Rodweek 43 Over Van Gaal en normaal

Zomergastenpresentatrice Janine Abbring zei het perfect in het begin van haar op voorhand veelbesproken uitzending met Louis van Gaal: ‘’Nederlanders klagen over drie dingen: het weer, de bondscoach en de presentator van Zomergasten.’’ En zo is het ook. Nu is het te warm, in november is het te koud, de bondscoach is altijd die flapdrol die de verkeerde spelers selecteert en tijdens elke Zomergasten-uitzending Twittert iedereen zich een blauwe duim. We vinden er allemaal wel wat van, om het populair uit te drukken. Het maakt niet uit wie de presentator is. Als ik of wie dan ook op de stoel van Janine zou zitten zou de kritiek ook niet mals zijn.

Wat ik van Louis van Gaal vond? Een lieve, ietwat rechtlijnige man en niet in het bezit van een al te hoogdravende smaak. Het leek ook alsof hij niet in ‘Zomergasten’ maar in ‘In de Hoofdrol’ zat en  terugkeek op zijn leven.  Hier en daar humoristisch, zoals tijdens zijn flirt met Janine (‘’Ik val op brunettes, zoals jij’’). Een man met compassie, een groot rechtvaardigheidsgevoel en emotioneel. Een familieman die zijn kinderen volgens strikte normen en waarden opvoedde. Die met ongelooflijk veel liefde over zijn jong gestorven eerste vrouw en over zijn huidige partner sprak. Een absolute professional in zijn werk. Eigenlijk, in basis een heel erg normale man. Een normaal mens met hier daar wat kleine imperfecties, zoals we die allemaal hebben. Gewoon normaal. Lees verder

Rodweek 42 Toeval bestaat wel

Onlangs zag ik Anton lopen, hierachter op de Kloveniersburgwal. Anton is een oude man, ofschoon ik zomaar denk dat hij niet zo oud is als dat hij er uitziet. Zolang als ik hem tegenkom, dik twintig jaar, ziet hij er al heel oud uit. Ik kwam hem tot vorig jaar wat vaker tegen, want Anton kwam, en komt waarschijnlijk nog steeds, altijd wel twee of drie keer per week in de Melkweg waar ik toen nog werkte. En ik zag hem vaak door de stad lopen. Tas kranten onder de arm. Toen ik van 2001 tot 2004 op de Universiteit van Amsterdam én in de Melkweg werkte zag ik hem heel vaak. In de ochtend zag ik hem door de binnenstad fietsen, tijdens onze lunch zat hij, net als wij, ook in de Mensa te eten, terwijl hij zich door zijn stapel kranten worstelde en in de avond zag ik hem dan weer in de Melkweg of in één van de kroegen in de buurt. Ik was nooit zo verbaasd als wij elkaar vaak op drie of meer verschillende  plekken in de stad op dezelfde dag tegenkwamen. Dat ging gewoon zo. Lees verder

Rodweek 41 Oneerlijkheid duurt het langst

België er uit tegen Frankrijk. De zoveelste mooie ploeg met wie het slecht afliep op een WK. De Belgen mogen zich scharen in het rijtje Nederland 1974, Brazilië 1982, Denemarken 1986, Nederland 1998. Allemaal ploegen die de schoonheidsprijs wonnen, maar niet de enige prijs waar het op een WK echt om gaat: de wereldcup. Het WK wordt zelden door echt mooie ploegen gewonnen en dat zal dit jaar ook niet gebeuren. Ik denk dat het Frankrijk wordt. Frankrijk komt niet om te imponeren. Frankrijk komt gewoon die cup ophalen. Niet op een mooie manier. Gewoon zakelijk. Maar hey, met alleen maar zesjes ga je ook elk jaar over.

België is die lieve gozer die het meisje waar hij verliefd op is alles zou willen geven. Frankrijk is die stoere patjepeeër die er uiteindelijk met dat meisje vandoor gaat. Voor België rest de strijd om de 3e en 4e plaats, de troostfinale. De meest overbodige wedstrijd van het WK. Achter het mooie meisje aanzitten en dan op einde maar uit armoede en tegen je zin in met haar lelijke vriendin tongworstelen. Eigenlijk had je liever allang alweer thuis in je bedje willen liggen om jezelf zachtjes snikkend in slaap te masturberen. Maar nee, je moest zo nodig de troostprijs nog ophalen. Lees verder

Rodweek 40 De Piemelpolitie

Ik durf wel te stellen dat ik één van de meest gefotografeerde voordeuren van Amsterdam heb. De deurkruk is namelijk een fietsstuur. Elke dag gaan er wel toeristen met mijn voordeur op de foto en ze kijken altijd als een aap in een roestig klokkie als iemand van ons de deur openmaakt om naar binnen of naar buiten te gaan. Jawel, lieve toeristen, er leven echte mensen achter die deur! Wat die toeristen niet weten is dat even verderop, maar net buiten het toeristische centrum waar ik woon, kunstenaar Aat Veldhoen en zijn vrouw Hedy D’Ancona wonen. Aat en Hedy wonen, op de Oostelijke Eilanden. Daar heb ik eind jaren negentig ook nog een half jaartje gewoond. Het huis van de Veldhoentjes is bekend in die buurt. Dat huis heeft een deurkruk in de vorm van een piemel.  Lees verder

Rodweek 39 De Kurkentrekker

Toen ik midden jaren negentig voor het eerst op mezelf ging wonen kwam ik terecht in de Van Speijkstraat in Amsterdam-West. Een afzichtelijk klein peeshok van acht vierkante meter, maar het waren wel mijn acht vierkante meters waar ik helemaal zelfstandig woonde en waar mijn eigen wetteloze wetten golden. In de andere twee kamers van het huis woonden ook mensen. Die kamers waren groter.  Tegenover mij woonde een chronisch dronken bouwvakker, die wanneer hij thuis was, non-stop halve liters van het allergoedkoopste supermarktbier zat weg te tikken en elke dag linzensoep op het menu had staan. Als gevolg van het op mijn netvlies gebrande beeld van die ernstig verslonsde man die elke dag die soep in zijn vieze bakkes naar binnen zat te metselen heb ik jarenlang geen linzensoep meer willen eten. In de kamer naast mij woonden vier Egyptische illegalen op elkaar gepakt die allemaal baantjes in schimmige shoarmatenten en snackbars hadden en als gevolg daarvan altijd een ranzig parfum, bestaande uit een melange van frituurlucht en goedkope vleesgeur, met zich meedroegen.
In de keuken kon je van de vloer eten. Er lag genoeg. Hygiëne was een totaal onbekend begrip in dat huis. In de keuken liepen de muizen over mijn voeten. In mijn kamer stond één ding toen ik er in trok: een houten kurkentrekker. Erg leuk, alleen dronk ik nog amper wijn toen ik achttien was. Mijn drank was bier en nu en dan een Bacardi-cola. Mijn waardering voor wijn kwam pas jaren later toen ik al aardig richting de dertig liep. Desalniettemin verhuisde de kurkentrekker elke keer weer trouw mee naar elk nieuw adres. En wat ik in de loop der jaren ook allemaal kwijtraakte aan spullen en kleding die ik wel gebruikte: de werkloze kurkentrekker bleef altijd en raakte nooit kwijt. Lees verder

Mokum-funk van de Amsterdelics

De Melkweg, 9 mei 2018. De legendarische grond aan de Lijnbaansgracht, om de hoek bij het Leidseplein. Ik heb er negentien jaar gewerkt. Negentien doldwaze jaren waarin gezelligheid nooit een klokkie droeg. Het was, zeker in de tijd dat ik er werkte, het verlengstuk van mijn huiskamer. Ik kom er niet vaak meer, maar als ik er ben voelt het als een warm bad. Zogezegd is de Melkweg niet alleen mijn tweede huiskamer maar dus ook mijn tweede badkamer. Ik ken de mensen bij de deur, de bar, de garderobe en de techniek. En ik ken veel vaste en minder vaste bezoekers. Wat minder vaak voorkomt is dat ik ook de band ken die op het podium staat. Maar op deze mooie meidag staan de Amsterdelics op het podium. Een veelkoppige funkband. Met sommige bandleden heb ik geschiedenis. Melkweg-geschiedenis. En soms daarbuiten ook.   Lees verder

Rodweek 38 Slappe

Malle. Rare. Dooie. Slappe. En natuurlijk mijn eigen standaard-aanspreekvorm naar mensen: ‘ouwe’. Zomaar een paar woorden die in de rest van Nederland als bijvoeglijk naamwoord worden gebruikt, maar in Amsterdam net zo goed als zelfstandige naamwoorden om mensen te benoemen. Mensen aanspreken met zinnen als: ‘Gaat het lekker met je, malle?’  of ‘Let je even op, dooie?’ Heerlijk taalgebruik en het was daarom dat ik ook zo moest lachen om het filmpje van de agent die afgelopen vrijdag de chaos en de drukte bij de pont naar Noord in goede banen moest leiden. Je kon de agent niet zien in het filmpje maar je hoorde hem in prachtig plat Amsterdams door zijn megafoon schetteren dat mensen in de rode vlakken moesten blijven. En dan komt het mooiste. Kennelijk zegt iemand iets bijdehands tegen de agent die gelijk heerlijk Amsterdams reageert met ‘’Hou je grote waffel effe, slappe!’’ en vervolgens weer doorgaat met zijn instructies. Lees verder

Rodweek 37 Een puist op een mooie kont

Wat een akolei is wist ik tot dit stukje ging schrijven ook niet precies. Wat ik wel wist is dat de Akoleienstraat in de Jordaan ligt en dat veel straten in de buurt naar bloemen of planten genoemd zijn. Jordaan is immers een verbastering van het Franse woord voor tuin, ‘jardin’. De Akolei bleek, na een kleine virtuele zoektocht, inderdaad een bloem te zijn, behorend tot de ranonkelfamilie. Een vrij mooie bloem ook, zo zag ik op het internet. Maar zo mooi als de bloem is, zo lelijk is de Akoleienstraat, in de Jordaan. Al is mooi van lelijkheid eigenlijk beter uitgedrukt.

Ik fiets vanaf mijn huis, nabij het Waterlooplein, op weg naar mijn postronde in de Jordaan, twee keer in de week, op dinsdag en op vrijdag, een prachtige route. Vanaf de Verversstraat door de Staalstraat, langs de Munt, over het Singel, door de Wijde Heisteeg, de grachten over, door de Hazenstraat, Tweede Laurierdwarsstraat en de Tweede Rozendwars en dan sta ik ineens op de Rozengracht. Een prijswinnaar van een route. Alleen maar mooie straten en grachten. Dat vinden veel toeristen ook. Ik woon tussen de vrijelijk rondkrioelende toeristen. Ik vind dat niet erg. Ik ben er willens en wetens gaan wonen, dus ik zal de laatste zijn die er over klaagt. En daarbij laat ik toeristen graag  weten wat ik van ze verwacht, zodat dat duidelijk is voor ons allebei. Dus niet in m’n weg lopen dus als ik fiets en opzouten met leuke selfies maken op de brug als ik er langs moet, want daar houd ik niet van. Lees verder

Rodweek 36 Een blikje bier in de Jordaan

De dag na Koningsdag liep ik de post door de Jordaan. Normaliter loop ik op vrijdag de post, maar dat leek me op Koningsdag niet het beste idee. En zo liep ik, in gezelschap van een klein katertje, voor één keer mijn route op zaterdag, door de al bijna opgeruimde buurt. En toen gebeurde het, in één van de dwarsstraten van de Nieuwe Leliestraat. Een man, van middelbare leeftijd, deed zijn deur open en liep naar buiten. Met een vuilniszak om buiten te zetten. Tot zover niks bijzonders. In zijn andere hand had hij een leeg bierblikje en dat gooide hij achteloos op straat. Nou ben ik echt niet zo’n heldhaftige stoere gozer die snel de confrontatie zoekt met anderen en ik laat best wel eens dingen lopen die ik zie omdat ik geen zin in gezeik heb, maar dit vond ik gewoon zo raar, hier moest ik wel iets van zeggen.   Lees verder

Rodweek 35 Titanic Amsterdam

Afgelopen zondag was het precies 106 jaar geleden dat de Titanic zonk terwijl het orkest doorbleef spelen om nog paniek te voorkomen. Toen duidelijk werd dat het schip echt aan het zinken was en er nog maar weinig reddingssloepen aanwezig waren brak er natuurlijk alsnog paniek uit en was het dus voor veel mensen al te laat. Ik kan nooit meer aan de Titanic denken zonder de legendarische reis in 2013 van Marcel en mij naar Newcastle. Met de boot vanuit IJmuiden naar Newcastle. Op volle zee, na reeds een respectabel aantal pints, vonden wij het een goed moment om de ‘I’m the King of the World!’-scene uit die drakerige film die over de ramp gemaakt is na te spelen. Lees verder