Rodweek 84 Geen Zweet

Het was februari dit jaar dat ik met vrienden in Madrid was om daar te genieten van zon, bier, wijn en tapas. Oh ja, en als hinderlijke onderbreking van al dat leuks moesten we nog naar Ajax, dat in een blaartrekkend slechte wedstrijd met 2-0 verloor van Getafe. Getafe is één van de vele voorstadjes van Madrid. Het leven is daar zo bruisend als een glas Spa Blauw in een buitenwijk van Lelystad, dus wij resideerden in een appartement in het centrum van Madrid.

Na de wedstrijd nog even een fijne terrassessie en de volgende ochtend werd ik niet wakker met mijn lieve poes Eva, maar met een kater die eigenlijk best wel een flinke tijger was. Terwijl mijn amigo’s al eieren met spek stonden te bakken om de tijgers te verdrijven mocht ik als eerste douchen. Na een lekkere douche ziet de wereld er vaak ook al weer een stuk beter uit na zo’n avond. Goeie straal, lekker zeepie, haartjes even in de conditioner, lekkere deo op en ik was weer helemaal het heertje.

Rick ging na mij douchen. Ineens een ijselijke kreet uit de badkamer. ‘’Tering, Rod! Echt waar? Axe Africa als deodorant? Wat de fok ouwe? Je bent toch geen twaalf meer? Ik moet hier nog douchen. De hele badkamer meurt naar die gore kutdeo van jou!’’  Joris liep ook de badkamer in en beaamde de woorden van Rick. ‘’Jezus, Rod, gatver, dit kan echt niet meer. Met je stinkende puberdeo. Je bent een min of meer volwassen man en dan gebruik je niet meer dit soort kinderspul. It smells like teen spirit.’’

Rick liet mij vervolgens zien wat hij gebruikte. Een klein roze tubetje, het lijkt op een tube kaboutertandpasta. Daar doe je een heel klein beetje van onder je oksels en daar doe je bijna een week mee. Zo’n kleine tube gaat minimaal 2 maanden mee.

Nou ben ik normaal nooit zo heel erg van dit soort hippe producten, maar onlangs gaf Rick mij een proeftube cadeau. En eerlijk waar: ik ben om. Fietsen, hard werken in de zon, seksen of waar je ook maar zweet van krijgt: je ruikt dagenlang niks. Ik had laatst even pauze op werk. Even uitblazen. Ik rook onder m’n oksel en ik werd betrapt door één van mijn vaste gasten. ‘’Wat de fok zit jij nou onder je zweetoksel te sniffen, ouwe?’’ Maar ik had dus helemaal geen zweetoksel, terwijl het bloedheet was en ik net een paar uur de poten onder m’n lijf vandaan had gelopen. En je ruikt dus vijf of zes dagen lang helemaal geen enkel spoor van zweet. Echt toverspul. Check Nuudcare.com. En nu denken jullie misschien: ‘’Oh ja, die Rijsdijk, die wannabee-influencer, die ouwe freeloader, probeert zeker een gratis tube van dat spul los te slijmen, een roestig stuivertje te verdienen of die heeft aandelen in de toko. Met z’n bek.’’, maar nee, niks van dat alles: ik ben serieus enthousiast over dit  spul. Waar rook is, is in dit geval geen vuur.

Dat was in 1999 wel anders in de Roxy. Of zoals we het nadat die hut was afgefikt noemden :‘’De Rookzie’’. Voor de milennialtjes en ander jong spul: de Roxy was in de jaren 90 één van de hotspots in het Amsterdamse uitgaansleven. Daar moest je gezien worden. Er was alleen één probleem aan de Roxy: het deurbeleid. Als de doorbitches vonden dat je er niet helemaal tussenpaste dan kwam je er gewoon niet in. En zo werd ik met mijn lange haren, vaak ongeschoren bakkes, vale spijkerbroek, gympies en Nirvana-shirtje altijd geweigerd. ‘’Jij komp er niet in, gup’’, kregen mijn vrienden en ik steevast te horen. Als ik überhaupt al te woord werd gestaan. En meer mensen kennen die ervaring. Na een aantal keer had ik daar dus geen zin meer in en ik had het opgegeven om ooit nog de Roxy binnen te komen. Dan maar niet tussen de happy few van Amsterdam staan.

Nico Dijkshoorn schreef er een mooie column over in het Parool, afgelopen week. Het is hem echt nooit gelukt om er binnen te komen. Maar mij dus wel! Eén keertje. Ik was in Paradiso geweest en ik kwam twee meiden tegen die ik kende. En dat waren bepaald geen weggooiers. Absoluut Champions Leaguetrofee-waardige meiden om te zien. Bloedjemooi.‘’Kom, Rod, ga met ons mee naar de Roxy!’’ En zeg dan maar eens nee als twee van die prijswinnaars je uitnodigen om mee op stap te gaan. Dat deed ik dus ook niet, maar ik vertelde de dames wel dat ik altijd werd geweigerd daar en dat we misschien ook ergens anders heen konden. ‘’Nee, wij willen naar de Roxy!’’ En ja hoor, we stonden daar voor die deur aan het Singel, ik aan elke arm lief lachend prinsessenspul  en ineens was mijn totale gebrek aan hipheid, mijn ongeschoren apensmoel  en het feit dat ik geen Roxypasje had geen enkel probleem meer. Zo werkte dat dus in die wereld. Twee lekkere wijven mee en je bent binnen. De oppervlakkigheid van sommige portiers had in die tijd echt de diepgang van een pierenbadje.

Maar goed, ik was dus binnengekomen in het heiligdom achter de Heilige Weg. En ik vond er geen reet aan. Ik vond de muziek niks en de mensen waren ook niet helemaal mijn publiek. Wat dat betreft hadden de portiers het wel goed gezien om mij daar steeds te weigeren. Het was mijn tent gewoon niet. Ik ben er voor die twee mooie meiden nog een uurtje of twee blijven hangen, want je wist maar nooit of daar nog wat leuks uit kon komen, maar toen ik doorkreeg dat dat ook niet ging lukken ging ik gewoon weer lekker naar mijn eigen mensen, in de Korsakoff. In de Roxy ben ik nooit meer geweest. Een jaar later fikte de tent dus af. Wat overigens geen wraakactie mijnerzijds was voor alle keren dat ik daar ben geweigerd.

Niet veel later ging ik zelf in het uitgaansleven werken, leerde ik veel nachtvlinders kennen in verschillende plekken en hoefde ik doorgaans niet meer te betalen om clubs en tenten binnen te komen. Als iets uitverkocht was had ik overal wel iemand rondlopen die wat voor me kon regelen.

Zoals één van mijn Paradiso-gappies altijd zei als ik daar heen wilde:

‘’Rod, regel ik voor je, komt goed! Geen zweet ouwe!’’    


Rodweek 83 Kontkapje

Eind jaren negentig woonde ik in de Staatsliedenbuurt en in de Van Limburg Stirumstraat had je toen Slagerij Pannekeet. Slagerij Pannekeet verkocht de allerlekkerste filet americain van Amsterdam en die kocht ik daar wekelijks. En ook de osseworst was er niet te versmaden. Wie de slagerij binnenkwam werd door mijnheer Pannekeet verwelkomd met een galmend en welgemeend ‘’GOEDEMIDDAAAAAAAAGGGGGGG!’’ Ik moest laatst nog aan ‘m denken toen ik ergens hele vieze filet americain had gekocht en met weemoed terugdacht aan Slagerij Pannekeet, die overigens al jaren niet meer bestaat. Het knusse slagerijtje is inmiddels opgeslorpt door de grijpgrage tentakels van Albert Heijn.

En in Albert Heijn was ik laatst. Al ben ik bijna elke dag in de Albert Heijn. Tijdens het wachten in de rij bij de kassa stond ik te ouwehoeren met mijn buurman. Mijn buurman is een mooie ouwe Amsterdammer die altijd goed is voor een paar geweldige quotes. Ineens trok er vanuit de rij mannen voor ons een giftige damp onze neus in. We roken het allebei tegelijk. Eén van de drie kerels voor ons had een hele gore scheet gelaten. Zo’n vieze zachte sluipmoordenaar die je niet hoort. Dat zijn meestal de ergste. Het aarsgas walmde naar achteren. De anderhalve meter werd ineens uitstekend gewaarborgd. Mijn buurman draaide zich naar mij toe: ‘’Tering Rod, die gozer heeft geen mondkapje, maar een kontkapje nodig!’’

En lachend liepen de buurman en ik weer richting onze huizen. Door de frisse lucht. Eenmaal thuis, nog een beetje nalachend over de leuke grap van de buurman, keek ik eens op internet en toen barstte ik alweer in lachen uit. Doutzen Kroes, het orakel uit Friesland blijkt in de strijd tegen het vermaledijde Coronavirus na urenlange studie ineens viroloog te zijn. Ze deed uitgebreid research naar de moleculaire verbinding tussen het eten van groenten en fruit die ons immuunsysteem verbetert en koppelde daar gelijk een complottheorietje aan. ‘’Want willen ze wel dat we gezond zijn?’’, zo schreef La Kroes op samenzweerderige toon aan haar 6,4 miljoen volgers. Waarbij ‘ze’ natuurlijk de media, de farmaceutische industrie en de regering zijn. Nou heb ik toevallig afgelopen weekend een heel dik boek over hartoperaties gelezen en binnen drie uur had ik het uit. Ik begreep het meteen, want ik ben een snelle leerling. Morgen doe ik mijn eerste operatie. Nee, beter van niet. Laten we ons in godsnaam bij onze eigen leest houden. Doutzen heeft weer andere kwaliteiten. In de familie Kroes worden overigens vaker aparte theorieën gedeeld want voedingsdeskundige zus Rens denkt dat een ei de menstruatie van een kip is.

En nu we het toch over vogels hebben: waarom zijn vogelnamen als Merel, Mees en Arend inmiddels volledig geaccepteerd als voornamen, maar Andescondor, Gierparelhoen of simpelweg Kip of Pauw niet?

Waarom wel Hinde maar niet Przewalskipaard of Dwergpony?

Waarom ken ik wel een Bloem, Madelief, meerdere dames die Roos heten en een Lotus maar geen Brandnetel, Tulp, Paardebloem, Klimopplant of Sanseveria? Sanseveria is overigens een coole naam nu ik het zo lees.

Waarom wel mag je een kind wel Jasmijn of Rozemarijn noemen, maar gaat de ambtenaar van de burgerlijke stand zeiken als je je nieuwe spruit naar het veel lekkerdere Knoflook wil vernoemen?

Waarom zal de ambtenaar van de burgerlijke stand zonder frons ‘Ceasar’ noteren maar bedenkelijk kijken bij ‘Napoleon Bonaparte?’

Waarom ken ik wel een India, maar niet iemand die Afghanistan heet?

Waarom mag je het een kind aandoen om ‘m Storm noemen terwijl je ‘m ook Orkaan kan noemen? Een orkaan is toch veel krachtiger? Als je ‘m dan toch een stomme naam geeft, doe het dan goed.

Je kunt een kind ook vernoemen naar de plek waar ie verwekt is. Ik ken een ”Paris”. Al ben ik het eens dat dat een stuk lekkerder bekt dan een naam als ”Opdetafel” of ”Tegenhetaanrecht”.

En waarom is Mercedes wel een voornaam maar Suzuki, Volvo, Fiat, Ferrari Testarossa of Ford Taunus niet?

Wat dat betreft kun je van die malle Emile Ratelband zeggen wat je wilt, maar die was z’n tijd toch ver vooruit. Die heeft twee van z’n kinderen Rolls en Royce genoemd. Het verbaast me overigens dat we de Mr Tjakka nog niet met een oplossing voor het Coronavirus hebben gehoord. Dat je over brandende houtkooltjes moet lopen, heel hard ‘’Tjakkaaaa!’’ moet roepen en dat je dan volledig immuun bent. Mij verbaast niks meer. 

En zo kan ik nog uren doorgaan, maar inmiddels heb ik trek in een broodje. Een lekker broodje filet americain. Helaas niet van mijn mijnheer Pannekeet, maar die smaak denk ik er dan maar bij. ‘’GOEDEMIDDAAAAAAAGGGGGG!’’

Rodweek 82 Vergisactivist

Elk jaar zijn er wel een paar: de vergistoeristen. De buitenlandse toeristen die op 30 april met hun Lonely Planet uit 2006 op Amsterdam Centraal aankomen om onze nationale feestdag mee te vieren en dan tot hun teleurstelling zien dat zij de enige gekkies zijn met een oranje hoedje en shirt. Vergissingen zijn menselijk. Het kan de beste gebeuren. Voordat het hele Coronagedoe losbarstte, je weet wel de tijd dat we nog onbeperkt naar kroegen, voetballen en concerten mochten gaan, wilde ik naar Ajax. Ik m’n Ajax-shirt aan, m’n sjaaltje en m’n toeter mee en oostwaarts! Kom ik op de Middenweg: staat Stadion de Meer er niet meer! Bleek Ajax al 24 jaar in een of andere UFO in de Bijlmer te spelen! Daar hadden ze mij als trouwe seizoenkaarthouder toch wel wat beter over kunnen informeren.

Want zo hebben we sinds gisteren een nieuw begrip: de vergisactivist.  Nu al het woord van het jaar. Dat zijn de leden van de groep ‘’Viruswaanzin’’: een groep mensen die denken dat Corona een grapje, een griepje of een complot van de overheid is. Of een combinatie van die drie. Voeg daar een snufje 5G-gekkies en wat labiele types aan toe, en badabing badaboem: daar hebben we de groep Viruswaanzin.

En daar stonden onze vrijheidsstrijders dan gisteren, te demonstreren tegen de media die ons verkeerd informeren over de Coronacrisis. Dit keer bij het hoofdkantoor van het AD in Rotterdam. Want ze pikken die verkeerde informatie niet langer! Alleen stonden de viruswaanzinnigen bij het verkeerde gebouw waar het AD al acht jaar niet meer resideert. Maar dat zal waarschijnlijk ook de schuld van de media zijn, want dat hadden ze ook niet kunnen weten. Overigens stond de frontman van deze mallies wel bij het goede gebouw, dus wellicht behoeft de communicatie op de Facebookpagina nog enige verbetering.

Ach ja, zo’n Coronatijd doet rare dingen met een mens. Zo stond er vorige week spontaan een kunstwerk op de Dam, een Legobeeld van André Hazes. Hartstikke leuk. Ik miste alleen iets aan het kunstwerk en aangezien ik toch om de hoek woon besloot ik om André van een blikje bier te voorzien. Even op de foto en ik werd nog even geïnterviewd door de Sloterdijk Pravda, helemaal leuk.  

Ik had gedacht dat het beeld of na één of twee dagen zou worden verwijderd door een overijverige en streberige BOA (‘’Want daar is geen vergunning voor gevraagd, meneertje!’’) of dat het beeld vernield zou worden door Playmobilactivisten. Het werd het tweede scenario. Alleen pas na zes dagen. We gaan vooruit in dit land. De vernieling was, want daar staan Playmobilianen om bekend, weinig Duplomatiek. De kop vakkundig van de romp gescheiden. Een IS-strijder had het niet beter gedaan. De grap die een vriend maakte, ‘’want zij onthoofdde mij’’ vond ik wel humor. En humor is iets waar we de vernielers van het Hazesbeeld vermoedelijk niet op kunnen betrappen. Maar ik kan me  vergissen.     

Rodweek 76 Next Goal Wins

Sinds het hele quarantainegedoe kijk ik veel films, series, docu’s en meer van die dingen waar ik normaal geen tijd voor heb of voor maak. En zo stuurde een vriend van mij de link van de prachtdocumentaire uit 2014 ‘Next Goal Wins’ door. Laatste doelpunt wint. Ouwe straatvoetbalregel. Als je door je moeder naar binnen werd geroepen voor het eten en al stond je  30-0 achter: dat maakte niet uit. Als je die laatste maar maakte, dan had je toch nog de titel van de dag gewonnen. Laatste goal wint. Was een erecode.

En over 30-0 gesproken: het kan dus erger. Next Goal Wins vertelt het verhaal over de nationale ploeg van Amerikaans Samoa. Ze weten amper of er lucht of zand in een bal zit. Hun blikvanger: de transgender in de verdediging, volgens mij de enige officiële transgender die ooit in een kwalificatietoernooi heeft gespeeld. Maar ze mogen dus meedoen aan een WK-kwalificatietoernooi en daar begint het verhaal van de docu: ze verliezen hun eerste wedstrijd met 31-0 van Australie. De grootste nederlaag dat een team ooit in een officiële kwalificatiewedstrijd heeft geleden. En de wedstrijden daarna gaven ook niet heel veel zicht op verbetering. Ze kunnen er echt geen hol van.

Nou ken ik op verschillende amateurniveaus in Nederland jongens die in vriendenteams voetballen en ze zouden uiteraard allemaal verliezen van Australie, maar zeker niet met meer dan 10-0 of 15-0. Zelfs de slechtste teams die ik ken zouden niet met 31-0 de pottenbak ingaan. 31 goals tegen: binnen elke 3 minuten eentje tegen. Dat is bijna kunst. En keeper: was er echt geen eentje houdbaar?  31  tegen: geen kroegteam dat ik ken zou het zover laten komen, laat staan de wat beter geoefende amateurteams. Hoewel mijn laatste team waarin ik speelde redelijk dichtbij het niveau van de Samoanen zat.

We schrijven het seizoen 1997/1998. Wij waren Pancratius 4. Speelden net over de grens van Amsterdam. Een stuk of twee jongens konden aardig voetballen. De rest was brandhout, zoals ik bijvoorbeeld. Ondanks dat de meeste jongens al vanaf hun jeugd samen speelden waren ze nou niet echt op elkaar ingespeeld. Onze eerste wedstrijd, thuis, kregen we gelijk met 1-13 op onze sodemieter.  Dat kan een keer gebeuren, dacht ik nog in mijn onschuld. Misschien hadden we wel gelijk de sterkste van de competitie getroffen. Maar nee, dat was het niet. We konden niet beter dan dit.De wedstrijden daarna waren we doorgaans ook al blij als we het aantal tegengoals onder de 6  hielden. 4-0 verliezen was voor ons een overwinning. Net als de Samoanen konden wij er officieel geen ene klote van. We voetbalden in de periferie van Amsterdam, Amstelveen, Haarlem, de Haarlemmermeer en dorpen als De Kwakel, Kudelstaart, Aalsmeer en Uithoorn. Vaak op onmogelijke tijden als 8.30 of 9.30. En we hielden allemaal wel van een stappie doen in het weekend. Ook de avond voor de wedstrijd.

Wij waren het Amerikaans Samoa in de diepste kelder van de kelder van de Amsterdamse onderbond. Al hadden we ook bijzondere kwaliteiten: zo was ik bijvoorbeeld een unieke rechtsbuiten met twee linkervoeten. En onze spits was buiten het veld aanzienlijk doeltreffender dan op het veld. Ik heb in dat ene seizoen meer vriendinnen dan doelpunten van hem gezien. Veel meer. Onze meest dramatische nederlaag was uit bij Hoofddorp. Iedereen was de nacht voor de wedstrijd weer eens op stap geweest en er kwamen slechts  8 spelers opdagen. Net genoeg om te mogen beginnen. En van de 8 die er op het veld stonden was de helft ook nog starnakel dronken van de voorgaande nacht. Een paar jongens die op het veld stonden werden slechts een uur of vier eerder de kroeg op het Leidseplein uitgedweild, samen met het andere afval. We kwamen dan ook snel achter. 1-0. Maar tot onze grote verbazing kwamen we via een flitsende aanval terug op 1-1. Maar met 8 tegen 11 hielden we helaas niet lang stand. Bij de 7-1 na twintig minuten was het moreel wel zo’n beetje geknakt en gingen we kloten en flauwe geintjes uithalen. De teller stopte bij 26-2. Toen wij weer richting Amsterdam gingen om in onze eigen kantine nog wat bier te drinken en wij lachend binnen kwamen lopen kregen we genadeloos op onze flikker van de voorzitter. Het nieuws van onze blamage was ons reeds vooruit gesneld. We hadden de club belachelijk gemaakt. Dat bier konden we vergeten. Althans, niet in zijn kantine. Of we heel snel op wilden rotten. In de krant stonden in die tijd ook alle uitslagen. Ook die van kneuzenteams als de onze. De wedstrijdsecretaris had 6-2 doorgegeven. Zodat de club niet al te veel voor lul zou staan.

Het was ook het besef dat we iets boven ons niveau waren ingedeeld. Na de winterstop werden we heringedeeld en kwamen we zowaar tegen teams te spelen waar we redelijk gelijkwaardig aan waren. Sterker nog: we werden tweede! Dus dan kun je nagaan hoe slecht de teams onder ons waren. Maar er was iets gegroeid in die tweede competiehelft: het gevoel dat we best wel wat konden. Het plezier kwam ook weer terug. Van elke week 8-0 of meer verliezen groeit de spelvreugde niet echt. Maar nu speelden we tegen teams die er net zo weinig van konden als wij, dat is toch leuker. Die tweede plaats pakten we uit bij RKAVIC in Amstelveen. Ons publiek: een hond naast het doel die uitbundig aan zijn kloten zat te likken, een oud mannetje en mijn vriendinnetje. We speelden best goed, voor ons doen. Zelfs ik. Vlak voor tijd stond het 2-2. Onze spits liep alleen op de keeper af. De keeper stopte zijn inzet, maar wie stond er op de goede plek? Juist: de piemelepoges die dit stukje schrijft. Ik knalde de bal onberispelijk tegen de touwen en rende extatisch over het veld. Alsof we de Champions League hadden gewonnen. Mijn teamgenoten renden achter mij aan.  Die goal maakte dat we tweede werden. Ik ging op de schouders het veld af en ik kreeg daarna een kusje van mijn meisie. ‘’Rodney in Oranje!!’’ scandeerden mijn teamgenoten. Het was ook meteen mijn laatste wedstrijd. Veel mooier kon het toch niet meer worden. Bovendien kreeg  ik na dat seizoen een vast contract bij Ajax. Goed, weliswaar als suppoost, maar toch. Op de loonlijst bij Ajax staan terwijl je niet kunt voetballen: ik heb het geflikt. Alleen Ivan Gabrich deed het beter, want die kreeg nog een miljoenencontract ook. Ik was elke week al blij met mijn paar tientjes. Maar de laatste wedstrijd die ik speelde was dus fantastisch. Er was geen mooier moment om te stoppen. Ik kon er geen reet van, maar hey, de ouwe straatvoetbalregel:  next goal wins. Die heb ik altijd in ere gehouden.   

Hoe het met de boys en girl van Amerikaans Samoa afloopt? Dat moet je zelf maar lekker gaan bekijken. Hiero is de link, doe maar klik. Maar ik verklap je één ding: zelfs als je niks met voetbal hebt tovert deze docu een lach op je gezicht. Een welbestede anderhalf uur.  

Rodweek 75 Money Don’t Matter Tonight

We schrijven eind juli, 2011. Het was een raar weekend. Op vrijdag nam Amsterdam afscheid van de oude Kraaijkamp en later dat weekend vond een of andere psychopathische Noor het nodig om een aanslag te plegen en bijna tachtig mensen naar een andere wereld te knallen. De volgende dag las ik dat het Amy Winehouse was gelukt om zichzelf te vernietigen. Op zondag ging ik eten bij een vriend. Tot zo ver niks geks op die zondag tot ik rond 21.00 werd gebeld door de Melkweg. Of ik zin had om ’s nachts te werken bij een verrassingsconcert. Nog redelijk moe van een paar dagen hard en veel werken besloot ik om het niet te doen. Ik wist op dat moment ook nog niet om wat voor concert het ging en ik had me eerlijk gezegd ook meer verheugd op gewoon een gezellig avondje bier zuipen en muziekjes luisteren met mijn gabber.

Via een vriend van ons die ook in de Melkweg werkt hoorden we dat het zeer waarschijnlijk om Prince ging. Prince zou eigenlijk in Oslo staan, maar vanwege al het gedoe daar zocht hij een alternatieve locatie, zo ging het gerucht. We keken op Facebook en wat je dan krijgt is een soort sneeuwbal. Het gerucht ging. Het gerucht bleek waar te zijn. Iemand begon met het te posten. Het werd gedeeld, doorgegeven en in een zucht en een natte scheet stond er een volksstam op de Lijnbaansgracht te dringen voor kaartjes.  Al snel werd ik van verschillende kanten gebeld en ge-sms’t. Omdat een hoop dingen buiten de Melkweg omgingen qua organisatie had ik ook geen idee hoe alles liep. Feit was in elk geval dat de Melkweg die avond een streng bewaakt Fort Knox zou worden en dat medewerkers die niet aan het werk waren ook niet aanwezig mochten zijn. Tenzij we natuurlijk een kaartje zouden kopen om onze eigen toko in te mogen. Kaartjes a raison van 100 euro. Cash af te rekenen. Nee dank u.

Een vriend van mij belde op vanuit zijn woonplaats Haarlem. Of het echt waar was dat Prince zou spelen. Hij informeerde namens zijn vrouw, een devote Prince-fan, die alleen al door het gerucht compleet in alle staten was geraakt. Op de achtergrond hoorde ik zijn vrouw extatisch roepen: ‘IS HET ECHT WAAR?! IS HET ECHT WAAR?!’ En luttele seconden na mijn bevestiging is zijn vrouw letterlijk het huis uit gerend, waarbij ze even een klein moment vergat dat ze drie bloedjes van kinderen heeft.  Ze stoof met piepende banden naar Amsterdam. Om daar vervolgens overigens net mis te grijpen want inmiddels had zich een flinke menigte op de Lijnbaansgracht verzameld die allemaal zonder blikken of blozen dat meijertje aftikten om ‘The Minneapolis Midget’ te zien optreden. Financiële crisis? Niet op dat kleine stukje Lijnbaansgracht in Amsterdam. Een beetje handige zakkenroller had daar goede zaken kunnen doen. Ondertussen bleef ook de sms op mijn telefoon roodgloeiend staan met allemaal mensen die van alles wilden weten, maar die ik ook niet zo veel kon vertellen.

Die eerste avond liet ik dus aan me voorbijgaan, maar het gerucht ging al dat er nog een tweede show zou komen. Om de een of andere reden ging ik daar ook gewoon van uit, dus ik ging rustig slapen.

Eenmaal wakker de volgende dag en internet bekijkend bleek dat het definitief was dat ‘die kleine Oempa Loempa op hoge hakken’, zoals een makker van mij (geen liefhebber) hem omschreef, op de maandag nog een show zou geven. Ik kon dus in de herkansing, want die tweede avond wilde ik dan wel werken.

Om 22.30 kwam ik aan bij de Melkweg en de rij buiten reikte tot ver over het Leidseplein. De vriendin uit Haarlem die daags daarvoor nog alle stoplichten negerend, doch tevergeefs, naar Amsterdam was gecrost had zich dit keer goed voorbereid en stond ruim op tijd in de rij. De mensen waren allemaal blij en iedereen leek het Prince-nummer ‘Money don’t matter tonight’ als motto te hebben. Iedereen betaalde zonder morren die meijer. Contant. Money don’t matter tonight. Dat geld ging later letterlijk mee in een boodschappentas.

Het was iets na 0.30, ik stond even in de rookruimte, toen een ietwat corpulente man in een te krap en verwassen ‘Purple Rain Tour 1984’- t-shirt binnen kwam stormen. ‘Wat doen jullie hier nog?! Het gaat NU beginnen!’ De tien mensen die aan hun verslaving stonden te werken hadden geen haast. Die weten dat het vaak nog een tijdje duurt voordat het manneke zelf het podium beklimt en rustig rookte iedereen z’n sigaretje op en liep vervolgens richting de grote zaal. Mijn collegae waren een stuk jonger en vonden het prima als ik in de zaal ging kijken. Zij hadden niet veel met hem. Prince maakte indruk op me. Er stond een waanzinnig goeie muzikant die werkelijk niets aan het toeval had overgelaten. Een show waarin hij vrijwel al zijn hits afwisselde met lange funksessies en covers, het was dik drieënhalf uur topvermaak. De mensen kregen absoluut waar voor hun 100 euro.

Blij ging ik weer naar huis, deze kon ik toch maar weer mooi afvinken. Hoewel ik me later realiseerde hoe wrang het eigenlijk was dat we deze mooie avond te danken hadden aan een Noorse psychopaat.

Rodweek 74 Twee Zwaantjes

Toen ik vanmorgen boodschappen ging doen zag ik twee zwanen naast elkaar drijven. Op het stille water van de Zwanenburgwal. En dat ook nog eens op dag 22 van de quarantaine. Ik verveel me zo, dat ik dat gewoon wist. Ik vond de symboliek mooi. Kijk naar het getal 22, dat lijken net twee zwaantjes als je er naar kijkt. Ze dobberden in serene rust over het water, richting Amstel. Langs de Stopera. Waar onze lokale politici nu koortsachtig overleggen hoe het nu allemaal verder moet, dreven die twee zwanen in alle chillte voorbij. Welke crisis?

Toen ik 1 april wakker werd keek ik het nieuws. Een nanoseconde hoopte ik even dat deze hele crisis een hele slechte 1 april –grap was en dat onze minister-president met zijn kenmerkende glimlach zou zeggen: ‘’Beste landgenoten, dat hele virus was maar een grapje, haha! Vanaf vandaag gaan we gewoon weer gezellig door waar we gebleven waren, sluit de tap aan en gooi de bitterballen maar in het vet!’’ Even snel als de gedachte kwam was ie ook weer weg. Ik had onze MP de avond daarvoor immers, zonder die eeuwige glimlach op z’n porum, op TV gezien en hij had geen vrolijk nieuws: we hebben nog langer huisarrest. Het zou trouwens ook wel de slechtste 1 april –grap ooit zijn.

Als je vroeger huisarrest kreeg van je ouders dan mocht je een paar dagen niet buiten voetballen en geen TV kijken. Moeder Aarde is nog een paar gradaties strenger voor ons. Die pakt je werk, je geld, je sociale leven, je kroeg, je voetbalbezoek, je concertbezoek, je feestjes, je vakanties en je fysieke contacten af. En dan heb ik het niet alleen over fysieke contacten als in seks. Een simpele knuffel, handdruk, omhelzing of een kus op de wang: ik zou er nu al een kleine misdaad voor over hebben. En mijn koninkrijk voor een tongzoen, zou ik al bijna zeggen!  

Maar genoeg gejeremieerd over hoe kut alles nu is. Dat weten we nu allemaal wel. De situatie is nu eenmaal zoals die is. In alle eenzaamheid zijn we allemaal niet alleen. En nu moet ik er, net als iedereen, maar het beste van maken en mezelf een compleet ander levensritme aanmeten. Zo doe ik ineens dingen die ik al veel te lang niet heb gedaan. Zoals een boswandeling maken. Afgelopen week moest ik een voedselpakket dat ik online had aangeschaft, ophalen in Amstelveen. Net over de grens bij Buitenveldert. Naast het Amsterdamse Bos, of zoals hele fossiele Amsterdammers het nog noemen: Bosplan.  

Ik was verbijsterend op tijd. Normaliter ben ik iemand die geen horloge draagt, want ik heb de tijd. Dus ik heb nog even een wandeling door het bos gemaakt. Het was al een tijd geleden en dit keer hing er, niet zoals de laatste keer dat ik er was, zo’n gore blaffende en kwijlende rottweiler die tegen me aan liep te springen, met zo’n schijnheilig baasje die standaard ‘Hij doet niks hoor!’, zegt. Nee, niks van dat soort narigheid, Het Amsterdamse Bos was van mij, deze ochtend! Echt heerlijk. De boswandeling deed me goed en op de afgesproken tijd stond ik op de afgesproken plaats om mijn etenswaren op te halen.

Maar al wie er stonden: niet de mensen die mijn spullen hadden. Daar stond ik dan met mijn goede bedoelingen. Dacht ik eens een goede daad te doen. De boeren geld, ik lekker vers eten: iedereen blij. Niemand te vinden of te bereiken. Na een dik half uur besloot ik maar weer huiswaarts te keren en een vlammende mail naar ze te schrijven toen ik ineens twee andere dolende zielen ontwaarde. Ook zij waren op zoek naar hun eten. Ik dacht al even dat het aan mij lag, maar wij stonden gewoon op het goede adres en daarbij heb ik sterke moeite mij te vergissen als ik iets echt zeker weet. Na wat belletjes kregen we dan toch degene te pakken die we nodig hadden en konden we onze pakketten een halve kilometer verderop halen. Ze hadden het niet zo handig gecommuniceerd. Dat vonden ze zelf ook wel. Mijn lotgenoten waren met de auto en boden aan om daar heen te rijden en mijn pakket ook mee te nemen. In verband met de Coronatyfus kon ik niet meerijden, maar zij pikten mijn pakket op en brachten het bij mij op die parkeerplaats langs. Dat was lief. En zo zat ik even later weer in de metro richting centrum met een zware doos vol lekker eten.   

Je maakt wat mee tijdens zo’n crisis.

Zo is ook mijn hele bioritme compleet anders geworden. Of anders gezegd: ik heb ineens iets dat op een bioritme lijkt.  Tot drie weken geleden had ik mijn vertrouwde nachtvlinderritme. Eén grote flipperkast. Ik weet niet beter. Ik kan op de meest rare tijden slapen of juist wakker zijn. Ontbijten met nasi kip van de vorige dag of waar ik maar zin in heb, alles kan. In deze rare periode lig ik al voor 23.00 in bed. Ik lees wat, kijk een serietje, om 0.30 slaap ik en om 7.30/8.00 ben ik klaarwakker. Een soort van ‘normale mensen-leven’. Het is niet het leven wat ik ooit heb geambieerd, maar het is nu gewoon even zo. ‘s Avonds heb ik vrijwel niks meer te doen, dus dan maar in bed liggen, het is wat het is. Ik ben wat betreft een kameleon die zich snel aanpast aan de omstandigheden. Niet altijd van harte, maar als het moet dan moet het.

Morgen dag 23 van ons collectieve huisarrest. Elke dag komt het einde van deze ellende dichterbij, denk ik maar. Dag 22 drijft langzaam weg van ons, als twee zwaantjes op de Zwanenburgwal.

Rodweek 64 Het laatste grapje van Jules Deelder

Vorige week was ik met mijn gabber in Folkestone. Folkestone is een wat suffig Engels kustplaatsje vlakbij Dover. Daar ga je niet zomaar heen, maar de familie van mijn gap resideert daar tegenwoordig en aangezien ik zijn familie ook al wat jaren ken vanuit Amsterdam vonden ze het leuk als ik ook eens mee kwam met hun zoon om hun nieuwe woonplek te zien. Het was gezellig om ze weer eens te zien. Lekker eten, drankje erbij en een beetje door het stadje lopen. Er is niet gek veel te doen, om niet te zeggen: geen reet. Het leven is er zo bruisend als een glas Spa Blauw en dan denk ik dat het Spaatje Blauw nog meer bruist, maar dat mocht de pret niet drukken. Prima dagen gehad daar.

Maar goed, aan alles komt een einde en dus gingen we weer Dover-waarts om daar op de boot naar Calais te stappen en vanaf daar met de bus weer naar Amsterdam te gaan. Kost niet zo veel geld, maar je bent wel een tijdje onderweg. Hadden we ingecalculeerd. Dat tijdje werd nog wat langer. Vertraging in Dover. OK, kan gebeuren. Drankjes gekocht en genoeg te roken: wat kon ons gebeuren?

Eindelijk, we konden de boot op. Door Het Nauw van Calais. Eenmaal in de buurt van Calais riep de kapitein om dat het allemaal wat langer ging duren voor we de haven in mochten. De Fransozen waren namelijk weer bezig met hun favoriete nationale hobby: staken. En dus  mochten we nog even een paar uur ronddobberen voor de Franse kust. De taxfree shop besloot binnen een uur ook maar om het werk neer te leggen, maar wij zijn niet voor één gat te vangen dus we kochten nog snel maar wat flessen wijn om onszelf te verdoven.  Filmpie kijken op de laptop. Prima.

Na een paar uur dobberen op die boot voor de Franse kust mochten we dan eindelijk de haven in, maar toen moesten we nog een koleretijd wachten tot de bus mocht vertrekken. Het was midden in de nacht en ik wilde niets liever dan in m’n nest liggen. Lekker naast poes Eva.

Ik ben dol op reizen. Dol op andere landen en culturen zien. Anders eten. Nieuwe mensen ontmoeten. Het enige is alleen dat het kutte aan reizen, reizen is. Slapen zonder een bed onder mijn derrière is voor mij niet weggelegd. Het lukt me gewoon niet. Ik ben wel eens jaloers op een vriend van mij die op Schiphol in het vliegtuig stapt, zijn luiken sluit en 10 uur later in Brazilië wakker wordt. Ik krijg het niet voor elkaar.  

Maar uiteindelijk waren we dus op weg naar Amsterdam. Ik dommelde zowaar hier en daar een beetje weg. Nog twee tussenstops te gaan. Rotterdam en Den Haag. In Rotterdam moest onze buschauffeur verplicht een uur rust pakken in verband met de rijtijdenwet. Onze chauffeur was een ouwe Rus met een stem als een kraakpand en die minstens drie pakjes Camel  per dag verried. De buschauffeur greep zijn verplichte pauze dan ook aan om veel te roken. Ik rookte een sigaretje met hem mee. Daarna ging ik weer naar binnen. Mijn gabber lag te pitten. Ik ging zitten. Klaarwakker, dus ik nam nog maar een wijntje. En toen gebeurde het.

Ik was af.

Onze buschauffeur had gezellig de radio aangezet. En dan ineens die melodie. ‘’Ta-da-da-da da-da-da-da-da-da.’’ Mijn hoofd zeeg in mijn gevouwen handen. Ik kreunde: ‘’Nooooooooo….’’ Mijn buurvrouw keek verschrikt. Fuck. Whammageddon verloren.  Last Christmas van Wham was op de radio. Als je die tussen 1 en 24 december waar dan ook hoort dan heb je Whammegeddon verloren. Gappie lag te ronken, dus die heeft ‘m niet gehoord. We waren dus in Rotterdam. Het was op de ochtend dat Jules Deelder in zijn door hem zo geliefde stad zijn laatste adem uitblies. Nou ben ik niet snel van de complottheorieën, maar misschien dat dit het laatste geintje van Deelder is geweest om zo’n pestpleuris-Amsterdammer te zieken en dat hij met zijn laatste krachten het liedje heeft aangevraagd. Gelukkig bleek ik, later toen ik thuis kwam, dat ik niet de enige was die af was gegaan. Dat scheelt dan weer. Gedeelder smart is halve smart.  

Rodweek 62 ALLES IS DE SCHULD VAN FEMKE!

De tram die te laat komt. Je pet die in de gracht waait. Het vluchtelingenprobleem. De snackbar in je straat die stinkt naar oud frituurvet. Die pestpleuristoeristen. Ajax verloren. Godverdomme, je favoriete toko dicht terwijl je zo’n zin had in die lekkere dagschotel. De kroeg ook dicht. Dat kan er ook nog wel bij. Je klotebaan. Je zeurende baas. Dat je net in de hondenstront hebt getrapt en dan ook nog in van die natte die zo lekker in je profiel blijft plakken. In Amsterdam heeft een deel van de bevolking voor al dit soort calamiteiten sinds een dik jaar een duidelijk aanwijsbare oorzaak gevonden. Bijzonder overzichtelijk, want dan hoef je ook niet meer verder te zoeken naar de bron van alle ellende. Die oorzaak luidt, heel simpel: ALLES IS DE SCHULD VAN FEMKE HALSEMA! DE LEIDSTER VAN DE GROENE KHMER IN DE STOPERA! PYONGYANG AAN DE AMSTEL! Lees verder

Pikhaar

Ja,ik ben schuldig. Ik heb het ook gedaan. Iedereen moet nou eenmaal geld verdienen en dus was ik vroeger ook zo’n  vervelend klierig mannetje die mensen altijd op de meest ongeschikte momenten belde. Het was half tot eind jaren negentig. Vanuit een groot glazen kantoorgebouw in het meest troosteloze gedeelte van Slotervaart/Overtoomse Veld colporteerden wij telefonisch proefabonnementen voor het Parool, het NRC, AD en de Volkskrant en deden we aan fondsenwerving voor onder andere Greenpeace.

Op mijn eerste dag, met mijn eerste klant, maakte ik mijzelf gelijk legendarisch. In het scherm verscheen de naam van een mijnheer Pikhaar. Niemand durfde die man te bellen omdat ze allemaal bang waren om in de lach te schieten. We waren toch allemaal nog een beetje giechelige pubertjes van negentien of twintig jaar. Je kon een naam doortikken naar een andere computer en zo verscheen Pikhaar bij mij in het scherm. ‘’Ik bel die Pikhaar wel!’’, zei ik stoer, zette mijn headset op en drukte op de belknop. Mijn nieuwe collega’s gingen om mij heen zitten. Kijken wat die nieuwe kan. De speaker stond aan.

Hij nam op! Shit, niet lachen, Rod, niet lachen! Lees verder

Rodweek 60 Brandende billen in Budapest

In 1994 kwam ik, als zeventienjarige, voor het eerst in Budapest. We mochten kiezen aan welk schoolreisje we deel wilden nemen: Londen, Parijs of Budapest. Opvallend: de wat saaiere leerlingen kozen Londen en Parijs, de boefjes kozen Budapest. Ik sloot me bij de laatste groep aan. Parijs en Londen lagen dichtbij. Daar konden we altijd nog heen, zo redeneerden wij. Budapest was Oost-Europa, mysterieus, beetje gek, de Muur was nog niet zo lang gevallen, en dus spannend! En wat hebben die knakkers daar al die tijd verborgen gehouden voor ons achter dat IJzeren Gordijn, zo vroegen wij ons af? Lees verder