Rodweek 84 Geen Zweet

Het was februari dit jaar dat ik met vrienden in Madrid was om daar te genieten van zon, bier, wijn en tapas. Oh ja, en als hinderlijke onderbreking van al dat leuks moesten we nog naar Ajax, dat in een blaartrekkend slechte wedstrijd met 2-0 verloor van Getafe. Getafe is één van de vele voorstadjes van Madrid. Het leven is daar zo bruisend als een glas Spa Blauw in een buitenwijk van Lelystad, dus wij resideerden in een appartement in het centrum van Madrid.

Na de wedstrijd nog even een fijne terrassessie en de volgende ochtend werd ik niet wakker met mijn lieve poes Eva, maar met een kater die eigenlijk best wel een flinke tijger was. Terwijl mijn amigo’s al eieren met spek stonden te bakken om de tijgers te verdrijven mocht ik als eerste douchen. Na een lekkere douche ziet de wereld er vaak ook al weer een stuk beter uit na zo’n avond. Goeie straal, lekker zeepie, haartjes even in de conditioner, lekkere deo op en ik was weer helemaal het heertje.

Rick ging na mij douchen. Ineens een ijselijke kreet uit de badkamer. ‘’Tering, Rod! Echt waar? Axe Africa als deodorant? Wat de fok ouwe? Je bent toch geen twaalf meer? Ik moet hier nog douchen. De hele badkamer meurt naar die gore kutdeo van jou!’’  Joris liep ook de badkamer in en beaamde de woorden van Rick. ‘’Jezus, Rod, gatver, dit kan echt niet meer. Met je stinkende puberdeo. Je bent een min of meer volwassen man en dan gebruik je niet meer dit soort kinderspul. It smells like teen spirit.’’

Rick liet mij vervolgens zien wat hij gebruikte. Een klein roze tubetje, het lijkt op een tube kaboutertandpasta. Daar doe je een heel klein beetje van onder je oksels en daar doe je bijna een week mee. Zo’n kleine tube gaat minimaal 2 maanden mee.

Nou ben ik normaal nooit zo heel erg van dit soort hippe producten, maar onlangs gaf Rick mij een proeftube cadeau. En eerlijk waar: ik ben om. Fietsen, hard werken in de zon, seksen of waar je ook maar zweet van krijgt: je ruikt dagenlang niks. Ik had laatst even pauze op werk. Even uitblazen. Ik rook onder m’n oksel en ik werd betrapt door één van mijn vaste gasten. ‘’Wat de fok zit jij nou onder je zweetoksel te sniffen, ouwe?’’ Maar ik had dus helemaal geen zweetoksel, terwijl het bloedheet was en ik net een paar uur de poten onder m’n lijf vandaan had gelopen. En je ruikt dus vijf of zes dagen lang helemaal geen enkel spoor van zweet. Echt toverspul. Check Nuudcare.com. En nu denken jullie misschien: ‘’Oh ja, die Rijsdijk, die wannabee-influencer, die ouwe freeloader, probeert zeker een gratis tube van dat spul los te slijmen, een roestig stuivertje te verdienen of die heeft aandelen in de toko. Met z’n bek.’’, maar nee, niks van dat alles: ik ben serieus enthousiast over dit  spul. Waar rook is, is in dit geval geen vuur.

Dat was in 1999 wel anders in de Roxy. Of zoals we het nadat die hut was afgefikt noemden :‘’De Rookzie’’. Voor de milennialtjes en ander jong spul: de Roxy was in de jaren 90 één van de hotspots in het Amsterdamse uitgaansleven. Daar moest je gezien worden. Er was alleen één probleem aan de Roxy: het deurbeleid. Als de doorbitches vonden dat je er niet helemaal tussenpaste dan kwam je er gewoon niet in. En zo werd ik met mijn lange haren, vaak ongeschoren bakkes, vale spijkerbroek, gympies en Nirvana-shirtje altijd geweigerd. ‘’Jij komp er niet in, gup’’, kregen mijn vrienden en ik steevast te horen. Als ik überhaupt al te woord werd gestaan. En meer mensen kennen die ervaring. Na een aantal keer had ik daar dus geen zin meer in en ik had het opgegeven om ooit nog de Roxy binnen te komen. Dan maar niet tussen de happy few van Amsterdam staan.

Nico Dijkshoorn schreef er een mooie column over in het Parool, afgelopen week. Het is hem echt nooit gelukt om er binnen te komen. Maar mij dus wel! Eén keertje. Ik was in Paradiso geweest en ik kwam twee meiden tegen die ik kende. En dat waren bepaald geen weggooiers. Absoluut Champions Leaguetrofee-waardige meiden om te zien. Bloedjemooi.‘’Kom, Rod, ga met ons mee naar de Roxy!’’ En zeg dan maar eens nee als twee van die prijswinnaars je uitnodigen om mee op stap te gaan. Dat deed ik dus ook niet, maar ik vertelde de dames wel dat ik altijd werd geweigerd daar en dat we misschien ook ergens anders heen konden. ‘’Nee, wij willen naar de Roxy!’’ En ja hoor, we stonden daar voor die deur aan het Singel, ik aan elke arm lief lachend prinsessenspul  en ineens was mijn totale gebrek aan hipheid, mijn ongeschoren apensmoel  en het feit dat ik geen Roxypasje had geen enkel probleem meer. Zo werkte dat dus in die wereld. Twee lekkere wijven mee en je bent binnen. De oppervlakkigheid van sommige portiers had in die tijd echt de diepgang van een pierenbadje.

Maar goed, ik was dus binnengekomen in het heiligdom achter de Heilige Weg. En ik vond er geen reet aan. Ik vond de muziek niks en de mensen waren ook niet helemaal mijn publiek. Wat dat betreft hadden de portiers het wel goed gezien om mij daar steeds te weigeren. Het was mijn tent gewoon niet. Ik ben er voor die twee mooie meiden nog een uurtje of twee blijven hangen, want je wist maar nooit of daar nog wat leuks uit kon komen, maar toen ik doorkreeg dat dat ook niet ging lukken ging ik gewoon weer lekker naar mijn eigen mensen, in de Korsakoff. In de Roxy ben ik nooit meer geweest. Een jaar later fikte de tent dus af. Wat overigens geen wraakactie mijnerzijds was voor alle keren dat ik daar ben geweigerd.

Niet veel later ging ik zelf in het uitgaansleven werken, leerde ik veel nachtvlinders kennen in verschillende plekken en hoefde ik doorgaans niet meer te betalen om clubs en tenten binnen te komen. Als iets uitverkocht was had ik overal wel iemand rondlopen die wat voor me kon regelen.

Zoals één van mijn Paradiso-gappies altijd zei als ik daar heen wilde:

‘’Rod, regel ik voor je, komt goed! Geen zweet ouwe!’’    


Rodweek 83 Kontkapje

Eind jaren negentig woonde ik in de Staatsliedenbuurt en in de Van Limburg Stirumstraat had je toen Slagerij Pannekeet. Slagerij Pannekeet verkocht de allerlekkerste filet americain van Amsterdam en die kocht ik daar wekelijks. En ook de osseworst was er niet te versmaden. Wie de slagerij binnenkwam werd door mijnheer Pannekeet verwelkomd met een galmend en welgemeend ‘’GOEDEMIDDAAAAAAAAGGGGGGG!’’ Ik moest laatst nog aan ‘m denken toen ik ergens hele vieze filet americain had gekocht en met weemoed terugdacht aan Slagerij Pannekeet, die overigens al jaren niet meer bestaat. Het knusse slagerijtje is inmiddels opgeslorpt door de grijpgrage tentakels van Albert Heijn.

En in Albert Heijn was ik laatst. Al ben ik bijna elke dag in de Albert Heijn. Tijdens het wachten in de rij bij de kassa stond ik te ouwehoeren met mijn buurman. Mijn buurman is een mooie ouwe Amsterdammer die altijd goed is voor een paar geweldige quotes. Ineens trok er vanuit de rij mannen voor ons een giftige damp onze neus in. We roken het allebei tegelijk. Eén van de drie kerels voor ons had een hele gore scheet gelaten. Zo’n vieze zachte sluipmoordenaar die je niet hoort. Dat zijn meestal de ergste. Het aarsgas walmde naar achteren. De anderhalve meter werd ineens uitstekend gewaarborgd. Mijn buurman draaide zich naar mij toe: ‘’Tering Rod, die gozer heeft geen mondkapje, maar een kontkapje nodig!’’

En lachend liepen de buurman en ik weer richting onze huizen. Door de frisse lucht. Eenmaal thuis, nog een beetje nalachend over de leuke grap van de buurman, keek ik eens op internet en toen barstte ik alweer in lachen uit. Doutzen Kroes, het orakel uit Friesland blijkt in de strijd tegen het vermaledijde Coronavirus na urenlange studie ineens viroloog te zijn. Ze deed uitgebreid research naar de moleculaire verbinding tussen het eten van groenten en fruit die ons immuunsysteem verbetert en koppelde daar gelijk een complottheorietje aan. ‘’Want willen ze wel dat we gezond zijn?’’, zo schreef La Kroes op samenzweerderige toon aan haar 6,4 miljoen volgers. Waarbij ‘ze’ natuurlijk de media, de farmaceutische industrie en de regering zijn. Nou heb ik toevallig afgelopen weekend een heel dik boek over hartoperaties gelezen en binnen drie uur had ik het uit. Ik begreep het meteen, want ik ben een snelle leerling. Morgen doe ik mijn eerste operatie. Nee, beter van niet. Laten we ons in godsnaam bij onze eigen leest houden. Doutzen heeft weer andere kwaliteiten. In de familie Kroes worden overigens vaker aparte theorieën gedeeld want voedingsdeskundige zus Rens denkt dat een ei de menstruatie van een kip is.

En nu we het toch over vogels hebben: waarom zijn vogelnamen als Merel, Mees en Arend inmiddels volledig geaccepteerd als voornamen, maar Andescondor, Gierparelhoen of simpelweg Kip of Pauw niet?

Waarom wel Hinde maar niet Przewalskipaard of Dwergpony?

Waarom ken ik wel een Bloem, Madelief, meerdere dames die Roos heten en een Lotus maar geen Brandnetel, Tulp, Paardebloem, Klimopplant of Sanseveria? Sanseveria is overigens een coole naam nu ik het zo lees.

Waarom wel mag je een kind wel Jasmijn of Rozemarijn noemen, maar gaat de ambtenaar van de burgerlijke stand zeiken als je je nieuwe spruit naar het veel lekkerdere Knoflook wil vernoemen?

Waarom zal de ambtenaar van de burgerlijke stand zonder frons ‘Ceasar’ noteren maar bedenkelijk kijken bij ‘Napoleon Bonaparte?’

Waarom ken ik wel een India, maar niet iemand die Afghanistan heet?

Waarom mag je het een kind aandoen om ‘m Storm noemen terwijl je ‘m ook Orkaan kan noemen? Een orkaan is toch veel krachtiger? Als je ‘m dan toch een stomme naam geeft, doe het dan goed.

Je kunt een kind ook vernoemen naar de plek waar ie verwekt is. Ik ken een ”Paris”. Al ben ik het eens dat dat een stuk lekkerder bekt dan een naam als ”Opdetafel” of ”Tegenhetaanrecht”.

En waarom is Mercedes wel een voornaam maar Suzuki, Volvo, Fiat, Ferrari Testarossa of Ford Taunus niet?

Wat dat betreft kun je van die malle Emile Ratelband zeggen wat je wilt, maar die was z’n tijd toch ver vooruit. Die heeft twee van z’n kinderen Rolls en Royce genoemd. Het verbaast me overigens dat we de Mr Tjakka nog niet met een oplossing voor het Coronavirus hebben gehoord. Dat je over brandende houtkooltjes moet lopen, heel hard ‘’Tjakkaaaa!’’ moet roepen en dat je dan volledig immuun bent. Mij verbaast niks meer. 

En zo kan ik nog uren doorgaan, maar inmiddels heb ik trek in een broodje. Een lekker broodje filet americain. Helaas niet van mijn mijnheer Pannekeet, maar die smaak denk ik er dan maar bij. ‘’GOEDEMIDDAAAAAAAGGGGGG!’’

Rodweek 82 Vergisactivist

Elk jaar zijn er wel een paar: de vergistoeristen. De buitenlandse toeristen die op 30 april met hun Lonely Planet uit 2006 op Amsterdam Centraal aankomen om onze nationale feestdag mee te vieren en dan tot hun teleurstelling zien dat zij de enige gekkies zijn met een oranje hoedje en shirt. Vergissingen zijn menselijk. Het kan de beste gebeuren. Voordat het hele Coronagedoe losbarstte, je weet wel de tijd dat we nog onbeperkt naar kroegen, voetballen en concerten mochten gaan, wilde ik naar Ajax. Ik m’n Ajax-shirt aan, m’n sjaaltje en m’n toeter mee en oostwaarts! Kom ik op de Middenweg: staat Stadion de Meer er niet meer! Bleek Ajax al 24 jaar in een of andere UFO in de Bijlmer te spelen! Daar hadden ze mij als trouwe seizoenkaarthouder toch wel wat beter over kunnen informeren.

Want zo hebben we sinds gisteren een nieuw begrip: de vergisactivist.  Nu al het woord van het jaar. Dat zijn de leden van de groep ‘’Viruswaanzin’’: een groep mensen die denken dat Corona een grapje, een griepje of een complot van de overheid is. Of een combinatie van die drie. Voeg daar een snufje 5G-gekkies en wat labiele types aan toe, en badabing badaboem: daar hebben we de groep Viruswaanzin.

En daar stonden onze vrijheidsstrijders dan gisteren, te demonstreren tegen de media die ons verkeerd informeren over de Coronacrisis. Dit keer bij het hoofdkantoor van het AD in Rotterdam. Want ze pikken die verkeerde informatie niet langer! Alleen stonden de viruswaanzinnigen bij het verkeerde gebouw waar het AD al acht jaar niet meer resideert. Maar dat zal waarschijnlijk ook de schuld van de media zijn, want dat hadden ze ook niet kunnen weten. Overigens stond de frontman van deze mallies wel bij het goede gebouw, dus wellicht behoeft de communicatie op de Facebookpagina nog enige verbetering.

Ach ja, zo’n Coronatijd doet rare dingen met een mens. Zo stond er vorige week spontaan een kunstwerk op de Dam, een Legobeeld van André Hazes. Hartstikke leuk. Ik miste alleen iets aan het kunstwerk en aangezien ik toch om de hoek woon besloot ik om André van een blikje bier te voorzien. Even op de foto en ik werd nog even geïnterviewd door de Sloterdijk Pravda, helemaal leuk.  

Ik had gedacht dat het beeld of na één of twee dagen zou worden verwijderd door een overijverige en streberige BOA (‘’Want daar is geen vergunning voor gevraagd, meneertje!’’) of dat het beeld vernield zou worden door Playmobilactivisten. Het werd het tweede scenario. Alleen pas na zes dagen. We gaan vooruit in dit land. De vernieling was, want daar staan Playmobilianen om bekend, weinig Duplomatiek. De kop vakkundig van de romp gescheiden. Een IS-strijder had het niet beter gedaan. De grap die een vriend maakte, ‘’want zij onthoofdde mij’’ vond ik wel humor. En humor is iets waar we de vernielers van het Hazesbeeld vermoedelijk niet op kunnen betrappen. Maar ik kan me  vergissen.     

Rodweek 81 M & M’s

De meest ironische foto van de afgelopen week was de selfie die Thierry Baudet nam tijdens het topoverleg op de rechterflank met zijn sidekick Theo Hiddema en Geert Wilders. De mannen die dus zogenaamd opkomen voor ‘de gewone man’.  Nou is de PVV natuurlijk een partij voor schreeuwerds die nou niet bepaald het koudste biertje in de koelkast zijn, maar Forum voor Democratie is voor de tokkies die wel met mes en vork kunnen eten en zich wat beschaafder kunnen uitdrukken: de hockeytokkies.

En daar zaten ze dan. Ik vermoed in de woning van Theo Hiddema. Of Baudet moet er voor een jongeheer van 37 wel een heel erg ouwelullerige smaak op na houden. Ik weet, doordat ik twee jaar postbode ben geweest in postcodegebied 1012 t/m 1016, zodoende precies waar de heren wonen: bulls eye in de grachtengordel waar ‘de gewone man’ zich zo tegen afzet.

Ik stel me de conversatie als volgt voor:

Geert: ‘’Jeetje kerel, wat woon je toch mooi hier aan de gracht.’’
Theo: ‘’Dank je wel, Geert. Zeg, Thierry, ook een glaasje wijn, amice?’’
Thierry: ‘’Gaarne, confrère. Zeg zullen wij ons gesprek over dat gepeupel dat zo massaal op ons stemt, ons electoraat, gewoon in het Latijn doen? Dat praat wat makkelijker.’’

Er wordt mij weleens gevraagd waarom ik mij niet vaak uitlaat over politieke zaken op social media. De reden is simpel: ik vind het te vermoeiend. Je vindt ergens iets van en voor je het weet ben je in een of andere semantische discussie geraakt  met Jan uit Koog aan de Greppel of Mien uit Kutkrabbersveen of met weet ik veel wie. Mensen die ik niet of niet goed genoeg ken in het echte leven maar die mij wel voor van alles gaan lopen uitmaken omdat we van mening verschillen. Je weet wel, de toetsenbordhelden die in het echie hartstikke lieve schatjes zijn, maar achter een toetsenbord alle sociale filters laten wegvallen en dan maar van alles over je uitkotsen.  Ik wil prima in discussie met mensen, maar dan wel met mensen die ik enigszins ken en bij voorkeur gewoon face to face. Je weet wel, een echt gesprek.  Voor je het weet ben je weer drie uur van je leven kwijt die je niet meer terug krijgt. Om Facebook-gelul met een of andere Jan Doedel die je niet of amper kent . Nee dank je.  

Geen zin in. Maar toch, nu racisme de laatste weken weer eens prominent op de kaart staat en ik toch ook niet altijd mijn bek kan houden gooi ik toch mijn twee centen in het bakkie. Ga ik het hebben over Johan Derksen en de nationale discussie om zijn persoon? Welnee (hee, dat rijmt op Genee!) ,hij is niet interessant. Derksen is een oude knorrige man die nog steeds denkt dat we in 1956 leven en soms een ongepast grapje maakt dat in 1956 nog leuk werd gevonden. Derksen is een beetje onze nationale foute oom.  We hebben allemaal wel een tikkie foute oom die ongemakkelijke grapjes maakt. Geen slechte man, maar neem ‘m vooral niet te serieus. En zo komen we vanzelf bij Gerard Cox. Een zo mogelijk nog meer reactionaire ouwe mopperkont dan Derksen. Gerard Cox denkt dat we nog steeds leven in het tijdperk van ‘Toen was geluk nog heel gewoon’. Nee, toen waren grapjes over buitenlanders of mensen die op wat voor manier dan ook afweken van de gemiddelde Nederlander nog heel gewoon. Maar dat zou natuurlijk een te lange titel voor de serie zijn.

Gerard Cox vindt dat wij ons ‘racisme hebben laten aanpraten’. Het deel waarvan ik het met die uitspraak mee eens ben:  je moet niet iemand zomaar een racist noemen en dat gebeurt tegenwoordig snel. Iets te snel soms, vind ik. Dat devalueert het begrip. Niet elke Derksen, Cox of Zwarte Pieten-fan, PVV-er of FvD-er is een domme racist. Het zijn mensen die zich vastklampen aan geschiedenis en tradities (geen enkele traditie is voor eeuwig, anders waren we nog steeds aan het palingtrekken en katknuppelen) en bang zijn voor alles dat afwijkt van hun standaard, maar dat maakt ze in mijn ogen nog geen racisten. Echte hardcore-racisten zijn die engerds van Pegida die afgelopen week nog zo’n gezellige brief posten aan Jeffrey Afriyie, de frontman van de Kick Out Zwarte Piet-beweging. Die hem en zijn gezin bedreigen. Die woorden als ‘kutneger’ gebruiken. Dan ben je wat mij betreft gewoon af en mag je niet meer meepraten.

Dat gezegd hebbende: in tegenstelling tot wat de heer Cox beweert bestaat racisme en discriminatie natuurlijk wel degelijk in ons gezellige kikkerlandje. Ik werkte in de jaren negentig voor een callcenterbedrijf. Krantenabonnementjes verkopen en zo. Totaal inspiratieloos kutwerk waarbij alle geilheid waar je in de ochtend mee wakker werd binnen luttele seconden sneller smolt dan een cola-calippo in de Sahara. Alleen al door de locatie. We zaten in een kleurloos kantoor in het asgrauwe Amsterdam-Slotervaart, maar in ons team waren alle kleuren uit het menselijk kleurenspectrum vertegenwoordigd. Als je ons kantoor zou leegschudden in een zakje waren we net een voordeelverpakking M & M’s. Alle kleurtjes door elkaar.  En we hadden het tof samen. Sommigen spreek ik nog steeds. Naast dat we elkaar mochten en met elkaar op stap gingen was er een ding dat ons bond: iedereen die je belt haat callcentermedewerkers. Als callcentermedewerker een ras was, dan was de hele wereldbevolking een racist. Ze bellen altijd als je net zit te eten of als je net met je meisie aan het viezelevozen bent of tijdens een ander moment dat niet uitkomt. Iedereen haat callcentermedewerkers. En ik weet het, want ik ben het geweest en ik haat het zelf ook.

Maar wij werkten voor de bonussen. En die konden leuk oplopen als je goed verkocht. Alleen was het met mijn naam of die van de andere Nederlandertjes een stuk makkelijker om die rommel te verkopen dan voor Mohamed El Fattouchi of voor Umfufu N’Dyaye (de namen zijn gefingeerd, maar het is voor het voorbeeld). Bij hen werd vaak de hoorn er op gegooid, vaak vergezeld van een kloterige opmerking over hun afkomst, als ze onder hun eigen naam belden. Als ze het volgende adres belden en zichzelf bijvoorbeeld Mark Jansen of Petra de Boer noemden was de slagingskans op een verkoop ineens significant groter en scoorden ze ineens ook goed. Dus ja, institutioneel racisme en discriminatie was absoluut een ding waar mijn collegae mee moesten dealen.

En dat was in 1996/1997. Het is er anno 2020 niet beter op geworden. Sterker: de wereld is alleen maar meer gepolariseerd geworden en het maakt me weleens treurig. Zoals ook het bang voor humor worden me treurig stemt. Het verbod op een aflevering van Fawlty Towers: intens treurig. De ironie druipt er in klodders af.  Ik keek in de jaren negentig naar ‘In Voor en Tegenspoed’. Hoofdpersonage Fred Schuit was het prototype karikaturale PVV-er. Volledig politiek incorrect. En daarom zo hilarisch. Omdat het zo over de top was. Zijn homoseksuele Surinaamse huishoudhulp mocht ie dan weer wel. Fred was zo hypocriet als de neten. Maar de serie zou in deze tijd niet meer gemaakt kunnen worden. Teveel mensen die het te serieus zouden nemen. En is de gebrekkig Nederlands sprekende Marokkaanse slager (‘’Altaid praisj met Achmed!’’) die door de Surinaamse Jorgen Raymann werd gepersifleerd dan ook niet meer grappig? Die vond ik namelijk best grappig. Humor mag van mij ver gaan, heel ver zelfs. Je kan best om elkaars gewoonten, gebreken en taalgebruik lachen zonder daarbij het respect voor de ander te verliezen.  

Ouwe reactionaire mensen zoals de Coxen en de Derksens van deze wereld die per se aan hun tradities willen vasthouden verander je niet meer. Die strijd ga ik niet eens meer aan. Mijn hoop is gevestigd op de jongere generatie. Zet ‘m op en maak van de wereld die heerlijke zak M & M’s die wij op ons kleurloze kantoor in Slotervaart ook waren.

Rodweek 80 De Liefde

Zo zie je maar weer, elk huisje z’n eigen kruisje. Toen Dirk Kuyt vorige week bekend maakte dat hij ging scheiden van de vrouw met wie hij al zeventien jaar getrouwd was en al meer dan twintig jaar samen mee was pleurde ik mijn laatste kliekje geloof in de liefde met een sierlijke boog de vullisbak in. Kom op zeg, als zelfs ‘’Dirk de Dorpsdominee’’ bij wie alles altijd zo perfect leek te gaan, al niet eens in de liefde slaagt dan hoef ik me al helemaal geen illusies te maken dat het mij ooit wel lukt, zo dacht ik.

Ik had de vuilniszak nog niet geleegd toen ik een dag later een vriendschapsverzoek op Facebook kreeg van een oud-klasgenoot. Die is gewoon nog steeds samen met zijn higschool-darling met wie hij toen ook al een paar jaar had! In de vijfentwintig jaar dat we elkaar niet hebben gezien zijn er bij mij, voorzichtig gezegd, een paar meer de revue gepasseerd. Hij is al minimaal dertig jaar samen met z’n meisie. Een relatie van een dik volwassen leeftijd. Op één relatie na heeft er bij mij geen eentje de kleuterleeftijd gehaald. 

 Of het mij ooit zal lukken in de liefde of dat ik als een oud cynisch eenzaam kattenmannetje zal eindigen? De tijd zal het leren. Maar ik heb dat laatste restje liefdesgeloof toch maar weer uit de bak gevist. Ik vond het in elk geval mooi om te lezen dat die twee nog steeds samen zijn. Ze bestaan nog!

En sinds vorige week mogen we natuurlijk weer naar het café en aldus weer mensen ontmoeten. Al heb ik daar nog weinig contact gehad om echt te socializen omdat ik vijf van de zeven dagen volle bak heb gewerkt in de kroeg. Maar eerlijk is eerlijk: de mensen hebben zich over het algemeen echt geweldig en begripvol gedragen. Iedereen was vooral blij dat het café, met wat restricties weer voorzichtig open mag. Er was geen gedoe, mensen hielden zich aan de regels en waar ik het minst zin in had en me het meest zorgen over maakte is eigenlijk niet echt nodig geweest: politieagent spelen. Nou is politieagent spelen met de gebeurtenissen van de laatste tijd sowieso even niet zo populair. Maar ik heb slechte knieën dus niemand had bij mij bang hoeven wezen voor een knie in z’n nek, want daar doe ik alleen mezelf maar pijn mee.  

 Van het hele demonstratiegebeuren en het wel of niet goed handelen van Femke Halsema op de Dam heb ik niks meegekregen omdat ik toen al aan werk was. Ik las eigenlijk pas ’s nachts wat er  op een paar honderd meter van mijn huis allemaal was gebeurd. Of ik er een mening over heb? Dam laten leeg knuppelen door de ME met alle gevolgen van dien of een vreedzaam protest door laten gaan?   Natuurlijk vind ik er wat van. Maar we zijn nu inmiddels een dikke week verder en elke journalist, columnist, blogger, Twitteraar of zolderkamerscribent heeft daar inmiddels z’n plasje wel over gedaan, dus dan hoeft die pisstraal van mij er ook niet nog eens bij. Want we weten allemaal: toen plassen pissen werd is het gezeik begonnen. En bovendien is al het gezeik in de stad toch altijd de schuld van Femke Halsema?

Daarbij is er al meer dan genoeg gezeik in de wereld momenteel. Weg met Corona en weg met rassenoorlog. Ik ben kleurenblind als het om mensen gaat. In mijn wereld bestaan maar twee soorten mensen: leuke mensen en kutmensen. Van de eerste groep heb ik er een boel om me heen verzameld. De tweede groep zijn weggooiers. Alleen als ‘kutmensen’ een ras zou zijn zou ik een racist zijn.  

Maar kom op, laten we weer genieten van hoe fijn het is om eindelijk weer naar de kroeg en uit eten te kunnen. En vakantie, voetbal, concerten en al die andere dingen die ik allemaal zo gezellig vind komen op een dag ook wel weer terug in mijn leven. En misschien maakt de liefde ooit ook nog wel eens een rentree. Wie weet. Ik geloof er in elk geval weer een beetje in.

Om met de prachtige quote van Theo Maassen af te sluiten: ‘’De liefde. Ach ja, de liefde. Daar zouden ze eens een liedje over moeten schrijven!’’

Nou ja, liedjes schrijven is niet mijn ding. Dan maar een column.

 

Rodweek 79 Jopie Klep


We schrijven het jaar 1988. Het jaar dat Nederland Europees kampioen voetbal werd, maar ook het jaar dat ik als elfjarige langzaam begon te transformeren van kind naar puber. Bij een schoolvriendje thuis leerde ik de albums van Joop Klepzeiker kennen, getekend en geschreven door Eric Schreurs. De stijl van tekenen, de humor, de platte en rauwe stijl: ik was er meteen verliefd op. Hier wilde ik alles van hebben.

Ik was dus elf en inmiddels was ik wel een beetje klaar met Lego spelen. Ik had in de loop der jaren een groot Lego-kasteel opgebouwd, maar deed ik al lang niks meer mee. Maar ik had inmiddels een neefje van een paar jaar jonger die dat kasteel graag wilde hebben. Vijfenzeventig piek wilde ik voor mijn koninkrijk. Dat was namelijk precies genoeg geld om de eerste zes albums van Klep te kopen. Die kostten namelijk 12,50 per stuk, dus vijfenzeventig was precies genoeg. Dat was best wel geld in die tijd. Mijn oom tikte dat geld netjes af en diezelfde middag zat ik al lachend, maar ook gefascineerd door mijn Klepzeikers te bladeren.

Alles in die strips sprak mij aan. Ik was opgegroeid met Suske en Wiske en de Donald Duck. Lekker braaf. En toen was daar ineens Joop Klepzeiker. De punk onder de stripboeken. Het Amsterdam van de jaren tachtig en negentig in al zijn humoristische, heftige, gore en platte facetten uitgebeeld.

Ik was elf en verliefd op de stijl en de humor van Eric Schreurs. Harde humor. Niets ontziend. De strips die hij eind jaren tachtig, begin jaren negentig maakte: hij zou er nu niet meer mee wegkomen, aangezien nogal wat mensen zich tegenwoordig snel beledigd voelen. Het grappige van dat ding is dat veel mensen tegenwoordig wel graag naar ‘Roast’-filmpjes kijken. Cabaretier staat op het podium en fileert iemand met de meest harde grappen. Ik houd daar dus wel van, maar in de jaren tachtig en negentig was de humor van Eric Schreurs en zijn zielsverwant Hein de Kort nog tamelijk controversieel.

Zo kocht ik begin jaren 90 de Joop Klepzeiker-schoolagenda. Enorme agenda’s op A4-formaat vol met allerlei ranzigheden en gorigheid waar je als pubertje nou eenmaal om moet lachen. Een klasgenootje wilde die agenda ook hebben, maar die greep  mis. De agenda’s waren inmiddels verboden op middelbare scholen. Zo gereformeerd was Nederland nog in die tijd. Al kon je overigens als veertienjarige wel zonder enige vraag de Playboy, de Penthouse, of in het ruigere segment, de Tuk, de Chick of de Candy kopen. Dat mocht dan weer wel. Misschien om dat het aftrekbaar was? En roken mocht je ook zonder dat iemand daar iets van zei. Maar de Klepzeiker-schoolgenda? Nee, dat mocht dan weer niet. Zo hypocriet als de pokken.

Maar goed, ik had die agenda’s elk jaar, vlak voordat ze weer eens verboden werden, en ik genoot van Schreurs. En van de bijdragen van Hein de Kort, Theo van Gogh en van de ranzige en bizarre foto’s van Erwin Olaf.

De Kleppie met alle humor, de bizarheden in zijn verhalen, de details in zijn tekeningen en alles wat er bij hoort: dat heeft absoluut invloed op mij gehad.

Schreurs was ook denk ik de eerste met een complottheorie-gekkie gedicht. Meer dan dertig jaar geleden, maar als er eens een alu-hoedje voorbij komt dan draag ik ‘m altijd graag voor:
‘’De wereld is plat
Zeker weten doe ik dat
Geen formules geen getallen
Ik heb een aambeeld op mijn globe laten vallen.’’

Eric Schreurs, dank voor je geweldige oeuvre en je humor. Ik zal je nooit vergeten. Want niet alleen de 11-jarige jongen die ik was maar ook de 43-jarige man die ik nu ben moeten nog steeds lachen om de ouwe Kleppies.

Ik ga zo dadelijk vis eten en moet nu meteen denken aan de twee ruziende visboeren in een van de strips: ‘’Je vis stinkt! En je wijf ook!’’  Of Klep die moet niezen en dan die verbijsterde dealer: ‘’Tering, je hep voor twee meijer prima spul weggeniest!’’  Of… Weet je, ik pak al die ouwe albums er gewoon weer even lekker bij vanavond. Vanavond geen Netflix maar Klepflix.

RIP Eric Schreurs, en bedankt voor al je inspiratie.  

   

Rodweek 78 Het Nieuwe Normaal

Gistermiddag belde ik weer eens met mijn oude vriend Bennie Jolink, de zanger van de Achterhoekse boerenrockband Normaal, want ik had een prangende vraag voor hem waar ik al een tijdje mee liep. De telefoon ging lang over en even was ik bang dat Bennie niet op zou nemen, maar net toen ik op wilde hangen nam het Achterhoekse icoon op. We begroetten elkaar hartelijk en na wat koetjes en kalfjes uitgewisseld te hebben kwam ik maar snel ter zake: ‘’Bennie, dat ‘Nieuwe Normaal’ waar je tegenwoordig zoveel over leest, wat vind jij daar nou van?  Bestaat dat nou?’’ Bennie beloofde mij om deze kwestie tot op de bodem uit te zoeken en mij, zodra hij meer wist, daarover terug te bellen. Maar hij moest nu ophangen want Vrouw Haverkamp stond voor de deur en als er één vrouw is waar Bennie oerend hard op gaat dan is zij het wel. En blij om weer eens met elkaar van gedachten gewisseld te hebben, verbraken wij de verbinding.

Het was een zonovergoten dag en ik had geen werkverplichtingen. Wat zou ik normaal gesproken nu doen op heerlijke dag als deze?  Ik zou even bij Jerry en z’n crew, bij Café Waterloo, een lekker broodje eten in het zonnetje. Korte broek aan, zonnebril op de knar en wellicht een klein glaasje wijn erbij om de mooie dag alvast te vieren. Daarna zou ik lekker doorlopen naar Oud West, ouwehoeren op de markt,  even gedag zeggen bij Café Bax, goede vrienden begroeten met een stevige hand of een omhelzing, goede vriendinnen met een kus. Ik zou even kijken bij mijn favoriete boekhandel Hoogstins om een praatje te maken, zelf een boek kopen en stiekem te kijken of ze het boek van Tilli en mij nog verkopen. Visje eten op de markt, nog even wat olijven scoren bij mijn favoriete olijvendealer en dan weer terug naar huis lopen.

Of toch nog even langs Soundgarden? Natuurlijk wil ik nog even langs Soundgarden. De zon schijnt en ik moet niks vandaag! Even een paar koude hetsekletsers drinken in het zonnetje met de jongens en meiden die ik al honderd jaar ken, dat moet ik! Daarna door naar huis, toch even gluren of er nog iemand in de Gouden Florijn zit en anders doorlopen. Boodschappen doen. Ik heb zin in paella, dus linksom of rechtsom, maar dan wordt er paella gemaakt. Na het eten bedenken of ik toch niet nog een klein afzakkertje lust bij Dennis in Café de Gaeper of op de Nieuwmarkt in ‘t Loosje of op de Zeedijk bij Nikkie Kroegtijger of bij het Zilt van ome Mike. Wel of niet doen? Het is wel gezellig natuurlijk. Nog effe eruit. Of misschien belt er wel iemand of ik zin heb om mee te doen aan een pubquiz. Of even kijken of er wat leuks in Melkweg of Paradiso speelt. Of misschien is gewoon lekker vroeg in bed liggen met een boek erbij ook wel een fijne optie. Poes Eva knorrend op schoot, telefoon uit en verdrinken in een mooi boek. Of in de Voetbal International. Net waar ik ‘en un momento dado’ zin in heb. De opties zijn legio.

Dat had, normaal gesproken, zomaar eens de invulling van mijn vrije dag kunnen zijn. Nou kunnen een aantal van die dingen nog steeds. De winkels zijn nog open. De markt ook. Maar het café is dicht en ik moet mijn vrienden en vriendinnen op anderhalve meter houden. En ook als de horeca volgende week wel weer beperkt opengaat moet die afstand er zijn. We moeten reserveren om naar de kroeg te mogen.

Ik snap geheel waarom die maatregelen er zijn, houd me er zoveel mogelijk aan en ‘better safe than sorry’ en zo, maar ‘normaal’ is het natuurlijk niet. Althans, niet voor mij en voor een hoop andere mensen ook niet. Aan een ‘anderhalvemeter-samenleving’ ga ik absoluut nooit wennen en ik wil ook helemaal niet wennen aan zoiets tegennatuurlijks. En dat we volgende week allemaal verkleed als een of andere halvegare Michael Jackson met een mondkapje op in het openbaar vervoer moeten  zitten terwijl de horeca dus wel weer opengaat: daar vind ik ook bijzonder weinig normaal aan. Dat hardwerkende ondernemers, poppodia, musea en weet ik veel wie nu massaal op financieel omkukelen staan: daar is niks normaal aan. Vroeger niet, nu niet en in de toekomst niet.

Daar ging de telefoon weer. Het was Bennie Jolink. Hij had mijn vraag aan Vrouw Haverkamp voorgelegd. Ze hadden het uitgebreid  besproken en een conclusie getrokken die Bennie mij nu ging vertellen:  ‘’Nee Rodney, dat Nieuwe Normaal waar jullie in het Westen allemaal over lullen: dat ‘Nieuwe Normaal bestaat helemaal niet, er is maar één Normaal! ’’

En opgelucht dat ik niet de enige ben die vindt dat ‘Het Nieuwe Normaal’ niet bestaat, verbrak ik, na ‘Het Orakel van Hummelo’ bedankt te hebben voor zijn wijze woorden, weer de verbinding.  

Rodweek 77 Het Jongetje Dat Niks Kan

‘’Meneer, ik zweer het u: dit speeltje krijgt zelfs uw zoontje niet kapot.’’ Het waren de legendarische woorden van een speelgoedverkoper aan mijn vader toen ik, pak ‘m beet 2 of 3 jaar was. De verkoper gooide en sloeg met het speeltje en haalde er allemaal capriolen mee uit. Mijn vader was verkocht en kocht het speeltje. Eenmaal thuis speelde ik er een paar minuten mee en het ding was stuk.

Het is het verhaal van mijn leven. Ik ben nooit handig geweest. Eerder klunzig. Er was ook geen omgeving die mij stimuleerde om wat handiger te worden. Thuis niet en op school niet. Het was altijd: ‘Nou, Rodney, bemoei jij je hier maar niet mee, want dat gaat toch fout.’ Het maakte dat ik al snel geen interesse meer in techniek had. Pubers van mijn leeftijd zaten in hun brommerhok aan brommers te knoeien. Snapte ik niks van. Kreeg je alleen maar vieze vingers van. Ik zat liever in het fietsenhok met meisjes te knoeien. Kreeg je ook vieze vingers van, maar dat vond ik dan toch beduidend leuker!

In sport was ik ook al geen uitblinker. Hoeveel ik ook van voetbal hield: ik kon er geen klote van. Dat jongetje dat altijd als laatste werd gekozen op straat of op school na het poten: dat was ik. Daarbij had ik de souplesse van een blok beton.  Als wij op gym over een bok moesten springen of een salto moesten doen: ging altijd mis. Toen ik weer eens keer over de bok flikkerde na de zoveelste mislukte Arabiersprong riep een klasgenootje naar me: ‘’Ha ha, hij weer! Dat jongetje dat niets kan!’’ Een paar van zijn vriendjes lachten mee. Hard.

 Dat joch, ik weet niet eens meer hoe hij heet, was zelf te dom om te schijten. Ik pestte hem toch ook niet omdat hij geen fatsoenlijke Nederlandse zin kon schrijven? Waarom deed hij dit? Ik vond het zo gemeen. Ik heb me nooit meer zo lullig gevoeld. Ik ben huilend weggelopen uit die les. Hij heeft nog ‘sorry’ gezegd, en ik twijfel of die halve tamme wel wist hoe hij het woord ‘sorry’ moest spellen, maar het was al te laat: het litteken stond er al.

Die kutklotetyfus-opmerking heeft toch nog jarenlang, en eerlijk gezegd af en toe nog weleens tot de dag van vandaag, door m’n hoofd gespookt. Die fucking klootzak, die vuile uitgescheten nageboorte. Ik zou het ze allemaal wel eens laten zien. Dat kutjong en z’n posse eikeltjes die er bij stonden te lachen.

Maar misschien hadden ze wel gelijk, dacht ik nog even. Misschien kon ik ook wel niks. Ik kon ook al niet zingen, dansen of tekenen. Die gedachte maakte al vrij snel plaats voor een bewijsdrang.
‘Wat nou, jongetje dat niks kan?!’ Ik wilde het ze allemaal bewijzen.

Ik werd er, op latere leeftijd, zeker in mijn 20’s en 30’s, zelfs extreem competitief door. Ik weet namelijk heel goed wat ik niet kan, maar ook zeker wat ik wel kan. De dingen waar ik niet goed in ben heb ik altijd gewoon aan anderen overgelaten. Waarom zou ik gaan lopen klooien als iemand anders dat beter kan?  Maar in de dingen waar ik wel goed in was of ben wilde ik ook echt wel de beste en de tofste zijn. Gewoon van simpele dingetjes als spelletjes waar ik goed in was altijd willen winnen, of de lekkerste dingen kunnen koken, tot aan het meeste bier van iedereen kunnen drinken, de meeste spare-ribs kunnen eten, quizzen, tot de meeste vrouwen kunnen versieren op een avond: het maakte niet uit. Overal moest een competitie-element in zitten. Ik wilde die status van ‘de beste’ zijn altijd hebben. En daar ging ik ver in. Soms te. Altijd maar dat wedstrijdje ver pissen willen winnen. Grapjes als schild: vaak de lolligste proberen te zijn, ook op de verkeerde momenten. Altijd onbewust met die gedachte in mijn achterhoofd: dit jongetje kan echt wel wat en niemand kan me meer raken.

Inmiddels ben ik 43. En nu weet ik dat dit jongetje die nu dit stukje typt ook echt wel wat kan. Maar ik ben heel lang onzeker geweest.  Zo onzeker als vroeger ben ik gelukkig niet meer. Ik ben nu trots op de dingen die me allemaal wel zijn gelukt, tel mijn zegeningen en kan ook onbedaarlijk lachen om al mijn flaters. Mijn eerste schreden in de horeca waren een ramp. Ik kon geen dienblad normaal vasthouden. Maar met de juiste mensen om me heen en dankzij hun geduld ben ik inmiddels gewoon een prima barkeeper geworden. Overal waar ik heb gewerkt vonden mensen het kut als ik wegging. En niet alleen omdat ik zo’n leuke jongen was, maar omdat ik goed en hard kan werken.

Toen ik een jaar of twintig geleden een vloer moest aanleggen in mijn huis kwam mijn toenmalige schoonvader langs om mij te helpen. Ik heb vrijwel altijd handige schoonvaders gehad. Hij deed een paar plankjes voor, legde me stapje voor stapje uit hoe ik dingen moest doen en als er wat mislukte kon ik ‘m roepen. Hij was heel geduldig en zei niet na drie mislukte plankjes: ‘Nou, Rod, kap er maar weer mee.’ Dat vertrouwen hielp. En zo was ik heel trots dat ik zelf de vloer van m’n slaapkamer had gelegd. Terwijl hij de drie andere kamers in die zelfde tijd al had gelegd, maar ik was trots op mijn gelegde kamertje. En hij was ook trots op mij. Zo’n compliment over iets wat ik zelf had gemaakt had ik nog nooit van iemand gehad.

Maar Handige Harry zal ik nooit worden, laten we eerlijk zijn. Mij moet je niet vragen om een spijker in de muur te slaan. Want voor je het weet zit half Amsterdam zonder stroom. Dat weet ik zelf ook wel, dat hoeft niemand me te vertellen.

Neemt niet weg dat er dingen zijn waar ik wel goed in ben: ik kan best goed koken, ben een goede horecamedewerker geworden, ben columnist en heb boeken geschreven, ik presenteer succesvolle quizzen, DJ geweest, heb meegewerkt aan grote evenementen te organiseren: allemaal autodidact. Ik heb al die dingen zelf geleerd. Allemaal met vallen en opstaan. En ik heb met al die dingen een goede naam opgebouwd. En het meest hilarische van alles: ik verdien het meeste van mijn geld met mijn handen! Wie daar dertig jaar geleden een gulden op had ingezet was nu miljonair geweest.

Een ander talent van mij is dus dat ik ontzettend goed weet waar ik wel en niet goed in ben en dat ik een groot netwerk van mensen om mij heen heb. Dus als ik een schilderijtje op moet hangen dan ga ik daar niet zelf mee lopen hannesen, maar dan vraag ik iemand voor die daar wel goed in is. En toen mijn gasfornuis een nieuwe aansluiting moest of dat er iets met de elektriciteit moest worden gedaan: daar ga ik niet mee lopen klootviolen. No way.

En omgekeerd help ik mensen met mijn talentjes als dat van pas komt.

En zo kreeg ik dus vandaag een nieuwe telefoon. Ik ben niet handig met smartphones, maar mijn ouwe begon kuren te krijgen en ik kon m’n abonnement verlengen. Ik kreeg een prachtig nieuw toestel en de vlotte meneer van de telefoonwinkel legde dingen prima uit. Maar ik begreep er natuurlijk geen reet van en na twee uur klootvinken en met stoom uit de oren staakte ik de strijd. Geduld is helaas ook al geen kwaliteit van mij. Oproepje op Facebook geplaatst of iemand kon helpen. Lacherige reacties.  ‘’Haha, die gekke ome Rod die er weer eens geen ene kut van snapt.’’ Ik verwachtte ze al, maar men doet maar. De eerste die grapjes over de onhandigheid van ome Rod maakt is ome Rod. Zoveel zelfspot heb ik gelukkig.

Want het klopte ook, ome Rod snapte er ook daadwerkelijk geen hol van. Ik stond na twee uur als een aap in een roestig horloge te kijken. Maar toen er eindelijk wel iemand langs kwam om me te helpen, die er wel wat van snapte en niet alleen maar om me lachte, bleek het inderdaad nog niet zo simpel te zijn. Maar, enfin, het is gelukt, mensen. De telefoon doet het weer! Mijn talent om mensen om me heen te  verzamelen om de dingen te kunnen die ik niet kan heeft zich weer bewezen.

Weet je: laat iedereen maar lekker lachen om mijn onhandige geklojo. Dat zal altijd zo blijven. Fok it. Maar vergeet één ding niet: hij heeft er even over moeten doen om er achter te komen wat ie nou wel kan, maar dit jongetje kan echt wel wat. En dat weet ie inmiddels gelukkig heel goed, dus niemand hoeft het een zielig verhaal te vinden. En aan alle jongetjes en meisjes die ooit hebben gehoord dat je niks kan, luister maar naar deze jonge ouwe lul: laat ze maar kletsen en lachen. Je kan veel meer dan ze je wijsmaken. De wereld is van jou en als je dat beseft ben je altijd een winnaar.


Rodweek 76 Next Goal Wins

Sinds het hele quarantainegedoe kijk ik veel films, series, docu’s en meer van die dingen waar ik normaal geen tijd voor heb of voor maak. En zo stuurde een vriend van mij de link van de prachtdocumentaire uit 2014 ‘Next Goal Wins’ door. Laatste doelpunt wint. Ouwe straatvoetbalregel. Als je door je moeder naar binnen werd geroepen voor het eten en al stond je  30-0 achter: dat maakte niet uit. Als je die laatste maar maakte, dan had je toch nog de titel van de dag gewonnen. Laatste goal wint. Was een erecode.

En over 30-0 gesproken: het kan dus erger. Next Goal Wins vertelt het verhaal over de nationale ploeg van Amerikaans Samoa. Ze weten amper of er lucht of zand in een bal zit. Hun blikvanger: de transgender in de verdediging, volgens mij de enige officiële transgender die ooit in een kwalificatietoernooi heeft gespeeld. Maar ze mogen dus meedoen aan een WK-kwalificatietoernooi en daar begint het verhaal van de docu: ze verliezen hun eerste wedstrijd met 31-0 van Australie. De grootste nederlaag dat een team ooit in een officiële kwalificatiewedstrijd heeft geleden. En de wedstrijden daarna gaven ook niet heel veel zicht op verbetering. Ze kunnen er echt geen hol van.

Nou ken ik op verschillende amateurniveaus in Nederland jongens die in vriendenteams voetballen en ze zouden uiteraard allemaal verliezen van Australie, maar zeker niet met meer dan 10-0 of 15-0. Zelfs de slechtste teams die ik ken zouden niet met 31-0 de pottenbak ingaan. 31 goals tegen: binnen elke 3 minuten eentje tegen. Dat is bijna kunst. En keeper: was er echt geen eentje houdbaar?  31  tegen: geen kroegteam dat ik ken zou het zover laten komen, laat staan de wat beter geoefende amateurteams. Hoewel mijn laatste team waarin ik speelde redelijk dichtbij het niveau van de Samoanen zat.

We schrijven het seizoen 1997/1998. Wij waren Pancratius 4. Speelden net over de grens van Amsterdam. Een stuk of twee jongens konden aardig voetballen. De rest was brandhout, zoals ik bijvoorbeeld. Ondanks dat de meeste jongens al vanaf hun jeugd samen speelden waren ze nou niet echt op elkaar ingespeeld. Onze eerste wedstrijd, thuis, kregen we gelijk met 1-13 op onze sodemieter.  Dat kan een keer gebeuren, dacht ik nog in mijn onschuld. Misschien hadden we wel gelijk de sterkste van de competitie getroffen. Maar nee, dat was het niet. We konden niet beter dan dit.De wedstrijden daarna waren we doorgaans ook al blij als we het aantal tegengoals onder de 6  hielden. 4-0 verliezen was voor ons een overwinning. Net als de Samoanen konden wij er officieel geen ene klote van. We voetbalden in de periferie van Amsterdam, Amstelveen, Haarlem, de Haarlemmermeer en dorpen als De Kwakel, Kudelstaart, Aalsmeer en Uithoorn. Vaak op onmogelijke tijden als 8.30 of 9.30. En we hielden allemaal wel van een stappie doen in het weekend. Ook de avond voor de wedstrijd.

Wij waren het Amerikaans Samoa in de diepste kelder van de kelder van de Amsterdamse onderbond. Al hadden we ook bijzondere kwaliteiten: zo was ik bijvoorbeeld een unieke rechtsbuiten met twee linkervoeten. En onze spits was buiten het veld aanzienlijk doeltreffender dan op het veld. Ik heb in dat ene seizoen meer vriendinnen dan doelpunten van hem gezien. Veel meer. Onze meest dramatische nederlaag was uit bij Hoofddorp. Iedereen was de nacht voor de wedstrijd weer eens op stap geweest en er kwamen slechts  8 spelers opdagen. Net genoeg om te mogen beginnen. En van de 8 die er op het veld stonden was de helft ook nog starnakel dronken van de voorgaande nacht. Een paar jongens die op het veld stonden werden slechts een uur of vier eerder de kroeg op het Leidseplein uitgedweild, samen met het andere afval. We kwamen dan ook snel achter. 1-0. Maar tot onze grote verbazing kwamen we via een flitsende aanval terug op 1-1. Maar met 8 tegen 11 hielden we helaas niet lang stand. Bij de 7-1 na twintig minuten was het moreel wel zo’n beetje geknakt en gingen we kloten en flauwe geintjes uithalen. De teller stopte bij 26-2. Toen wij weer richting Amsterdam gingen om in onze eigen kantine nog wat bier te drinken en wij lachend binnen kwamen lopen kregen we genadeloos op onze flikker van de voorzitter. Het nieuws van onze blamage was ons reeds vooruit gesneld. We hadden de club belachelijk gemaakt. Dat bier konden we vergeten. Althans, niet in zijn kantine. Of we heel snel op wilden rotten. In de krant stonden in die tijd ook alle uitslagen. Ook die van kneuzenteams als de onze. De wedstrijdsecretaris had 6-2 doorgegeven. Zodat de club niet al te veel voor lul zou staan.

Het was ook het besef dat we iets boven ons niveau waren ingedeeld. Na de winterstop werden we heringedeeld en kwamen we zowaar tegen teams te spelen waar we redelijk gelijkwaardig aan waren. Sterker nog: we werden tweede! Dus dan kun je nagaan hoe slecht de teams onder ons waren. Maar er was iets gegroeid in die tweede competiehelft: het gevoel dat we best wel wat konden. Het plezier kwam ook weer terug. Van elke week 8-0 of meer verliezen groeit de spelvreugde niet echt. Maar nu speelden we tegen teams die er net zo weinig van konden als wij, dat is toch leuker. Die tweede plaats pakten we uit bij RKAVIC in Amstelveen. Ons publiek: een hond naast het doel die uitbundig aan zijn kloten zat te likken, een oud mannetje en mijn vriendinnetje. We speelden best goed, voor ons doen. Zelfs ik. Vlak voor tijd stond het 2-2. Onze spits liep alleen op de keeper af. De keeper stopte zijn inzet, maar wie stond er op de goede plek? Juist: de piemelepoges die dit stukje schrijft. Ik knalde de bal onberispelijk tegen de touwen en rende extatisch over het veld. Alsof we de Champions League hadden gewonnen. Mijn teamgenoten renden achter mij aan.  Die goal maakte dat we tweede werden. Ik ging op de schouders het veld af en ik kreeg daarna een kusje van mijn meisie. ‘’Rodney in Oranje!!’’ scandeerden mijn teamgenoten. Het was ook meteen mijn laatste wedstrijd. Veel mooier kon het toch niet meer worden. Bovendien kreeg  ik na dat seizoen een vast contract bij Ajax. Goed, weliswaar als suppoost, maar toch. Op de loonlijst bij Ajax staan terwijl je niet kunt voetballen: ik heb het geflikt. Alleen Ivan Gabrich deed het beter, want die kreeg nog een miljoenencontract ook. Ik was elke week al blij met mijn paar tientjes. Maar de laatste wedstrijd die ik speelde was dus fantastisch. Er was geen mooier moment om te stoppen. Ik kon er geen reet van, maar hey, de ouwe straatvoetbalregel:  next goal wins. Die heb ik altijd in ere gehouden.   

Hoe het met de boys en girl van Amerikaans Samoa afloopt? Dat moet je zelf maar lekker gaan bekijken. Hiero is de link, doe maar klik. Maar ik verklap je één ding: zelfs als je niks met voetbal hebt tovert deze docu een lach op je gezicht. Een welbestede anderhalf uur.  

Rodweek 75 Money Don’t Matter Tonight

We schrijven eind juli, 2011. Het was een raar weekend. Op vrijdag nam Amsterdam afscheid van de oude Kraaijkamp en later dat weekend vond een of andere psychopathische Noor het nodig om een aanslag te plegen en bijna tachtig mensen naar een andere wereld te knallen. De volgende dag las ik dat het Amy Winehouse was gelukt om zichzelf te vernietigen. Op zondag ging ik eten bij een vriend. Tot zo ver niks geks op die zondag tot ik rond 21.00 werd gebeld door de Melkweg. Of ik zin had om ’s nachts te werken bij een verrassingsconcert. Nog redelijk moe van een paar dagen hard en veel werken besloot ik om het niet te doen. Ik wist op dat moment ook nog niet om wat voor concert het ging en ik had me eerlijk gezegd ook meer verheugd op gewoon een gezellig avondje bier zuipen en muziekjes luisteren met mijn gabber.

Via een vriend van ons die ook in de Melkweg werkt hoorden we dat het zeer waarschijnlijk om Prince ging. Prince zou eigenlijk in Oslo staan, maar vanwege al het gedoe daar zocht hij een alternatieve locatie, zo ging het gerucht. We keken op Facebook en wat je dan krijgt is een soort sneeuwbal. Het gerucht ging. Het gerucht bleek waar te zijn. Iemand begon met het te posten. Het werd gedeeld, doorgegeven en in een zucht en een natte scheet stond er een volksstam op de Lijnbaansgracht te dringen voor kaartjes.  Al snel werd ik van verschillende kanten gebeld en ge-sms’t. Omdat een hoop dingen buiten de Melkweg omgingen qua organisatie had ik ook geen idee hoe alles liep. Feit was in elk geval dat de Melkweg die avond een streng bewaakt Fort Knox zou worden en dat medewerkers die niet aan het werk waren ook niet aanwezig mochten zijn. Tenzij we natuurlijk een kaartje zouden kopen om onze eigen toko in te mogen. Kaartjes a raison van 100 euro. Cash af te rekenen. Nee dank u.

Een vriend van mij belde op vanuit zijn woonplaats Haarlem. Of het echt waar was dat Prince zou spelen. Hij informeerde namens zijn vrouw, een devote Prince-fan, die alleen al door het gerucht compleet in alle staten was geraakt. Op de achtergrond hoorde ik zijn vrouw extatisch roepen: ‘IS HET ECHT WAAR?! IS HET ECHT WAAR?!’ En luttele seconden na mijn bevestiging is zijn vrouw letterlijk het huis uit gerend, waarbij ze even een klein moment vergat dat ze drie bloedjes van kinderen heeft.  Ze stoof met piepende banden naar Amsterdam. Om daar vervolgens overigens net mis te grijpen want inmiddels had zich een flinke menigte op de Lijnbaansgracht verzameld die allemaal zonder blikken of blozen dat meijertje aftikten om ‘The Minneapolis Midget’ te zien optreden. Financiële crisis? Niet op dat kleine stukje Lijnbaansgracht in Amsterdam. Een beetje handige zakkenroller had daar goede zaken kunnen doen. Ondertussen bleef ook de sms op mijn telefoon roodgloeiend staan met allemaal mensen die van alles wilden weten, maar die ik ook niet zo veel kon vertellen.

Die eerste avond liet ik dus aan me voorbijgaan, maar het gerucht ging al dat er nog een tweede show zou komen. Om de een of andere reden ging ik daar ook gewoon van uit, dus ik ging rustig slapen.

Eenmaal wakker de volgende dag en internet bekijkend bleek dat het definitief was dat ‘die kleine Oempa Loempa op hoge hakken’, zoals een makker van mij (geen liefhebber) hem omschreef, op de maandag nog een show zou geven. Ik kon dus in de herkansing, want die tweede avond wilde ik dan wel werken.

Om 22.30 kwam ik aan bij de Melkweg en de rij buiten reikte tot ver over het Leidseplein. De vriendin uit Haarlem die daags daarvoor nog alle stoplichten negerend, doch tevergeefs, naar Amsterdam was gecrost had zich dit keer goed voorbereid en stond ruim op tijd in de rij. De mensen waren allemaal blij en iedereen leek het Prince-nummer ‘Money don’t matter tonight’ als motto te hebben. Iedereen betaalde zonder morren die meijer. Contant. Money don’t matter tonight. Dat geld ging later letterlijk mee in een boodschappentas.

Het was iets na 0.30, ik stond even in de rookruimte, toen een ietwat corpulente man in een te krap en verwassen ‘Purple Rain Tour 1984’- t-shirt binnen kwam stormen. ‘Wat doen jullie hier nog?! Het gaat NU beginnen!’ De tien mensen die aan hun verslaving stonden te werken hadden geen haast. Die weten dat het vaak nog een tijdje duurt voordat het manneke zelf het podium beklimt en rustig rookte iedereen z’n sigaretje op en liep vervolgens richting de grote zaal. Mijn collegae waren een stuk jonger en vonden het prima als ik in de zaal ging kijken. Zij hadden niet veel met hem. Prince maakte indruk op me. Er stond een waanzinnig goeie muzikant die werkelijk niets aan het toeval had overgelaten. Een show waarin hij vrijwel al zijn hits afwisselde met lange funksessies en covers, het was dik drieënhalf uur topvermaak. De mensen kregen absoluut waar voor hun 100 euro.

Blij ging ik weer naar huis, deze kon ik toch maar weer mooi afvinken. Hoewel ik me later realiseerde hoe wrang het eigenlijk was dat we deze mooie avond te danken hadden aan een Noorse psychopaat.