Rodweek 51 Rodzooi’s Rapsodie

Op 24 november 1991 lag ik ziek in bed. Een griepje. Rillend lag ik naar ‘’MTV news’’ te kijken, het was in de tijd dat het op MTV nog voornamelijk over muziek ging. En daar kwam het nieuws  dat mijn griepje even in een ander perspectief plaatste: Freddie Mercury was dood. Die had een wat heftiger griepje onder de leden. Als ik het ontstaan van mijn muzieksmaak een geboortedatum mag geven dan zeg ik 13 juli 1985, de dag van het legendarische Live Aid-concert op Wembley. Ik wist niet wat ik zag. Ik was acht jaar en vooral volkomen gegrepen door het optreden van Queen in het algemeen en het charisma van Freddie Mercury in het bijzonder. Hij was mijn eerste muziekidool. Mijn muzieksmaak kreeg later nog ontelbare, niet allemaal levensvatbare vertakkingen, maar Queen is zonder meer mijn eerste muziekliefde. Ik heb er nog altijd een zwak voor.

Dat zwak voor Queen heeft niet iedereen. Mijn goede vriend Remi bijvoorbeeld. Ik heb jarenlang popquizzen met hem gemaakt. Met veel muziek zaten we op één lijn, maar een Queen-fragment kreeg ik er in al die jaren echt nooit doorheen gedrukt. Remi is een notoire Queen-hater en weigerde halsstarrig om ook maar iets van Queen in onze quizzen te stoppen.  Onbegrijpelijk maar waar. Lees verder

Rodweek 50 De Laatste der Nokiakanen en Joop Appzeiker

Jarenlang waren mijn Nokia en ik onafscheidelijk. Althans, ik was serieel monogaam. Als er eentje stuk ging kocht ik gewoon voor een geeltje een nieuwe op de Kinkerstraat. Ik kon er mee bellen en ik kon er een berichtje mee versturen. Meer had ik niet nodig. Buienradar? Je merkt het toch vanzelf als het regent? Ja, het is kut en vervelend. Maar smelt je er van? Nou dan. GPS? Je hebt toch een mond om de weg te vragen als je de weg even niet weet? Ik heb mij, sinds de komst van de mobiele telefoon eind jaren negentig altijd prima gered met een eenvoudige telefoon. En soms ook zonder. Echt waar! Ik vind het zelfs wel eens fijn als ik de telefoon thuis ben vergeten. Lekker: de hele dag niet gebeld kunnen worden. Geen blabla aan je kop. Zalig. En voor de komst van de mobiele telefoon in de jaren negentig, hoe deden we dat toen ook alweer? Oh ja: Gewoon, afspreken: 15.00 Leidseplein. En als je afspraak er om 15.15 niet was liep je weer weg en ging je gewoon je eigen ding doen. Dat we die barre tijd overleefd hebben, het mag een godswonder heten. Lees verder

Rodweek 49 Snollentosti

Op de één of andere manier kom ik haar heel vaak tegen tijdens mijn postrondes. Het maakt niet uit op welk tijdstip ik aan mijn wandeling begin. Of ze roept naar me vanaf een terras waar ze koffie zit te drinken en sigaretjes aan het roken is of ze hangt ineens uit het raam in haar woning in de Egelantiersbuurt: ‘’Hey ouwe sodemieter. Ben je er weer? Lekker aan de wandel vandaag? Heb je nog post voor me, lieverd?’’ Dat is zo’n beetje haar standaardbegroeting naar mij. Ik schat haar op een lente of zeventig. Ze heeft een doorleefde kop en een stem die minstens vijf decennia twee pakjes sigaretten per dag roken verraadt. Toch heeft ze een gezonde kleur op haar gezicht. Een goeie teint. Ze is vaak buiten. Dat is altijd goed voor een mens.

Ik heb,  behalve van haar achternaam, want die staat op haar post, geen idee wat haar voornaam is. Ik denk Ria of Rietje. Alle oudere Jordanese vrouwen die ik ken heten om onverklaarbare redenen altijd Ria of Rietje. Dus laat ik haar voor het gemak maar Rietje noemen. Rietje heeft, met die doorgerookte stem van haar, zo’n zangerig Jordanees accent dat zo plat is als een Mokumse patatduif die zes keer een heipaal op z’n treiter heeft gehad. Wie zegt dat er in de Jordaan geen plat Amsterdams meer gepraat wordt kent Rietje niet. Of is nooit bij slagerij Louman in de Goudsbloemstraat geweest, maar nu dwaal ik af. Rietje en ik maken altijd even een kort praatje. Dat gaat nooit over grote dingen. Gewoon, een klein praatje over het weer of zo.

En zo kwam ik haar afgelopen dinsdag weer tegen. ‘’Zo, ouwe sodemieter, je treft het maar weer met het zonnetje vandaag! Het blijft maar lekker!’’, riep ze mij vanaf een terras op de Prinsengracht toe.
‘’Het is heerlijk, en dat half oktober, maar wordt ook weer een keer november en december, dus ik geniet er nog maar van zolang het duurt. ’’
‘’God, jongen, je hebt gelijk. Hou op met me. Ik haat die kutherfst en ook die vreselijke winter. Die kou. Gadverdamme! Doe mij maar lekker in het zonnetje, veel beter! ’’
‘’Wat u zegt. Doe mij maar de zon. U heeft ook een gezond kleurtje.’’
‘’Ja, jongen, ik pak elke zonnestraal die ik ken pakken. Als er één streep zon in die stad is loop ik er in, maar volgende maand moet ik toch maar weer eens naar die snollentosti in de Nieuwe Leliestraat , ik wil dat kleurtje wel een beetje vasthouden.’’

Snollentosti. Ze zei het gewoon. Ik vind het één van de leukste Amsterdamse woorden die ik ken. Voor wie het woord niet kent: snollentosti is een fijn plat Amsterdams synoniem voor zonnebank. Ik ken het woord al jaren, maar ik hoor het nooit bijna nooit iemand gebruiken. En daar, op de Prinsengracht, terwijl de Oude Wester op ons neerkeek, bezigde een gezellige oude Jordanese mevrouw van zeventig dat prachtwoord.  Mijn hart maakte een vreugdesprongetje. We babbelden nog wat, we lachten nog wat en even later liep ik weer vrolijk verder. Op zonnige dagen als deze is er geen fijner werk denkbaar als postbode zijn in de Jordaan. Maar op een waterkoude regenachtige novemberdag vervloek ik deze beroepskeuze nog wel eens, zo’n opportunistisch stuk vreten ben ik dan ook wel weer.

Maar zover is het nog niet. Ik verleng de zomer gewoon nog even. Deze zomer, die toch al een klein half jaar duurt, heeft me eigenlijk nog niet lang genoeg geduurd. Daarom ga ik maandag lekker een paar dagen naar Sevilla. Daar is het nog een uitermate sfeerverhogende 28 graden. Nog even een lekkere kleur oplopen voor het weer november wordt. Daar heb ik de snollentosti niet voor nodig.

Rodweek 47 Soms moet je hard zijn.

Eigenlijk had ik gistermiddag tijdens een lange wandeling een column bedacht waarin ik de VVD en hun leider, de man die onze premier acteert, helemaal zou fileren. Ik zou dan beginnen met de twee helden van Mark Rutte te noemen: Clown Bassie en volkszanger John de Bever. Boven het eenpersoons bedje van Rutte hangt namelijk groot de lijfspreuk van Bassie: ‘’Wat er ook gebeurt, altijd blijven lachen!’’ en die spreuk gaat de hele dag als een mantra door zijn hoofd. En onze Mark speelt elke ochtend bij het opstaan de piratenhit van John de Bever ‘’Jij krijgt die lach niet van mijn gezicht!’’

Zodoende is het verklaarbaar dat onze premier vrijdagavond zo vrolijk met zijn VVD-vrindjes op het strand van Scheveningen stond bij het concert van Anouk. Lachend op een Twitter-selfie van die olijke CDA-snaak met z’n krokodillenleren schoenen, die mediageile Hugo de Jonge. Terwijl de rechtervleugel het daar dus uitstekelbaars naar de zin had en genoot van elkaars warmte werd een kleine 50 kilometer verderop door de Rechtbank in Amsterdam ijskoud besloten dat het leven van twee Armeense kinderen die getogen zijn in Nederland voorgoed verkloot zou worden. Weg met jullie, rot maar op naar je eigen land, stomme kutkoters. We moeten jullie niet. Dat was vrij vertaald de kille boodschap aan de kinderen.  ‘Want soms moet je hard zijn’, aldus onze premier vlak voordat hij weer lachend naar het strand ging. Buitenlandse criminelen, teruggekeerde Jihad-strijders en misdragende asielzoekers laten we lekker hier blijven en twee getogen Hollandse kindertjes die het hartstikke leuk doen in onze samenleving die gooien we de grens over, want die zijn vervelend. En waarom moeten die asielprocedures zo idioot lang duren? Kan iemand mij van al die dingen de logica uitleggen? Want ik snap het niet zo goed.   Lees verder

Rodweek 46 Kikkerlikkers van ’t padje

De meest hilarische naam die de afgelopen week voorbij kwam is die van de bushcrafter die een tijdje optrok met de verdachte van de moord op Nicky Verstappen, toen deze nog geen verdachte was. Bushcrafters zijn mensen die kunnen overleven in de natuur met middelen uit de natuur. Die man heet Erik van ’t Padje! Naast dat het een grappige naam is (zeg die naam maar eens hardop), is het ook een juweel van een aptoniem. Een professionele padvinder die ‘Van t Padje’ heet. Ik vind dat soort dingen dus oergeestig.

Zoals ik ‘van ’t padje zijn’ sowieso een fijne uitspraak vind. Ik bezig ‘m ook bijzonder graag. Iemand die na 87 bier niet meer uit z’n woorden komt en de wereld aanziet voor een kaassoufflé is gewoon flink van ’t padje. Maar waar komt die uitspraak vandaan? Lees verder

Rodweek 45 Vlindermoer

Dat ik al mijn geld met mijn handen verdien is natuurlijk de dijenkletser van de eeuw. Ik heb een aangeboren onhandigheid die je bepaald niet tutoyeert. Daar zeg je met recht ‘U’ tegen. Dat ligt natuurlijk deels aan mijn weinig verfijnde motoriek. Mijn vader kocht ooit, toen ik nog een kleine brokkenpiloot was, eens een speelgoedautootje voor mij. Of het echt niet stuk kon, vroeg mijn vader. De verkoper sloeg en gooide met dat ding, haalde er allerlei capriolen mee uit en inderdaad dat kreng was niet stuk te krijgen. Ik speelde er een paar minuten mee: autootje total-loss. Alles kan stuk bij mij! Misschien dat ik daarom ook wel voetbalsupporter ben geworden. Een tweede verklaring is mijn eveneens aangeboren gebrek aan geduld: iets moet meteen lukken, anders word ik narrig. Helaas helpt een motorische gestoordheid daar niet bij. Tel daarbij dat nou niet bepaald iedereen in mijn omgeving mij vroeger al te veel stimuleerde om een Handige Harry te worden. Daarvoor heb ik vriendelijk uitgesproken teksten als ‘’Nee, bemoei jij je daar nou maar niet mee’’en  ‘’Nee, dat kan jij toch niet’’’ net iets te vaak gehoord. Lees verder

Rodweek 44 Rock ’n Rollator en een zure pislucht

Het zijn van die berichten waar ik zo intens blij van kan worden. Twee ouwe knakkers uit een Duits bejaardentehuis die vorige week de pleiterik maakten uit hun verzorgingstehuis en terug werden gevonden op Wacken, het grootste metalfestival ter wereld. Ik hoop, als ik zo’n gezegende leeftijd mag bereiken, dat ik ooit ook nog zo’n geintje kan uithalen. Ik ben sowieso best benieuwd hoe bejaarden er over twintig, dertig of veertig jaar uitzien. Ik ben nu 41 lentes jong en ik voel me ook nog jong. In mijn jeugd zagen mensen er vaak al vrij jong vrij oud voor hun leeftijd en ze waren ook vaak best oud voor hun leeftijd. Kijk maar eens naar een voetbalplaatjesalbum uit de jaren tachtig. Jongens van 25 zagen er uit alsof ze ouwe kerels van 45 waren. Met hun snorren en hun apenkapsels.

Niet dat iedereen er nu alleen maar fantastisch uitziet, maar mensen lijken gewoon wat jonger in deze tijd. En oude mensen waren ook echt oude mensen. Opa’s in pakken, met een jenever en een bolknak en oma’s in bloemetjesjurken aan de sherry, dat werk.
De eerste generatie punkers is nu tussen de 55 en de 65 jaar. Die lopen over twintig jaar dus achter hun rollator in hun Ramones-shirtje en hun ouwe spijkerbroek. Geen oubollige ouwe Nederlandse liedjes meer zingen in de aula onder leiding van een verzorgster die doet alsof je niet alleen oud maar ook debiel bent, maar keiharde punk door de gangen van het bejaardentehuis! De generatie daarna de hiphoppers, de generatie daarna de housers en een paar generaties daarna de mensen die met Dreetje Hazes en Lil’ Kleine zijn opgegroeid. Ik vond dertigers vroeger al hoogbejaard, maar hoe gaan bejaarden er uit zien als ik echt oud ben? Ik vraag het me weleens af. De foto bij deze column komt uit 2006. We waren na Ajax wezen drinken bij ’t Loosje op de Nieuwmarkt en zagen deze rollator op het terras staan. Ik was 29 en ouderdom was nog heel ver weg. We dreven gewoon de spot met ouderdom. Toch herinner ik me dit fotomoment als de dag van gisteren en dat geeft aan hoe snel de tijd gaat. Voor je het weet ben je gewoon ook echt op een rollatorleeftijd..   Lees verder

Rodweek 42 Toeval bestaat wel

Onlangs zag ik Anton lopen, hierachter op de Kloveniersburgwal. Anton is een oude man, ofschoon ik zomaar denk dat hij niet zo oud is als dat hij er uitziet. Zolang als ik hem tegenkom, dik twintig jaar, ziet hij er al heel oud uit. Ik kwam hem tot vorig jaar wat vaker tegen, want Anton kwam, en komt waarschijnlijk nog steeds, altijd wel twee of drie keer per week in de Melkweg waar ik toen nog werkte. En ik zag hem vaak door de stad lopen. Tas kranten onder de arm. Toen ik van 2001 tot 2004 op de Universiteit van Amsterdam én in de Melkweg werkte zag ik hem heel vaak. In de ochtend zag ik hem door de binnenstad fietsen, tijdens onze lunch zat hij, net als wij, ook in de Mensa te eten, terwijl hij zich door zijn stapel kranten worstelde en in de avond zag ik hem dan weer in de Melkweg of in één van de kroegen in de buurt. Ik was nooit zo verbaasd als wij elkaar vaak op drie of meer verschillende  plekken in de stad op dezelfde dag tegenkwamen. Dat ging gewoon zo. Lees verder

Rodweek 40 De Piemelpolitie

Ik durf wel te stellen dat ik één van de meest gefotografeerde voordeuren van Amsterdam heb. De deurkruk is namelijk een fietsstuur. Elke dag gaan er wel toeristen met mijn voordeur op de foto en ze kijken altijd als een aap in een roestig klokkie als iemand van ons de deur openmaakt om naar binnen of naar buiten te gaan. Jawel, lieve toeristen, er leven echte mensen achter die deur! Wat die toeristen niet weten is dat even verderop, maar net buiten het toeristische centrum waar ik woon, kunstenaar Aat Veldhoen en zijn vrouw Hedy D’Ancona wonen. Aat en Hedy wonen, op de Oostelijke Eilanden. Daar heb ik eind jaren negentig ook nog een half jaartje gewoond. Het huis van de Veldhoentjes is bekend in die buurt. Dat huis heeft een deurkruk in de vorm van een piemel.  Lees verder

Rodweek 39 De Kurkentrekker

Toen ik midden jaren negentig voor het eerst op mezelf ging wonen kwam ik terecht in de Van Speijkstraat in Amsterdam-West. Een afzichtelijk klein peeshok van acht vierkante meter, maar het waren wel mijn acht vierkante meters waar ik helemaal zelfstandig woonde en waar mijn eigen wetteloze wetten golden. In de andere twee kamers van het huis woonden ook mensen. Die kamers waren groter.  Tegenover mij woonde een chronisch dronken bouwvakker, die wanneer hij thuis was, non-stop halve liters van het allergoedkoopste supermarktbier zat weg te tikken en elke dag linzensoep op het menu had staan. Als gevolg van het op mijn netvlies gebrande beeld van die ernstig verslonsde man die elke dag die soep in zijn vieze bakkes naar binnen zat te metselen heb ik jarenlang geen linzensoep meer willen eten. In de kamer naast mij woonden vier Egyptische illegalen op elkaar gepakt die allemaal baantjes in schimmige shoarmatenten en snackbars hadden en als gevolg daarvan altijd een ranzig parfum, bestaande uit een melange van frituurlucht en goedkope vleesgeur, met zich meedroegen.
In de keuken kon je van de vloer eten. Er lag genoeg. Hygiëne was een totaal onbekend begrip in dat huis. In de keuken liepen de muizen over mijn voeten. In mijn kamer stond één ding toen ik er in trok: een houten kurkentrekker. Erg leuk, alleen dronk ik nog amper wijn toen ik achttien was. Mijn drank was bier en nu en dan een Bacardi-cola. Mijn waardering voor wijn kwam pas jaren later toen ik al aardig richting de dertig liep. Desalniettemin verhuisde de kurkentrekker elke keer weer trouw mee naar elk nieuw adres. En wat ik in de loop der jaren ook allemaal kwijtraakte aan spullen en kleding die ik wel gebruikte: de werkloze kurkentrekker bleef altijd en raakte nooit kwijt. Lees verder