopen op een dag. Twee uur is het absolute minimum. Ik voel me er goed bij, dus dat wandelen houd ik er ook na Corona in.

Bij gebrek aan de terrassen blijf ik gewoon lekker lopen door de stad. Nadenken over dingen en natuurlijk gewoon rondkijken in die mooie stad van mij. Het is anders kijken naar de stad zonder alle drukte en toeristen. Dingen zien die je nooit op zijn gevallen of waar je simpelweg nooit de tijd voor hebt genomen om eens rustig naar te kijken.

In plaats van als een opgejaagd beest haastig snelwandelend, zigzaggend tussen de toeristen door en met oogkleppen op door de stad te crossen, om maar zo snel mogelijk van A naar B te komen, neem ik nu rustig de tijd voor mijn wandelingen. Ik heb geen haast en hoef nergens naartoe. Behalve weer een keer naar huis op een gegeven moment. Als ik iets heb geleerd van deze Coronatijd is het om meer te onthaasten. Niet alles hoeft een wedstrijdje te zijn.  

Ik kijk dus veel naar gebouwen, naar straatkunst of soms gewoon naar mensen. En als iets me interesseert dan zoek ik daar thuis wat meer over op. Zo is er bij mij om de hoek, op de Kloveniersburgwal nummer 26 een heel smal pandje. Tegenwoordig huist er een designwinkeltje in het pand. Het is niet het smalste pand van de stad, maar wel één van de smalste. Het pand heet het Klein Trippenhuis, zo vond ik uit.

Aan de overkant van de gracht, op nummer 29, staat een heel breed pand met twee voordeuren. Dat is het Groot Trippenhuis. Het meest bekende verhaal over de panden gaat als volgt: de vermogende Amsterdamse broers Louis en Hendrick Trip lieten in de zeventiende eeuw een gigantisch dubbel woonhuis bouwen. Tijdens de bouw van het pand kwam de jonge koetsier van een van de twee broers kijken naar de vorderingen. De jongeman wilde trouwen met zijn verloofde maar kon met zijn schamele inkomen geen goed huis voor hem en zijn aanstaande vinden. De koetsier verzuchtte: ‘’Ach, had ik maar een huis zo breed als de voordeur van mijn meester.’’. De koetsier werd door zijn meester op zijn schouders getikt en deze beloofde hem dat hij van de overgebleven stenen zo’n huis voor zijn koetsier zou bouwen. Aldus geschiedde. Dat is natuurlijk een mooi en romantisch verhaal. Een ander verhaal is dat de broers het pandje voor hun minnaressen lieten bouwen en zo af toe eens konden ‘overwippen’. Allebei mooie verhalen en of deze stadslegenden nou waar zijn of niet: laat de waarheid nooit een goed verhaal in de weg staan. Ik ben gek op urbane legenden en het is leuk dat ik daar de laatste tijd weer wat meer tijd aan besteed.

En zo maak ik er toch elke dag een stedentrip van in eigen stad.   

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

Rodweek 101 Zeventien Doezoe.

Mannen en jongens en hun fascinatie voor piemels: het blijft een wonderlijk fenomeen. Gooi het woord ‘piemel’ in een gesprek en zelfs de meest serieuze man wordt op z’n minst een beetje melig of soms zelfs ronduit lacherig. Ik behoor tot de categorie van mannen die enorm  kan schaterlachen om flauwe piemelgrappen. Toen ik nog in de Melkweg-garderobe werkte en mijn collega James en ik het gevonden voorwerpen-boek moesten bijhouden: tussen alles wat wij hadden genoteerd stond er altijd een mooie piemel bij getekend. Tot wanhoop van de bedrijfsleiders soms. Die keken dan de volgende dag in dat boek en dan zagen tussen wat ze zochten gelijk weer zo’n knots van een lul. Of twee. Of drie.

Piemelstraatkunst: ik kan er onbedaarlijk hard om lachen als iemand een piemel op straat of op een muur heeft getekend. Of je kijkt naar de Tour de France en iemand heeft een grote fallus op de weg geschilderd. En afgelopen week bij de Kattenlaan, vlakbij de ingang van het Vondelpark, tegenover de tennisclub: onder een fonteinkraantje was er een pracht van een behaarde balzak getekend. Ook op mijn 44e kan ik daar nog bijzonder hartelijk om lachen.

Tegenwoordig douchen veel jongens na het voetballen in een onderbroekje, in mijn tijd als mislukte voetballer douchte iedereen gewoon in z’n blote reet en dus ook in z’n blote piemel. En hoeveel je als jongen of  man ook op vrouwen valt: onwillekeurig kijk je soms toch even een seconde naar wat er bij je teamgenoten tussen de benen hangt. In ons juniorenteam voetbalde een gozer die op z’n twaalfde al bijna volgroeid was en een werkelijk indrukwekkend klokkenspel had. Een soort baby-armpje. Ken je die grote Duitse braadworsten die twee keer zo groot zijn als het broodje waarin het geserveerd wordt? Dat was hij. De rest van het team was meer het niveau van kleine knakworstjes. We plaagden hem er ook wel mee: ‘’Hey, Miguel, hoe krijg je een paard aan het janken? Trek jij je broek maar naar beneden!’’ Gottegottegot, wat hadden we een lol om zijn lul. We waren toen beginnende pubers, maar zelfs nu ik dit dertig jaar later opschrijf moet ik er weer om lachen.

Maar zelfs mijn puberale piemelhumor kent grenzen. Die acteurs, leeftijd begin 20, die afgelopen week tijdens een livestream een jongetje van 12 uitdaagden om zijn piemel te laten zien in ruil voor ‘’17 doezoe’’, straattaal voor 17.000 ballen, moeten zich tot in de afgrond schamen. Gad-ver-dam-me. Smerig en vernederend. Ver voorbij het ‘’misplaatste grapje’’ zoals de jongeheren hun daad kwalificeerden. Hebben ze echt spijt van hun wanstaltige ‘’grap’’ of van de gevolgen die het met zich meebrengt? Ik ben bang voor het laatste. De heren waren immers aardig aan de weg aan het timmeren en worden nu overal ontslagen. Met hun leuke ”grapje”.

Ik heb op m’n 20e en later ook wel, stomme dingen gedaan en gezegd, maar nooit en zeker niet op die manier en al helemaal niet ten koste van een kind. Ik hoop van harte dat de rechter dan ook zal besluiten dat die jongeheren dat arme kind een veelvoud van die ‘’17 doezoe’’ mogen betalen.

Maar genoeg gelul over deze lullen.

Afgelopen week was er op het nieuws dat 195 Nederlanders komende zomer een proefvakantie mogen maken naar Rhodos. Uiteraard onder voorwaarde dat je bent getest, maar dan mag je dus ook niet van het resort af. Dan moet je wel een ontzettende hekel aan je eigen huis hebben, dacht ik gelijk. ‘Wie wil dat nou?’, dacht ik nog. ‘’Ze mogen blij zijn als ze 195 mafkezen vinden die op die voorwaarden op vakantie willen.’’ Nou wil ik ook heel erg graag weer op vakantie, maar dan moet ik me wel gezellig kunnen bewegen als ik dat wil. Ik ben niet zo desperaat dat ik me terwijl ik er voor moet betalen in een Grieks hotel laat opsluiten. Weet je hoeveel mensen zich hebben aangemeld voor die Griekse gevangenistrip? Geen grap: 17 doezoe!    

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

Rodweek 100 Liefdesbaby’s

Afgelopen week maakten we kennis met het fenomeen Hendrik Pieter de Jongh. Ik had nog nooit van de beste man gehoord, maar is hij is een Nederlandse voetbaltrainer in Zimbabwe. Nou ben ik weliswaar een groot voetbalfan, maar er gaan dagen voorbij dat ik de competitie in Zimbabwe niet goed volg. Hoe dan ook: afgelopen week ging er een filmpje viraal van deze man. Het was al een filmpje van een jaar oud, dus kennelijk zijn er meer mensen die de Zimbabwanese competitie niet zo goed bijhouden. De trainer, die zichzelf “The Champ” noemt, wordt na afloop van een belangrijke wedstrijd, die zijn team heeft gewonnen geïnterviewd. Hij doet dat in zulk onnavolgbaar next level steenkolen Engels dat er een ernstig vermoeden rijst dat we hier met de liefdesbaby van talenwonders als Louis van Gaal en Ruud Krol te maken hebben.
Zinnen als “I heur niet wat joe say. I can no anser gif als joe niet clear English speakt” en “Er komen er nog more” zijn slechts twee van de parels in zijn onnavolgbare interview.

Het zijn van die lichtpunten in deze donkere tijden. Toch nog wat te lachen en belangrijk: Henk Pieter de Jongh weet zelf ook wel dat hij zijn Engels op het AJLO (Alle Jezus Lager Onderwijs) heeft gevolgd en dus kon hij er zelf ook vrolijk om mee lachen toen hij hoorde dat zijn filmpje in Nederland zo massaal werd bekeken.  

En zoveel wordt er niet meer gelachen in ons steeds chagrijniger wordende landje.  Behalve dan door de man met de eeuwige glimlach op z’n porem, de man die voor de vierde achtereenvolgende keer is verkozen tot Minister-President: Mark Rutte. Het verraste me niet dat zijn partij weer met gemak de grootste werd. Nederlanders zijn nou eenmaal hardleers, maar het gekke is dat ik weinig tot geen VVD-stemmers ken. Wie stemmen daar dan allemaal op? Wat zijn dat voor mensen? Volgens Facebook heb ik 3293 contacten. Daar zitten onvermijdelijk een paar rechtse stemmers tussen, maar partijen als VVD, Forum voor Democratie en PVV zouden, als die malle Maurice de Hond in mijn FB-lijst zijn peilingen zou doen,  kleine splinterpartijen zijn. Allemaal 0 tot 1 of hooguit 2 zetels schat ik. De mensen in mijn wereld staan doorgaans aan de andere kant van het politieke spectrum. Het zijn mensen die doorgaans een wat socialere kijk op de samenleving hebben dan een boze boreale FvD- of PVV-stemmer. Ik sluit mensen overigens niet per se uit om een politieke voorkeur die niet de mijne is, tenzij het racisten zijn. Die zijn af.

Maar hoeveel VVD-ers ken ik? Wie houden die Rutte nou toch steeds op die stoel? Ik ken er maar heel weinig. Of zou ik een paar stiekeme VVD-ers kennen die er niet voor uit durven te komen en in het stemhokje keurig dat hokje ”Rutte” rood kleuren? Wonen ze niet in Amsterdam? Zouden ze er eerder voor uitkomen dat ze dwergenporno leuk vinden dan voor het feit dat ze VVD stemmen? Ik weet het niet.

De verkiezingsuitslag: ik had tegen beter weten in gehoopt dat het volk wat verstandiger was geworden, maar helaas. Deze uitslag is de liefdesbaby vol met haat van de immer klagende boze Nederlander en de “ikke ikke ikke en de rest kan stikken”-mentaliteit. We zullen het er weer mee moeten doen. Weer vier jaar naar die grijnzende VVD-kop kijken. Overal zag, las en hoorde ik geklaag over Rutte. Ook buiten mijn linkse bubbel. Je zou denken dat mensen dan wat wijzer en doordachter zouden stemmen, maar zodra de stemmen weer geteld zijn is Mark Rutte weer de man die het laatst lacht.

Onbegrijpelijk. Zelfs het Engels van Henk Pieter de Jongh is begrijpelijker. Henk Pieter zou zeggen: ”There ar wie mooi reddie wit! Wie ar ferrie heffie the lul. But i mien ferrie heffie! If joe no wat i mien.”     

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

Rodweek 99 Pippi Langkous

De afgelopen week was een rare. Zo stonden mijn gabber en ik ineens te juichen voor Feyenoord. Niet omdat we nou ineens voor Feyenoord zijn, maar we zijn gewoon voor iedere club die tegen PSV speelt, dus dat verklaart ons wat vreemde juichende gedrag tijdens PSV-Feyenoord afgelopen weekend.

Nog gekker was het dat ik, buiten het feit dat we allebei Indo-bloed hebben, toch nog een andere overeenkomst met Thierry Baudet bleek te hebben: als ik het ergens niet naar m’n zin heb loop ik ook gewoon weg. Of het nou om werk of om een stom feestje gaat: als ik het ergens niet leuk of gezellig vind neem ik de pleiterik. Het leven is te kort om je op plekken te begeven waar het niet leuk is, toch? Maar ik zal nooit weglopen voor kritieken of directe aanvallen op mijn persoon.

Of ik begreep dat de grote boreale leider wegliep bij de roast van Martijn Konings zoals hij dat eerder ook bij onder andere Emma Wortelboer en Simone Weimans deed? Nee dus. De roast van Konings was verre van humoristisch. Het was een aanval met twee gestrekte benen. Niet eens bedoeld om grappig te zijn maar om een racist te fileren. Met feiten. Dan kun je weglopen of je kunt een vent zijn en blijven zitten en de aanval pareren. Baudet koos voor het eerste. Dat zou ik dan weer niet doen. Hij wist natuurlijk op welke punten hij zou worden gepakt, dus dan moet je ook zo stoer zijn om die gozer terug te pakken. Maar Baudet deed wat ie altijd doet zodra het leven moeilijk wordt: weglopen omdat hij er in de voorgehouden spiegel nou eenmaal niet zo mooi uitziet als hij denkt.

Maar onze Thierry liep weg als een bange Tante Poes. Als ik heel complottheorie-achtig zou denken zou ik bijna aan een één-tweetje tussen Thierry en Martijn denken. ‘’Hey thanks man, hier heb je duizend euro, dit TV-moment levert me heel veel stemmen op!’’

Maar nee, ik ben totaal niet complotterig aangelegd en ik ben ook niet zo’n hele snelle wegloper. Sterker nog: ik ben een wandelende comfortzone. Als ik het ergens naar m’n zin heb dan ben ik bijna niet van mijn plek te slaan. Ik heb bijna 20 jaar in mijn huis in Amsterdam-West gewoond, bijna 20 jaar in de Melkweg gewerkt en ook op andere plekken lang gewerkt. Ik werk vrijwel nergens voor een maandje ofzo. Maar soms is het gewoon tijd om eens verder te kijken  en dan ga ik.

Niet dat ik het achter de bar in Café de Toog niet naar mijn zin heb, want anders was ik allang weggeweest: nee, het is gewoon tijd voor wat anders. En dat anders houdt dus in dat ik de zorg in ga! Sinds de tweede lockdown ben ik werkzaam in een verpleeghuis. Had je me dit een jaar geleden verteld dan had ik je zelf in een tehuis laten opsluiten. Maar de zorgsector heeft me gegrepen en ik ga nu een opleiding tot verpleegkundige volgen. Een leer/werktraject waarin ik binnen twee jaar tot gediplomeerd verpleegkundige word omgeschoold. Een prachtige nieuwe uitdaging. En omdat ik als zelfbenoemde Mr. Comfortzone ook weer niet helemaal gelijk uit mijn bubbel wil stappen blijf ik tot wanneer mogelijk nog minimaal een dag in de week achter mijn vertrouwde barretje staan. Omdat ik het werken in de horeca simpelweg te leuk vind. Ik kan niet wachten tot de terrassen weer open mogen, ik weer bier mag tappen en met mijn dienblad over het terras mag paraderen.

Of het werk in de zorg me gaat bevallen? Geen idee. Of ik het kan? Geen idee: maar ik ga altijd graag voor het adagium van Pippi Langkous: ‘’Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan!’’ Ik loop er in elk geval niet voor weg.

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

  

Met Dikke Dennis in Vancouver, deel 1

2002, Lowlands. Ik sta met een duf katerhoofd in de Charlie-tent want daar gaat dadelijk Peter Pan Speedrock optreden. Een band waar ik op dat moment veel naar luister. De mascotte annex brulboei die elke show ook een paar nummers meespeelt is Dikke Dennis, beroemd en berucht in het Amsterdamse uitgaansleven. Dennis komt op met een bloedende cokeneus en krijst zijn hitje ‘Schoppen Aas’ door de volle tent. Het is nog redelijk vroeg op de dag, maar iedereen is gelijk wakker.

Later die week word ik voor een casting uitgenodigd. Het gaat om een reclame voor Heineken voor de Britse markt, maar ze willen per se Nederlanders als hoofdrolspelers. Er zijn veel mensen op de auditie afgekomen en ik verwacht, met nul acteerervaring dan ook niet dat ik word uitgekozen. Dat gebeurt dus wel. Ik schiet tijdens de auditie een keer onbedaarlijk in de lach en dat vond de media-afdeling bij Heineken zo grappig dat de keuze op mij viel.

Dennis was ook op de casting. Om een vriend daar naar toe te brengen. Maar toen ze Dennis zagen wilden ze niet de vriend, maar Dennis. En dan was er nog Juliette. Een dame met acteeraspiraties en zangeres in een punkbandje. Et voila, het team ‘acteurs’ was compleet. De locatie wordt Vancouver of Los Angeles. Heineken redeneerde dat het goedkoper was om drie Nederlanders naar Noord Amerika te laten vliegen dan dat hun hele productiecrew naar Amsterdam moet. Zit wat in. Ik hoop stiekem op de Los Angeles, maar het wordt Vancouver.  Nou ja, ook leuk.

Ik zie er wel een beetje tegenop om een week met Dikke Dennis op pad te gaan. Twee weken ervoor zag ik het bloed nog uit z’n neus spuiten op Lowlands en zoals gezegd: Dennis had nogal een naam in het Mokumse nachtcircuit. Dat kon nog wel eens een moeilijke trip worden.

De dame van het castingbureau, die ik ook privé ken, overhandigt mij de immigratiepapieren die je in Canada op het vliegveld moet invoeren. ‘’Vul jij ze maar voor jullie allemaal  in en regel jij alles daar maar. Jij bent de meest normale van de drie.’’ Dat ik dat nog eens mocht horen!

Het begint al hilarisch bij de douane op Schiphol. Dennis heeft nog wat boetes openstaan en mag niet doorlopen voordat die betaald zijn. Best een aardig bedrag. Hij vraagt of ie mag pinnen. Dat mag en zo kunnen we door. Dennis en ik kunnen het goed met elkaar vinden. We houden allebei wel van een beetje keten.

In het vliegtuig bekijkt Dennis onze tickets eens. We zitten niet naast elkaar en dat zinde hem niet. Dat loste Dennis op zijn Dennis’ op: ‘’Mevrouw, ik hoor net dat u daar zit.’’ De wat oudere mevrouw pruttelt nog wat tegen, maar Dennis sommeert de mevrouw nogmaals en op iets dwingender toon om op de stoel te zitten waar de naam van Dennis op stond. Dennis komt zeer overtuigend over en mopperend en tot onze verbazing vertrekt ze van haar stoel en Dennis en ik ploffen tevreden naast elkaar neer. Klaar voor een lange reis. Negen uur lang zitten we elkaar verhalen en grappen te vertellen en te keten en komen we gierend van het lachen Vancouver binnen. Na de plichtplegingen met formulieren kunnen we door. Er staat een jongedame met een bordje met onze namen er op en onze medepassagiers die inmiddels een beetje moe waren geworden van ons weten inmiddels ook wie we zijn. ‘’Daar komen ze aan. Succes’’, zegt één van de reizigers tegen de dame met het bordje. 

De dame met het bordje van wie ik niet meer weet hoe ze heet, maar laten we haar Suzanne noemen, is een Nederlandse die als kind naar Canada is geëmigreerd, nog perfect Nederlands spreekt en de weg in Vancouver weet. Zij zal die week onze steun en toeverlaat zijn.

Dennis en ik beginnen gelijk ‘’Ik ben Gerrit en ik steel als de raven’’ van Gerrit Dekzeil  te zingen en Suzanne weet dat ze nog een zware kluif aan ons gaat krijgen. Maar ze vindt ons ook wel weer grappig.

Ons hotel is copieus en midden in het centrum van de stad. Bij het inchecken zien we een grote groep lange, veelal donkere mannen voor ons staan: dat bleken de LA Lakers te zijn die in Vancouver moesten basketballen. Grappig, ik was als kind altijd Lakers-fan en nu stond ik achter ze in de rij.

Vanuit de auto hebben Dennis en ik al een toffe platenzaak gespot om de hoek bij ons hotel. Tot onze verrassing kregen we alle drie 600 dollar zakgeld om van te eten en te drinken. En om platen en kleding te kopen dus! Dennis en ik waren aan hondsdolheid grenzend blij. 

Wordt vervolgd….

Rodweek 62 ALLES IS DE SCHULD VAN FEMKE!

De tram die te laat komt. Je pet die in de gracht waait. Het vluchtelingenprobleem. De snackbar in je straat die stinkt naar oud frituurvet. Die pestpleuristoeristen. Ajax verloren. Godverdomme, je favoriete toko dicht terwijl je zo’n zin had in die lekkere dagschotel. De kroeg ook dicht. Dat kan er ook nog wel bij. Je klotebaan. Je zeurende baas. Dat je net in de hondenstront hebt getrapt en dan ook nog in van die natte die zo lekker in je profiel blijft plakken. In Amsterdam heeft een deel van de bevolking voor al dit soort calamiteiten sinds een dik jaar een duidelijk aanwijsbare oorzaak gevonden. Bijzonder overzichtelijk, want dan hoef je ook niet meer verder te zoeken naar de bron van alle ellende. Die oorzaak luidt, heel simpel: ALLES IS DE SCHULD VAN FEMKE HALSEMA! DE LEIDSTER VAN DE GROENE KHMER IN DE STOPERA! PYONGYANG AAN DE AMSTEL! Lees verder

Pikhaar

Ja,ik ben schuldig. Ik heb het ook gedaan. Iedereen moet nou eenmaal geld verdienen en dus was ik vroeger ook zo’n  vervelend klierig mannetje die mensen altijd op de meest ongeschikte momenten belde. Het was half tot eind jaren negentig. Vanuit een groot glazen kantoorgebouw in het meest troosteloze gedeelte van Slotervaart/Overtoomse Veld colporteerden wij telefonisch proefabonnementen voor het Parool, het NRC, AD en de Volkskrant en deden we aan fondsenwerving voor onder andere Greenpeace.

Op mijn eerste dag, met mijn eerste klant, maakte ik mijzelf gelijk legendarisch. In het scherm verscheen de naam van een mijnheer Pikhaar. Niemand durfde die man te bellen omdat ze allemaal bang waren om in de lach te schieten. We waren toch allemaal nog een beetje giechelige pubertjes van negentien of twintig jaar. Je kon een naam doortikken naar een andere computer en zo verscheen Pikhaar bij mij in het scherm. ‘’Ik bel die Pikhaar wel!’’, zei ik stoer, zette mijn headset op en drukte op de belknop. Mijn nieuwe collega’s gingen om mij heen zitten. Kijken wat die nieuwe kan. De speaker stond aan.

Hij nam op! Shit, niet lachen, Rod, niet lachen! Lees verder

Rodweek 59 Lieve Mona en Maria weet raad

Afgelopen week bleek ‘Lieve Mona’ het tijdelijke voor het eeuwige te hebben verwisseld en ik kreeg een flashback naar de jaren 80. Mijn moeder las diverse pulpblaadjes en ik bladerde die als kind ook wel eens door, nu ze er toch lagen. In deze tijd zou ik mijn tijd verdoen met veel te lang op social media blijven plakken, maar in die tijd las ik de tijdschriften die op dat moment voor handen waren. Zoals bijvoorbeeld de Story. Zo’n lekker dom roddelblaadje, waarin we het wel en wee van bekend Nederland konden volgen. RTL Boulevard, maar dan in tijdschriftvorm. Eén van de rubrieken in de Story was ‘Lieve Mona’. Mona, een vrouw van middelbare leeftijd, gaf haar moederlijke adviezen aan lezers die haar een brief stuurden over allerhande kwesties.

Weer wat later, in de jaren negentig, kwam ik op woensdagmiddagmiddag thuis uit school en een van de eerste dingen die ik dan altijd deed was kijken op teletekstpagina 371. Want dan stond de nieuwste ‘Maria weet raad’ op de pagina. Maria gaf pubers en adolescenten adviezen op seksueel gebied. De vragen waren soms redelijk en begrijpelijk, maar soms ook hilarisch. Vragen als: ‘’Ik heb mijn vriendje gepijpt en hij is in mijn mond klaargekomen. Ben ik nu zwanger?’’ Maria ging met elke vraag even respectvol om, hoe stom of naïef ze ook waren. We bespraken de vragen op donderdag vaak op het schoolplein. ‘’Heb je de nieuwe Maria al gelezen?’’ Dat was meestal het geval. Vrijwel iedereen klikte bij thuiskomst gelijk pagina 371 aan, zodat ze donderdag konden meepraten. Lees verder

Rodweek 58 Quartier Putain

1989. Een populair grapje in die tijd, waar ik als twaalfjarig kotertje ontstellend om moest lachen was: ‘’Het meest geile beroep ter wereld? Postbode natuurlijk! Dan ga je van gleuf tot gleuf net zolang totdat je zak leeg is!’’ Ik had nog nooit een gleufje van dichtbij gezien en hoe ik die zak moest legen wist ook nog niet zo goed, maar ik vond het een hilarische grap.

Ik kon op dat moment nog niet bevroeden dat ik 30 jaar later, anno 2019, als 42-jarig oud fossiel, als gleuvendouwer actief zou zijn in de rosse buurt van Amsterdam. Sinds een tijdje loop ik even tijdelijk niet mijn postrondes door de Jordaan, maar over de Dam, het Rokin en de Nes aan de ene kant en de Warmoesstraat en het Oudekerksplein aan de andere kant. Bij dat laatste plein begint de rosse buurt zo’n beetje. Dames uit alle windstreken tikken er tegen de ramen en knipogen naar potentiële klandizie. Hoewel er tegenwoordig eigenlijk voornamelijk giechelende toeristen en schreeuwende proleten langslopen die de dames uitlachen en compleet over hun toeren raken als ze een knipoogje krijgen. Mensen kunnen walgelijk zijn. Lees verder

Rodweek 56 Telefoon voor Axl Rose

Op dinsdags en vrijdags ga ik altijd even langs De Bijenkorf, De Industrieele Groote, Gassan Diamonds en natuurlijk Hotel Krasnapolsky. Goed, het is dan weliswaar alleen om de post te bezorgen, maar daar gaat het niet om. Vaak als ik in ‘Kras’ ben voel ik trouwens de dringende behoefte voor een sanitaire stop. Ik noem het hotel tegenwoordig dan ook  ‘Plasnapolsky’.

Stuk voor stuk prachtige gebouwen, maar wat er zich voor de rest achter die muren afspeelt: het zal me aan m’n derrière oxideren. Ik heb er voor de rest niets te zoeken. De Bijenkorf kwam ik vroeger nog wel eens, maar als ik zie wat voor proletenpaleis dat is geworden loop ik liever gelijk door. Lees verder