Rodweek 107 Deuren

Waar je een deur achter je dichtgooit gaat er ook altijd wel ergens weer eentje open. De deur van het verpleeghuis heb ik dus achter me dichtgetrokken en de deur van Café de Toog, die nooit echt dicht is geweest, heb ik maar weer wagenwijd opengetrapt. Ik doe gewoon weer datgene waar ik misschien gewoon het beste in ben, of waar ik in elk geval het meest gelukkig van word. En of er dan op een bepaald moment ergens anders weer een deur opengaat die me interessant lijkt: dat zien we dan wel weer.

Deuren, in het Engels heten die ‘doors’ en deze maand was het ook vijftig jaar geleden dat Jim Morrison van The Doors ineens voor de hemelpoort stond. Ik was vroeger als puber en jongvolwassene een groot fan van The Doors. Ik kende (en ken dientengevolge nog steeds) alles van The Doors, verslond biografieën, die Oliver Stone-film heb ik minstens twintig keer gezien en ik lulde heel interessant mee over zijn dichtbundels. Morrison was een iconisch figuur die ik machtig interessant vond. Nou zet ik The Doors nog steeds niet af als ik het ergens hoor en ik vind sommige dingen nog steeds leuk om te horen maar mijn devote onvoorwaardelijke fanschap is al een tijdje over. Uiteindelijk kwam ik toch op een punt dat ik durfde toe te geven dat veel van zijn werk natuurlijk compleet onbegrijpelijk en in drank en drugs gemarineerd pubergebrabbel is.

Waar Morrison overigens niet alleen in staat: er zijn nogal wat grote wereldhits met compleet belachelijke teksten. Vertaal de eeuwige nummer 1 in de top 2000, Bohemian Rhapsody maar eens letterlijk: het slaat nergens op. Eén van de onderdelen in mijn muziekquizzen is dat ik het eerste couplet van een grote hit letterlijk vertaal vanuit het Engels en die op Reviaans timbre voorlees. Dan moet mijn aandachtige publiek dus raden welke wereldhit het is en dan weten mensen soms echt niet wat ze horen als ik ze dan later het originele fragment laat horen. Het zijn vaak teksten waarvoor John Ewbank en de tekstschrijvers van Blöf, mensen die hier in Nederland nogal eens worden uitgelachen om hun rare teksten, zich diep zouden schamen.

Wat dat betreft ben ik blij dat Engels niet mijn moedertaal is en ik dus gelukkig ook niet in het Engels denk, want dan zit je dus de hele dag naar de meest rare onzin te luisteren. Nu filter ik de taal vaak nog weg en luister ik puur naar de muziek. Als het maar lekker klinkt. Op het moment dat je het gaat vertalen ga je anders naar een nummer kijken.  

Jim Morrison, werd dus 27. De beruchte rock ’n roll-leeftijd waar ook Janis Joplin, Jimi Hendrix, Kurt Cobain en Amy Winehouse niet voorbij kwamen. Maar wij hebben in Nederland onze eigen rock ’n roll-held: Herman Brood. Die werd 54, dus de dubbele rock ’n roll-leeftijd, toen hij ging bungeejumpen zonder touw. En dat was deze maand twintig jaar geleden. Twintig jaar! Als ik denk aan ‘twintig jaar geleden’ dan denk ik aan 1982 ofzo, maar nee, dat was dus in 2001. Ik werkte op de Universiteit van Amsterdam, zat op mijn computer mails te beantwoorden toen ik door mijn collega en vriend Hans werd gebeld vanaf de balie. Hij had even niks te doen en zag het gelijk op een nieuwssite: ‘Brood is dood’.

Twintig jaar geleden alweer. Ik herinner het me alsof het twee weken geleden was. De tijd gaat snel en we worden allemaal ouder. Al trap ik hiermee natuurlijk keihard een open deur in.

De wereld zag er nog anders uit in 2001. Iedereen belde nog met z’n Nokia 3310 (ik heb dat overigens ook nog behoorlijk lang volgehouden), we betaalden nog met guldens en ’s avonds keken we ‘’Peter R. de Vries, misdaadverslaggever’’ op de buis. Onze nationale TV-smeris, ook nog met zo’n echte smerissnor op z’n bakkes, die zich onverschrokken vastbeet in grote slepende zaken en dapper de strijd aanbond met de onderwereld. Vaak succesvol, maar niet zonder risico. ‘’Hij vangt er een keer één’’, daar was iedereen stiekem een beetje bang voor.

Die angst is dus twintig later, anno 2021, realiteit geworden. En dan niet eens door een echte topcrimineel, maar lafhartig door een zwakbegaafd jongetje van 21 die het voor wat centjes deed. Niet dat het minder erg was als het door een topcrimineel was gebeurd, maar dit voelt toch alsof hij jarenlang heel heroïsch allerlei monsters en draken heeft verslagen en vervolgens heel ongelukkig over een stoeprandje is gestruikeld. Alsof je Lionel Messi bent en je poten worden tijdens een potje voetbal gebroken door een amateurtje uit de onderbond.

Mijn vriendin en ik hebben vanmorgen bloemen gebracht op de plek des onheils in de Lange Leidsedwarsstraat. Open deurtje om te zeggen dat ik niet had verwacht dat we de enigen waren met dat idee, maar de bloemenzee is indrukwekkend en groeit alleen maar. Mensen van alle pluimage brengen een imposant eerbetoon aan een imposant man.

En over deuren gesproken: laat die dader en z’n eventuele mededader maar heel blij zijn dat ik geen rechter ben. Want ook al ben ik mordicus tegen de doodstraf: de deur van die cel zou echt nooit meer opengegaan.  

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!

Rodweek 105 De broodnodige wederopstanding van Haantje Pik


In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw had het Vondelpark een even beroemde als beruchte parkwachter en dat was de heer H.F. Sixma. In de volksmond werd hij ‘Haantje Pik’ genoemd. Zo’n ouderwetse veldwachter Bromsnor. Inclusief snor. Zijn woning stond (en staat nog steeds) bij een ingang van het park, bij het Kattenlaantje. Dagelijks maakte Haantje Pik zijn dagelijkse ronde om kattenkwaad als het klimmen in bomen, stelen van kastanjes en andere kwalijkheden te bestrijden. Volgens de overlevering sloeg hij de daders van dit soort wandaden met een pikhaak ‘aan de haak’ en vandaar dus zijn bijnaam.

We zijn een kleine negentig tot honderd jaar verder, de tijden zijn veranderd, maar eigenlijk zou een moderne Haantje Pik niet misstaan in het Vondelpark. En dan niet voor kinderen die in bomen klimmen of kastanjes plukken, maar ter bestrijding van de ‘Vondelvarkens’ zoals ik ze altijd noem. En eigenlijk beledig ik de varkens daar mee, want varkens zijn een stuk schoner.

Je weet wel, het type mens dat op prachtige zonnige dagen als deze naar de parken trekt, bergen aan proviand meeneemt en vervolgens de rommel in het park achterlaat. En ik noem nu het Vondelpark, maar ook de Amstel waar ik elke dag langs wandel is op mooie dagen een slagveld. Eigenlijk op elke mooie zonovergoten plek in Nederland is het een baggerzooi als het mooi weer is geweest.

Wat zijn dat voor mensen? Ik zal niet zeggen dat alle mensen om mij heen allemaal unaniem ultieme goede mensen zijn, maar als ik met mensen in het park zit ruimen we gewoon onze zooi op. En dat doe ik nu niet alleen als belegen veertiger, maar dat deed ik ook als tiener al. Ik ken niemand die dat niet zou doen. Dus wie zijn die mensen? Wij gooien gewoon onze pleurisbende in een plastic tasje en gooien het weg. En als de containers vol zitten dan gooien we de bende onderweg ergens in een vullisbak of nemen we de bende desnoods mee naar huis. Hoe moeilijk is het?

Je struikelt tegenwoordig over de containers. Waarom zou je de zooi laten slingeren? En echt niet omdat ik zo’n ontzettende goeie jongen ben en heel eigenpijperig eens even kom vertellen hoe goed ik wel niet ben: nee. Dit is toch gewoon een kwestie van fatsoen?

Beelden van elk willekeurig park na een mooie dag: om je kapot te schamen.

En dat is veroorzaakt door de schaamteloze types die helemaal zich nergens voor schamen. De gemeente overweegt nu een alcoholverbod in de parken. En ik begrijp het ook nog. Als mensen niet normaal kunnen doen en steeds asocialer worden dan moeten de goeden onder de kwaden lijden. En dan staan dat soort aso-types ook nog als eerste te zeiken over ‘betutteling’ en ‘dat er ook niks meer mag in dit land.’ Flikker op met die lui.

Maar die lijers pikken wel mijn mooie parkdagen af. Ik vind weinig dingen lekkerder dan lekker met vrienden, wijn en eten in het park te zitten. En dat soort dingen dreigen nu van mij en vele andere goedwillende mensen te worden afgepikt.

En daarom wordt het tijd voor de wederopstanding van een 21e-eeuwse Haantje Pik. En die hoeft niet met een pikhaak mensen tot de orde te roepen, maar gewoon met een lekkere vette boete. Niet die slappe 95 euro, want daar lachen mensen om, maar gewoon een lekker vet en aanzienlijk veelvoud. Een bedrag dat dat soort egoïsten echt voelen. Eentje die zeer doet. Ik ben niet snel van de repressieve straffen: een inbreker hoeft van mij niet z’n huis kwijt, een dief hoeft geen afgehakte hand en een moordenaar hoeft niet op de elektrische stoel. Op die rechterlijke stoel ga ik niet zitten.

Maar onschuldig lijkend, maar toch hinderlijk asociaal gedrag als dit mag van mij keihard worden gestraft. Het lijkt me ook niet al te moeilijk om dat in te voeren en te handhaven. Gooi in Singapore maar eens een kauwgompje op straat. Dan krijg je een boete waar een paard de blafhik van krijgt. Nou, prima. Dan leer je dat rare gedrag wel af. Gevolg: niemand pleurt z’n zooi daar op straat. Dat lijkt simpel en sterker, dat is het ook, maar het werkt wel.
Haantje Pik, 21e-eeuw-stylie: kom er maar in. We pikken het niet langer. En straf hard maar rechtvaardig. Je bent hard nodig. Opdat de leuke mensen nog lang wijntjes kunnen drinken en lekker kunnen eten in de parken.

En Ome Rodzooi heeft ook een boek uit met allemaal lekkere verhalen: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. 15 piekies voor ophalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 stuur ik de postduif naar je toe. Dus bestel maar!
     

Rodweek 103 De Toppers

Mijn lieve moeder heeft helemaal niks met voetbal. Het enige dat ze met voetbal heeft is dat ze het leuk vindt dat ik het zo leuk vind. Ze weet nog net dat er lucht en geen zand in een bal zit, maar daarmee houdt haar voetbalkennis- en liefde wel zo’n beetje op.

Maar daarmee heeft mijn moeder nog altijd meer liefde voor de edele voetbalsport dan het schorem dat met een onsmakelijk staaltje eigenpijperij de ‘’Superleague’’ probeerde op te richten. Twaalf rijke Europese topclubs die zich los wilden maken om in een eliteclubje hun eigen competitietje te vormen om zo nog rijker te worden. Hoewel? Rijk? FC Barcelona en Real Madrid staan samen voor bijna 2 miljard op de pof. Ik heb voetbalclubs voor minder failliet verklaard zien worden.

En topclubs? Arsenal en Tottenham wilden ineens ook met de grote jongens mee doen. Tottenham is in 1961 voor het laatst kampioen geworden en ook bij Arsenal is de prijzenkast al zolang niet meer bijgevuld dat het sleuteltje inmiddels verroest is. Qua statuur zijn ze in Engeland niet meer dan pak ‘m beet Vitesse en FC Utrecht in Nederland: leuke subtoppers, maar ze winnen zelden een prijs, laat staan een belangrijke.

En dan Italiaanse clubs als Milan en Inter: ook al jaren niks gepresteerd, al gaat Inter dit seizoen dan wel voor het eerst sinds de 80 jarige oorlog kampioen worden. Het zou eens tijd worden.

Het gaat natuurlijk gewoon om ordinair geld. Een sport van het volk? Dat is voetbal al lang niet meer, zeker in de ‘’grote’’ voetballanden. De goedkoopste seizoenkaart voor een club in de Premier League kost minimaal 800 pond. En zelfs in Schotland is het voetbal al lang niet meer van het volk. In Schotland zijn er maar twee clubs belangrijk: Celtic en Rangers eten de kip. De rest vecht om de kliekjes die aan de kippenbotjes hangen.

Ik werd er ooit, in 2002, in Glasgow, Celtic-park  rondgeleid door een heel aardige mijnheer. Als die man zich stootte en een wondje kreeg dan kwam er groen-wit bloed uit ‘m stromen. Hij praatte prachtig plat Glaswegian en hij vertelde vol passie over ‘zijn’ club. De club waar hij al van kleins af aan fan van is. Hij had uiteraard ook seizoenskaarten. Voor het hele gezin: hij, zijn vrouw en z’n twee kinderen. 1200 pond per stuk. Maar dan mochten ze ook naar de Europese wedstrijden en de beker, zo vertelde hij trots. En dan zat hij met zijn gezin in een hoekvak, niet eens een superplek. Die man kreeg zowat een appelflauwte toen ik vertelde dat ik bij Ajax voor onder de 300 euro een seizoenkaart had.

Maar die man ademde Celtic. Zijn halve jaarinkomen ging naar die club. En hij deed het graag. Voetbal bestaat bij de gratie van supporters. Dankzij mensen zoals die mijnheer hebben clubs bestaansrecht. De fans die jaarlijks veel geld uitgeven voor hun seizoenkaart en die voor belachelijk veel geld elk jaar maar weer het nieuwste shirt voor hun koters kopen. Voor het eerst aan de hand van je vader, je oom, of je voetbalgekke buurman naar het stadion. Dat is geen sentimenteel gelul, dat is wat voetbal is. De magie van de eerste keer een stadion binnenlopen is onbetaalbaar: dat kan geen Amerikaanse miljardair of Arabische oliesjeik betalen. Nooit.

Er gaat al veel te veel geld in die sport om. Supporters draaien nog maar een extra dienstje of twee  omdat ze anders hun seizoenkaart niet kunnen betalen. Een voetballer van Manchester City kan elke week gewoon een nieuwe Porsche kopen als ie geen zin heeft om z’n auto te wassen. De grote jongens in voetballand staan al een tijdje lichtjaren ver weg van de fans die sappelen voor hun geld. Ene Marco van Basten dacht eind jaren 80 al dat een bijstandsuitkering ”een tonnetje” was. Ja, in Italiaanse lire’s misschien. In dat geval geef ik San Marco met terugwerkende kracht gelijk.

En daarom was ik zo blij met de opstand van de supporters in Engeland: ‘’We say fuck off!’’ scandeerden de Chelsea-fans bij het stadion. Woedende menigte. Fok niet met de arbeidersklasse. De rest van Engeland volgde snel. De stront had de ventilator geraakt en dat geeft een boel troep. Resultaat: de Engelse clubs trokken zich terug en kwamen met kruiperige statements. Tja, dat hadden ze niet voorzien. We deden het om de toekomst van de club te garanderen. En het was niet de bedoeling om de supporters te kwetsen en meer van dat soort tralalala.

Welnu, voorzitters van die zogenaamde superclubs: kus m’n harige bolle reet! Klootzakken die een misdaad hebben gepleegd zeggen voor de rechter ook altijd ineens dat ze heel veel spijt hebben. Ja: omdat ze gepakt zijn! En omdat hun kutgedrag consequenties gaat hebben. Maar als ze niet waren gepakt zaten ze lachend hun geld te tellen. En zo is het ook met deze dieven. Dieven die het voetbal nog meer van de gewone mensen af willen pakken. Ze zijn alleen gelijk in de kraag gepakt door het volk en nu biggelen de krokodillentranen langs hun volgevreten spekwangen, murmelen ze dat ze het allemaal niet zo bedoeld hadden en meer van dat soort gejankepoot. Alles om het volk dat met brandende fakkels en rieken klaarstaat ver van zich te houden. De hoge heren hebben de kardinale fout gemaakt om te denken dat voetbalsupporters achterlijk zijn en dachten er mee weg te komen .

Was mijn Ajax hiervoor uitgenodigd en hadden ze ook maar overwogen om mee te doen? Ik had gelijk mijn seizoenkaart doormidden geknipt. Wat dat betreft alle respect voor Bayern München die wel zijn gevraagd voor dit perverse inteelt-rijkeluis-feestje, maar die dat gewoon geweigerd hebben. Dan heb je klasse.

De Super League, de zelfbenoemde Toppers. Hey, hadden we daar niet een of ander groepje artiesten van die zichzelf zo noemen in Nederland?  Waar mensen met een slechte muzieksmaak met een cowboyhoed op hun hoofd en gekleed in een glitterpak heengaan? Inderdaad, en zelfs De Toppers en hun fans zijn minder smakeloos.  

Rodweek 102 Stedentrippenhuis

Een van de eerste dingen die ik weer ga doen, zodra dat hele Corona-gezeik voorbij is, is een lekkere stedentrip in het buitenland maken. Het is mijn favoriete manier van vakantie vieren. Ik houd van de energie van steden, lekker wandelen door een stad en met enige regelmaat op een terras neerploffen voor een versnapering. Het liefst in een stad waar de zon ook uitbundig schijnt. Blijer kun je me niet maken. Maar goed, dat is voorlopig allemaal nog lang niet aan de orde. Buiten Amsterdam ben ik in het afgelopen half jaar alleen in wat omliggende kleine plaatsjes geweest en verder kom ik eigenlijk nergens.

Maar gelukkig woon ik in een mooie stad waar ook voor mij nog voldoende te zien valt en dat valt weer te combineren met mijn nieuwste verslaving: wandelen. Eindelijk eens een gezonde verslaving en dan ook nog eens eentje die geen geld kost. Zoals eerder gezegd houd ik sowieso van wandelen door een stad, maar het heeft het laatste half jaar tamelijk maniakale vormen aangenomen. Als ik iets leuk, lekker, fijn of tof vind dan wil ik er altijd veel van. Dat is met alles zo. Dan ben ik geen amateur. Of noem het gewoon ‘verslavingsgevoelig’, zo je wilt. En zo is dat dus ook met wandelen. Ik ben elke dag al voor 9.00 op pad om mijn eerste wandeling te maken en verder op de dag maak ik nog wel minimaal twee wandelingen. Mijn nieuwe hobby cq verslaving kost me minimaal twee tot drie uur per dag. En het is dat die verschrikkelijke avondklok er nog is, want anders zou ik ’s avonds laat voor het slapen de dag afsluiten met nog een kleine avondwandeling. Ik baal ook echt als ik ‘maar’ anderhalf uur heb gelopen op een dag. Twee uur is het absolute minimum. Ik voel me er goed bij, dus dat wandelen houd ik er ook na Corona in.

Bij gebrek aan de terrassen blijf ik gewoon lekker lopen door de stad. Nadenken over dingen en natuurlijk gewoon rondkijken in die mooie stad van mij. Het is anders kijken naar de stad zonder alle drukte en toeristen. Dingen zien die je nooit op zijn gevallen of waar je simpelweg nooit de tijd voor hebt genomen om eens rustig naar te kijken.

In plaats van als een opgejaagd beest haastig snelwandelend, zigzaggend tussen de toeristen door en met oogkleppen op door de stad te crossen, om maar zo snel mogelijk van A naar B te komen, neem ik nu rustig de tijd voor mijn wandelingen. Ik heb geen haast en hoef nergens naartoe. Behalve weer een keer naar huis op een gegeven moment. Als ik iets heb geleerd van deze Coronatijd is het om meer te onthaasten. Niet alles hoeft een wedstrijdje te zijn.  

Ik kijk dus veel naar gebouwen, naar straatkunst of soms gewoon naar mensen. En als iets me interesseert dan zoek ik daar thuis wat meer over op. Zo is er bij mij om de hoek, op de Kloveniersburgwal nummer 26 een heel smal pandje. Tegenwoordig huist er een designwinkeltje in het pand. Het is niet het smalste pand van de stad, maar wel één van de smalste. Het pand heet het Klein Trippenhuis, zo vond ik uit.

Aan de overkant van de gracht, op nummer 29, staat een heel breed pand met twee voordeuren. Dat is het Groot Trippenhuis. Het meest bekende verhaal over de panden gaat als volgt: de vermogende Amsterdamse broers Louis en Hendrick Trip lieten in de zeventiende eeuw een gigantisch dubbel woonhuis bouwen. Tijdens de bouw van het pand kwam de jonge koetsier van een van de twee broers kijken naar de vorderingen. De jongeman wilde trouwen met zijn verloofde maar kon met zijn schamele inkomen geen goed huis voor hem en zijn aanstaande vinden. De koetsier verzuchtte: ‘’Ach, had ik maar een huis zo breed als de voordeur van mijn meester.’’. De koetsier werd door zijn meester op zijn schouders getikt en deze beloofde hem dat hij van de overgebleven stenen zo’n huis voor zijn koetsier zou bouwen. Aldus geschiedde. Dat is natuurlijk een mooi en romantisch verhaal. Een ander verhaal is dat de broers het pandje voor hun minnaressen lieten bouwen en zo af toe eens konden ‘overwippen’. Allebei mooie verhalen en of deze stadslegenden nou waar zijn of niet: laat de waarheid nooit een goed verhaal in de weg staan. Ik ben gek op urbane legenden en het is leuk dat ik daar de laatste tijd weer wat meer tijd aan besteed.

En zo maak ik er toch elke dag een stedentrip van in eigen stad.   

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

Rodweek 99 Pippi Langkous

De afgelopen week was een rare. Zo stonden mijn gabber en ik ineens te juichen voor Feyenoord. Niet omdat we nou ineens voor Feyenoord zijn, maar we zijn gewoon voor iedere club die tegen PSV speelt, dus dat verklaart ons wat vreemde juichende gedrag tijdens PSV-Feyenoord afgelopen weekend.

Nog gekker was het dat ik, buiten het feit dat we allebei Indo-bloed hebben, toch nog een andere overeenkomst met Thierry Baudet bleek te hebben: als ik het ergens niet naar m’n zin heb loop ik ook gewoon weg. Of het nou om werk of om een stom feestje gaat: als ik het ergens niet leuk of gezellig vind neem ik de pleiterik. Het leven is te kort om je op plekken te begeven waar het niet leuk is, toch? Maar ik zal nooit weglopen voor kritieken of directe aanvallen op mijn persoon.

Of ik begreep dat de grote boreale leider wegliep bij de roast van Martijn Konings zoals hij dat eerder ook bij onder andere Emma Wortelboer en Simone Weimans deed? Nee dus. De roast van Konings was verre van humoristisch. Het was een aanval met twee gestrekte benen. Niet eens bedoeld om grappig te zijn maar om een racist te fileren. Met feiten. Dan kun je weglopen of je kunt een vent zijn en blijven zitten en de aanval pareren. Baudet koos voor het eerste. Dat zou ik dan weer niet doen. Hij wist natuurlijk op welke punten hij zou worden gepakt, dus dan moet je ook zo stoer zijn om die gozer terug te pakken. Maar Baudet deed wat ie altijd doet zodra het leven moeilijk wordt: weglopen omdat hij er in de voorgehouden spiegel nou eenmaal niet zo mooi uitziet als hij denkt.

Maar onze Thierry liep weg als een bange Tante Poes. Als ik heel complottheorie-achtig zou denken zou ik bijna aan een één-tweetje tussen Thierry en Martijn denken. ‘’Hey thanks man, hier heb je duizend euro, dit TV-moment levert me heel veel stemmen op!’’

Maar nee, ik ben totaal niet complotterig aangelegd en ik ben ook niet zo’n hele snelle wegloper. Sterker nog: ik ben een wandelende comfortzone. Als ik het ergens naar m’n zin heb dan ben ik bijna niet van mijn plek te slaan. Ik heb bijna 20 jaar in mijn huis in Amsterdam-West gewoond, bijna 20 jaar in de Melkweg gewerkt en ook op andere plekken lang gewerkt. Ik werk vrijwel nergens voor een maandje ofzo. Maar soms is het gewoon tijd om eens verder te kijken  en dan ga ik.

Niet dat ik het achter de bar in Café de Toog niet naar mijn zin heb, want anders was ik allang weggeweest: nee, het is gewoon tijd voor wat anders. En dat anders houdt dus in dat ik de zorg in ga! Sinds de tweede lockdown ben ik werkzaam in een verpleeghuis. Had je me dit een jaar geleden verteld dan had ik je zelf in een tehuis laten opsluiten. Maar de zorgsector heeft me gegrepen en ik ga nu een opleiding tot verpleegkundige volgen. Een leer/werktraject waarin ik binnen twee jaar tot gediplomeerd verpleegkundige word omgeschoold. Een prachtige nieuwe uitdaging. En omdat ik als zelfbenoemde Mr. Comfortzone ook weer niet helemaal gelijk uit mijn bubbel wil stappen blijf ik tot wanneer mogelijk nog minimaal een dag in de week achter mijn vertrouwde barretje staan. Omdat ik het werken in de horeca simpelweg te leuk vind. Ik kan niet wachten tot de terrassen weer open mogen, ik weer bier mag tappen en met mijn dienblad over het terras mag paraderen.

Of het werk in de zorg me gaat bevallen? Geen idee. Of ik het kan? Geen idee: maar ik ga altijd graag voor het adagium van Pippi Langkous: ‘’Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan!’’ Ik loop er in elk geval niet voor weg.

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

  

Rodweek 96 Geschiedenis

Afgelopen weekend ben ik voor eerst sinds eind augustus weer eens in de grote gevaarlijke wereld buiten de ring Amsterdam geweest. Goed, Haarlem en Weesp, dat zijn nou niet direct wat je noemt wereldafstanden, maar toch, even die stadsgrens weer over. Het is een klein half jaar, maar het voelde als honderd jaar geleden dat ik de stad was uitgeweest.

Wat niet als honderd jaar geleden voelt maar inmiddels wel al tientallen jaren geleden is: de jaren 90! De jaren 90 was voor mij de tofste tijd van mijn leven, de tijd van alles ontdekken: op jezelf wonen, liefde en lust vieren (die 2 haalde ik nogal eens door elkaar), uitgaan, concerten, drinken, roken, naar voetbalwedstrijden gaan door Nederland en Europa, soms wel geld, soms geen geld, soep leren koken want dat is goedkoop en voedzaam, voor jezelf leren zorgen, op je platte muil gaan, maar bovenal waren de jaren 90 voor mij één groot feest. Goed, af en toe moest er school of werk gedaan worden als hinderlijke onderbreking tussen alle festiviteiten door, maar ik zou die tijd zo weer overdoen. Het uitgaansleven in Amsterdam stond aan de mondiale top en Ajax ook. Ajax won Europacups en de wereldbeker voor clubs. Kluivert en Blind: ik denk nog steeds eerder aan Patrick en Danny dan aan Justin en Daley, hun zonen die nu voetballen.

De jaren 90: Ik waande me de koning van de nacht en de Korsakoff en de Melkweg waren mijn paleizen.

Voor mijn gevoel is het allemaal hooguit een paar jaar geleden. Maar dat gevoel is bedrieglijk. Wij kregen op de HAVO ook geschiedenisles. Als het dan over de jaren 60 of 70 ging dan klonk dat heel ver weg. We zagen zwartwitbeelden en hoorden de Polygoonjournaalstem van Philip Bloemendal. John F. Kennedy dood, Vietnamoorlog, Hippies, Nozems, Dijkers, Pleiners, Nieuwmarktrellen, Woodstock, Jimi Hendrix, Johan Cruijff, Piet Keizer: dat was allemaal voor onze tijd. Ver voor onze tijd. Als onze ouders weer eens vertelden dat ze in hun jeugd een patatje mayo voor twee kwartjes en een pakkie sigaretten voor een gulden kochten keken we verveeld. Sentimenteel ouwelullengeziek.

’’Oh ja joh? Dat was zeker nog in zwart-wit!’’ schamperden wij, als onze ouders weer eens een verhaal uit die stoffige ouwe doos opdisten. Maar nee, lieve generatiegenoten: hun verhalen waren ook maar 20 tot 30 jaar oud. Net als de verhalen die wij nu vertellen aan de jongere generaties.

’’Ja, ja De Meer was veel gezelliger dan de Arena, voetballers voetbalden vroeger op zwarte kicksen en zagen er bijna allemaal uit als Oost-Albanese bouwvakkers.’’ Je ziet de jeugd verveeld kijken, zoals wij verveeld keken als onze vaders of ooms weer begonnen over het Gouden Ajax van de jaren 70 of over het WK74 dat ‘we’ hadden moeten winnen, als je de steeds sterker wordende verhalen mocht geloven. Terecht dat de jeugd ons nu ook ouwe zeikerds vindt. We zijn gewoon dezelfde sentimentele ouwe dwazen als onze ouders geworden.

De definitieve bevestiging dat mijn generatie nu ook officieel oud tot het ”Gilde der Ouwe Fossielen” is toegetreden zag ik vanmorgen op Twitter. Iemand merkte op dat de jaren 90 dit jaar een examenonderwerp is op het HAVO-examen. HAVO? Hey, dat heb ik ook gedaan! Ja, ouwe, 26 jaar geleden in 1995. Mijn puberteit, adolescentie en ultieme feesttijd ligt al veel verder achter me dan ik ooit zal toegeven. Ik zie veel mensen met wie ik in de jaren 90 omging ook nog. Goed, we zijn dus kennelijk allemaal ineens een jaar of 25 a 30 ouder sinds we elkaar leerden kennen en voor sommigen geldt zo’n zelfde toename niet alleen in jaren, maar ook in kilo’s. Sommige mensen zijn grijs geworden. Bij sommigen zijn de lange haren weg. Roken en drinken is vervangen door yoga en hardlopen. Bij het lezen komt er ineens een brilletje tevoorschijn. Ineens hebben sommige mensen kinderen. Sommige van die mensen hebben zelfs al volwassen kinderen. De eerste mensen in mijn vrienden- en kennissenkring die opa of oma zijn voor hun vijftigste hebben zich reeds enkele jaren geleden aangediend.

”Mijn” jaren negentig zijn kennelijk al zo antiek dat het een examenonderwerp is. Ik vind dat bizar.

Ik leerde in 1991 op de HAVO dat het al 22 jaar geleden was dat Neil Armstrong in 1969 als eerste mens op de maan landde. Kinderen die anno 2021 muziekgeschiedenis leren zullen horen dat het legendarische album ‘Nevermind’ van Nirvana in 1991 uitkwam. En ja, dat is zomaar, 3… eh….30 jaar geleden, ouwe!      

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. Voor €15,- kun je het boek ophalen in Amsterdam-Centrum of voor €19,50 stuur ik de PostNL-duif je kant op.

Rodweek 94 Uitglijer

Een vriend van mij zei het vandaag treffend op Facebook, aangaande de avondklok, de clockdown: ”Zie het zo, je krijgt nu huisarrest voor alles wat je vroeger gedaan hebt, waar je ouders nooit achter gekomen zijn.” Een mooi staaltje omdenken.

Ik dacht gelijk: ‘Nou, dat kan dan nog wel een tijdje duren voor ik weer naar buiten mag!’

Eerlijk gezegd valt de herfst/winterlockdown me mee. Het is vies druilerig baggerweer. Als die lockdown er niet was geweest dan had ik mezelf wel opgesloten. Ik doe dat ook overigens elk jaar in de winter. Ik kom buiten om naar werk te gaan, om boodschappen te doen of naar Ajax te gaan, maar voor de rest wil ik zo min mogelijk met winterse of zelfs herfstige omstandigheden te maken hebben. Ik ben geboren in de winter, nog net, op 12 maart, maar ik ben een echt zomerkind. Als er één straal zon in die stad van mij schijnt loop ik er in en dan speelt mijn hele leven zich zoveel mogelijk buiten af. 

Met sneeuw en ijs heb ik niks. Nooit gehad ook. Als kind vond ik het al een verschrikking. Het is koud, het is nat, het is goor en je glijdt er over uit. Nee, het enthousiasme van verschillende Facebook-vrienden die kraaiden van geluk bij het zien van sneeuw afgelopen weekend deel ik niet. Ik dacht alleen maar: ‘’Kut, nu moet ik met de tram naar werk en moet ik weer zo’n vervelend muilmasker op, maar als ik ga fietsen dan kan ik op m’n muil pleuren en dan heb ik er pijn op m’n muil van.’’ Het zal de eerste keer niet zijn dat ik een salto met m’n fiets heb gemaakt door een straat die in een ijsbaan was getransformeerd. Een jaar of vijftien geleden fietste ik over de Marnixstraat, ’s nachts, midden in het centrum, bijna bij het Leidseplein. Het had geijzeld en ik moest vol in de remmen voor een gast die ineens uit een zijstraatje kwam gescheurd. Met een dubbele salto gevolgd door een schroef, een axel en een dubbele Rittberger eindigde ik vol met m’n bakkes op het ijzige asfalt. Althans als ik de verhalen van de omstanders mag geloven, want ik had in elk geval genoeg publiek en al stonden ze dan nog net niet met jurybordjes omhoog: zo mooi als mij hadden ze nog nooit iemand op z’n plaat zien gaan. En toen ik opstond gleed ik nog een keer op m’n reet.


 Mijn fiets was wonder boven wonder nog heel en ik dacht ik zelf ook nog wel en strompelde naar huis, maar toen ik de volgende dag wakker werd kon ik helemaal niks meer. Geen salto’s meer voor mij.

Nee, salto’s maken kan ik beter aan mensen als Epke Zonderland overlaten. Die zijn daar beter in. Epke zit op turnen. En dat doet onze Epke lang niet slecht. Europese titels, Wereldtitels, Olympische titels en nog een paar honderd andere titels: Epke heeft ze allemaal en kan dubbele ruilen. Het staat in schril contrast met mijn turnprestaties op de gymles op school. Ik kon er werkelijk niks van.

Ik vond het gewoon niet leuk en dan druk ik me heel voorzichtig uit. Als ik iets op gymles HAATTE met hoofdletters dan was het turnen. Ik had en heb dan ook de souplesse van een blok beton en ben over menig bok of rekstok heen gekletterd na weer een mislukte Arabier, salto of een andere naargeestige circusoefening waar ik het praktisch nut totaal niet van inzag. Dat ik, behalve mijn hart, in mijn tienerjaren verder nooit wat gebroken heb mag een wonder heten.

Daarom moest ik ook zo lachen om de tekening van Hein de Kort van afgelopen weekend. Epke heeft zijn vrouw weer eens bezwangerd en op de tekening zie je dat Epke zojuist naakt al flikflakkend en radslagend in de slaapkamer is beland en dan op zijn handen op de rand van het bed staat. Zijn reeds in bed liggende vrouw zegt dan verveeld dat ‘’een keer recht op en neer ook wel eens leuk zou zijn.’’ 

Nee, acrobatische toeren zijn nooit aan mij besteed geweest. Een paar jaar geleden probeerde ik nog met een Arabiersprong over een hekje in het stadion van FC Volendam te springen. Waarom het me nou handig leek om juist op die manier deze horde te nemen weet ik niet meer precies. Laten we het er maar op houden dat overvloedig overmoedig maakte, want we hadden het in de middag nogal vrolijk gemaakt daar aan de boorden van het IJsselmeer. Een paar stukjes kibbeling en twee bitterballen per persoon bleek onvoldoende bodem voor de hoeveelheid bier die we tot ons hadden genomen. Door mijn compleet mislukte acrobatische act zat ik diezelfde avond met een gebroken sleutelbeen en een gat in m’n kop in OLVG-West en lag ik er bijna vier weken uit. Ik kon ook niet werken, dus die gezellige dag heeft me nog een lieve duit gekost.

Dat soort strapatsen haal ik dus maar niet meer uit. Ik ben overigens blij dat er in mijn jeugd nog geen smarthphones en social media waren. Als al mijn uitglijers waren gefilmd en uitgezonden, dan had ik het serieus zwaar gehad.

En over uitglijers gesproken: die dame die zondag op het Museumplein met haar wappiematties achter een groot spandoek stond waarop in chocoladeletters werd verkondigd dat een vaccin tegen Corona vergif is, ‘want je weet maar nooit wat er in zit!’ Die mevrouw is natuurlijk af. Niet zozeer omdat ze dat vindt, want dat mag, maar wel omdat ze met een sigaret in haar handen stond. Die mevrouw vergiftigt zichzelf elke dag willens wetens en die heeft dan wat snuggers te melden over een vaccin. Toedeledoki, mevrouw de Google-viroloog.

En over uitglijers op het Museumplein gesproken: die woordblinde wappie die heel groot ‘’VRIJHIED’’ op een muur had gespoten was ook hilarisch.

En in hoeverre ik het met iemand eens ben maakt dan niet uit. Sta voor je principes, zeg ik altijd maar. Maar spel ze dan in elk geval goed. Ik zeg maar zo: vrie de poeple!


En die ome Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk. €15,- ophalen in Amsterdam-Centrum of €19,50 voor verzenden.


Bejaardenblog 6 Vossenjacht

Op de valreep van het godvergeten 2020 las ik het bericht dat er momenteel roedels op seks beluste vossen door de binnenstad van Amsterdam ronddwalen. Vossen van het mannelijk geslacht die op jacht zijn naar vrouwtjesvossen. En zo hebben we in ‘het rode lichtjes district’ waar ik woon geen last meer van dronken toeristen die op zoek zijn naar vrouwen die ze tegen betaling mogen bestijgen, maar van vossen die op vossenjacht zijn. Kennelijk. Want ik heb ze nog niet gezien. De rosse buurt is tegenwoordig dus de vosse buurt.

Ik ging maar weer eens naar mijn eigen oude vossen in het verpleeghuis. Het lijkt soms wel alsof ze elkaar een beetje aansteken in hun gedrag. Zo kunnen ze ineens allemaal tegelijk heel lief zijn of juist zomaar ineens collectief strontvervelend. Alsof ze het afspreken. En zo hadden mijn oude vossen vorige week ineens een dag dat ze allemaal tegelijk moe waren. Het ontbijt en de lunch is altijd gezamenlijk, maar drie van de zeven bewoners verkozen om op hun kamer te blijven en de andere vier zaten alleen maar te knikkenbollen of gewoon te pitten. Misschien hadden ze de feestdagen nog niet helemaal verteerd.

Karel zat er wel, maar was duidelijk nog niet scherp. Karel is doorgaans nogal gecharmeerd van mij, maar nu herkende hij me niet eens en vroeg hij wie ik was.
‘’Ik ben het, Karel: Rodney. Normaal vind je me altijd zo’n mooie man, wat is dat nou?’’
‘’ Oh… Nou… Je lijkt me wel een aardige jongeman inderdaad.’’

Ik hielp hem met eten en thee drinken en daarna viel hij aan tafel in slaap. Ingeborg die vaak op haar praatstoel zit sliep ook veel en Leo is doorgaans weliswaar aartslui maar hij is altijd wakker genoeg om het personeel allerlei opdrachten te geven. Je kan niet langs hem lopen zonder dat hij een opdracht voor je heeft. Dan moet je ook nog vijf keer vragen wat hij wil, want hij is nogal moeilijk verstaanbaar. Dat kan behoorlijk irritant zijn. Nu dus niet, die lag ook aan tafel te slapen. Klara de eeuwig vrolijke downie was ook moe, lag ook te pitten en dat is ook niks voor haar. Dus daar stond ik dan. Drie bewoners nog in bed en de vier in de eetkeuken lagen allemaal te pitten. Dan duurt de ochtend ineens lang. Ik begon zelfs de onverstaanbare commando’s van Leo te missen. Nou ja, bijna dan. Zoals je een wortelkanaalbehandeling mist, zeg maar. Gelukkig delen we onze gemeenschappelijke liefde voor Ajax waardoor we toch wel een leuke band hebben.

Rond lunchtijd begon iedereen weer wat wakkerder te worden en waren ook de uitslapers inmiddels aangeschoven op hun vaste plek. Er kwam weer wat leven in de brouwerij. Ingeborg en Ramona begonnen weer te kibbelen als twee kleine meisjes, Eduard wilde weer lekker veel eten, Klara zat weer lekker te lachen en Leo dacht weer eens dat de hele wereld om hem draaide en begon zoals ik dat van hem gewend ben met onverstaanbare commando’s te vuren die ik dan weer kon pareren. Heerlijk. De dag was eindelijk begonnen. Al duurde dat behoorlijk lang die dag. Het leek wel of de klok achteruit liep.

Noortje werd ook wakker. Zij slaapt sowieso veel. Ik kreeg in het begin heel erg moeilijk contact met haar. Haar spraakvermogen is heel erg moeizaam. Ze praat geen lange zinnen en dan ook nog op fluistertoon. Ze lacht wel altijd heel lief. Ik hielp haar met eten en zei dat ze een mooie lach had en dat haar haren mooi gekamd waren. Ze lachte haar mooie lach weer naar me.
‘’Hey ben jij daar, Robbie?’’
‘’Ja, ik ben het, Noortje. Neem je een hapje voor me?’’
 “Ja….’’
‘’Moet je wel even je mond open doen hè?’’
‘’Oh ja…’’
‘’Zeg eens AAAAA…’’
En zo help ik haar dan met eten. Slokje thee tussendoor.  

En ook Karel was inmiddels weer wakker geworden. Hij begon Sinterklaasliedjes te zingen. Op zijn galmende volume.
‘’Karel, je weet dat het net kerst is geweest hè?’’
‘’Ja, dat weet ik wel, maar ik vind Sinterklaasliedjes leuker!’’
Karel kan af en toe nog bijzonder scherp uit de hoek komen.

Hij herkende mij ook ineens weer als ‘’de mooie man’’. Ik hielp hem met z’n eten.
‘’Ah, dank je wel, mooie man!’’
‘’Smaakt het lekker, Karel?’’
‘’Heel lekker! Verrukkelijk zelfs!’’
‘’Mooi zo!’’
‘’Net als jij, want jij bent mijn lekkertje!’’

Yep, Karel was weer wakker en er op zijn manier weer helemaal bij. Zo zie je maar: de vos verliest wel z’n haren, maar niet z’n streken.   

PS: De namen van bewoners en medewerkers zijn in het kader van de privacy gefingeerd.

Voor Bejaardenblog 1: klik hiero

Voor Bejaardenblog 2: klik daaro

Voor Bejaardenblog 3: klik andere daaro

Voor Bejaardenblog 4: Klik weer andere daaro

Voor Bejaardenblog 5: Klik dan maar weer hiero

En die ome Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk.


 
  

Bejaardenblog 5 Ach Kind

Nee, de ambitie om samen met iemand kinderen op de wereld te zetten heb ik nooit gehad. Het proces van kindjes maken daarentegen heeft wel altijd mijn bijzondere interesse gehad, maar zelf kinderen hebben en daar voor zorgen en opvoeden: nee dank je. Ik heb het al druk genoeg met m’n eigen leven en daarbij is die aardbol toch al te vol, dus dan hoeven we er ook niet nog eentje van mij erbij. Maar nu, sinds 9 november heb ik op mijn 43e ineens zeven ‘kinderen’: ze variëren in leeftijd van 57 tot 86 jaar.

Ik maak lunch en ontbijt voor ze, ik speel spelletjes met ze, help ze met eten en drinken en ondersteun het zorgpersoneel door de bewoners te helpen met kleine dingen die ze zelf niet meer zo goed kunnen. We hebben best veel lol samen. Soms zijn ze echt om op te vreten, maar er zijn ook dagen dat ik denk: ‘’had ik dat maar gedaan’’. Eigenlijk praat ik soms net zo over ze zoals ik echte ouders weleens over hun kinderen hoor praten.    

Mijn jongste ‘kind’ is de 57-jarige Klara, die het Syndroom van Down heeft. Haar woordenschat is zeer beperkt, maar wel duidelijk en bij tijd en wijle geestig. Ik ben voor haar die  ‘mafkees’ of ‘sodemieter’, maar vaak zegt ze ook ‘dag schat’ en soms krijg ik een kus op mijn hand van haar.  Als ik een broodje voor haar neerzet zegt ze standaard: ‘Ja lekker!’ Na het eten drinkt ze graag koffie en dat woord kent ze ook. En Klara zegt tegen iedereen, of ze nou 20 jaar of 80 jaar zijn, ‘’ach kind.’’

Ik noem ze dan wel gekscherend mijn kinderen, maar het zijn natuurlijk mensen die ruimschoots volwassen zijn, of dat in elk geval zo veel mogelijk zouden moeten zijn, voor zover hun toestand dat toelaat. Maar dat valt niet altijd mee. Afgelopen week, ik weet niet wat ze hadden, maar toen moest ik echt even de kleuteroppas spelen en ze hier en daar bestraffend of ouderlijk toespreken.

Het begon met Leo die chocolaatjes uit zijn kamer wilde. Ik pakte de doos chocolaatjes. Leo begon te eten en deelde niks met de anderen, want ‘het is mijn chocola!’. Waarop Ingeborg kwaad werd en zei dat de chocola niet van hem, maar voor de hele afdeling was en dat hij de chocolaatjes had gepikt. Na mijn tussenkomst hield Leo vol dat de chocolaatjes van hem zijn en hij dus niets hoeft te delen.

Vervolgens kreeg mijn veelvraat Eduard honger. Hij zegt meestal niet veel meer dan dingen als  ‘’Mag ik een broodje?’’, ‘’Thee’’ en ‘’Ik heb het koud, sjaal’’. Prima, alleen is hij soms wat ongeduldig als het serveren van zijn bestelling hem te lang duurt, omdat ook ik maar in het bezit van twee handen ben, en dan gaat hij heel irritant op de tafel tikken met zijn vingers. En dan herhaalt hij zijn bestelling nog maar eens. Een keer of drie. Dat was dus ook die dag.

Tegelijk begonnen Ramona en Ingeborg te kibbelen over niks. Dan zijn het net twee kleine meisjes. Dat doen ze wel vaker en dan haal ik altijd het oude stokpaardje van mijn moeder van stal, wat ze altijd zei als ik ruzie had met mijn vriendjes of mijn zus: ‘’Hey, wel lief zijn voor elkaar!’’ Alleen waren wij toen acht en zijn zij op vergevorderde leeftijd.

Ramona heeft even later in haar broek gepoept en moet verschoond worden door de zuster. Het  leven van veel mensen begint in een luier en eindigt in een luier. Die gedachte stemt me best wel eens somber.  

Het over en weer gekissebis over die chocolaatjes ging de hele dag maar door en ondertussen gooide Klara lachend haar koffie op de grond. Dat doet ze vaker als ze even niet de aandacht heeft. Ze weet dan dat ze eigenlijk een ‘time out’ krijgt. Dan moet ze voor straf even een kwartiertje afkoelen op haar kamer waarna ze belooft dat ze het nooit meer zal doen en dat ze lief zal zijn. Maar ik had ook geen tijd om dat te doen, want ik moest allemaal brandjes blussen. Ondertussen begon Karel ook weer te schreeuwen en liedjes te zingen die hij tot vervelens toe herhaalde en Noortje wilde niet eten en kliederde met haar melk.

Het was gewoon even zo’n dag waar geen einde aan leek te komen. Ze waren allemaal tegelijk in hun klierbui. Ik was doodmoe aan het einde van mijn dienst en blij dat ik naar huis kon. Desalniettemin kijk ik er weer naar uit om morgen ‘mijn kinderen’ te zien. Ik ben in die anderhalve maand dat ik dit werk doe best behoorlijk gehecht geraakt aan de bewoners van mijn afdeling. Als er eentje De Pijp (of in dit geval Oud West) uitgaat zou ik dat serieus erg vinden. Maar als Klara morgen dan weer lachend ‘’Ach kind’’ tegen me zegt, dan is mijn dag al snel weer goed.

PS: De namen van bewoners en medewerkers zijn in het kader van de privacy gefingeerd.

Voor Bejaardenblog 1: klik hiero

Voor Bejaardenblog 2: klik daaro

Voor Bejaardenblog 3: klik andere daaro

Voor Bejaardenblog 4: Klik weer andere daaro

En die ouwe Rodzooi heeft ook een nieuw boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk.

Bejaardenblog 4 Rijkdom

Vrijwel dagelijks passeer ik, net als op een Monopolybord, de Kalverstraat, maar 20.000 euro krijgen als je daarna Start passeert zit er dan weer niet in. Ik woon er vlak bij, maar de beroemdste winkelstraat van het land inlopen doe ik vrijwel nooit. Goed beschouwd is het een straat die van dezelfde truttige saaiheid is als elke andere winkelstraat in Nederland. Alleen is de Kalverstraat groter en bekender. Het enige dat wat mij betreft ooit van belang is geweest aan de Kalverstraat is dat Ajax er op 18 maart 1900 is opgericht. Voor de rest heb ik niks met die straat.

Door het Coronagedoe is het er al vrijwel heel 2020 rustig, maar afgelopen vrijdag vond de overheid kennelijk dat we als volk wel weer eens een uitje hadden verdiend in deze zware tijd. We zijn tenslotte allemaal al een tijdje niet naar voetbal, de kroeg of naar een concert geweest en dus mocht Black Friday gewoon een heel weekend doorgaan. Dus we hebben allemaal geld over nu, toch? Dus het volk mocht los en zich als een kudde uitgehongerde beesten op de aanbiedingen storten. Black Friday Matters, zullen we dan maar zeggen. De hele Kalverstraat was weer ouderwets druk bezaaid met koopjesjagers. Wat je in een treurgoot als de Kalverstraat moet kopen op een Black Friday, ik zou het niet weten, dus ik fietste maar snel door naar huis. 

Thuis aangekomen keek ik eens op Funda. Eens kijken of de huizenmarkt ook aan zwarte vrijdag deed. Dat onze nationale huisjesmelker Prins Bernhard jr. bijvoorbeeld twee woningen voor de prijs van één verkoopt of zo. Of een grachtenpand met een stuntkorting van 90%. Maar nee. Dat was niet het geval. Een woning in Amsterdam kopen heb ik sowieso allang uit mijn hoofd gezet. Tenzij de loterijballen een keer lekker vallen word ik toch nooit rijk.

Althans, niet in materieel opzicht. Ik verdien genoeg om te kunnen leven zoals ik dat wil. En veel meer heb ik niet nodig. Geld is makkelijk, maar het interesseert me te weinig. Ik zou m’n laatste joetje nog weggeven. Daarbij heb ik ook het zakelijk instinct van een tosti-ijzer, dus dat helpt ook niet mee met rijk worden. De echte rijkdom zit ‘m in gezondheid. Dat is zo cliché als een bord koude babi pangang, maar clichés zijn cliché omdat ze waar zijn.

Ik besef me die rijkdom steeds meer sinds ik in het verzorgingstehuis werk. Ingeborg, de oudste van de afdeling en behept met een smaak die een materieel rijk verleden verraadt heb ik al in één van de eerdere verhalen gememoreerd. Maar ook Karel, die elke dag tegenover haar zit heeft ooit een zeer welgesteld leven geleid. Hij was directeur bij een bedrijf. En ik zie hem ook wel voor me, een jaar of vijftien jonger, in een mooi pak, goed gecoiffeerd, kekke schoenen en met zijn kenmerkende stem leiding gevend aan een team van werknemers. En dan in de avond dineren in mooie restaurants en thuiskomen in een duur huis.

Dat was zijn leven. Zijn leven is nu, na een ongeluk en een daarbij opgelopen hersenbeschadiging, dat hij in een rolstoel op een gesloten afdeling in een verzorgingshuis woont. Ik hoor hem elke dag schreeuwen van de pijn als de zusters hem uit bed halen. Hij draagt geen mooie pakken meer, maar een trainingsbroek en een trui. Echt praten lukt niet meer, al kan hij in een goede bui nog wel wat korte zinnen formuleren. Zinnen waaraan je kunt horen dat hij een mooi taalgebruik had. Als ik hem iets vraag of hem help met het voeren van zijn eten registreert hij mijn vraag de ene keer gelijk, soms pas een halve minuut later of soms ook helemaal niet. En hij is nog niet eens heel oud hè? Karel is begin zestig. Ik ken verschillende mensen die ouder dan hij zijn en het grote geluk hebben dat ze er nog een uiterst vitaal leven kunnen nahouden. Die rijkdom heeft Karel dus niet.

Karel is van de herenliefde en hij schroomt niet om mannen die hij aantrekkelijk vindt uitgebreid te complimenteren. Zo noemt hij Henk, de grijsharige vrijwilliger en broer van Klara, altijd ‘mijn blonde God’ en tegen mij zegt hij continu dat hij mij zo’n ontzettend mooie man vindt en dat hij heel veel mij houdt. Zo af en toe begint hij ineens uit volle borst te zingen en te schreeuwen. En dan herhaalt hij het liedje ook meerdere keren. We hebben in mijn eerste twee weken ontelbaar vaak naar zijn uitvoering van ‘Row your boat gently down the stream’ moeten luisteren, tegenwoordig klinkt, in de repeatstand, het lied over ‘Dudeljoo’’ uit zijn zoetgevooisde keel. Soms begint hij ineens in het Engels te praten want daar heeft hij ook gewoond. Karel houdt er ook wel van om wat aandacht te trekken.

Maar afgelopen week kwam er zomaar ineens even een breuk in zijn liefde voor mij. Zijn rolstoel moest even verplaatst worden en toen ik hem terugzette op zijn plaats kwam hij heel lichtjes in aanraking met de tafel. Ik schampte hem amper. Nou kan ik zijn pijn natuurlijk niet voelen, maar Karel ontstak in blinde woede. En als Karel pijn heeft wordt zijn taalgebruik ineens een stuk minder parlementair. Ineens was ik een ‘LUL!’ en een ‘KLOOTZAK!’ en haatte hij me. De liefde was in één keer over. ‘’Eerst vond ik jou aardig! Maar nu vind ik jou een ZAK! IK HAAT JE!! GODVERDOMME! KUT!!! IK HAAT ALLES! IK WIL DOOD!’’

Ik probeerde hem nog te kalmeren, maar ik had het compleet verbruid. Hij ging in één seconde van nul naar honderd. Woest was ie. En zo ging het nog even door. Na zijn tirade viel Karel in slaap. Rust in de tent. Een uur later was de lunch en ik maakte Karel voorzichtig wakker voor zijn broodje. Ik hielp hem met voeren en thee drinken. Ik ging het er toch maar even over hebben met hem.
‘’Hey Karel, je moet niet meer zo boos doen en tegen mij schelden hoor, dat vind ik namelijk echt niet leuk. Ik dacht wij vrienden waren. ’’
‘’Ik zou nooit op jou schelden, mooie man.’’
‘’Dus we zijn weer vrienden?’’
‘’Wij zijn altijd vrienden! Ik hou van jou!’’
‘’Daarnet vond je me nog een lul.’’
‘’Dat zou ik nooit zeggen tegen jou, lieve schat.’’

Tja. Hoe kwam ik er inderdaad bij? Mijn oren suisden nog na van zijn gebulder en hij wist het niet eens meer. Dat houdt het leven wel lekker overzichtelijk. Dat dan weer wel.

De zeven bewoners op mijn afdeling zijn allemaal van verschillende komaf, maar hier zijn ze allemaal gelijk. Sommigen hebben een leven met relatief veel welvaart gehad, anderen minder. Uiteindelijk wonen ze nu allemaal op dezelfde gesloten afdeling, eten ze allemaal hetzelfde eten, hebben ze allemaal hun kwalen en moeten ze allemaal geholpen worden met douchen en toiletbezoek. Dan heb je weinig meer aan materiële rijkdom. En wie denkt dat een leven met heel veel geld en roem gelukkig maakt moet de documentaire over Diego Maradona maar eens kijken. Die man werd driekwart van zijn zestigjarige leven volkomen geleefd en is daar hartstikke aan kapot gegaan.

Dan ben ik liever blij met een goede geestelijke en lichamelijke gezondheid, goede mensen om me heen en een prima dak boven mijn hoofd. Dat ik dan af en toe eens na moet denken of ik ergens wel genoeg geld voor heb houdt me met beide benen op de grond. Dat is voor mij genoeg rijkdom. En dan besef ik me dat ik elke dag dat ik gezond ben na de Kalverstraat langs Start rijd.

PS: De namen van bewoners en medewerkers zijn in het kader van de privacy gefingeerd.

Voor Bejaardenblog 1: klik hiero

Voor Bejaardenblog 2: klik daaro

Voor Bejaardenblog 3: klik andere daaro

En die ouwe Rodzooi komt komende maand ook met z’n nieuwe boek uit: ”Het nut van een gebreide condoom”. Bestellen kan via rodney@rodzooi.nl of via Facebook Rodney Rijsdijk.