Rodweek 94 Uitglijer

Een vriend van mij zei het vandaag treffend op Facebook, aangaande de avondklok, de clockdown: ”Zie het zo, je krijgt nu huisarrest voor alles wat je vroeger gedaan hebt, waar je ouders nooit achter gekomen zijn.” Een mooi staaltje omdenken.

Ik dacht gelijk: ‘Nou, dat kan dan nog wel een tijdje duren voor ik weer naar buiten mag!’

Eerlijk gezegd valt de herfst/winterlockdown me mee. Het is vies druilerig baggerweer. Als die lockdown er niet was geweest dan had ik mezelf wel opgesloten. Ik doe dat ook overigens elk jaar in de winter. Ik kom buiten om naar werk te gaan, om boodschappen te doen of naar Ajax te gaan, maar voor de rest wil ik zo min mogelijk met winterse of zelfs herfstige omstandigheden te maken hebben. Ik ben geboren in de winter, nog net, op 12 maart, maar ik ben een echt zomerkind. Als er één straal zon in die stad van mij schijnt loop ik er in en dan speelt mijn hele leven zich zoveel mogelijk buiten af. 

Met sneeuw en ijs heb ik niks. Nooit gehad ook. Als kind vond ik het al een verschrikking. Het is koud, het is nat, het is goor en je glijdt er over uit. Nee, het enthousiasme van verschillende Facebook-vrienden die kraaiden van geluk bij het zien van sneeuw afgelopen weekend deel ik niet. Ik dacht alleen maar: ‘’Kut, nu moet ik met de tram naar werk en moet ik weer zo’n vervelend muilmasker op, maar als ik ga fietsen dan kan ik op m’n muil pleuren en dan heb ik er pijn op m’n muil van.’’ Het zal de eerste keer niet zijn dat ik een salto met m’n fiets heb gemaakt door een straat die in een ijsbaan was getransformeerd. Een jaar of vijftien geleden fietste ik over de Marnixstraat, ’s nachts, midden in het centrum, bijna bij het Leidseplein. Het had geijzeld en ik moest vol in de remmen voor een gast die ineens uit een zijstraatje kwam gescheurd. Met een dubbele salto gevolgd door een schroef, een axel en een dubbele Rittberger eindigde ik vol met m’n bakkes op het ijzige asfalt. Althans als ik de verhalen van de omstanders mag geloven, want ik had in elk geval genoeg publiek en al stonden ze dan nog net niet met jurybordjes omhoog: zo mooi als mij hadden ze nog nooit iemand op z’n plaat zien gaan. En toen ik opstond gleed ik nog een keer op m’n reet.


 Mijn fiets was wonder boven wonder nog heel en ik dacht ik zelf ook nog wel en strompelde naar huis, maar toen ik de volgende dag wakker werd kon ik helemaal niks meer. Geen salto’s meer voor mij.

Nee, salto’s maken kan ik beter aan mensen als Epke Zonderland overlaten. Die zijn daar beter in. Epke zit op turnen. En dat doet onze Epke lang niet slecht. Europese titels, Wereldtitels, Olympische titels en nog een paar honderd andere titels: Epke heeft ze allemaal en kan dubbele ruilen. Het staat in schril contrast met mijn turnprestaties op de gymles op school. Ik kon er werkelijk niks van.

Ik vond het gewoon niet leuk en dan druk ik me heel voorzichtig uit. Als ik iets op gymles HAATTE met hoofdletters dan was het turnen. Ik had en heb dan ook de souplesse van een blok beton en ben over menig bok of rekstok heen gekletterd na weer een mislukte Arabier, salto of een andere naargeestige circusoefening waar ik het praktisch nut totaal niet van inzag. Dat ik, behalve mijn hart, in mijn tienerjaren verder nooit wat gebroken heb mag een wonder heten.

Daarom moest ik ook zo lachen om de tekening van Hein de Kort van afgelopen weekend. Epke heeft zijn vrouw weer eens bezwangerd en op de tekening zie je dat Epke zojuist naakt al flikflakkend en radslagend in de slaapkamer is beland en dan op zijn handen op de rand van het bed staat. Zijn reeds in bed liggende vrouw zegt dan verveeld dat ‘’een keer recht op en neer ook wel eens leuk zou zijn.’’ 

Nee, acrobatische toeren zijn nooit aan mij besteed geweest. Een paar jaar geleden probeerde ik nog met een Arabiersprong over een hekje in het stadion van FC Volendam te springen. Waarom het me nou handig leek om juist op die manier deze horde te nemen weet ik niet meer precies. Laten we het er maar op houden dat overvloedig overmoedig maakte, want we hadden het in de middag nogal vrolijk gemaakt daar aan de boorden van het IJsselmeer. Een paar stukjes kibbeling en twee bitterballen per persoon bleek onvoldoende bodem voor de hoeveelheid bier die we tot ons hadden genomen. Door mijn compleet mislukte acrobatische act zat ik diezelfde avond met een gebroken sleutelbeen en een gat in m’n kop in OLVG-West en lag ik er bijna vier weken uit. Ik kon ook niet werken, dus die gezellige dag heeft me nog een lieve duit gekost.

Dat soort strapatsen haal ik dus maar niet meer uit. Ik ben overigens blij dat er in mijn jeugd nog geen smarthphones en social media waren. Als al mijn uitglijers waren gefilmd en uitgezonden, dan had ik het serieus zwaar gehad.

En over uitglijers gesproken: die dame die zondag op het Museumplein met haar wappiematties achter een groot spandoek stond waarop in chocoladeletters werd verkondigd dat een vaccin tegen Corona vergif is, ‘want je weet maar nooit wat er in zit!’ Die mevrouw is natuurlijk af. Niet zozeer omdat ze dat vindt, want dat mag, maar wel omdat ze met een sigaret in haar handen stond. Die mevrouw vergiftigt zichzelf elke dag willens wetens en die heeft dan wat snuggers te melden over een vaccin. Toedeledoki, mevrouw de Google-viroloog.

En over uitglijers op het Museumplein gesproken: die woordblinde wappie die heel groot ‘’VRIJHIED’’ op een muur had gespoten was ook hilarisch.

En in hoeverre ik het met iemand eens ben maakt dan niet uit. Sta voor je principes, zeg ik altijd maar. Maar spel ze dan in elk geval goed. Ik zeg maar zo: vrie de poeple!


En die ome Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. €15,- ophalen in Amsterdam-Centrum of €19,50 voor verzenden.


Bejaardenblog 6 Vossenjacht

Op de valreep van het godvergeten 2020 las ik het bericht dat er momenteel roedels op seks beluste vossen door de binnenstad van Amsterdam ronddwalen. Vossen van het mannelijk geslacht die op jacht zijn naar vrouwtjesvossen. En zo hebben we in ‘het rode lichtjes district’ waar ik woon geen last meer van dronken toeristen die op zoek zijn naar vrouwen die ze tegen betaling mogen bestijgen, maar van vossen die op vossenjacht zijn. Kennelijk. Want ik heb ze nog niet gezien. De rosse buurt is tegenwoordig dus de vosse buurt.

Ik ging maar weer eens naar mijn eigen oude vossen in het verpleeghuis. Het lijkt soms wel alsof ze elkaar een beetje aansteken in hun gedrag. Zo kunnen ze ineens allemaal tegelijk heel lief zijn of juist zomaar ineens collectief strontvervelend. Alsof ze het afspreken. En zo hadden mijn oude vossen vorige week ineens een dag dat ze allemaal tegelijk moe waren. Het ontbijt en de lunch is altijd gezamenlijk, maar drie van de zeven bewoners verkozen om op hun kamer te blijven en de andere vier zaten alleen maar te knikkenbollen of gewoon te pitten. Misschien hadden ze de feestdagen nog niet helemaal verteerd.

Karel zat er wel, maar was duidelijk nog niet scherp. Karel is doorgaans nogal gecharmeerd van mij, maar nu herkende hij me niet eens en vroeg hij wie ik was.
‘’Ik ben het, Karel: Rodney. Normaal vind je me altijd zo’n mooie man, wat is dat nou?’’
‘’ Oh… Nou… Je lijkt me wel een aardige jongeman inderdaad.’’

Ik hielp hem met eten en thee drinken en daarna viel hij aan tafel in slaap. Ingeborg die vaak op haar praatstoel zit sliep ook veel en Leo is doorgaans weliswaar aartslui maar hij is altijd wakker genoeg om het personeel allerlei opdrachten te geven. Je kan niet langs hem lopen zonder dat hij een opdracht voor je heeft. Dan moet je ook nog vijf keer vragen wat hij wil, want hij is nogal moeilijk verstaanbaar. Dat kan behoorlijk irritant zijn. Nu dus niet, die lag ook aan tafel te slapen. Klara de eeuwig vrolijke downie was ook moe, lag ook te pitten en dat is ook niks voor haar. Dus daar stond ik dan. Drie bewoners nog in bed en de vier in de eetkeuken lagen allemaal te pitten. Dan duurt de ochtend ineens lang. Ik begon zelfs de onverstaanbare commando’s van Leo te missen. Nou ja, bijna dan. Zoals je een wortelkanaalbehandeling mist, zeg maar. Gelukkig delen we onze gemeenschappelijke liefde voor Ajax waardoor we toch wel een leuke band hebben.

Rond lunchtijd begon iedereen weer wat wakkerder te worden en waren ook de uitslapers inmiddels aangeschoven op hun vaste plek. Er kwam weer wat leven in de brouwerij. Ingeborg en Ramona begonnen weer te kibbelen als twee kleine meisjes, Eduard wilde weer lekker veel eten, Klara zat weer lekker te lachen en Leo dacht weer eens dat de hele wereld om hem draaide en begon zoals ik dat van hem gewend ben met onverstaanbare commando’s te vuren die ik dan weer kon pareren. Heerlijk. De dag was eindelijk begonnen. Al duurde dat behoorlijk lang die dag. Het leek wel of de klok achteruit liep.

Noortje werd ook wakker. Zij slaapt sowieso veel. Ik kreeg in het begin heel erg moeilijk contact met haar. Haar spraakvermogen is heel erg moeizaam. Ze praat geen lange zinnen en dan ook nog op fluistertoon. Ze lacht wel altijd heel lief. Ik hielp haar met eten en zei dat ze een mooie lach had en dat haar haren mooi gekamd waren. Ze lachte haar mooie lach weer naar me.
‘’Hey ben jij daar, Robbie?’’
‘’Ja, ik ben het, Noortje. Neem je een hapje voor me?’’
 “Ja….’’
‘’Moet je wel even je mond open doen hè?’’
‘’Oh ja…’’
‘’Zeg eens AAAAA…’’
En zo help ik haar dan met eten. Slokje thee tussendoor.  

En ook Karel was inmiddels weer wakker geworden. Hij begon Sinterklaasliedjes te zingen. Op zijn galmende volume.
‘’Karel, je weet dat het net kerst is geweest hè?’’
‘’Ja, dat weet ik wel, maar ik vind Sinterklaasliedjes leuker!’’
Karel kan af en toe nog bijzonder scherp uit de hoek komen.

Hij herkende mij ook ineens weer als ‘’de mooie man’’. Ik hielp hem met z’n eten.
‘’Ah, dank je wel, mooie man!’’
‘’Smaakt het lekker, Karel?’’
‘’Heel lekker! Verrukkelijk zelfs!’’
‘’Mooi zo!’’
‘’Net als jij, want jij bent mijn lekkertje!’’

Yep, Karel was weer wakker en er op zijn manier weer helemaal bij. Zo zie je maar: de vos verliest wel z’n haren, maar niet z’n streken.   

PS: De namen van bewoners en medewerkers zijn in het kader van de privacy gefingeerd.

Voor Bejaardenblog 1: klik hiero

Voor Bejaardenblog 2: klik daaro

Voor Bejaardenblog 3: klik andere daaro

Voor Bejaardenblog 4: Klik weer andere daaro

Voor Bejaardenblog 5: Klik dan maar weer hiero

En die ome Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk.


 
  

Bejaardenblog 5 Ach Kind

Nee, de ambitie om samen met iemand kinderen op de wereld te zetten heb ik nooit gehad. Het proces van kindjes maken daarentegen heeft wel altijd mijn bijzondere interesse gehad, maar zelf kinderen hebben en daar voor zorgen en opvoeden: nee dank je. Ik heb het al druk genoeg met m’n eigen leven en daarbij is die aardbol toch al te vol, dus dan hoeven we er ook niet nog eentje van mij erbij. Maar nu, sinds 9 november heb ik op mijn 43e ineens zeven ‘kinderen’: ze variëren in leeftijd van 57 tot 86 jaar.

Ik maak lunch en ontbijt voor ze, ik speel spelletjes met ze, help ze met eten en drinken en ondersteun het zorgpersoneel door de bewoners te helpen met kleine dingen die ze zelf niet meer zo goed kunnen. We hebben best veel lol samen. Soms zijn ze echt om op te vreten, maar er zijn ook dagen dat ik denk: ‘’had ik dat maar gedaan’’. Eigenlijk praat ik soms net zo over ze zoals ik echte ouders weleens over hun kinderen hoor praten.    

Mijn jongste ‘kind’ is de 57-jarige Klara, die het Syndroom van Down heeft. Haar woordenschat is zeer beperkt, maar wel duidelijk en bij tijd en wijle geestig. Ik ben voor haar die  ‘mafkees’ of ‘sodemieter’, maar vaak zegt ze ook ‘dag schat’ en soms krijg ik een kus op mijn hand van haar.  Als ik een broodje voor haar neerzet zegt ze standaard: ‘Ja lekker!’ Na het eten drinkt ze graag koffie en dat woord kent ze ook. En Klara zegt tegen iedereen, of ze nou 20 jaar of 80 jaar zijn, ‘’ach kind.’’

Ik noem ze dan wel gekscherend mijn kinderen, maar het zijn natuurlijk mensen die ruimschoots volwassen zijn, of dat in elk geval zo veel mogelijk zouden moeten zijn, voor zover hun toestand dat toelaat. Maar dat valt niet altijd mee. Afgelopen week, ik weet niet wat ze hadden, maar toen moest ik echt even de kleuteroppas spelen en ze hier en daar bestraffend of ouderlijk toespreken.

Het begon met Leo die chocolaatjes uit zijn kamer wilde. Ik pakte de doos chocolaatjes. Leo begon te eten en deelde niks met de anderen, want ‘het is mijn chocola!’. Waarop Ingeborg kwaad werd en zei dat de chocola niet van hem, maar voor de hele afdeling was en dat hij de chocolaatjes had gepikt. Na mijn tussenkomst hield Leo vol dat de chocolaatjes van hem zijn en hij dus niets hoeft te delen.

Vervolgens kreeg mijn veelvraat Eduard honger. Hij zegt meestal niet veel meer dan dingen als  ‘’Mag ik een broodje?’’, ‘’Thee’’ en ‘’Ik heb het koud, sjaal’’. Prima, alleen is hij soms wat ongeduldig als het serveren van zijn bestelling hem te lang duurt, omdat ook ik maar in het bezit van twee handen ben, en dan gaat hij heel irritant op de tafel tikken met zijn vingers. En dan herhaalt hij zijn bestelling nog maar eens. Een keer of drie. Dat was dus ook die dag.

Tegelijk begonnen Ramona en Ingeborg te kibbelen over niks. Dan zijn het net twee kleine meisjes. Dat doen ze wel vaker en dan haal ik altijd het oude stokpaardje van mijn moeder van stal, wat ze altijd zei als ik ruzie had met mijn vriendjes of mijn zus: ‘’Hey, wel lief zijn voor elkaar!’’ Alleen waren wij toen acht en zijn zij op vergevorderde leeftijd.

Ramona heeft even later in haar broek gepoept en moet verschoond worden door de zuster. Het  leven van veel mensen begint in een luier en eindigt in een luier. Die gedachte stemt me best wel eens somber.  

Het over en weer gekissebis over die chocolaatjes ging de hele dag maar door en ondertussen gooide Klara lachend haar koffie op de grond. Dat doet ze vaker als ze even niet de aandacht heeft. Ze weet dan dat ze eigenlijk een ‘time out’ krijgt. Dan moet ze voor straf even een kwartiertje afkoelen op haar kamer waarna ze belooft dat ze het nooit meer zal doen en dat ze lief zal zijn. Maar ik had ook geen tijd om dat te doen, want ik moest allemaal brandjes blussen. Ondertussen begon Karel ook weer te schreeuwen en liedjes te zingen die hij tot vervelens toe herhaalde en Noortje wilde niet eten en kliederde met haar melk.

Het was gewoon even zo’n dag waar geen einde aan leek te komen. Ze waren allemaal tegelijk in hun klierbui. Ik was doodmoe aan het einde van mijn dienst en blij dat ik naar huis kon. Desalniettemin kijk ik er weer naar uit om morgen ‘mijn kinderen’ te zien. Ik ben in die anderhalve maand dat ik dit werk doe best behoorlijk gehecht geraakt aan de bewoners van mijn afdeling. Als er eentje De Pijp (of in dit geval Oud West) uitgaat zou ik dat serieus erg vinden. Maar als Klara morgen dan weer lachend ‘’Ach kind’’ tegen me zegt, dan is mijn dag al snel weer goed.

PS: De namen van bewoners en medewerkers zijn in het kader van de privacy gefingeerd.

Voor Bejaardenblog 1: klik hiero

Voor Bejaardenblog 2: klik daaro

Voor Bejaardenblog 3: klik andere daaro

Voor Bejaardenblog 4: Klik weer andere daaro

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk.

Bejaardenblog 4 Rijkdom

Vrijwel dagelijks passeer ik, net als op een Monopolybord, de Kalverstraat, maar 20.000 euro krijgen als je daarna Start passeert zit er dan weer niet in. Ik woon er vlak bij, maar de beroemdste winkelstraat van het land inlopen doe ik vrijwel nooit. Goed beschouwd is het een straat die van dezelfde truttige saaiheid is als elke andere winkelstraat in Nederland. Alleen is de Kalverstraat groter en bekender. Het enige dat wat mij betreft ooit van belang is geweest aan de Kalverstraat is dat Ajax er op 18 maart 1900 is opgericht. Voor de rest heb ik niks met die straat.

Door het Coronagedoe is het er al vrijwel heel 2020 rustig, maar afgelopen vrijdag vond de overheid kennelijk dat we als volk wel weer eens een uitje hadden verdiend in deze zware tijd. We zijn tenslotte allemaal al een tijdje niet naar voetbal, de kroeg of naar een concert geweest en dus mocht Black Friday gewoon een heel weekend doorgaan. Dus we hebben allemaal geld over nu, toch? Dus het volk mocht los en zich als een kudde uitgehongerde beesten op de aanbiedingen storten. Black Friday Matters, zullen we dan maar zeggen. De hele Kalverstraat was weer ouderwets druk bezaaid met koopjesjagers. Wat je in een treurgoot als de Kalverstraat moet kopen op een Black Friday, ik zou het niet weten, dus ik fietste maar snel door naar huis. 

Thuis aangekomen keek ik eens op Funda. Eens kijken of de huizenmarkt ook aan zwarte vrijdag deed. Dat onze nationale huisjesmelker Prins Bernhard jr. bijvoorbeeld twee woningen voor de prijs van één verkoopt of zo. Of een grachtenpand met een stuntkorting van 90%. Maar nee. Dat was niet het geval. Een woning in Amsterdam kopen heb ik sowieso allang uit mijn hoofd gezet. Tenzij de loterijballen een keer lekker vallen word ik toch nooit rijk.

Althans, niet in materieel opzicht. Ik verdien genoeg om te kunnen leven zoals ik dat wil. En veel meer heb ik niet nodig. Geld is makkelijk, maar het interesseert me te weinig. Ik zou m’n laatste joetje nog weggeven. Daarbij heb ik ook het zakelijk instinct van een tosti-ijzer, dus dat helpt ook niet mee met rijk worden. De echte rijkdom zit ‘m in gezondheid. Dat is zo cliché als een bord koude babi pangang, maar clichés zijn cliché omdat ze waar zijn.

Ik besef me die rijkdom steeds meer sinds ik in het verzorgingstehuis werk. Ingeborg, de oudste van de afdeling en behept met een smaak die een materieel rijk verleden verraadt heb ik al in één van de eerdere verhalen gememoreerd. Maar ook Karel, die elke dag tegenover haar zit heeft ooit een zeer welgesteld leven geleid. Hij was directeur bij een bedrijf. En ik zie hem ook wel voor me, een jaar of vijftien jonger, in een mooi pak, goed gecoiffeerd, kekke schoenen en met zijn kenmerkende stem leiding gevend aan een team van werknemers. En dan in de avond dineren in mooie restaurants en thuiskomen in een duur huis.

Dat was zijn leven. Zijn leven is nu, na een ongeluk en een daarbij opgelopen hersenbeschadiging, dat hij in een rolstoel op een gesloten afdeling in een verzorgingshuis woont. Ik hoor hem elke dag schreeuwen van de pijn als de zusters hem uit bed halen. Hij draagt geen mooie pakken meer, maar een trainingsbroek en een trui. Echt praten lukt niet meer, al kan hij in een goede bui nog wel wat korte zinnen formuleren. Zinnen waaraan je kunt horen dat hij een mooi taalgebruik had. Als ik hem iets vraag of hem help met het voeren van zijn eten registreert hij mijn vraag de ene keer gelijk, soms pas een halve minuut later of soms ook helemaal niet. En hij is nog niet eens heel oud hè? Karel is begin zestig. Ik ken verschillende mensen die ouder dan hij zijn en het grote geluk hebben dat ze er nog een uiterst vitaal leven kunnen nahouden. Die rijkdom heeft Karel dus niet.

Karel is van de herenliefde en hij schroomt niet om mannen die hij aantrekkelijk vindt uitgebreid te complimenteren. Zo noemt hij Henk, de grijsharige vrijwilliger en broer van Klara, altijd ‘mijn blonde God’ en tegen mij zegt hij continu dat hij mij zo’n ontzettend mooie man vindt en dat hij heel veel mij houdt. Zo af en toe begint hij ineens uit volle borst te zingen en te schreeuwen. En dan herhaalt hij het liedje ook meerdere keren. We hebben in mijn eerste twee weken ontelbaar vaak naar zijn uitvoering van ‘Row your boat gently down the stream’ moeten luisteren, tegenwoordig klinkt, in de repeatstand, het lied over ‘Dudeljoo’’ uit zijn zoetgevooisde keel. Soms begint hij ineens in het Engels te praten want daar heeft hij ook gewoond. Karel houdt er ook wel van om wat aandacht te trekken.

Maar afgelopen week kwam er zomaar ineens even een breuk in zijn liefde voor mij. Zijn rolstoel moest even verplaatst worden en toen ik hem terugzette op zijn plaats kwam hij heel lichtjes in aanraking met de tafel. Ik schampte hem amper. Nou kan ik zijn pijn natuurlijk niet voelen, maar Karel ontstak in blinde woede. En als Karel pijn heeft wordt zijn taalgebruik ineens een stuk minder parlementair. Ineens was ik een ‘LUL!’ en een ‘KLOOTZAK!’ en haatte hij me. De liefde was in één keer over. ‘’Eerst vond ik jou aardig! Maar nu vind ik jou een ZAK! IK HAAT JE!! GODVERDOMME! KUT!!! IK HAAT ALLES! IK WIL DOOD!’’

Ik probeerde hem nog te kalmeren, maar ik had het compleet verbruid. Hij ging in één seconde van nul naar honderd. Woest was ie. En zo ging het nog even door. Na zijn tirade viel Karel in slaap. Rust in de tent. Een uur later was de lunch en ik maakte Karel voorzichtig wakker voor zijn broodje. Ik hielp hem met voeren en thee drinken. Ik ging het er toch maar even over hebben met hem.
‘’Hey Karel, je moet niet meer zo boos doen en tegen mij schelden hoor, dat vind ik namelijk echt niet leuk. Ik dacht wij vrienden waren. ’’
‘’Ik zou nooit op jou schelden, mooie man.’’
‘’Dus we zijn weer vrienden?’’
‘’Wij zijn altijd vrienden! Ik hou van jou!’’
‘’Daarnet vond je me nog een lul.’’
‘’Dat zou ik nooit zeggen tegen jou, lieve schat.’’

Tja. Hoe kwam ik er inderdaad bij? Mijn oren suisden nog na van zijn gebulder en hij wist het niet eens meer. Dat houdt het leven wel lekker overzichtelijk. Dat dan weer wel.

De zeven bewoners op mijn afdeling zijn allemaal van verschillende komaf, maar hier zijn ze allemaal gelijk. Sommigen hebben een leven met relatief veel welvaart gehad, anderen minder. Uiteindelijk wonen ze nu allemaal op dezelfde gesloten afdeling, eten ze allemaal hetzelfde eten, hebben ze allemaal hun kwalen en moeten ze allemaal geholpen worden met douchen en toiletbezoek. Dan heb je weinig meer aan materiële rijkdom. En wie denkt dat een leven met heel veel geld en roem gelukkig maakt moet de documentaire over Diego Maradona maar eens kijken. Die man werd driekwart van zijn zestigjarige leven volkomen geleefd en is daar hartstikke aan kapot gegaan.

Dan ben ik liever blij met een goede geestelijke en lichamelijke gezondheid, goede mensen om me heen en een prima dak boven mijn hoofd. Dat ik dan af en toe eens na moet denken of ik ergens wel genoeg geld voor heb houdt me met beide benen op de grond. Dat is voor mij genoeg rijkdom. En dan besef ik me dat ik elke dag dat ik gezond ben na de Kalverstraat langs Start rijd.

PS: De namen van bewoners en medewerkers zijn in het kader van de privacy gefingeerd.

Voor Bejaardenblog 1: klik hiero

Voor Bejaardenblog 2: klik daaro

Voor Bejaardenblog 3: klik andere daaro

En die ouwe Rodzooi komt komende maand ook met z’n nieuwe boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk.

Bejaardenblog 2 MAFKEES

Bejaardenblog 2 MAFKEES

Je hebt van die mensen die zodra ze wakker zijn ook meteen echt op stand ‘AAN’ staan. Die gelijk beginnen te ouwehoeren dat het een aard heeft en gelijk helemaal scherp en gefocust zijn op wat er op de nieuwe dag allemaal moet gebeuren. Ik niet. Ik heb altijd even tijd nodig om in de dag te komen. Mijn tijdelijke nieuwe ritme in het verzorgingstehuis is een compleet andere dan dat ik gewend ben. Om 9.00 moet ik aanwezig en ‘AAN’ zijn. Op zich kan ik om 8.15 opstaan, snel onder de douche springen, een broodje en thee naar binnen knallen en om 8.40 op de fiets zitten en dan precies op tijd op het werk zijn. Maar ik hou niet van gehaast. Ik sta tussen 6.30 en 7.00 op, maak rustig ontbijt, lees het nieuws, douche rustig en dan fiets ik rond 8.30 relaxed richting De Klinker. Tien minuten voor ik begin maak ik dan even een kopje thee voor mezelf en dan wacht ik tot mijn club van zeven de ontbijtzaal binnendruppelt.

Dan ben ik dus al zo’n twee uur wakker en dan begin het lampje redelijk op ‘AAN’ te staan bij mij. Moet ook wel. Klara, mijn downie die nooit down is, wordt als eerste de huiskamer ingeloodst. En Klara is altijd vrolijk, lacht altijd, dus ik wens haar vrolijk goedemorgen. Haar begeleidster wijst naar me en zegt tegen Klara: ‘’Hey wat leuk! Die ken je toch wel? Hoe heet hij ook alweer?’’ Waarop Klara lachend naar mij wijst en roept: ‘’MAFKEES!’’  

Blijf dan nog maar eens in je laatste restje duffe ochtendchagrijn hangen. Ik word daar gelijk net zo vrolijk als Klara van. ”Je bent zelf een mafkees!”, zeg ik dan en dan moeten we allebei lachen.

De rest van de goegemeente komt ook binnen en ondertussen maak ik voor iedereen ontbijt. Karel is altijd blij om mij te zien en zegt zodra hij binnenkomt: ‘’Ach, daar is die mooie man weer!’’ En dat herhaalt ie nog een keer of vijftig gedurende mijn shift. Met Leo neem ik nog even snel het voetbal van het weekend door.

Ingeborg is wat later. Ik hoor haar schreeuwen vanuit haar kamer. Schreeuwen van de pijn. Ze is een chique dame, maar als ze pijn heeft kan ze vloeken als een vrachtwagenchauffeur. Het gaat me door merg en been. Als ze even later binnenzit vraag ik wat ze precies mankeert en waarom ze zo’n pijn heeft. Ze heeft neuropathie en dan de extreem pijnlijke variant daarvan. Ik weet niet wat neuropathie is maar ze legt me uit dat het een neurologische stoornis is die leidt tot hele heftige chronische pijn in haar voeten. Letterlijk zo heftig dat als ze een slechte dag heeft een neerdwarrelend veertje op haar voeten al helse pijnen kan veroorzaken.

Ze kijkt treurig. ‘’Weet je, Ronnie: oud worden is een zegen, maar oud zijn valt best tegen.’’ Ik merk dat ik dat best naar vind om te horen. Ik zou niets liever willen dan zo’n gezegende leeftijd als Ingeborg halen, maar als je elke dag schreeuwend van de pijn wakker wordt en je ook niet meer zelfstandig naar buiten mag: het lijkt mij heel heftig. Niet iedereen op mijn afdeling is geestelijk even goed meer bij, maar Ingeborg is dat wel. Zij kan soms hooguit wat versuft zijn door de medicatie, maar met haar kun je echt wel een gesprek op niveau voeren.

Ingeborg noemt mij dus ‘Ronnie’. Ramona noemt me ‘Rocky’. Leo noemt me ‘Robbie’. Noortje en Eduard zijn communicatief niet meer zo vaardig, dus bij die twee hou ik zelf in de gaten wat ze nodig hebben. Karel noemt me altijd ‘lieverd’, ‘schattebout’ of ‘die mooie man’ en Klara houdt het gewoon bij ‘’MAFKEES!’’ Ik luister naar alles. Ik had in de jaren negentig in Bos en Lommer twee hoogbejaarde onderburen. Als ze nog zouden leven zouden ze minstens 115 zijn. Die hebben me in de twee jaar dat we in hetzelfde portiek woonden letterlijk elke naam beginnend met een ‘R’ genoemd, behalve Rodney. Het zal een moeilijke naam zijn voor ouderen, ik vind het prima.

Behalve ontbijt en lunch bereiden voor mijn club van zeven, helpen met voeren, monden afvegen,  ouwehoeren en spelletjes spelen heb ik er ook een nieuwe taak bij gekregen: roken. Een bewoner van een andere gang, ik noem ‘m Humphrey, wil twee keer roken, maar degene die hem normaal begeleidt naar de rookruimte is bezig om te stoppen met roken. Dus of ik mee wil met hem. Nou ben ik nooit echt een ochtendroker geweest en zelfs ’s middags moet ik er vaak nog niet eens aan denken, maar vooruit, dan rook ik maar wat eerder voor de goede zaak, want dat vindt Humphrey gezellig. Humphrey houdt gelukkig ook van voetbal dus tijdens onze rooksessies praten we daarover. Hij speelde in Suriname voor een van de grote clubs daar en kende ook de vaders van Gullit en Rijkaard nog.  

Terug op de afdeling meldt Karel mij dat ik zijn dikke vriend ben en ik reageer daarop: ‘’Wat zeg jij nou Karel? Zeg je nou gewoon dat ik dik ben? Dan zijn we geen vrienden meer!’’ Bij Karel duurt het wat langer voor hij een boodschap of grapje heeft geregistreerd maar omdat hij ziet dat iedereen om hem heen lacht, lacht hij ook mee en zegt hij nog maar eens voor de vijftigste keer dat hij mij een mooie man vindt. Klara hoort het gelach ook en lacht ook mee.

Mijn shift zit er op. Ik ga naar huis. Ik zeg iedereen gedag en zeg dat ik er vrijdag weer ben.

‘’Dag mooie man!’’, zegt Karel nu voor de eenenvijftigste keer.

Klara kijkt me vragend aan als ze me in mijn jas ziet staan.

‘’Doei, Klara tot vrijdag!’’

‘’DAAAAAAAAG!!!! MAFKEES!!!’’

PS 1: De namen van alle bewoners en personeel heb ik in het kader van de privacy gefingeerd. Eerste deel van de Bejaardenblog lezen? Klik hiero .

PS 2: Mijn nieuwe boek ”Het nut van een gebreide condoom” komt binnenkort uit. Bestellen? Mail naar rodney@rodzooi.nl of via Facebook een PB naar Rodney Rijsdijk.





   
 

De Trump van de Ten Katemarkt

Het lijkt er dus eindelijk op te zitten. De lachwekkende vierjaarlijkse poppenkast die we ook wel kennen als de Amerikaanse presidentsverkiezingen ging deze keer tussen twee bejaarde gekken. Kijkend naar debatten tussen Donald Trump en Joe Biden was als kijken naar een ruzie tussen die twee ouwe knarren uit de Muppetshow, Stattler en Waldorf. Maar toen ik zojuist tijdens mijn avondwandeling langs de Amsterdamse grachten vernam dat die hakkelende en mompelende Muppet Joe Biden het had gewonnen van de schreeuwerige demagoog Donald Trump kon ik een kleine glimlach niet onderdrukken. Niet dat ik denk dat Joe Biden de wereld gaat redden, maar ik heb toch liever hem achter de knoppen dan de narcistische gevaarlijke gek die er de afgelopen vier jaar achter zat.

Maar voor mij nog steeds  geen reden voor champagne. Ik vind ze b(e)iden niks.

En terwijl ik de zojuist verkregen informatie onderweg naar huis even liet bezinken moest ik ineens denken aan ‘’De Trump van de Ten Katemarkt’’, namelijk Henk Bakker Sr.

Henk was een ouwe Amsterdamse marktkoopman. En dan ook nog echt eentje van de ouwe stempel. Die nam je niet in de maling. Hij bestierde in de Ten Katestraat, aan de markt,  ‘Meubelhuis Henk en Bep’. Voor die winkel lag altijd een brancard waarop stond geschreven: ‘’Bij diefstal bellen wij eerst de ambulance en daarna pas de politie.’’ Dus beter haalde je het niet in je hoofd om daar wat te jatten, want dat was geen dreigement maar een belofte. Daarmee benoem ik tevens gelijk een belangrijk verschil tussen Bakker en Trump: Bakker hield zich nog wel eens aan een belofte.

Als Amsterdammer en marktkoopman was Henk prima op zijn plek, maar hij had ook bedacht dat hij verstand van politiek had en dat was nou net niet het geval. Henk had net zoveel kaas gegeten van politiek als dat ik ooit gegeten heb van een vleermuis op een vuige Chinese markt.

Henk was een opvallende verschijning in de Amsterdamse politiek, met dat lange grijze slierterige haar, zijn grofgebektheid, zijn hele voorkomen en zijn nogal onconventionele manier van debatteren. De stoelen zijn wel eens door de zaal gevlogen omdat Henk het ergens niet mee eens was en er is ook nogal eens aangifte tegen hem gedaan wegen geweld of strafbare uitlatingen. Nadat hij al de in stadsdeelraad van Oud West had gezeten werd hij in 2002 samen met zoon Henk jr. in de Amsterdamse gemeenteraad gekozen met zijn partij ‘’Leefbaar Amsterdam.’’

Elke stad of dorp kreeg in de slipstream van Pim Fortuyn ineens een partij die ‘Leefbaar’ heette en dan met de plaatsnaam erachter. Het recept om in de lokale politiek te komen was in die tijd simpel. Zoek een paar medegekkies, verstand van politiek is eerder ongewenst dan noodzakelijk, schreeuw hard, kies zondebokken uit: et voila, je had een politieke partij.
Het waren dan ook meestal schimmige dubieuze partijtjes die bolstonden van de demagogiek en die heerlijk inspeelden op de borrelende onderbuik van de morrende samenleving. Meestal dus geleid door schreeuwende gekkies. Sommige mensen zijn nou eenmaal erg gevoelig voor dergelijk demagogisch geschreeuw en zo hadden vader en zoon Bakker het toch zomaar even mooi tot het pluche van De Stopera geschopt. Dat beviel de heren goed. In 2006 werden Henk en Henk echter tot hun grote verbijstering niet herkozen in de gemeenteraad en bovendien was zijn fractie in opspraak geraakt omdat de  Bakkertjes hier en daar nogal wat waardevolle bonnetjes waren kwijtgeraakt, wat de geloofwaardigheid van hun partij ook niet helemaal ten goede kwam.

Toen Henk en Henk dus niet werden herkozen sprak Henk sr. op de lokale zender AT5 met gedragen stem en je kon zien hij er op had geoefend, de legendarische woorden : ‘’Ach, ik heb niet verloren, het volk heeft verloren.’’ Het is bij mij en een aantal vrienden nog steeds een gevleugelde uitspraak.  

Rond die tijd begon ik ook te werken in het Café aan de Ten Katestraat waar veel van die marktkoopmannen kwamen. Henk kwam er ook vaak. Die stond altijd achter de gokkast met een broodje kroket en daar dronk hij dan altijd een Sneeuwwitje bij, half bier, half seven up. Daar verloor Henk ook nog wel eens wat. Een jaar later overleed Henk plotseling en zo kwam er een einde aan het leven van ‘’De Trump van de Ten Katemarkt.’’

Trump gaat zich natuurlijk nog verder belachelijk maken met rechtszaken, maar beter spreekt de ouwe Trump dezelfde woorden tot zijn kiezers als zijn Amsterdamse evenknie Henk Bakker Sr.:

‘’Ik heb niet verloren, het volk heeft verloren.’’

Het is niet waar, maar zelfs die holle frase straalde nog meer waardigheid uit dan het kleuterachtige gestampvoet waar Trump zichzelf nu weer onsterfelijk belachelijk mee maakt. Dat ik dat compliment postuum nog eens aan Henk moet geven dat maakt Trump eigenlijk toch wel een hele grote. Een hele grote wat? Dat mag je zelf invullen.

PS: Psssst! Rodzooi heeft nu ook een verzameling van zijn columns uitgebracht. Het boek heet ”Het nut van een gebreide condoom”. Boek bestellen? Mail naar rodney@rodzooi.nl of stuur hem een bericht via Facebook

Rodweek 90 De Spijkernisse op z’n kop

Eigenlijk wilde ik vandaag over een heel ander onderwerp schrijven, maar die komt later deze week wel. Er gaan namelijk hele jaren voorbij dat ik niet aan Spijkenisse of aan walvissen denk. En aan de combinatie van die twee heb ik volgens mij al helemaal nog nooit gedacht, al kan ik het mis hebben. Dus ik kon deze column onmogelijk laten liggen. Ik werd dus wakker om een uur of 7.00 vandaag. Dat is in het normale leven een raar en onmenselijk tijdstip voor mij maar in Lockdowntijd is nou eenmaal alles anders. In plaats van ergens tussen 2.00 en 5.00 ‘s nachts sluiten in dit soort tijden de luiken reeds tussen 23.00 en 0.00 om ze zo tussen 7.00 en 8.00 weer te openen. Dan blijf ik meestal nog even een half uurtje of een uurtje liggen en kijk ik even op mijn telefoon wat er allemaal tijdens mijn zeven uur durende slapende afwezigheid is gebeurd.

En daar was het ineens vanmorgen: één van mijn vrienden had een foto van een ontspoord metrostel op een enorme stalen walvisstaart in Spijkenisse gepost. Een kunstwerk dat dus iets te maken heeft met de historische band tussen Spijkenisse en walvissen? Of zoiets? Weet ik veel. De foto van die metro op die walvisstaart, fragiel hangend boven de afgrond, gaf in elk geval een waanzinnig filmisch beeld waar een regisseur als Steven Spielberg in zijn beste jaren alleen maar van kon dromen. Nou is de heer die deze foto postte wel vaker van de humor om te lachen en ik ben in de ochtend niet altijd even snel van begrip, dus ik dacht heel even dat hij zijn volgers in de zeik zat te nemen. Maar de foto triggerde de nieuwsgierigheid en toen ik even wat nieuws ging kijken zag ik dat het dus geen trucagefoto was. Of een filmset. Of zoals een van mijn vrienden al grappend suggereerde: de Amsterdamse straatkunstenaar Street Art Frankey op tournee buiten Amsterdam.

Nee, dit was dus for real: een Rotterdamse metro met eindhalte Spijkenisse knalde door een stootblok heen en werd opgevangen door een reusachtige walvisstaart die daar om de een of andere reden als kunstwerk tien meter boven de grond hangt. Zonder die walvisstaart was die metro dus tien meter naar beneden gekletterd. Ik ken namelijk best wel metrohaltes waar geen grote metalen walvissenstaart achter hangt. Gelukkig geen slachtoffers te betreuren. De enige inzittende van de metro was de met de schrik vrijgekomen bestuurder, maar die kan het dus dankzij dit kunstwerk gewoon ongedeerd navertellen. Het kunstwerk heet dan ook echt ‘’Saved by a whales tail’’.

Mijn eerste gedachte toen ik dat las: schroef of las die metro vast, laat de boel stutten en dan niks meer aan doen. Gewoon zo laten staan. Gered door de staart van een walvis. De walvis die zijn grootste natuurlijke vijand, de mens, redt. Een kop-staartbotsing. De symboliek is op zoveel verschillende manieren zo groot en interpretabel dat je er dikke plakken van kunt snijden. Dit is kunst zoals kunst bedoeld is, met hoofdletter K. Het kunstwerk is nu gewoon af.

Spijkenisse: doe het. Jullie hebben er in één klap gratis en voor niets een prachtige en nu al wereldberoemde attractie bij. En als de kroegen ooit weer open mogen heeft die metrobestuurder sowieso het sterkste verhaal van iedereen aan de bar. Toep die maar eens over. Zo zie je maar: ‘kunst redt.’ Die uitspraak slaat  de spijkernisse op z’n kop, zou ik me bijna een ‘Gaaikemaatje’ permitteren. Bijna dan.     

Rodweek 85 Een kopje koffie voor mijnheer Rieu

We schrijven maart 2013. Ik werkte nog in de Melkweg en stond buiten op de brug even een sigaretje te roken en met portiers te ouwehoeren toen we ineens een nogal bekende jongeman met een flinke entourage aan zagen komen lopen. Het was Justin Bieber die toevallig in de stad was. Hij had niet opgetreden, maar was even aan de boemel in Amsterdam. Of hij ook naar binnen mocht met zijn entourage? Tuurlijk. Maar toen kwamen er ineens aanvullende eisen: hij moest op het podium zitten aan een tafel naast de DJ.

De portier, toch al geen fan van het werk van Bieber, keek zwaar geërgerd en ik probeerde mijn gezicht in de plooi te houden omdat ik op het punt stond om in lachen uit te barsten. Nee, prinsje Bieber kreeg geen voorkeursbehandeling. Hij mocht best naar binnen maar hij kreeg niet meer privileges dan andere gasten. Als hij aan een tafeltje wilde zitten mocht ie aan een tafeltje naast de WC zitten. Met een schoteltje er op. Kon de toiletjuf ook even met pauze.
De Bieber was zwaar ontstemd en beende op hoge poten weg. We zijn dan wel de Melkweg maar we geilen gewoon niet zo op sterrengedrag. Toen ik een paar uur later thuis kwam schreef ik er een grappig berichtje over op Facebook. Niks bijzonders. En daarna ging ik meteen slapen, want ik was moe. Toen ik de volgende ochtend wakker werd en mijn Facebook opende was de boel totaal ontploft. Honderden  mensen die het bericht grappig vonden of hadden gedeeld, berichten in mijn inbox van journalisten, E-online uit Los Angeles had mijn nummer gevonden en die belden me en RTL Boulevard belden vlak daarna. Alsof er iets wereldschokkends was gebeurd, terwijl het hele voorvalletje amper een minuut heeft geduurd. En zo zijn Justin Bieber en ik tot in de eeuwigheid aan elkaar verbonden. Google onze namen samen en er komt een lijst van artikelen over dat momentje.

Maar wat is dat toch dat mensen die een zekere bekendheid hebben verworven denken dat ze daar privileges uit kunnen halen. Die denken dat ze dingen gratis moeten krijgen of, en dat zijn de ergste, de bekende mensen die de ‘Weet je niet wie ik ben’-kaart trekken. Die had ik bij Ajax veel toen ik daar werkte. Ik werkte op de perstribune, dus veel journalisten, verslaggevers en bekende mediafiguren. De echte bekenden deden vaak niet zo moeilijk. Die lieten gewoon hun perskaart zien, zeiden netjes gedag en liepen door. De vervelende waren schoolkrantjournalistjes die voor het sufferdje uit Schubbekutteveen schreven of die twee keer op TV waren geweest en ineens dachten dat ze beroemdheden waren. Coryfeeën die de ‘weet je niet wie ik ben’- kaart speelden gaf ik altijd de John Cleese-behandeling, zoals ik het altijd noemde. Extreem zuigerig lang controleren, fouilleren en vragen stellen. Kijk maar eens naar ‘How to irritate people’ van John Cleese en dan snap je waarom die bekende mensen dat echt maar één keer bij mij flikten. De week daarna waren ze poeslief.  

En zo komen we bij het interview dat de Maastrichtse Maestro André Rieu laatst gaf. Ik heb hem in de jaren negentig vaak in het Olympisch Stadion en later ook in de Arena gezien bij Ajax. André speelde een moppie op z’n viool, Ajax won de Champions League, dus hij was een beetje onze talisman geworden. Alleen daarom heb ik best een zwak voor de man. André geeft ook jaarlijks concerten op het Vrijthof in zijn thuisstad Maastricht. Succesvol. En iedereen verdient er aan. De lokale horeca boert er goed van, maar mijnheer Rieu zelf uiteraard ook, wat ook logisch en terecht is als uitvoerende artiest.

En toen kreeg het gesprek ineens een rare twist. De journalist vroeg of hij dan nog wel voor z’n koffie moest betalen op het Vrijthof. Nou, raar genoeg wel, vond Rieu. Terwijl hij zoveel geld genereert krijgt ie niet eens een bakkie koffie cadeau. Het ziet er op papier waarschijnlijk lulliger uit dan hij het bedoelde. De grote mijnheer Rieu die niet eens een knakie voor een bakkie pleur wil betalen. Daar had ik als manager of media-adviseur toch ingegrepen.

‘’André, ouwe rups, dit is niet zo heel erg handig om te zeggen in een interview. Het ziet er nogal lullig en armoedig uit. Nu vindt iedereen je een verwaande krenterige polder-stradivarius. Jij verdient goed geld aan die Vrijthof-concerten, dat is ook precies de bedoeling. De lokale horeca profiteert mee. Dat betekent niet dat ze aan jou verplicht zijn om jou elke dag koffie, vlaai of wat dan ook gratis weg te geven. Leuk als ze het wel doen, maar BN-er-tjes die daar over klagen worden overgeslagen.  En als dat obertje van negentien de grote mijnheer Rieu niet herkent dan geef je gewoon die 2,50 en dan heb je het daar verder niet over. Nou, hup, en nu weer die viool laten janken, je poet verdienen en niet zeuren.’’

André, mocht je nog een media-adviseur nodig hebben, kom maar langs, hebben we het er even over. Pakken we een terrasje. Betaal ik de koffie wel.    

Rodweek 84 Geen Zweet

Het was februari dit jaar dat ik met vrienden in Madrid was om daar te genieten van zon, bier, wijn en tapas. Oh ja, en als hinderlijke onderbreking van al dat leuks moesten we nog naar Ajax, dat in een blaartrekkend slechte wedstrijd met 2-0 verloor van Getafe. Getafe is één van de vele voorstadjes van Madrid. Het leven is daar zo bruisend als een glas Spa Blauw in een buitenwijk van Lelystad, dus wij resideerden in een appartement in het centrum van Madrid.

Na de wedstrijd nog even een fijne terrassessie en de volgende ochtend werd ik niet wakker met mijn lieve poes Eva, maar met een kater die eigenlijk best wel een flinke tijger was. Terwijl mijn amigo’s al eieren met spek stonden te bakken om de tijgers te verdrijven mocht ik als eerste douchen. Na een lekkere douche ziet de wereld er vaak ook al weer een stuk beter uit na zo’n avond. Goeie straal, lekker zeepie, haartjes even in de conditioner, lekkere deo op en ik was weer helemaal het heertje.

Rick ging na mij douchen. Ineens een ijselijke kreet uit de badkamer. ‘’Tering, Rod! Echt waar? Axe Africa als deodorant? Wat de fok ouwe? Je bent toch geen twaalf meer? Ik moet hier nog douchen. De hele badkamer meurt naar die gore kutdeo van jou!’’  Joris liep ook de badkamer in en beaamde de woorden van Rick. ‘’Jezus, Rod, gatver, dit kan echt niet meer. Met je stinkende puberdeo. Je bent een min of meer volwassen man en dan gebruik je niet meer dit soort kinderspul. It smells like teen spirit.’’

Rick liet mij vervolgens zien wat hij gebruikte. Een klein roze tubetje, het lijkt op een tube kaboutertandpasta. Daar doe je een heel klein beetje van onder je oksels en daar doe je bijna een week mee. Zo’n kleine tube gaat minimaal 2 maanden mee.

Nou ben ik normaal nooit zo heel erg van dit soort hippe producten, maar onlangs gaf Rick mij een proeftube cadeau. En eerlijk waar: ik ben om. Fietsen, hard werken in de zon, seksen of waar je ook maar zweet van krijgt: je ruikt dagenlang niks. Ik had laatst even pauze op werk. Even uitblazen. Ik rook onder m’n oksel en ik werd betrapt door één van mijn vaste gasten. ‘’Wat de fok zit jij nou onder je zweetoksel te sniffen, ouwe?’’ Maar ik had dus helemaal geen zweetoksel, terwijl het bloedheet was en ik net een paar uur de poten onder m’n lijf vandaan had gelopen. En je ruikt dus vijf of zes dagen lang helemaal geen enkel spoor van zweet. Echt toverspul. Check Nuudcare.com. En nu denken jullie misschien: ‘’Oh ja, die Rijsdijk, die wannabee-influencer, die ouwe freeloader, probeert zeker een gratis tube van dat spul los te slijmen, een roestig stuivertje te verdienen of die heeft aandelen in de toko. Met z’n bek.’’, maar nee, niks van dat alles: ik ben serieus enthousiast over dit  spul. Waar rook is, is in dit geval geen vuur.

Dat was in 1999 wel anders in de Roxy. Of zoals we het nadat die hut was afgefikt noemden :‘’De Rookzie’’. Voor de milennialtjes en ander jong spul: de Roxy was in de jaren 90 één van de hotspots in het Amsterdamse uitgaansleven. Daar moest je gezien worden. Er was alleen één probleem aan de Roxy: het deurbeleid. Als de doorbitches vonden dat je er niet helemaal tussenpaste dan kwam je er gewoon niet in. En zo werd ik met mijn lange haren, vaak ongeschoren bakkes, vale spijkerbroek, gympies en Nirvana-shirtje altijd geweigerd. ‘’Jij komp er niet in, gup’’, kregen mijn vrienden en ik steevast te horen. Als ik überhaupt al te woord werd gestaan. En meer mensen kennen die ervaring. Na een aantal keer had ik daar dus geen zin meer in en ik had het opgegeven om ooit nog de Roxy binnen te komen. Dan maar niet tussen de happy few van Amsterdam staan.

Nico Dijkshoorn schreef er een mooie column over in het Parool, afgelopen week. Het is hem echt nooit gelukt om er binnen te komen. Maar mij dus wel! Eén keertje. Ik was in Paradiso geweest en ik kwam twee meiden tegen die ik kende. En dat waren bepaald geen weggooiers. Absoluut Champions Leaguetrofee-waardige meiden om te zien. Bloedjemooi.‘’Kom, Rod, ga met ons mee naar de Roxy!’’ En zeg dan maar eens nee als twee van die prijswinnaars je uitnodigen om mee op stap te gaan. Dat deed ik dus ook niet, maar ik vertelde de dames wel dat ik altijd werd geweigerd daar en dat we misschien ook ergens anders heen konden. ‘’Nee, wij willen naar de Roxy!’’ En ja hoor, we stonden daar voor die deur aan het Singel, ik aan elke arm lief lachend prinsessenspul  en ineens was mijn totale gebrek aan hipheid, mijn ongeschoren apensmoel  en het feit dat ik geen Roxypasje had geen enkel probleem meer. Zo werkte dat dus in die wereld. Twee lekkere wijven mee en je bent binnen. De oppervlakkigheid van sommige portiers had in die tijd echt de diepgang van een pierenbadje.

Maar goed, ik was dus binnengekomen in het heiligdom achter de Heilige Weg. En ik vond er geen reet aan. Ik vond de muziek niks en de mensen waren ook niet helemaal mijn publiek. Wat dat betreft hadden de portiers het wel goed gezien om mij daar steeds te weigeren. Het was mijn tent gewoon niet. Ik ben er voor die twee mooie meiden nog een uurtje of twee blijven hangen, want je wist maar nooit of daar nog wat leuks uit kon komen, maar toen ik doorkreeg dat dat ook niet ging lukken ging ik gewoon weer lekker naar mijn eigen mensen, in de Korsakoff. In de Roxy ben ik nooit meer geweest. Een jaar later fikte de tent dus af. Wat overigens geen wraakactie mijnerzijds was voor alle keren dat ik daar ben geweigerd.

Niet veel later ging ik zelf in het uitgaansleven werken, leerde ik veel nachtvlinders kennen in verschillende plekken en hoefde ik doorgaans niet meer te betalen om clubs en tenten binnen te komen. Als iets uitverkocht was had ik overal wel iemand rondlopen die wat voor me kon regelen.

Zoals één van mijn Paradiso-gappies altijd zei als ik daar heen wilde:

‘’Rod, regel ik voor je, komt goed! Geen zweet ouwe!’’    


Rodweek 83 Kontkapje

Eind jaren negentig woonde ik in de Staatsliedenbuurt en in de Van Limburg Stirumstraat had je toen Slagerij Pannekeet. Slagerij Pannekeet verkocht de allerlekkerste filet americain van Amsterdam en die kocht ik daar wekelijks. En ook de osseworst was er niet te versmaden. Wie de slagerij binnenkwam werd door mijnheer Pannekeet verwelkomd met een galmend en welgemeend ‘’GOEDEMIDDAAAAAAAAGGGGGGG!’’ Ik moest laatst nog aan ‘m denken toen ik ergens hele vieze filet americain had gekocht en met weemoed terugdacht aan Slagerij Pannekeet, die overigens al jaren niet meer bestaat. Het knusse slagerijtje is inmiddels opgeslorpt door de grijpgrage tentakels van Albert Heijn.

En in Albert Heijn was ik laatst. Al ben ik bijna elke dag in de Albert Heijn. Tijdens het wachten in de rij bij de kassa stond ik te ouwehoeren met mijn buurman. Mijn buurman is een mooie ouwe Amsterdammer die altijd goed is voor een paar geweldige quotes. Ineens trok er vanuit de rij mannen voor ons een giftige damp onze neus in. We roken het allebei tegelijk. Eén van de drie kerels voor ons had een hele gore scheet gelaten. Zo’n vieze zachte sluipmoordenaar die je niet hoort. Dat zijn meestal de ergste. Het aarsgas walmde naar achteren. De anderhalve meter werd ineens uitstekend gewaarborgd. Mijn buurman draaide zich naar mij toe: ‘’Tering Rod, die gozer heeft geen mondkapje, maar een kontkapje nodig!’’

En lachend liepen de buurman en ik weer richting onze huizen. Door de frisse lucht. Eenmaal thuis, nog een beetje nalachend over de leuke grap van de buurman, keek ik eens op internet en toen barstte ik alweer in lachen uit. Doutzen Kroes, het orakel uit Friesland blijkt in de strijd tegen het vermaledijde Coronavirus na urenlange studie ineens viroloog te zijn. Ze deed uitgebreid research naar de moleculaire verbinding tussen het eten van groenten en fruit die ons immuunsysteem verbetert en koppelde daar gelijk een complottheorietje aan. ‘’Want willen ze wel dat we gezond zijn?’’, zo schreef La Kroes op samenzweerderige toon aan haar 6,4 miljoen volgers. Waarbij ‘ze’ natuurlijk de media, de farmaceutische industrie en de regering zijn. Nou heb ik toevallig afgelopen weekend een heel dik boek over hartoperaties gelezen en binnen drie uur had ik het uit. Ik begreep het meteen, want ik ben een snelle leerling. Morgen doe ik mijn eerste operatie. Nee, beter van niet. Laten we ons in godsnaam bij onze eigen leest houden. Doutzen heeft weer andere kwaliteiten. In de familie Kroes worden overigens vaker aparte theorieën gedeeld want voedingsdeskundige zus Rens denkt dat een ei de menstruatie van een kip is.

En nu we het toch over vogels hebben: waarom zijn vogelnamen als Merel, Mees en Arend inmiddels volledig geaccepteerd als voornamen, maar Andescondor, Gierparelhoen of simpelweg Kip of Pauw niet?

Waarom wel Hinde maar niet Przewalskipaard of Dwergpony?

Waarom ken ik wel een Bloem, Madelief, meerdere dames die Roos heten en een Lotus maar geen Brandnetel, Tulp, Paardebloem, Klimopplant of Sanseveria? Sanseveria is overigens een coole naam nu ik het zo lees.

Waarom wel mag je een kind wel Jasmijn of Rozemarijn noemen, maar gaat de ambtenaar van de burgerlijke stand zeiken als je je nieuwe spruit naar het veel lekkerdere Knoflook wil vernoemen?

Waarom zal de ambtenaar van de burgerlijke stand zonder frons ‘Ceasar’ noteren maar bedenkelijk kijken bij ‘Napoleon Bonaparte?’

Waarom ken ik wel een India, maar niet iemand die Afghanistan heet?

Waarom mag je het een kind aandoen om ‘m Storm noemen terwijl je ‘m ook Orkaan kan noemen? Een orkaan is toch veel krachtiger? Als je ‘m dan toch een stomme naam geeft, doe het dan goed.

Je kunt een kind ook vernoemen naar de plek waar ie verwekt is. Ik ken een ”Paris”. Al ben ik het eens dat dat een stuk lekkerder bekt dan een naam als ”Opdetafel” of ”Tegenhetaanrecht”.

En waarom is Mercedes wel een voornaam maar Suzuki, Volvo, Fiat, Ferrari Testarossa of Ford Taunus niet?

Wat dat betreft kun je van die malle Emile Ratelband zeggen wat je wilt, maar die was z’n tijd toch ver vooruit. Die heeft twee van z’n kinderen Rolls en Royce genoemd. Het verbaast me overigens dat we de Mr Tjakka nog niet met een oplossing voor het Coronavirus hebben gehoord. Dat je over brandende houtkooltjes moet lopen, heel hard ‘’Tjakkaaaa!’’ moet roepen en dat je dan volledig immuun bent. Mij verbaast niks meer. 

En zo kan ik nog uren doorgaan, maar inmiddels heb ik trek in een broodje. Een lekker broodje filet americain. Helaas niet van mijn mijnheer Pannekeet, maar die smaak denk ik er dan maar bij. ‘’GOEDEMIDDAAAAAAAGGGGGG!’’