Bejaardenblog 3: Kampioenen van De Klinker


Ik werk nu twee weken in het verzorgingstehuis in de Kinkerbuurt en inmiddels weet ik van mijn zeven schatties zo ongeveer wel met wie en op welk niveau ik een gesprek kan voeren. Met Eduard en Noortje vrijwel niet, die kunnen weinig tot niet praten. Al geven ze goed aan als ze iets nodig hebben, maar een echt gesprek zit er niet in. Met Leo, mijn Ajacied,  is het lastig communiceren. Niet omdat hij uit de binnenlanden van Suriname komt, maar omdat hij binnensmonds en heel snel praat. Ik moet dingen soms wel drie keer aan hem vragen omdat ik er niks van versta. Het ligt gelukkig niet alleen aan mij.  Niemand verstaat hem goed. Maar uiteindelijk komen we er altijd wel uit. Karel heeft goede en slechte momenten.  

Klara de downie en ik hebben een soort eigen taaltje ontwikkeld die we allebei begrijpen en met haar speel ik domino. Laatst moest ze naar haar kamer want er kwam een artiest liedjes voor haar zingen. Ze beweegt nogal onhandig en heeft de souplesse van een blok beton. De zusters kregen haar niet mee. ”Laat mij maar even”, zei ik. Ik zei haar dat ze me een arm moest geven. ‘’Hey Klaartje! Luister even naar mij. Doen we net of we een afspraakje hebben! Ben jij mijn date.’’ Meteen hing ze aan mijn arm en liepen we al ‘’Lalalalalalala!!’’ zingend naar haar kamer.

Met Ingeborg en Ramona communiceer ik het best. Met Ingeborg zelfs op behoorlijk intelligent niveau. Met Ramona kan ik ook wel uit de voeten, maar ze is heel erg vergeetachtig.

En zo leer ik dus met wie ik en wel of niet een spelletje kan spelen. Een spelletje als Yahtzee of Rummikub. Dat kan eigenlijk alleen met Ramona en Ingeborg.

Maar toen was er ineens afgelopen vrijdag. Ik  stond rustig de lunch te maken voor mijn cluppie en hoorde ik een van de begeleiders met Ramona praten en ik ving het woord ‘’pubquiz’’ op. De Klinker organiseert dus gewoon elke vrijdag een pubquiz in de grote kantine beneden! Wie mij kent weet dat ik een fervent quizzer ben. Zowel aan de presenterende en organiserende kant als aan de deelnemende zijde.

Mijn aandacht was in één keer gewekt! Ramona wilde graag heen, maar niemand kon. Toevallig viel het aanvangstijd van de quiz samen met de tijd dat mijn werkdag erop zat.

‘’Kom op, Ramona, wij gaan samen.”
‘’Maar jij bent nu vrij toch?’’
‘’En daarom kunnen wij samen quizzen!’’
‘’Echt waar, Rocky?’’
‘’Nee, grapje. Natuurlijk, gaan we echt, gekkie van me! We gaan iedereen verslaan samen! We zijn allebei Indo’s. Noemen we onszelf ‘’Team Rendang.’’ Vind je het leuk om samen te quizzen?’’

Ramona vond het leuk en daar zat ik dan mijn eerste pubquiz in maanden te spelen in een verzorgingstehuis. De quizzen die ik normaal speel zijn in kroegen en overgoten met drank. Nu zat ik tussen de oudjes en een paar begeleiders met een kopje thee. De quiz was aangepast op het niveau van de deelnemers. Niet al te moeilijk. Een wat andere quiz dan ik gewend ben.

Ik besprak van te voren even onze tactiek met Ramona.
‘’Ramoon, we moeten wel fluisteren naar elkaar want anders horen de andere mensen onze antwoorden. En we moeten natuurlijk wel winnen.’’
‘’Ja, Ronnie!’’

Dat idee kon al snel naar de prullenbak. Al bij de eerste vraag schreeuwde mijn teamgenote al gelijk het antwoord door de zaal.

‘’Ramona, we moeten schrijven, niet roepen.’’
‘’O ja. OK.’’
Om vervolgens bij de volgende vraag het antwoord aan de buurvrouw te geven die de vraag niet had verstaan: ‘’Robbie (ik dus) zegt dat het Clint Eastwood is!’’

 Vrijwel alle vragen, hier en daar onderbroken door een bulderende scheet vanuit de zaal, wist ik wel, maar ik probeerde om Ramona zelf na te laten denken. Soms kwam ze er op, vaak ook niet en dan vulde ik het gewoon in. We moesten winnen. Ook al omdat Ramona zei dat ze toch nooit won.

Eén vraag, een fragment wist ik niet. Het was het nummer ‘’Ik zou je het liefste in een doosje willen doen’’. Ik kende het nummer wel, maar wist niet meer van wie het was.
‘’Donald Jones’’, fluisterde Ramona.

En verdomd, het was goed.

Einde quiz: Ramona en ik hadden gewonnen met 1 punt verschil. Ik zeg het altijd tegen mensen die niet mee willen spelen omdat ze denken dat ze nooit een quiz winnen: ‘’Die ene die jij weet en ik niet, kan zomaar de winnende zijn.’’ En dat was deze van Ramona dus.

Ramona en ik gaven elkaar een High Five en zeiden heel hard ‘’Yes! Wij zijn de beste!’’

Ze was helemaal blij.

‘’Maar, Rogier, jij hebt bijna alles geraden en ik niet zoveel.’’
‘’Klopt, Ramona, maar jij maakte wel mooi de winnende. Wij waren samen vandaag het Ajax van De Klinker! Kampioenen van De Klinker. We waren beter dan iedereen!’’
‘’Yes, Ronny! Goed waren we he!’’  
”Ik hoop dat we volgende week nog mee mogen doen, Ramoon, zo goed waren we!”
Ze moest lachen.

Ik bracht Ramona terug naar haar afdeling. We liepen, als ware kampioenen juichend door de gangen, ik racend achter met haar in de rolstoel. Ze lachte het uit als een jonge meid. Iedereen mocht weten dat wij de besten waren. Een begeleidster van de afdeling maakte een grapje naar ons.

Ik zei: ‘’Ik zou maar effe niet zo bijdehand doen, grapjurk, want je spreekt hier toevallig wel met de winnaars van de quiz!’’
Ramona glom.’’ We waren echt goed he!’’ En we gaven elkaar weer de hoge vijf. ‘’Yes!’’

Ik zette haar weer neer aan haar vaste plek in de huiskamer en ze vertelde iedereen honderduit over onze overwinning. Ik ging maar weer eens op huis aan.

De volgende ochtend was ik er weer. Ramona ook gelukkig.

‘’Goeiemorrege Ramona! Mijn quizvriendin! Was leuk he gisteren!’’
‘’Goeiemorrege Roddy. Ja was echt leuk gisteren! Zo gezellig met jou! Maar hoeveelste zijn we nou eigenlijk geworden?’’

PS: De namen van bewoners en medewerkers zijn in het kader van de privacy gefingeerd.

Voor Bejaardenblog 1: klik hiero

Voor Bejaardenblog 2: klik daaro

En die ouwe Rodzooi komt komende maand ook met z’n nieuwe boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk.







 

Bejaardenblog 2 MAFKEES

Bejaardenblog 2 MAFKEES

Je hebt van die mensen die zodra ze wakker zijn ook meteen echt op stand ‘AAN’ staan. Die gelijk beginnen te ouwehoeren dat het een aard heeft en gelijk helemaal scherp en gefocust zijn op wat er op de nieuwe dag allemaal moet gebeuren. Ik niet. Ik heb altijd even tijd nodig om in de dag te komen. Mijn tijdelijke nieuwe ritme in het verzorgingstehuis is een compleet andere dan dat ik gewend ben. Om 9.00 moet ik aanwezig en ‘AAN’ zijn. Op zich kan ik om 8.15 opstaan, snel onder de douche springen, een broodje en thee naar binnen knallen en om 8.40 op de fiets zitten en dan precies op tijd op het werk zijn. Maar ik hou niet van gehaast. Ik sta tussen 6.30 en 7.00 op, maak rustig ontbijt, lees het nieuws, douche rustig en dan fiets ik rond 8.30 relaxed richting De Klinker. Tien minuten voor ik begin maak ik dan even een kopje thee voor mezelf en dan wacht ik tot mijn club van zeven de ontbijtzaal binnendruppelt.

Dan ben ik dus al zo’n twee uur wakker en dan begin het lampje redelijk op ‘AAN’ te staan bij mij. Moet ook wel. Klara, mijn downie die nooit down is, wordt als eerste de huiskamer ingeloodst. En Klara is altijd vrolijk, lacht altijd, dus ik wens haar vrolijk goedemorgen. Haar begeleidster wijst naar me en zegt tegen Klara: ‘’Hey wat leuk! Die ken je toch wel? Hoe heet hij ook alweer?’’ Waarop Klara lachend naar mij wijst en roept: ‘’MAFKEES!’’  

Blijf dan nog maar eens in je laatste restje duffe ochtendchagrijn hangen. Ik word daar gelijk net zo vrolijk als Klara van. ”Je bent zelf een mafkees!”, zeg ik dan en dan moeten we allebei lachen.

De rest van de goegemeente komt ook binnen en ondertussen maak ik voor iedereen ontbijt. Karel is altijd blij om mij te zien en zegt zodra hij binnenkomt: ‘’Ach, daar is die mooie man weer!’’ En dat herhaalt ie nog een keer of vijftig gedurende mijn shift. Met Leo neem ik nog even snel het voetbal van het weekend door.

Ingeborg is wat later. Ik hoor haar schreeuwen vanuit haar kamer. Schreeuwen van de pijn. Ze is een chique dame, maar als ze pijn heeft kan ze vloeken als een vrachtwagenchauffeur. Het gaat me door merg en been. Als ze even later binnenzit vraag ik wat ze precies mankeert en waarom ze zo’n pijn heeft. Ze heeft neuropathie en dan de extreem pijnlijke variant daarvan. Ik weet niet wat neuropathie is maar ze legt me uit dat het een neurologische stoornis is die leidt tot hele heftige chronische pijn in haar voeten. Letterlijk zo heftig dat als ze een slechte dag heeft een neerdwarrelend veertje op haar voeten al helse pijnen kan veroorzaken.

Ze kijkt treurig. ‘’Weet je, Ronnie: oud worden is een zegen, maar oud zijn valt best tegen.’’ Ik merk dat ik dat best naar vind om te horen. Ik zou niets liever willen dan zo’n gezegende leeftijd als Ingeborg halen, maar als je elke dag schreeuwend van de pijn wakker wordt en je ook niet meer zelfstandig naar buiten mag: het lijkt mij heel heftig. Niet iedereen op mijn afdeling is geestelijk even goed meer bij, maar Ingeborg is dat wel. Zij kan soms hooguit wat versuft zijn door de medicatie, maar met haar kun je echt wel een gesprek op niveau voeren.

Ingeborg noemt mij dus ‘Ronnie’. Ramona noemt me ‘Rocky’. Leo noemt me ‘Robbie’. Noortje en Eduard zijn communicatief niet meer zo vaardig, dus bij die twee hou ik zelf in de gaten wat ze nodig hebben. Karel noemt me altijd ‘lieverd’, ‘schattebout’ of ‘die mooie man’ en Klara houdt het gewoon bij ‘’MAFKEES!’’ Ik luister naar alles. Ik had in de jaren negentig in Bos en Lommer twee hoogbejaarde onderburen. Als ze nog zouden leven zouden ze minstens 115 zijn. Die hebben me in de twee jaar dat we in hetzelfde portiek woonden letterlijk elke naam beginnend met een ‘R’ genoemd, behalve Rodney. Het zal een moeilijke naam zijn voor ouderen, ik vind het prima.

Behalve ontbijt en lunch bereiden voor mijn club van zeven, helpen met voeren, monden afvegen,  ouwehoeren en spelletjes spelen heb ik er ook een nieuwe taak bij gekregen: roken. Een bewoner van een andere gang, ik noem ‘m Humphrey, wil twee keer roken, maar degene die hem normaal begeleidt naar de rookruimte is bezig om te stoppen met roken. Dus of ik mee wil met hem. Nou ben ik nooit echt een ochtendroker geweest en zelfs ’s middags moet ik er vaak nog niet eens aan denken, maar vooruit, dan rook ik maar wat eerder voor de goede zaak, want dat vindt Humphrey gezellig. Humphrey houdt gelukkig ook van voetbal dus tijdens onze rooksessies praten we daarover. Hij speelde in Suriname voor een van de grote clubs daar en kende ook de vaders van Gullit en Rijkaard nog.  

Terug op de afdeling meldt Karel mij dat ik zijn dikke vriend ben en ik reageer daarop: ‘’Wat zeg jij nou Karel? Zeg je nou gewoon dat ik dik ben? Dan zijn we geen vrienden meer!’’ Bij Karel duurt het wat langer voor hij een boodschap of grapje heeft geregistreerd maar omdat hij ziet dat iedereen om hem heen lacht, lacht hij ook mee en zegt hij nog maar eens voor de vijftigste keer dat hij mij een mooie man vindt. Klara hoort het gelach ook en lacht ook mee.

Mijn shift zit er op. Ik ga naar huis. Ik zeg iedereen gedag en zeg dat ik er vrijdag weer ben.

‘’Dag mooie man!’’, zegt Karel nu voor de eenenvijftigste keer.

Klara kijkt me vragend aan als ze me in mijn jas ziet staan.

‘’Doei, Klara tot vrijdag!’’

‘’DAAAAAAAAG!!!! MAFKEES!!!’’

PS 1: De namen van alle bewoners en personeel heb ik in het kader van de privacy gefingeerd. Eerste deel van de Bejaardenblog lezen? Klik hiero .

PS 2: Mijn nieuwe boek ”Het nut van een gebreide condoom” komt binnenkort uit. Bestellen? Mail naar rodney@rodzooi.nl of via Facebook een PB naar Rodney Rijsdijk.





   
 

Bejaardenblog 1 De avonturen van Rod met K.L.I.N.K.ER.


Wie mij een jaar geleden had gezegd dat mijn leven er nu zo uitziet als dat het nu doet had ik op laten sluiten in een tehuis. Ik had het toch allemaal lekker voor elkaar? Mijn leven was een prachtige film waarin een mooi huis met een gekke kat, een vaste vriendin, een baan die steady doorliep en een rijk gevuld sociaal leven, waarin voetbal, kroeg- en concertleven en stedentrips allemaal een Oscarwinnende hoofdrol speelden. Ik had ook net een mooi goed verkopend boek uit. Het leven was één groot feest. Dat is het bij mij eigenlijk altijd geweest.

In een jaar tijd is bijna alles veranderd. Alleen het mooie huis met de gekke kat heb ik nog. De vriendin nam de pleiterik en niet veel later pakte de pandemie de rest van mijn gezellige leven af. Met even een zomerstop.

Nou ben ik niet snel van het mezelf zielig vinden en dus moest ik dingen vinden om deze tijd toch leuk te houden. Ik spreek af en toe best nog met mensen af, ik wandel veel, ik schrijf veel en ik heb veel tijd gehad om over dingen in het algemeen en mezelf in het bijzonder na te denken. Laat dat dan maar de winst van dit bizarre jaar zijn.

Wie mij vorig jaar op 9 november 2019 had gezegd hoe mijn leven er op 9 november 2020 eruit zou zien had ik dus gelijk op laten nemen in een tehuis, ik zei het al. Maar zie: op maandag 9 november 2020 werk ik zelf ineens in een verzorgingstehuis! Maar gelukkig in De Klinker. Bekende grond. Ik werkte jaren aan de overkant in Café Bax om daar de oudjes, die zich nog zelfstandig naar de kroeg konden slepen, stiekem van een ‘’Hassebassie’’ (ouwe Amsterdammers van rond de 103 weten nog dat dat een jenevertje is)  te voorzien. De opa van een van mijn exen, die ik nog steeds spreek, woont er in een aanleunwoning en ik ken de buurt en de mores en de taal van de buurt goed, ook omdat ik zelf meer dan mijn halve leven in West heb gewoond.

Vandaag dus mijn eerste dag. Café de Toog is dicht en via #horecahelptdezorg werken ik en een aantal collegae nu voor zorgcentra.

Ik had geen idee wat ik moest verwachten, want ik heb nooit in de zorg gewerkt, maar ik werd door het afdelingshoofd naar de keuken en eetzaal van één van de gangen begeleid. Een gang met zeven bewoners. Ik zal hun namen in het kader van de privacy fingeren. Het zijn er dus zeven dus ik geef ze namen die beginnen met de zeven letters van het tehuis, De Klinker. Ik stel u in volgorde van de letters voor aan:

K: Karel, de ouwe theeleut, die uitermate vrijgevig is met complimenten.
L: Leo, mijn nieuwe Ajax-vriend.
I: Ingeborg, de chique welbespraakte dame met grandeur en speciale eetwensen (lees: eisen)
N: Noortje, de schone slaapster die ik help met haar eten en drinken
K: Klara, de vrolijke domino-spelende dame met Down
E: Eduard, de blinde meneer die veel eet
R: Ramona, de lieve Aziatische dame die houdt van haken

Mijn dienst begon om 9.00 en nadat het hoofd van de afdeling, laten we haar Helga noemen, mij had laten zien waar alles stond, hoe alles werkte én, niet onbelangrijk: de eetwensen van de club van zeven aan mij had doorgegeven, werd de eerste van mijn nieuwe vaste gastenkring binnengereden: Karel. Karel kan niet meer zo goed praten, maar met een beetje geduld redde ik het prima met hem. Hij heeft een mooi vocabulaire, het komt er alleen wat moeizaam uit. Karel is een echte theeleut, daar kwam ik gaandeweg de dag achter. Zijn broodje jonge kaas sneed ik in vieren en dat voerde ik hem. Met zijn favoriete bezigheid, thee drinken, hielp ik hem ook, want dat ging gelijk mis toen hij dat zelf probeerde. Karel is zeer complimenteus. Hij heeft wel dertig keer gezegd dat hij mij een mooie man vindt. ”En je ken beter naar een mooie man kijken, dan naar een lelijke!” Dat soort complimenten hoor ik de laatste tijd ook niet vaak meer, dus ook al is het van een ouwe kerel die niet meer zo goed ziet en niet van een mooie meid: een compliment is altijd meegenomen. Ook na dertig keer.

Even later werd Ingeborg binnengereden. Ingeborg is een dame die het rijke leven heeft geleefd. Zo praat ze ook. Met een deftig accent. Een echte Oud Zuid-dame. Zij eet graag een speciaal voor haar geprepareerd bakje muesli en een kopje koffie en daarna twee broodjes oude kaas. Van de boterhammen moet de korst met een speciaal schaartje worden afgeknipt en zij is de enige voor wie speciaal een vlootje roomboter klaarstaat. De anderen moeten het gewoon met Halvarine stellen. Ze praat graag en ze heeft een rijk verleden, waarvan ik nu pas een tipje heb gehoord. Daar gaat ze zeker meer over vertellen.

Eduard, de volgende die werd binnengereden, is een hoogbejaarde blinde meneer die nog tot hoge leeftijd zelfstandig heeft gewoond tot hij van de ene op de andere dag blind werd. Hij ontbijt met broodjes die in kleine stukjes worden gesneden. En thee in een kopje met een groot oor, want anders kan hij het niet vastpakken. Hij heeft geen hulp nodig. Met zijn hand laat ik hem het bord aanraken en dan pakt hij zelf de kleine stukjes. Hij is geen grote prater, maar hij laat prima weten wanneer hij iets nodig heeft.

Dan komt de vrolijkheid binnen, Klara. Klara heeft het Syndroom van Down, maar ze is allerminst down. Ze lacht wat af. Even een gekke bek naar haar trekken en ze ligt in een deuk en roept dan ‘’Mafketel!’’ naar me.  Ze wil altijd twee broodjes hagelslag, maar ze mag er maar eentje. De andere moet met kaas. Dat weet ze prima, maar ze probeert het toch bij die nieuwe. Na het eten wil ze koffie en daar moet ik bij zitten. Helga had me al gewaarschuwd dat ik haar tijdens het koffiedrinken aan moet blijven kijken. Als je één keer de andere kant op kijkt pleurt ze gewoon dat bakkie pleur over je heen. Dus ik blijf haar aankijken en met haar praten. En domino spelen. Volgens haar onnavolgbare regels. De koffie, die echt behoorlijk heet is giet ze in amper twee minuten naar binnen. Ze heeft geen idee van wat heet of koud is en ze heeft een keel als een loden pijp: volledig hittebestendig. Ken je die reclame van vroeger van die Lonnie die met zijn blote handen een gloeiend hete wok oppakte? Geen enkel mens kan dat zonder het uit te schreeuwen van de pijn. Welnu: dat is de keel van Klara. Als de koffie op is mag ik weer bewegen.

Leo is mijn Ajacied. Hij is net als ik: hij praat er graag over, maar zelf voetballen is een ander verhaal. Hij heeft twee kunstbenen, dus van een debuut in Ajax 1 zal het niet meer komen, maar dat lukt mij met mijn twee gezonde benen ook niet meer. Hij praat heel snel en slikt zijn woorden soms in, dat maakt hem moeilijk te verstaan, maar daar ga ik mijn weg nog wel in vinden.   

Ramona is de half-Aziatische dame die ook zo haar eigen wensen heeft qua eten en drinken en waaraan ik gelukkig goed voldoe. Als ze hoort dat ik ook een paar druppels Indonesisch bloed heb veert ze op. Ze is nog prima bij de pinken en ze haakt en borduurt nog steeds kunstwerkjes.  
 
Met Noortje heb ik het meest moeite om contact te maken. Ze lacht lief, maar kan zich niet echt uitdrukken. En als ze al iets kan zeggen is dat op fluistertoon. Volgens het afdelingspersoneel kan ze prima zelfstandig eten, maar ik zie het gelijk misgaan als ze haar thee over haar slab en haar mooie broek morst en qua eten is het ook geen succes. Nadat iemand van de afdeling haar heeft verschoond komt ze terug. Met een vorkje help ik haar met haar broodje en door het glas naar haar mond te brengen geef ik haar thee. Ze valt regelmatig in slaap en dan pauzeren we het eten en drinken even.

Het is een mooie en hechte club mensen in de herfst of in sommige gevallen winter van hun leven.

Hopende dat ik op deze afdeling mag blijven, zal ik de komende weken vaker schrijven over de avonturen van mij en mijn nieuwe vrienden, de K.L.I.N.K.E.R.-club. Ik help namens de horeca de zorg. Maar de zorg heeft mij ook geholpen met weer een geheel nieuwe ervaring. En aan een glimlach. En wat ik ook allemaal heb verloren dit jaar: een lach is me heel veel waard. Een vriend van mij maakte vanmorgen al de mooie grap: ‘’Ah, dus je bent nu een medeklinker!’’ Dat was het enige smetje op de dag: dat ik die grap verdomme zelf niet bedacht had!

De Trump van de Ten Katemarkt

Het lijkt er dus eindelijk op te zitten. De lachwekkende vierjaarlijkse poppenkast die we ook wel kennen als de Amerikaanse presidentsverkiezingen ging deze keer tussen twee bejaarde gekken. Kijkend naar debatten tussen Donald Trump en Joe Biden was als kijken naar een ruzie tussen die twee ouwe knarren uit de Muppetshow, Stattler en Waldorf. Maar toen ik zojuist tijdens mijn avondwandeling langs de Amsterdamse grachten vernam dat die hakkelende en mompelende Muppet Joe Biden het had gewonnen van de schreeuwerige demagoog Donald Trump kon ik een kleine glimlach niet onderdrukken. Niet dat ik denk dat Joe Biden de wereld gaat redden, maar ik heb toch liever hem achter de knoppen dan de narcistische gevaarlijke gek die er de afgelopen vier jaar achter zat.

Maar voor mij nog steeds  geen reden voor champagne. Ik vind ze b(e)iden niks.

En terwijl ik de zojuist verkregen informatie onderweg naar huis even liet bezinken moest ik ineens denken aan ‘’De Trump van de Ten Katemarkt’’, namelijk Henk Bakker Sr.

Henk was een ouwe Amsterdamse marktkoopman. En dan ook nog echt eentje van de ouwe stempel. Die nam je niet in de maling. Hij bestierde in de Ten Katestraat, aan de markt,  ‘Meubelhuis Henk en Bep’. Voor die winkel lag altijd een brancard waarop stond geschreven: ‘’Bij diefstal bellen wij eerst de ambulance en daarna pas de politie.’’ Dus beter haalde je het niet in je hoofd om daar wat te jatten, want dat was geen dreigement maar een belofte. Daarmee benoem ik tevens gelijk een belangrijk verschil tussen Bakker en Trump: Bakker hield zich nog wel eens aan een belofte.

Als Amsterdammer en marktkoopman was Henk prima op zijn plek, maar hij had ook bedacht dat hij verstand van politiek had en dat was nou net niet het geval. Henk had net zoveel kaas gegeten van politiek als dat ik ooit gegeten heb van een vleermuis op een vuige Chinese markt.

Henk was een opvallende verschijning in de Amsterdamse politiek, met dat lange grijze slierterige haar, zijn grofgebektheid, zijn hele voorkomen en zijn nogal onconventionele manier van debatteren. De stoelen zijn wel eens door de zaal gevlogen omdat Henk het ergens niet mee eens was en er is ook nogal eens aangifte tegen hem gedaan wegen geweld of strafbare uitlatingen. Nadat hij al de in stadsdeelraad van Oud West had gezeten werd hij in 2002 samen met zoon Henk jr. in de Amsterdamse gemeenteraad gekozen met zijn partij ‘’Leefbaar Amsterdam.’’

Elke stad of dorp kreeg in de slipstream van Pim Fortuyn ineens een partij die ‘Leefbaar’ heette en dan met de plaatsnaam erachter. Het recept om in de lokale politiek te komen was in die tijd simpel. Zoek een paar medegekkies, verstand van politiek is eerder ongewenst dan noodzakelijk, schreeuw hard, kies zondebokken uit: et voila, je had een politieke partij.
Het waren dan ook meestal schimmige dubieuze partijtjes die bolstonden van de demagogiek en die heerlijk inspeelden op de borrelende onderbuik van de morrende samenleving. Meestal dus geleid door schreeuwende gekkies. Sommige mensen zijn nou eenmaal erg gevoelig voor dergelijk demagogisch geschreeuw en zo hadden vader en zoon Bakker het toch zomaar even mooi tot het pluche van De Stopera geschopt. Dat beviel de heren goed. In 2006 werden Henk en Henk echter tot hun grote verbijstering niet herkozen in de gemeenteraad en bovendien was zijn fractie in opspraak geraakt omdat de  Bakkertjes hier en daar nogal wat waardevolle bonnetjes waren kwijtgeraakt, wat de geloofwaardigheid van hun partij ook niet helemaal ten goede kwam.

Toen Henk en Henk dus niet werden herkozen sprak Henk sr. op de lokale zender AT5 met gedragen stem en je kon zien hij er op had geoefend, de legendarische woorden : ‘’Ach, ik heb niet verloren, het volk heeft verloren.’’ Het is bij mij en een aantal vrienden nog steeds een gevleugelde uitspraak.  

Rond die tijd begon ik ook te werken in het Café aan de Ten Katestraat waar veel van die marktkoopmannen kwamen. Henk kwam er ook vaak. Die stond altijd achter de gokkast met een broodje kroket en daar dronk hij dan altijd een Sneeuwwitje bij, half bier, half seven up. Daar verloor Henk ook nog wel eens wat. Een jaar later overleed Henk plotseling en zo kwam er een einde aan het leven van ‘’De Trump van de Ten Katemarkt.’’

Trump gaat zich natuurlijk nog verder belachelijk maken met rechtszaken, maar beter spreekt de ouwe Trump dezelfde woorden tot zijn kiezers als zijn Amsterdamse evenknie Henk Bakker Sr.:

‘’Ik heb niet verloren, het volk heeft verloren.’’

Het is niet waar, maar zelfs die holle frase straalde nog meer waardigheid uit dan het kleuterachtige gestampvoet waar Trump zichzelf nu weer onsterfelijk belachelijk mee maakt. Dat ik dat compliment postuum nog eens aan Henk moet geven dat maakt Trump eigenlijk toch wel een hele grote. Een hele grote wat? Dat mag je zelf invullen.

PS: Psssst! Rodzooi heeft nu ook een verzameling van zijn columns uitgebracht. Het boek heet ”Het nut van een gebreide condoom”. Boek bestellen? Mail naar rodney@rodzooi.nl of stuur hem een bericht via Facebook

Rodweek 90 De Spijkernisse op z’n kop

Eigenlijk wilde ik vandaag over een heel ander onderwerp schrijven, maar die komt later deze week wel. Er gaan namelijk hele jaren voorbij dat ik niet aan Spijkenisse of aan walvissen denk. En aan de combinatie van die twee heb ik volgens mij al helemaal nog nooit gedacht, al kan ik het mis hebben. Dus ik kon deze column onmogelijk laten liggen. Ik werd dus wakker om een uur of 7.00 vandaag. Dat is in het normale leven een raar en onmenselijk tijdstip voor mij maar in Lockdowntijd is nou eenmaal alles anders. In plaats van ergens tussen 2.00 en 5.00 ‘s nachts sluiten in dit soort tijden de luiken reeds tussen 23.00 en 0.00 om ze zo tussen 7.00 en 8.00 weer te openen. Dan blijf ik meestal nog even een half uurtje of een uurtje liggen en kijk ik even op mijn telefoon wat er allemaal tijdens mijn zeven uur durende slapende afwezigheid is gebeurd.

En daar was het ineens vanmorgen: één van mijn vrienden had een foto van een ontspoord metrostel op een enorme stalen walvisstaart in Spijkenisse gepost. Een kunstwerk dat dus iets te maken heeft met de historische band tussen Spijkenisse en walvissen? Of zoiets? Weet ik veel. De foto van die metro op die walvisstaart, fragiel hangend boven de afgrond, gaf in elk geval een waanzinnig filmisch beeld waar een regisseur als Steven Spielberg in zijn beste jaren alleen maar van kon dromen. Nou is de heer die deze foto postte wel vaker van de humor om te lachen en ik ben in de ochtend niet altijd even snel van begrip, dus ik dacht heel even dat hij zijn volgers in de zeik zat te nemen. Maar de foto triggerde de nieuwsgierigheid en toen ik even wat nieuws ging kijken zag ik dat het dus geen trucagefoto was. Of een filmset. Of zoals een van mijn vrienden al grappend suggereerde: de Amsterdamse straatkunstenaar Street Art Frankey op tournee buiten Amsterdam.

Nee, dit was dus for real: een Rotterdamse metro met eindhalte Spijkenisse knalde door een stootblok heen en werd opgevangen door een reusachtige walvisstaart die daar om de een of andere reden als kunstwerk tien meter boven de grond hangt. Zonder die walvisstaart was die metro dus tien meter naar beneden gekletterd. Ik ken namelijk best wel metrohaltes waar geen grote metalen walvissenstaart achter hangt. Gelukkig geen slachtoffers te betreuren. De enige inzittende van de metro was de met de schrik vrijgekomen bestuurder, maar die kan het dus dankzij dit kunstwerk gewoon ongedeerd navertellen. Het kunstwerk heet dan ook echt ‘’Saved by a whales tail’’.

Mijn eerste gedachte toen ik dat las: schroef of las die metro vast, laat de boel stutten en dan niks meer aan doen. Gewoon zo laten staan. Gered door de staart van een walvis. De walvis die zijn grootste natuurlijke vijand, de mens, redt. Een kop-staartbotsing. De symboliek is op zoveel verschillende manieren zo groot en interpretabel dat je er dikke plakken van kunt snijden. Dit is kunst zoals kunst bedoeld is, met hoofdletter K. Het kunstwerk is nu gewoon af.

Spijkenisse: doe het. Jullie hebben er in één klap gratis en voor niets een prachtige en nu al wereldberoemde attractie bij. En als de kroegen ooit weer open mogen heeft die metrobestuurder sowieso het sterkste verhaal van iedereen aan de bar. Toep die maar eens over. Zo zie je maar: ‘kunst redt.’ Die uitspraak slaat  de spijkernisse op z’n kop, zou ik me bijna een ‘Gaaikemaatje’ permitteren. Bijna dan.     

Rodweek 89 Nul Dertien

Het is nu, op het moment dat deze zin aan het schrijven ben, zondag 25 oktober en het tijdstip is 9.13 (!). Als ik gisteren op zaterdag 24 oktober om 9.13 de woorden ‘nul dertien’ had gehoord zou mijn eerste gedachte de Tilburgse poptempel 013 zijn. Mooie zaal, ik heb daar een paar jaar geleden nog een fantastisch concert van Primus gezien.

Een dikke negen uur later, zo rond 18.20 gisteravond, hadden de woorden ‘nul dertien’ ineens voorgoed een andere betekenis gekregen. VVV Venlo werd door Ajax in het eigen stadion De Koel koelbloedig ‘kaltgestellt’ met 0-13. Nul dertien!!! Het zijn van die uitslagen die je in de voorbereiding wel eens ziet als een profclub tegen een amateurclubje speelt, maar nu is het dus de hoogste uitslag ooit in de Eredivisie.

Het eerdere record van 12-1, dat ook al op naam van Ajax stond, uit 1972 is eindelijk uit de boeken geschoten. Al die ‘boomers’ die er naar eigen zeggen allemaal bij waren in het grotendeels lege Stadion de Meer, zijn nu ingeruild voor een nieuwe generatie die er sowieso allemaal niet bij waren, omdat er geen toeschouwers in het stadion mochten. Of je moet die elf toeschouwers die tegen Ajax op het veld stonden meerekenen.    

Destijds stonden er namen als Cruijff, Hulshoff, Neeskens, Van Dijk en Mühren op het scoreformulier. In deze tijd luisteren de beulen naar namen als Traoré, Tadíc, Ekkelenkamp, Huntelaar en Blind.

Bij een eerdere grootste uitzege van Ajax was ik er wel bij. Dat was uit bij NAC in Breda. Mijn goede vriend en fanatiek NAC-supporter Gert-Jan had mij uitgenodigd om NAC-Ajax vanaf de fanatieke B-Side te bekijken. Zo’n invitatie sla ik natuurlijk nooit af. Ik kom wel vaker bij NAC en ken zijn vrienden ook. Een dagje NAC staat altijd voor gezelligheid en een nimmer aflatende stroom bier. Vooraf werd ik nog een beetje gedold door de jongens in de kroeg dat ik ‘weer huilend in de trein terug naar Amsterdam’ zou zitten die avond. Dat klopte in zekere zin ook. Ik huilde van het lachen. Ajax won met 0-8 en de afkorting voor NAC staat sindsdien onder Ajax-fans voor ‘Nul Acht Combinatie. Dat was toen, 3 jaar geleden, de grootste uitzege ooit. Tot gisteren dus. Twee records finaal aan flarden geschoten.     

Ik keek vanmorgen toch nog even voor de zekerheid op een paar sites of ik het echt goed had gezien, maar inderdaad, het stond er echt: VVV-Ajax 0-13.

Nou heb ik door het hele crisisgebeuren al veel te lang geen popquiz meer kunnen presenteren, maar de popquizzer in mij is altijd ontzettend ‘woke’ en dus bedacht ik vanmorgen gelijk maar een top 5 ronde met mooie liedjes waar ’13’ in voorkomt.    

1. The Pixies- No. 13 baby
2. Johnny Cash- Thirteen.
3. Pink-A conversation with my thirteen year old self
4. The Cure- The 13th
5. Elvis Costello-  13 steps lead down.

Ik was dus heel erg ‘woke’ deze ochtend en mensen die ‘woke’ zijn kunnen tegenwoordig met de meest wonderlijke complottheorieën komen, dus daar kon ik ook niet bij achterblijven.

Gisteren was het dus 24-10-2020. Exact 10 jaar daarvoor, 0p 24-10-2010 verpletterde PSV Feyenoord in eigen huis met 10-0. De Feyenoordsupporters eisten een reactie van de spelers in de eerstvolgende thuiswedstrijd tegen…. Jawel… VVV. Feyenoord won met 3-0. En nou ken ik niet ieders mathematische vaardigheden, maar 10 plus 3 is bij mij nog steeds 13, en het ging weer om VVV, dus dat kan natuurlijk geen toeval zijn! En zo is de graancirkel toch weer rond.

Mij nemen ze niet in de maling.   

Rodweek 88 Spillepootje en die kleine slome

Nu we door de Corona-crisis weer een tijdje tot de gedeeltelijke lockdown zijn verplicht vul ik mijn dagen met het afschrijven van mijn boek, het grondig opruimen van mijn huis, koken, Netflixen in bed (Bedflixen) en elke dag een stevige wandeling of fietstocht door de stad om toch een beetje in beweging te blijven. Zo wandel of fiets ik de laatste dagen langs plekken waar de Amsterdamse kunstenaar Street Art Frankey de stad heeft opgevrolijkt met in meer of mindere mate zichtbare kunstwerkjes. Vandaag kwam ik er eentje tegen bij de Nieuwe Hoogstraat, om de hoek, bij mijn huis. Een kabouter die op het uithangbord van de paddoshop zit: een paddenstoel, rood met witte stippen. ‘’Hey leuk, Kabouter Spillebeen’’, grapte één van mijn vrienden nadat ik de foto online had gezet.

En zo moest ik ineens denken aan Spillepootje.

Eind jaren negentig voetbalde ik samen met vrienden in een zaalvoetbalteam op het Universitair Sportcentrum, bij de Zuid As. Memento Mori heette ons team: gedenk te sterven. Op twee spelers na konden we er eigenlijk allemaal geen hout van en dus verloren we ook vrijwel altijd. Wij kwamen ook meer voor de derde helft in de kantine dan om te voetballen. De Zuid As werd de Zuip As.

Maar dat seizoen waren we laag ingedeeld, bij teams die er nog minder van konden dan wij en zowaar begonnen we wedstrijden te winnen en streden we ineens mee om het kampioenschap. Zelfs ondergetekende, Lulletje Lampenkatoen uit West, scoorde dat seizoen een paar goaltjes, dus dan kun je nagaan wat het niveau was.

Door onze goede resultaten, we stonden tweede, begonnen we ineens een beetje te geloven dat we er iets van konden. Een funeste gedachtegang voor elk team met beperkte voetballers. We speelden gewoon tegen mensen met een nog beroerdere motoriek dan de onze. Dat maakte ons niet ineens een wonderteam, maar dat misplaatste geloof nestelde zich langzaam maar zeker in onze teamgeest.

Onze tegenstander was op een avond The Spice Boys. Die stonden stijf onderaan. We zagen ze aankomen lopen. Ze zagen er inderdaad niet erg imposant uit. Lijkbleke nerds waarvan wij vermoedden dat ze hele dagen zonder zonlicht en met een chronisch gebrek aan groenten op hun zolderkamertjes achter hun computers geplakt zaten. Die moesten we kunnen hebben. We gniffelden wat over hun naam. The Spice Boys, wie heet er nou weer zo? Logisch dat ze onderaan staan.

We begonnen voortvarend. Ze konden er inderdaad niet veel van. We stonden dan ook al snel voor. Dit leek een koud kunstje te worden voor ons, nog niet wetende dat het een koude douche zou worden. Na een paar minuten stond er een bleek mager en bebrild mannetje langs de zijlijn, klaar om in te vallen. Hij had benen als lucifertjes. ‘Wat een spillepootje’, dacht ik.

Dat heb ik geweten. Ik heb de hele wedstrijd alleen maar de hielen van Spillepootje gezien. Hij was vlug als water en had een techniek om van te watertanden. Lang verhaal kort: Spillepootje maakte acht goals en de negende legde hij panklaar voor een teamgenoot die alleen maar zijn voet er tegenaan hoefde te zetten. Uit die luciferbeentjes bleek nog echt vuur te komen ook. Eindstand 9-2. We waren zonder dat we ook nog maar een biertje hadden gehad compleet dronken gespeeld door dat kleine mannetje. Spillepootje had ons met al onze benen weer op de grond gezet. We waren verbijsterd. Hoe konden die gasten onderaan staan met zo’n voetballer in de gelederen? De volgende wedstrijd, zag ik ze weer spelen. Spillepootje was er niet bij. Zonder hem waren ze gewoon weer dat kneuzenteam. Wij hadden die week daarvoor gewoon pech dat hij een keer meedeed.

Jaren later ging ik met mijn toenmalige vriendin naar Barcelona en daar bezochten we ook een wedstrijd van de plaatselijke FC in het immense Camp Nou. De vriendin, niet gehinderd door enige voetbalkennis, maar wel het spel volgend, vroeg zich af wie ‘die kleine slome’ was die alleen maar wandelde over het veld. Ze had overigens gelijk hoor, want hij wandelt op het eerste oog alleen maar. Ik legde haar uit dat ‘die kleine slome’ luistert naar de naam Lionel Messi, de beste voetballer ter wereld. Ze keek me ongelovig aan. ‘Wacht maar af’, zei ik. ‘Die gaat nog wel wat doen.’ En inderdaad. Hij versnelde een paar keer, zigzagde als een voetzoeker door de kansloze defensie en scoorde er drie. De vierde gaf hij voor. Ze was overtuigd.

Never judge a book by it’s cover en onderschat nooit iemand.

Een les die ik jaren daarvoor al van Spillepootje had geleerd. De herhalingscursus werd aangeboden door de kleine slome.   

Rodweek 87 Punker op Noppen

Op het moment dat je mensen op een voetstuk plaatst, of ze zelfs een beetje als helden gaat zien dan vergeet je weleens dat het ook maar gewoon mensen zijn. Ik heb veel beroemde mensen mogen ontmoeten in mijn leven. Meestal via de plekken waar ik werkte, maar soms ook door gewoon toevallig op het juiste moment op de goede plek te staan. Als voetballer kon ik dat niet, maar in mijn leven was en ben ik een prima spits.  

Mijn ervaring is dat veel mensen die echt heel bekend zijn vaak verpletterend gewoon zijn. Als Johan Cruijff niet beroemd was geweest was het gewoon je plat Amsterdams lullende buurman geweest die overal verstand van heeft en de oren van je kop kletst, maar is basis gewoon een normale aardige man is. Vaak is het meer de entourage om die bekende mensen heen die sterrengedrag vertonen en vervelend zijn. De vriendjes en vriendinnetjes, het debiele broertje of neefje die een keer mee mag. En vergeet vooral niet de immer irritante klootzakkerige of bitchy tourmanagers die alles beter weten en afgepast precies 2000 gele M&M’s in de kleedkamer willen: dat zijn vaak de types met een aangemeten air, terwijl ze eigenlijk slechts gebakken lucht zijn.  

Wie ook zo verpletterend gewoon was toen ik hem voor het eerst zag: Frank Rijkaard. Rijkaard had bij mij ook een heldenstatus. Een majestueuzere middenvelder kan ik niet noemen. En daarnaast vond ik hem altijd stijl en klasse uitstralen. Welbespraakt, altijd keurig, maar toch gewoon Frenkie uit Amsterdam-West met dat mooie lijzige West-accent. Ik was echt een fan van hem.

Maar die avond dat we elkaar letterlijk troffen was in Paradiso in de jaren 90. Ik botste in al mijn klunzigheid tegen hem op. Dat deed hem geen zeer, met dat grote massieve lichaam tegen dat kippenlijfje van mij. Alsof ik tegen een rots knalde. Die man leek van graniet gebouwd te zijn. Ik voelde het wel. Hij niet. Het was bij een concert van The Pixies. Na mijn uitvoerige excuses voor mijn onhandigheid knikte Rijkaard naar me en zei vriendelijk dat het OK was, dat zoiets kon gebeuren en of ik geen pijn had. Hij gaf me nog een tikkie op m’n schouders.

Maar daar zat zijn verpletterende gewoonheid niet in. Hij was gewoon een gozer zoals wij ook waren. Hij stond daar ook gewoon met z’n vrienden. Spijkerbroek en T-shirt. Biertje in de ene hand. Peukie in de andere hand. Ouwehoeren met z’n gabbers en genieten van de muziek. Rijkaard had, voor een voetballer, een bijzonder goede en alternatieve muzieksmaak. Waar de meeste voetballers nooit verder kwamen dan Top 40-meuk, slechte  Nederlandstalige zooi of matige R&B en hiphop, had Rijkaard een hele exquise smaak. Een punker op noppen.

Later, toen hij al bondscoach van het Nederlands Elftal was, zo rond 2000, zat hij achter mijn gabber en mij bij een opname van Jiskefet, zijn en mijn favoriete programma. De beroemde aflevering over de ‘Hidden Sound System’ van Multilul BV. Hij bulderde van het lachen. Net als wij. Ook Frank Rijkaard is gewoon net een mens.

Vandaag las ik een stuk in VI ter ere van de 58e verjaardag van Frank Rijkaard. Wat ik niet wist is dat Louis van Gaal Rijkaard in 1993 helemaal niet zo graag terug wilde hebben bij Ajax. Hij was bang dat Rijkaard, de wereldster, bij Ajax op de automatische piloot ging spelen. Assistent Bobby Haarms greep in: ‘’Als je Frenkie niet terug haalt geef ik je een stoot op je kanis!’’, waarop Van Gaal toch maar wijselijk besloot om de verloren zoon weer terug te halen naar Amsterdam. De rest is geschiedenis.  

Frank Rijkaard, gefeliciteerd met je 58e verjaardag. Rock on!   

Rodweek 86 Vals spelen

Luis Suárez heeft vals gespeeld met zijn Italiaanse taaltest. Die moest hij doen om in aanmerking te komen voor Italiaans staatsburgerschap zodat hij makkelijk een transfer naar Juventus kon maken. Luis Suárez bleek echter in bezit te zijn van de antwoorden en dus ging het feest niet door. Het kenmerkt Luis Suárez, hij is in alles een Machiavellist: het doel heiligt alle middelen bij hem. Verliezen of het doel niet bereiken is geen optie. Wat dat betreft zou Juventus wel een goeie club voor hem zijn. Die zijn ook nooit vies geweest van een potje vals spelen. Weten we nog?

Ik stelde me ineens een spelletjesavond bij de familie Suárez voor. Ze spelen ganzenbord. Dat had Luis geleerd toen hij in Nederland speelde. Luis speelt tegen zijn 4-jarige dochtertje. Luis is aan de beurt en gooit vijf. ‘’Kut, dan kom ik in de gevangenis’’, denkt Luis en hij zet zijn pionnetje stiekem een vakje verder omdat hij weet dat zijn dochtertje nog niet tot vijf kan tellen en daardoor wint ie het potje. Kind janken, hij lachen. Dat is Luis Suárez.

Ik moest er  ook wel eens om lachen bij Ajax als ie weer eens een penalty versierde en vals zat te grijnzen als de scheids ‘m ook nog gaf. Als ik zijn directe tegenstander was geweest had ik ‘m daarna over de hekken geschopt. Of de actie dat hij op het WK de bal uit het doel sloeg en zo een zekere treffer voorkwam. Suárez kreeg rood en Ghana miste de penalty. Suárez lachte zich de ballen uit zijn broek aan de zijkant van het veld: Uruguay ging door zijn actie door. Luis Suárez is de ultieme valsspeler, charlatan op noppen en een complete straatschurk en hij komt er bij mij vaak nog mee weg ook. Behalve dan met dat rare bijtgedrag van hem. Dat is voor valse honden. En dat kan één keer gebeuren, dat is al bizar, maar als het zoals bij hem drie keer gebeurt dan zit er een behoorlijk defect in je hoofd.

En over mensen met defectjes in hun hoofd gesproken: de aanhangers van #ikdoenietmeermee. Natuurlijk mag je kritisch zijn op de zwalkende regering die het ook allemaal even niet meer lijkt te weten. Ik ben het ook met lang niet alle maatregelen eens en heb ook hier en daar mijn vraagtekens. Maar als je je laat vertegenwoordigen door onnozelaars zoals de gesjeesde dansleraar Willem Engel, complotgekkie Lange Frans, een mislukte rapper als Jebroer, ene Tim Douwsma die het over 28 miljoen operaties heeft die niet door kunnen gaan door Corona en iemand als Famke Louise die zelfs met een spiekbriefje geen fatsoenlijke Nederlandse zin uit haar mond krijgt geperst: dan speel je toch echt in het verkeerde team. Moet je niet willen. Dat zijn nou niet bepaald de koudste biertjes in de koelkast. Zet ze met z’n allen bij elkaar, zet er een camera op en je hebt ‘Knoop in je zakdoek 2.0’.

We kennen allemaal wel mensen die rokend en zuipend negentig zijn geworden, maar dat betekent niet dat het allemaal maar onzin is als de dokter zegt dat die dingen niet zo gezond voor je zijn. Auto’s, grasmaaiers, boormachines, cricket, om maar een paar dingen te noemen: ik weet er weinig tot niets van. Dus laat ik het praten over die zaken graag aan mensen over die daar wel verstand van hebben. We zijn niet allemaal Johan Cruijff die overal verstand van hebben. Maar dat is logisch.

En dan is het hartstikke leuk om bekende influencers mee te laten praten met dokters aan tafel om tegengeluid te geven en zo, maar als ze niet de kunde, kennis, welbespraaktheid en intelligentie hebben om een volwassen gesprek te voeren wordt het een nogal beschamende vertoning, zoals afgelopen week pijnlijk duidelijk werd bij Famke Louise en Tim Douwsma in de talkshows waar ze in zaten. Het er naar kijken en vooral luisteren voelde aan als ramptoerisme.

Inmiddels hebben veel van deze influencers wellicht in het kader van damage control zich afgekeerd van de hashtag #ikdoenietmeermee. Of misschien is er echt sprake van voortschrijdend inzicht, al waag ik dat enigszins te betwijfelen. Mensen die stevig achter hun zaak blijven staan zijn mensen als Willem Engel en de ‘rapper’ of wat daar voor door moet gaan Jebroer. Maar ik neem aan dat deze heren en hun volgers dan ook graag hun plekje op de IC afstaan als ze ziek worden aan mensen die zich wel zoveel mogelijk aan de regels houden. Toch? #ikdoenietmeermeedannietopdeic lijkt me een mooie hashtag, mocht de situatie zich bij die types voordoen. Logisch toch? Want als je niet meer meedoet ben je af. Dat is de consequentie als je niet meer meedoet. Anders is het vals spelen.      

Rodweek 85 Een kopje koffie voor mijnheer Rieu

We schrijven maart 2013. Ik werkte nog in de Melkweg en stond buiten op de brug even een sigaretje te roken en met portiers te ouwehoeren toen we ineens een nogal bekende jongeman met een flinke entourage aan zagen komen lopen. Het was Justin Bieber die toevallig in de stad was. Hij had niet opgetreden, maar was even aan de boemel in Amsterdam. Of hij ook naar binnen mocht met zijn entourage? Tuurlijk. Maar toen kwamen er ineens aanvullende eisen: hij moest op het podium zitten aan een tafel naast de DJ.

De portier, toch al geen fan van het werk van Bieber, keek zwaar geërgerd en ik probeerde mijn gezicht in de plooi te houden omdat ik op het punt stond om in lachen uit te barsten. Nee, prinsje Bieber kreeg geen voorkeursbehandeling. Hij mocht best naar binnen maar hij kreeg niet meer privileges dan andere gasten. Als hij aan een tafeltje wilde zitten mocht ie aan een tafeltje naast de WC zitten. Met een schoteltje er op. Kon de toiletjuf ook even met pauze.
De Bieber was zwaar ontstemd en beende op hoge poten weg. We zijn dan wel de Melkweg maar we geilen gewoon niet zo op sterrengedrag. Toen ik een paar uur later thuis kwam schreef ik er een grappig berichtje over op Facebook. Niks bijzonders. En daarna ging ik meteen slapen, want ik was moe. Toen ik de volgende ochtend wakker werd en mijn Facebook opende was de boel totaal ontploft. Honderden  mensen die het bericht grappig vonden of hadden gedeeld, berichten in mijn inbox van journalisten, E-online uit Los Angeles had mijn nummer gevonden en die belden me en RTL Boulevard belden vlak daarna. Alsof er iets wereldschokkends was gebeurd, terwijl het hele voorvalletje amper een minuut heeft geduurd. En zo zijn Justin Bieber en ik tot in de eeuwigheid aan elkaar verbonden. Google onze namen samen en er komt een lijst van artikelen over dat momentje.

Maar wat is dat toch dat mensen die een zekere bekendheid hebben verworven denken dat ze daar privileges uit kunnen halen. Die denken dat ze dingen gratis moeten krijgen of, en dat zijn de ergste, de bekende mensen die de ‘Weet je niet wie ik ben’-kaart trekken. Die had ik bij Ajax veel toen ik daar werkte. Ik werkte op de perstribune, dus veel journalisten, verslaggevers en bekende mediafiguren. De echte bekenden deden vaak niet zo moeilijk. Die lieten gewoon hun perskaart zien, zeiden netjes gedag en liepen door. De vervelende waren schoolkrantjournalistjes die voor het sufferdje uit Schubbekutteveen schreven of die twee keer op TV waren geweest en ineens dachten dat ze beroemdheden waren. Coryfeeën die de ‘weet je niet wie ik ben’- kaart speelden gaf ik altijd de John Cleese-behandeling, zoals ik het altijd noemde. Extreem zuigerig lang controleren, fouilleren en vragen stellen. Kijk maar eens naar ‘How to irritate people’ van John Cleese en dan snap je waarom die bekende mensen dat echt maar één keer bij mij flikten. De week daarna waren ze poeslief.  

En zo komen we bij het interview dat de Maastrichtse Maestro André Rieu laatst gaf. Ik heb hem in de jaren negentig vaak in het Olympisch Stadion en later ook in de Arena gezien bij Ajax. André speelde een moppie op z’n viool, Ajax won de Champions League, dus hij was een beetje onze talisman geworden. Alleen daarom heb ik best een zwak voor de man. André geeft ook jaarlijks concerten op het Vrijthof in zijn thuisstad Maastricht. Succesvol. En iedereen verdient er aan. De lokale horeca boert er goed van, maar mijnheer Rieu zelf uiteraard ook, wat ook logisch en terecht is als uitvoerende artiest.

En toen kreeg het gesprek ineens een rare twist. De journalist vroeg of hij dan nog wel voor z’n koffie moest betalen op het Vrijthof. Nou, raar genoeg wel, vond Rieu. Terwijl hij zoveel geld genereert krijgt ie niet eens een bakkie koffie cadeau. Het ziet er op papier waarschijnlijk lulliger uit dan hij het bedoelde. De grote mijnheer Rieu die niet eens een knakie voor een bakkie pleur wil betalen. Daar had ik als manager of media-adviseur toch ingegrepen.

‘’André, ouwe rups, dit is niet zo heel erg handig om te zeggen in een interview. Het ziet er nogal lullig en armoedig uit. Nu vindt iedereen je een verwaande krenterige polder-stradivarius. Jij verdient goed geld aan die Vrijthof-concerten, dat is ook precies de bedoeling. De lokale horeca profiteert mee. Dat betekent niet dat ze aan jou verplicht zijn om jou elke dag koffie, vlaai of wat dan ook gratis weg te geven. Leuk als ze het wel doen, maar BN-er-tjes die daar over klagen worden overgeslagen.  En als dat obertje van negentien de grote mijnheer Rieu niet herkent dan geef je gewoon die 2,50 en dan heb je het daar verder niet over. Nou, hup, en nu weer die viool laten janken, je poet verdienen en niet zeuren.’’

André, mocht je nog een media-adviseur nodig hebben, kom maar langs, hebben we het er even over. Pakken we een terrasje. Betaal ik de koffie wel.