De website van Rodney Rijsdijk

Rodweek 246 Stopperen

Deel dit verhaal

Mijn vader is ziek en niet zo’n beetje ook. Hij ligt in het VU. Prima bereikbaar voor Mo en mij, dat is een geluk bij een ongeluk. We kunnen met de tram letterlijk van mijn deur tot de ziekenhuisdeur naar hem toe. Mijn vader heeft de K-ziekte, waar we allemaal vroeg of laat mee te maken krijgen. Of je krijgt het zelf of iemand in je omgeving krijgt het, 1 op de 2 mensen krijgt het tegenwoordig. En kanker is bepaald geen wandeling door het park. Daarom verbaast het me dat zoveel mensen nog met volksziekte nummer1 schelden. Ga maar tellen tussen je vrienden en familie hoeveel van ze het allemaal gaan krijgen. En ga dan nog maar gezellig overal ‘kanker’ voor zeggen.

Het is ook echt zo’n typisch Nederlands ding. Toen ik ooit eens een buitenlandse vriendin had die in Amsterdam bij mij op bezoek was verwonderde zij zich daar heel erg over. We liepen samen op straat en ze keek niet goed uit met oversteken in het eeuwig nerveuze stadsverkeer van Amsterdam waarin iedereen haast heeft. Ik kon haar nog net op tijd wegtrekken. De fietser met wie zij bijna in aanraking kwam vond het nodig om nog even na te roepen: ‘Kijk voortaan uit je stomme smoel, kankerhoer!’

Mijn vriendin vroeg me wat die rare man nou tegen haar riep en ik vertaalde dat letterlijk voor haar. Ze was echt in shock. Niemand buiten Nederland scheldt zo naar met ziektes als ons volkje. Ik kom tegenwoordig eigenlijk vrijwel alleen nog maar in de kroeg om te werken. Voor de rest niet zo vaak meer. Maar ik hoor vrijwel elke avond een medische encyclopedie aan scheldwoorden.

En laat ik me zelf bepaald geen heilige noemen, ik ga niemand de maat nemen en helemaal niet woke ofzo: bij mij schiet er ook nog wel eens een tering, pleuris of tyfus als voorvoegsel van welk woord dan ook uit. En dat waren ook geen gezellige ziektes. Maar toch, schelden met kanker waar we in deze tijd heel veel mee te maken hebben raakt me dan meer. Omdat ik er zelf dichtbij veel mee te maken heb gehad de laatste jaren. Mijn meisie heeft het gehad, de vrouw van mijn bloedgabber heeft het niet overleefd, mijn vader heeft het nu en zo zijn er nog veel meer mensen in mijn omgeving geweest die het hebben gehad en waarvan niet iedereen het heeft overleefd.

Ik ken de weg in het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis en het VU Cancer Center inmiddels iets te goed. En de kankerschreeuwers van deze tijd zouden daar eens een uurtje moeten rondlopen. Kijken hoe ‘kankervet’ ze dingen dan nog vinden. En ook op begraafplaatsen en crematoria als Westgaarde, de Nieuwe Ooster en Zorgvlied ben ik de laatste jaren geen onbekende. Als het personeel je al begroet omdat ze je vaker hebben gezien en je wijst mensen de weg omdat jij weet waar een bepaalde zaal is: dan ben je er iets te vaak geweest in de afgelopen jaren.

Soms zeg ik iets van dat kankergescheld, tegen gasten of mijn collega’s. En dan krijg je zo’n slap antwoord als ‘Dat is gewoon Amsterdams hoor’. Nee dat is het helemaal niet. Je klinkt gewoon dommig en lelijk. En het heeft niks met Amsterdams te maken, doe niet zo tof. Elke pummel uit Koog aan de Greppel scheldt daar ook mee, het is geen stadse frats. Hou er mee op! Stop er mee!

En dan komen we bij de titel van deze column: stopperen. Mijn ouweheer is een ouderwetse mopperkont. Altijd al geweest. Hij is de beste en de liefste papa die ik me had kunnen wensen, maar hij klaagt graag en veel. Dus toen ik hem laats sprak zei ik dat hij eens wat minder moest mopperen op alles. Pa gaf ook toe dat dat misschien wel wat minder kon en voor ik het wist bedacht ik: ‘Je moet stopperen!’ Daar moest mijn vader erg om lachen en toen we elkaar vandaag spraken zei hij dat het goed ging met stopperen. Goed zo, ouwe!

En geloof mij, als mijn ouwetje het kan kan iedereen het, het leven is mooi: laten we allemaal een beetje stopperen en dan vooral met kankeren. Ik begin.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Lees ook: