Rodweek 63 Berlijn

Een paar weken geleden was ik in Berlijn. Niet voor het eerst, maar het was wel een behoorlijke tijd geleden. Ik kwam er voor het eerst in de zomer van 1998. Ik had daar toen een scharrel, een dame die ik in Amsterdam had ontmoet. Ik was 21 en Silvana was een jaar of 12 ouder. Ze had al een hele geschiedenis van alcohol – en drugsverslavingen achter zich liggen. Sil was geboren en getogen in Berlijn, in Kreuzberg en daar woonde ze nog steeds. Ik was lekker relaxed met de trein gegaan en Sil haalde me op van het station. Dat was destijds nog behoorlijk achenebbisj, zoals de hele stad dat eigenlijk was. Beetje groezelig. Vooral in voormalig Oost-Berlijn. Daar stonden in sommige straten wel gevels overeind maar er zat niks meer achter. Een tamelijk rauwe stad, maar wel met een heel erg goede vibe.

Sil moest gewoon werken, maar ik had de sleutel en kon gaan en staan waar ik wilde in de stad. En dat deed ik dus ook. Sil had echter één belangrijke regel: ze wilde absoluut niet dat ik bier dronk in haar huis, vanwege haar verslavingsachtergrond. Maar goed, op een dag ging mijn dorst waar het niet gaan kon en kocht ik toch twee biertjes die ik in haar huis opdronk. De lege blikjes gooide ik keurig in de vuilnisbak, maar die had ik toch wat beter moeten verstoppen. Toen Sil thuiskwam van haar werk en de vuilnisbak opende om iets weg te gooien zag ze die twee blikjes en ontstak ze in blinde woede.

Ik kreeg direct rood. Ik kon vertrekken. Raus! Ik had niet zomaar haar voornaamste huisregel met gestrekt been overtreden, ik had m’n reet ermee afgeveegd zoals Ronald Koeman in 1988 deed met het shirt van Olaf Thon. En zo stond ik een paar minuten later met m’n tasje op straat. Haar beslissing was terecht, vond ik meteen: ik was een lompe lul geweest en moest daar nu de consequenties van dragen. Maar hoe nu verder?  Ik moest nog vijf dagen in Berlijn zijn en geld voor een hotel had ik niet, maar ik wilde ook nog niet naar huis. Berlijn beviel me wel. Ik besloot om maar even in de kroeg te gaan zitten en, als kersverse dakloze in Berlijn, eens na te denken wat nu te doen. De Frankenbar aan de Oranienstrasse was inmiddels bekend terrein voor me. Ik bestelde een grote bier en kreeg al snel gezelschap van een leuke jongedame, ongeveer mijn leeftijd, waar ik een leuk gesprek mee kreeg. Gaande de avond raakten we wel erg geïnteresseerd in elkaar, ét voila: ik had een slaapplek voor de komende vijf dagen gevonden. Mijn lange haren, die ze mooi vond, hadden me weer eens gered.

En zo bracht ik de tweede helft van mijn vakantie door met een andere dame dan degene voor wie ik eigenlijk kwam en kreeg ik de stad vanuit een ander perspectief te zien. En zo kwam het toch nog goed. Zoals eigenlijk alles doorgaans wel goed kwam bij mij in die tijd. Alles loste zich altijd wel op. Dat iets niet zou lukken was geen optie. Ik was daar als twintiger totaal nooit bang voor. Compleet onbevangen. Ik zou weleens willen dat ik die onbevangenheid nog steeds had.

Want ineens was het 2019 en ging ik, precies twee keer zo oud als in 1998, en een aantal vriendinnen verder, weer eens naar Berlijn, ditmaal met mijn huidige Nederlandse vriendin. Het station is inmiddels een groot modern complex met winkelcentra en restaurants geworden.

We kochten keurig openbaar  vervoerskaartjes voor de hele periode dat we daar zaten. Maar, dat bleek niet veranderd sinds de jaren 90: daar kijkt geen chauffeur of controleur naar. Als we niets hadden gekocht was het ook goed geweest, dus goed om te weten voor de volgende keer.

Ik hou van wandelen door een stad. En hier en daar neerploffen en dan eten en drinken. Lopen, kijken, de sfeer van de stad voelen en lekker buiten zijn. Ik kan daar intens van genieten en zo deden we het dus ook. Marijke kan daar ook prima in meegaan. Met musea doe je me doorgaans geen lol, maar toch hebben we er eentje bezocht. Het Ramones-museum waar we per ongeluk tegenaan liepen! Een kroeg met daarachter een heel museum. Voor de somma van zeven euro, inclusief bier, mag je rondstruinen tussen een uitbreide collectie parafernalia van één van mijn favoriete bands ooit.  Het eerste museum in jaren waar ik het een uur heb volgehouden zonder dat ik na tien minuten al zit te denken wanneer het eindelijk klaar is.

Het viel me op dat Berlijn weliswaar schoner en wat aangeharkter was dan zoals ik het kende, zo heeft Oost Berlijn nu ook hippe restaurantjes en barretjes, maar dat de stad me qua vrije sfeer meer doet denken aan het Amsterdam van de jaren negentig dan dat Amsterdam me soms nog aan het Amsterdam van de jaren negentig doet denken. Minder regeltjes, minder gedoe en vooral: minder gezeur. Ik heb het idee dat het in Berlijn allemaal wat vrijer en losser is dan in Nederland, het land waar de VAR niet alleen voor het voetbal maar voor de hele samenleving gebruikt wordt. Je weet hier soms niet meer wat je wel en niet kunt zeggen en doen zonder dat daar een grote maatschappelijke discussie over ontstaat met 80.000 verschillende meningen zodat we er uiteindelijk nooit uitkomen.

Ik zou niet in Berlijn willen wonen, daarvoor ben ik teveel aan Amsterdam gehecht, maar ik kom er zeker weer terug. En dat gaat dit keer geen 21 jaar duren.     

Rodweek 62 ALLES IS DE SCHULD VAN FEMKE!

De tram die te laat komt. Je pet die in de gracht waait. Het vluchtelingenprobleem. De snackbar in je straat die stinkt naar oud frituurvet. Die pestpleuristoeristen. Ajax verloren. Godverdomme, je favoriete toko dicht terwijl je zo’n zin had in die lekkere dagschotel. De kroeg ook dicht. Dat kan er ook nog wel bij. Je klotebaan. Je zeurende baas. Dat je net in de hondenstront hebt getrapt en dan ook nog in van die natte die zo lekker in je profiel blijft plakken. In Amsterdam heeft een deel van de bevolking voor al dit soort calamiteiten sinds een dik jaar een duidelijk aanwijsbare oorzaak gevonden. Bijzonder overzichtelijk, want dan hoef je ook niet meer verder te zoeken naar de bron van alle ellende. Die oorzaak luidt, heel simpel: ALLES IS DE SCHULD VAN FEMKE HALSEMA! DE LEIDSTER VAN DE GROENE KHMER IN DE STOPERA! PYONGYANG AAN DE AMSTEL! Lees verder

Pikhaar

Ja,ik ben schuldig. Ik heb het ook gedaan. Iedereen moet nou eenmaal geld verdienen en dus was ik vroeger ook zo’n  vervelend klierig mannetje die mensen altijd op de meest ongeschikte momenten belde. Het was half tot eind jaren negentig. Vanuit een groot glazen kantoorgebouw in het meest troosteloze gedeelte van Slotervaart/Overtoomse Veld colporteerden wij telefonisch proefabonnementen voor het Parool, het NRC, AD en de Volkskrant en deden we aan fondsenwerving voor onder andere Greenpeace.

Op mijn eerste dag, met mijn eerste klant, maakte ik mijzelf gelijk legendarisch. In het scherm verscheen de naam van een mijnheer Pikhaar. Niemand durfde die man te bellen omdat ze allemaal bang waren om in de lach te schieten. We waren toch allemaal nog een beetje giechelige pubertjes van negentien of twintig jaar. Je kon een naam doortikken naar een andere computer en zo verscheen Pikhaar bij mij in het scherm. ‘’Ik bel die Pikhaar wel!’’, zei ik stoer, zette mijn headset op en drukte op de belknop. Mijn nieuwe collega’s gingen om mij heen zitten. Kijken wat die nieuwe kan. De speaker stond aan.

Hij nam op! Shit, niet lachen, Rod, niet lachen! Lees verder

Rodweek 60 Brandende billen in Budapest

In 1994 kwam ik, als zeventienjarige, voor het eerst in Budapest. We mochten kiezen aan welk schoolreisje we deel wilden nemen: Londen, Parijs of Budapest. Opvallend: de wat saaiere leerlingen kozen Londen en Parijs, de boefjes kozen Budapest. Ik sloot me bij de laatste groep aan. Parijs en Londen lagen dichtbij. Daar konden we altijd nog heen, zo redeneerden wij. Budapest was Oost-Europa, mysterieus, beetje gek, de Muur was nog niet zo lang gevallen, en dus spannend! En wat hebben die knakkers daar al die tijd verborgen gehouden voor ons achter dat IJzeren Gordijn, zo vroegen wij ons af? Lees verder

Rodweek 59 Lieve Mona en Maria weet raad

Afgelopen week bleek ‘Lieve Mona’ het tijdelijke voor het eeuwige te hebben verwisseld en ik kreeg een flashback naar de jaren 80. Mijn moeder las diverse pulpblaadjes en ik bladerde die als kind ook wel eens door, nu ze er toch lagen. In deze tijd zou ik mijn tijd verdoen met veel te lang op social media blijven plakken, maar in die tijd las ik de tijdschriften die op dat moment voor handen waren. Zoals bijvoorbeeld de Story. Zo’n lekker dom roddelblaadje, waarin we het wel en wee van bekend Nederland konden volgen. RTL Boulevard, maar dan in tijdschriftvorm. Eén van de rubrieken in de Story was ‘Lieve Mona’. Mona, een vrouw van middelbare leeftijd, gaf haar moederlijke adviezen aan lezers die haar een brief stuurden over allerhande kwesties.

Weer wat later, in de jaren negentig, kwam ik op woensdagmiddagmiddag thuis uit school en een van de eerste dingen die ik dan altijd deed was kijken op teletekstpagina 371. Want dan stond de nieuwste ‘Maria weet raad’ op de pagina. Maria gaf pubers en adolescenten adviezen op seksueel gebied. De vragen waren soms redelijk en begrijpelijk, maar soms ook hilarisch. Vragen als: ‘’Ik heb mijn vriendje gepijpt en hij is in mijn mond klaargekomen. Ben ik nu zwanger?’’ Maria ging met elke vraag even respectvol om, hoe stom of naïef ze ook waren. We bespraken de vragen op donderdag vaak op het schoolplein. ‘’Heb je de nieuwe Maria al gelezen?’’ Dat was meestal het geval. Vrijwel iedereen klikte bij thuiskomst gelijk pagina 371 aan, zodat ze donderdag konden meepraten. Lees verder

Rodweek 58 Quartier Putain

1989. Een populair grapje in die tijd, waar ik als twaalfjarig kotertje ontstellend om moest lachen was: ‘’Het meest geile beroep ter wereld? Postbode natuurlijk! Dan ga je van gleuf tot gleuf net zolang totdat je zak leeg is!’’ Ik had nog nooit een gleufje van dichtbij gezien en hoe ik die zak moest legen wist ook nog niet zo goed, maar ik vond het een hilarische grap.

Ik kon op dat moment nog niet bevroeden dat ik 30 jaar later, anno 2019, als 42-jarig oud fossiel, als gleuvendouwer actief zou zijn in de rosse buurt van Amsterdam. Sinds een tijdje loop ik even tijdelijk niet mijn postrondes door de Jordaan, maar over de Dam, het Rokin en de Nes aan de ene kant en de Warmoesstraat en het Oudekerksplein aan de andere kant. Bij dat laatste plein begint de rosse buurt zo’n beetje. Dames uit alle windstreken tikken er tegen de ramen en knipogen naar potentiële klandizie. Hoewel er tegenwoordig eigenlijk voornamelijk giechelende toeristen en schreeuwende proleten langslopen die de dames uitlachen en compleet over hun toeren raken als ze een knipoogje krijgen. Mensen kunnen walgelijk zijn. Lees verder

Rodweek 57 De Willemsstraat zal nooit verloren gaan.

Zoals sommige mensen een bonuskind, -vader, -moeder, -broer of –zus hebben, zo heb ik 10 jaar lang een bonus-opa en oma gehad: Frits en Ans, de opa en oma van mijn ex-vriendin. Wat Ans betreft moet ik vanaf nu helaas in de verleden tijd praten, want ze is twee dagen geleden overleden.

Mijn kennismaking met Ans was op de verjaardag van mijn toenmalige schoonvader. Het was de eerste ontmoeting met mijn kersverse schoonfamilie. Ik kreeg meteen iedereen te zien. Onderweg naar de tuin passeerde ik Ans en een beetje in gedachten verzonken liep ik door. Dat liet Ans niet gebeuren.
‘’Zeg Gerrit, wie bent u eigenlijk?’’
Ik was er in één keer weer bij en ik stelde mij netjes voor. We raakten aan de praat en hadden een vrolijk gesprek. Ans was een geboren Jordanees uit de Karthuizersstraat en we kregen het al gauw over muziek uit de Jordaan. Een ietwat vreemde kronkel in mijn muzieksmaak is mijn voorliefde voor oude Nederlandstalige muziek en ik weet een boel teksten uit mijn hoofd. Oma’s lievelingslied was De Begrafenis van Manke Nelis, gezongen door Johnny Jordaan en dat is ook één van mijn favorieten. En voor we het wisten zaten we samen dat lied te zingen. De eerste zin van het lied luidt: ‘’De hele Willemsstraat is in rep en roer, eenieder trok z’n zondagse pakkie aan.’’

Sinds die tijd spraken Ans en ik elkaar steevast aan met ‘’Willemsstraat’’. Lees verder

Rodweek 56 Telefoon voor Axl Rose

Op dinsdags en vrijdags ga ik altijd even langs De Bijenkorf, De Industrieele Groote, Gassan Diamonds en natuurlijk Hotel Krasnapolsky. Goed, het is dan weliswaar alleen om de post te bezorgen, maar daar gaat het niet om. Vaak als ik in ‘Kras’ ben voel ik trouwens de dringende behoefte voor een sanitaire stop. Ik noem het hotel tegenwoordig dan ook  ‘Plasnapolsky’.

Stuk voor stuk prachtige gebouwen, maar wat er zich voor de rest achter die muren afspeelt: het zal me aan m’n derrière oxideren. Ik heb er voor de rest niets te zoeken. De Bijenkorf kwam ik vroeger nog wel eens, maar als ik zie wat voor proletenpaleis dat is geworden loop ik liever gelijk door. Lees verder

Rodweek 55 Caca sur le trottoir dans Bois & Loimbre

Een veelgenoemde theorie waarom de Jordaan de Jordaan heet is dat de Franse Hugenoten die in de 18e eeuw naar Amsterdam waren gevlucht de buurt ‘’Jardins’’ noemden vanwege de vele tuinen die er toen in de buurt waren. Dat zou in de loop der jaren in mooi Amsterdams verbasterd zijn tot  ‘Jordaan’ en het kan een verklaring zijn waarom veel straten en grachten in de Jordaan naar bloemen en planten zijn vernoemd. Of het waar is, is een tweede, maar dat is dus één van de naamsverklaringen.

Dus wellicht begon toen het gesodemieter al dat onze volksbuurten een Franse naam krijgen. Want een kleine drie eeuwen later adverteert vastgoedpenoze Pinnacle, u weet wel, de melkkoe van onze toch al niet bepaald arm geboren volksuitbuiter Prins Bernhard jr. met zijn nieuwe project, een tot appartementen omgebouwd kantoorgebouw. Dat ligt aan de Haarlemmerweg, naast het Westerpark, grenzend aan de Admiraal de Ruyterweg, één van de ingangen van de wijk Bos en Lommer, of zoals onze Prins Poenschepper het noemt: Bois & Loimbre. Lees verder

Rodweek 54 Memorabele Memo

Na een middagje bier drinken en voetbal kijken in de Ierse Pub en het nuttigen van een copieuze Babi Pangang, kip en witte rijst bij de Chinees  zat tweede kerstdag er weer op voor mij. Een welbestede dag en ik besloot maar eens vroeg naar bed te gaan. Lekker boek mee. Ik wilde, als postbode zijnde, ‘The Postoffice’ van Charles Bukowski weer eens herlezen. Dat was best een tijd geleden dat ik die gelezen had, dus ik trok ‘m weer eens uit de kast. Hoelang geleden ik dat boek had gelezen bleek toen ik, eenmaal geïnstalleerd in bed, het boek opensloeg en er een vergeeld, muf ruikend memoblaadje uit zag vallen. ‘’5-9-’98 21.30 Meeting Point A’dam CS’’ had ik er op geschreven in mijn hiërogliefenhandschrift. En een telefoonnummer dat begon met 035. Dus iets of iemand in ‘t Gooi. Mobiele telefoons waren toen nog redelijk exclusief, mensen hadden gewoon thuis een vaste lijn. Op de achterkant van het briefje stond ook iets. ‘’Swatch Motivaction Vondelstr. 26.  17.00-19.00. F60,-. ‘’ Lees verder