Rodweek 59 Lieve Mona en Maria weet raad

Afgelopen week bleek ‘Lieve Mona’ het tijdelijke voor het eeuwige te hebben verwisseld en ik kreeg een flashback naar de jaren 80. Mijn moeder las diverse pulpblaadjes en ik bladerde die als kind ook wel eens door, nu ze er toch lagen. In deze tijd zou ik mijn tijd verdoen met veel te lang op social media blijven plakken, maar in die tijd las ik de tijdschriften die op dat moment voor handen waren. Zoals bijvoorbeeld de Story. Zo’n lekker dom roddelblaadje, waarin we het wel en wee van bekend Nederland konden volgen. RTL Boulevard, maar dan in tijdschriftvorm. Eén van de rubrieken in de Story was ‘Lieve Mona’. Mona, een vrouw van middelbare leeftijd, gaf haar moederlijke adviezen aan lezers die haar een brief stuurden over allerhande kwesties.

Weer wat later, in de jaren negentig, kwam ik op woensdagmiddagmiddag thuis uit school en een van de eerste dingen die ik dan altijd deed was kijken op teletekstpagina 371. Want dan stond de nieuwste ‘Maria weet raad’ op de pagina. Maria gaf pubers en adolescenten adviezen op seksueel gebied. De vragen waren soms redelijk en begrijpelijk, maar soms ook hilarisch. Vragen als: ‘’Ik heb mijn vriendje gepijpt en hij is in mijn mond klaargekomen. Ben ik nu zwanger?’’ Maria ging met elke vraag even respectvol om, hoe stom of naïef ze ook waren. We bespraken de vragen op donderdag vaak op het schoolplein. ‘’Heb je de nieuwe Maria al gelezen?’’ Dat was meestal het geval. Vrijwel iedereen klikte bij thuiskomst gelijk pagina 371 aan, zodat ze donderdag konden meepraten. Lees verder

Rodweek 58 Quartier Putain

1989. Een populair grapje in die tijd, waar ik als twaalfjarig kotertje ontstellend om moest lachen was: ‘’Het meest geile beroep ter wereld? Postbode natuurlijk! Dan ga je van gleuf tot gleuf net zolang totdat je zak leeg is!’’ Ik had nog nooit een gleufje van dichtbij gezien en hoe ik die zak moest legen wist ook nog niet zo goed, maar ik vond het een hilarische grap.

Ik kon op dat moment nog niet bevroeden dat ik 30 jaar later, anno 2019, als 42-jarig oud fossiel, als gleuvendouwer actief zou zijn in de rosse buurt van Amsterdam. Sinds een tijdje loop ik even tijdelijk niet mijn postrondes door de Jordaan, maar over de Dam, het Rokin en de Nes aan de ene kant en de Warmoesstraat en het Oudekerksplein aan de andere kant. Bij dat laatste plein begint de rosse buurt zo’n beetje. Dames uit alle windstreken tikken er tegen de ramen en knipogen naar potentiële klandizie. Hoewel er tegenwoordig eigenlijk voornamelijk giechelende toeristen en schreeuwende proleten langslopen die de dames uitlachen en compleet over hun toeren raken als ze een knipoogje krijgen. Mensen kunnen walgelijk zijn. Lees verder

Rodweek 56 Telefoon voor Axl Rose

Op dinsdags en vrijdags ga ik altijd even langs De Bijenkorf, De Industrieele Groote, Gassan Diamonds en natuurlijk Hotel Krasnapolsky. Goed, het is dan weliswaar alleen om de post te bezorgen, maar daar gaat het niet om. Vaak als ik in ‘Kras’ ben voel ik trouwens de dringende behoefte voor een sanitaire stop. Ik noem het hotel tegenwoordig dan ook  ‘Plasnapolsky’.

Stuk voor stuk prachtige gebouwen, maar wat er zich voor de rest achter die muren afspeelt: het zal me aan m’n derrière oxideren. Ik heb er voor de rest niets te zoeken. De Bijenkorf kwam ik vroeger nog wel eens, maar als ik zie wat voor proletenpaleis dat is geworden loop ik liever gelijk door. Lees verder

Rodweek 55 Caca sur le trottoir dans Bois & Loimbre

Een veelgenoemde theorie waarom de Jordaan de Jordaan heet is dat de Franse Hugenoten die in de 18e eeuw naar Amsterdam waren gevlucht de buurt ‘’Jardins’’ noemden vanwege de vele tuinen die er toen in de buurt waren. Dat zou in de loop der jaren in mooi Amsterdams verbasterd zijn tot  ‘Jordaan’ en het kan een verklaring zijn waarom veel straten en grachten in de Jordaan naar bloemen en planten zijn vernoemd. Of het waar is, is een tweede, maar dat is dus één van de naamsverklaringen.

Dus wellicht begon toen het gesodemieter al dat onze volksbuurten een Franse naam krijgen. Want een kleine drie eeuwen later adverteert vastgoedpenoze Pinnacle, u weet wel, de melkkoe van onze toch al niet bepaald arm geboren volksuitbuiter Prins Bernhard jr. met zijn nieuwe project, een tot appartementen omgebouwd kantoorgebouw. Dat ligt aan de Haarlemmerweg, naast het Westerpark, grenzend aan de Admiraal de Ruyterweg, één van de ingangen van de wijk Bos en Lommer, of zoals onze Prins Poenschepper het noemt: Bois & Loimbre. Lees verder

Rodweek 54 Memorabele Memo

Na een middagje bier drinken en voetbal kijken in de Ierse Pub en het nuttigen van een copieuze Babi Pangang, kip en witte rijst bij de Chinees  zat tweede kerstdag er weer op voor mij. Een welbestede dag en ik besloot maar eens vroeg naar bed te gaan. Lekker boek mee. Ik wilde, als postbode zijnde, ‘The Postoffice’ van Charles Bukowski weer eens herlezen. Dat was best een tijd geleden dat ik die gelezen had, dus ik trok ‘m weer eens uit de kast. Hoelang geleden ik dat boek had gelezen bleek toen ik, eenmaal geïnstalleerd in bed, het boek opensloeg en er een vergeeld, muf ruikend memoblaadje uit zag vallen. ‘’5-9-’98 21.30 Meeting Point A’dam CS’’ had ik er op geschreven in mijn hiërogliefenhandschrift. En een telefoonnummer dat begon met 035. Dus iets of iemand in ‘t Gooi. Mobiele telefoons waren toen nog redelijk exclusief, mensen hadden gewoon thuis een vaste lijn. Op de achterkant van het briefje stond ook iets. ‘’Swatch Motivaction Vondelstr. 26.  17.00-19.00. F60,-. ‘’ Lees verder

Rodweek 53 Gebreide Condoom

Eerlijk is eerlijk. Ik verdien bakken met geld. Althans, dat moet ik iets nuanceren: ik verdien het wel, maar ik krijg het niet. Toch klaag ik niet. Ik heb een mooi huis in een prachtige buurt dat ik makkelijk kan betalen, ik heb elke dag goed te eten en te drinken, de kat heeft ook nog geen dag honger geleden, ik heb een seizoenkaart voor mijn favoriete voetbalclub, ik kan een paar keer per jaar op vakantie, ik kan af en toe uit eten, ik kan mijn biertjes in de kroeg betalen en als ik iets nodig heb dan kan ik dat kopen. En geloof me dat ik er een aardig Bourgondisch consumptiepatroon op nahoud. Met andere woorden: ik heb het beter dan pak ‘m beet 70% van de wereldbevolking. In zowel materieel als immaterieel opzicht heb ik compleet niets te klagen. Dat hebben veel van de Nederlanders die nu met een geel hesje aanlopen ook niet. Een inkomen, een dak, vreten, eventueel een auto en op vakantie kunnen: zo ongeveer iedereen met een middeninkomen, zoals ik, kan zich die luxe permitteren.
Lees verder

Rodweek 52 Toen was gelul nog heel gewoon

Wat zijn we toch een uniek volkje. Er bestaan geen mensen op de wereld die discussies zo tot snot kunnen koken als Nederlanders. De spruitjes van je ouwe opoe zijn er niks bij. We lullen maar en we lullen maar en uiteindelijk zitten we muurvast tegenover elkaar met de hakken in het zand. Nederlanders, van welke afkomst ook, lijden chronisch aan ‘De Ziekte van  Ja maar’. Ik heb het buitenlandse vrienden weleens geprobeerd uit te leggen hoe Nederlanders discussiëren: het duurt en het duurt maar en het duurt bijkans eeuwig voor er iemand oplossingsgericht denkt, want we willen allemaal ons gelijk doordrukken.  De zinnen in een Nederlandse discussie beginnen (en gaan oneindig door) dus vaak met de woorden ”Ja maar…”

En dus zijn we de eerstkomende jaren nog niet verlost van de Zwarte Pieten-discussie. Wie mij een beetje kent weet aan welke kant ik sta: Zwarte Piet, ouwe rups, je hebt je langste tijd gehad. Tradities en cultuur zijn nooit voor eeuwig en altijd aan verandering onderhevig. Dat heet beschaving. Als alle tradities voor eeuwig zouden zijn zouden we hier nog steeds aan palingtrekken, hanengevechten en katknuppelen doen, zou slavernij nog bon ton zijn en zouden kinderen op school nog steeds met een liniaal op hun vingers worden geslagen. En over al die verschillende dingen hebben we op een bepaald moment in de geschiedenis ook besloten dat ze toch niet meer zo van deze tijd zijn. En die weg gaat Zwarte Piet ook bewandelen. We leven niet meer in het naar die tot snot gekookte spruitjes van je opoe geurende roomblanke Nederland van de jaren vijftig. De samenstelling van de bevolking is nogal veranderd sinds die tijd en niet iedereen voelt zich nog prettig bij de negerkarikatuur die de Piet al enkele decennia is. Lees verder

Rodweek 51 Rodzooi’s Rapsodie

Op 24 november 1991 lag ik ziek in bed. Een griepje. Rillend lag ik naar ‘’MTV news’’ te kijken, het was in de tijd dat het op MTV nog voornamelijk over muziek ging. En daar kwam het nieuws  dat mijn griepje even in een ander perspectief plaatste: Freddie Mercury was dood. Die had een wat heftiger griepje onder de leden. Als ik het ontstaan van mijn muzieksmaak een geboortedatum mag geven dan zeg ik 13 juli 1985, de dag van het legendarische Live Aid-concert op Wembley. Ik wist niet wat ik zag. Ik was acht jaar en vooral volkomen gegrepen door het optreden van Queen in het algemeen en het charisma van Freddie Mercury in het bijzonder. Hij was mijn eerste muziekidool. Mijn muzieksmaak kreeg later nog ontelbare, niet allemaal levensvatbare vertakkingen, maar Queen is zonder meer mijn eerste muziekliefde. Ik heb er nog altijd een zwak voor.

Dat zwak voor Queen heeft niet iedereen. Mijn goede vriend Remi bijvoorbeeld. Ik heb jarenlang popquizzen met hem gemaakt. Met veel muziek zaten we op één lijn, maar een Queen-fragment kreeg ik er in al die jaren echt nooit doorheen gedrukt. Remi is een notoire Queen-hater en weigerde halsstarrig om ook maar iets van Queen in onze quizzen te stoppen.  Onbegrijpelijk maar waar. Lees verder

Rodweek 50 De Laatste der Nokiakanen en Joop Appzeiker

Jarenlang waren mijn Nokia en ik onafscheidelijk. Althans, ik was serieel monogaam. Als er eentje stuk ging kocht ik gewoon voor een geeltje een nieuwe op de Kinkerstraat. Ik kon er mee bellen en ik kon er een berichtje mee versturen. Meer had ik niet nodig. Buienradar? Je merkt het toch vanzelf als het regent? Ja, het is kut en vervelend. Maar smelt je er van? Nou dan. GPS? Je hebt toch een mond om de weg te vragen als je de weg even niet weet? Ik heb mij, sinds de komst van de mobiele telefoon eind jaren negentig altijd prima gered met een eenvoudige telefoon. En soms ook zonder. Echt waar! Ik vind het zelfs wel eens fijn als ik de telefoon thuis ben vergeten. Lekker: de hele dag niet gebeld kunnen worden. Geen blabla aan je kop. Zalig. En voor de komst van de mobiele telefoon in de jaren negentig, hoe deden we dat toen ook alweer? Oh ja: Gewoon, afspreken: 15.00 Leidseplein. En als je afspraak er om 15.15 niet was liep je weer weg en ging je gewoon je eigen ding doen. Dat we die barre tijd overleefd hebben, het mag een godswonder heten. Lees verder

Rodweek 49 Snollentosti

Op de één of andere manier kom ik haar heel vaak tegen tijdens mijn postrondes. Het maakt niet uit op welk tijdstip ik aan mijn wandeling begin. Of ze roept naar me vanaf een terras waar ze koffie zit te drinken en sigaretjes aan het roken is of ze hangt ineens uit het raam in haar woning in de Egelantiersbuurt: ‘’Hey ouwe sodemieter. Ben je er weer? Lekker aan de wandel vandaag? Heb je nog post voor me, lieverd?’’ Dat is zo’n beetje haar standaardbegroeting naar mij. Ik schat haar op een lente of zeventig. Ze heeft een doorleefde kop en een stem die minstens vijf decennia twee pakjes sigaretten per dag roken verraadt. Toch heeft ze een gezonde kleur op haar gezicht. Een goeie teint. Ze is vaak buiten. Dat is altijd goed voor een mens.

Ik heb,  behalve van haar achternaam, want die staat op haar post, geen idee wat haar voornaam is. Ik denk Ria of Rietje. Alle oudere Jordanese vrouwen die ik ken heten om onverklaarbare redenen altijd Ria of Rietje. Dus laat ik haar voor het gemak maar Rietje noemen. Rietje heeft, met die doorgerookte stem van haar, zo’n zangerig Jordanees accent dat zo plat is als een Mokumse patatduif die zes keer een heipaal op z’n treiter heeft gehad. Wie zegt dat er in de Jordaan geen plat Amsterdams meer gepraat wordt kent Rietje niet. Of is nooit bij slagerij Louman in de Goudsbloemstraat geweest, maar nu dwaal ik af. Rietje en ik maken altijd even een kort praatje. Dat gaat nooit over grote dingen. Gewoon, een klein praatje over het weer of zo.

En zo kwam ik haar afgelopen dinsdag weer tegen. ‘’Zo, ouwe sodemieter, je treft het maar weer met het zonnetje vandaag! Het blijft maar lekker!’’, riep ze mij vanaf een terras op de Prinsengracht toe.
‘’Het is heerlijk, en dat half oktober, maar wordt ook weer een keer november en december, dus ik geniet er nog maar van zolang het duurt. ’’
‘’God, jongen, je hebt gelijk. Hou op met me. Ik haat die kutherfst en ook die vreselijke winter. Die kou. Gadverdamme! Doe mij maar lekker in het zonnetje, veel beter! ’’
‘’Wat u zegt. Doe mij maar de zon. U heeft ook een gezond kleurtje.’’
‘’Ja, jongen, ik pak elke zonnestraal die ik ken pakken. Als er één streep zon in die stad is loop ik er in, maar volgende maand moet ik toch maar weer eens naar die snollentosti in de Nieuwe Leliestraat , ik wil dat kleurtje wel een beetje vasthouden.’’

Snollentosti. Ze zei het gewoon. Ik vind het één van de leukste Amsterdamse woorden die ik ken. Voor wie het woord niet kent: snollentosti is een fijn plat Amsterdams synoniem voor zonnebank. Ik ken het woord al jaren, maar ik hoor het nooit bijna nooit iemand gebruiken. En daar, op de Prinsengracht, terwijl de Oude Wester op ons neerkeek, bezigde een gezellige oude Jordanese mevrouw van zeventig dat prachtwoord.  Mijn hart maakte een vreugdesprongetje. We babbelden nog wat, we lachten nog wat en even later liep ik weer vrolijk verder. Op zonnige dagen als deze is er geen fijner werk denkbaar als postbode zijn in de Jordaan. Maar op een waterkoude regenachtige novemberdag vervloek ik deze beroepskeuze nog wel eens, zo’n opportunistisch stuk vreten ben ik dan ook wel weer.

Maar zover is het nog niet. Ik verleng de zomer gewoon nog even. Deze zomer, die toch al een klein half jaar duurt, heeft me eigenlijk nog niet lang genoeg geduurd. Daarom ga ik maandag lekker een paar dagen naar Sevilla. Daar is het nog een uitermate sfeerverhogende 28 graden. Nog even een lekkere kleur oplopen voor het weer november wordt. Daar heb ik de snollentosti niet voor nodig.