Rodweek 52 Toen was gelul nog heel gewoon

Wat zijn we toch een uniek volkje. Er bestaan geen mensen op de wereld die discussies zo tot snot kunnen koken als Nederlanders. De spruitjes van je ouwe opoe zijn er niks bij. We lullen maar en we lullen maar en uiteindelijk zitten we muurvast tegenover elkaar met de hakken in het zand. Nederlanders, van welke afkomst ook, lijden chronisch aan ‘De Ziekte van  Ja maar’. Ik heb het buitenlandse vrienden weleens geprobeerd uit te leggen hoe Nederlanders discussiëren: het duurt en het duurt maar en het duurt bijkans eeuwig voor er iemand oplossingsgericht denkt, want we willen allemaal ons gelijk doordrukken.  De zinnen in een Nederlandse discussie beginnen (en gaan oneindig door) dus vaak met de woorden ”Ja maar…”

En dus zijn we de eerstkomende jaren nog niet verlost van de Zwarte Pieten-discussie. Wie mij een beetje kent weet aan welke kant ik sta: Zwarte Piet, ouwe rups, je hebt je langste tijd gehad. Tradities en cultuur zijn nooit voor eeuwig en altijd aan verandering onderhevig. Dat heet beschaving. Als alle tradities voor eeuwig zouden zijn zouden we hier nog steeds aan palingtrekken, hanengevechten en katknuppelen doen, zou slavernij nog bon ton zijn en zouden kinderen op school nog steeds met een liniaal op hun vingers worden geslagen. En over al die verschillende dingen hebben we op een bepaald moment in de geschiedenis ook besloten dat ze toch niet meer zo van deze tijd zijn. En die weg gaat Zwarte Piet ook bewandelen. We leven niet meer in het naar die tot snot gekookte spruitjes van je opoe geurende roomblanke Nederland van de jaren vijftig. De samenstelling van de bevolking is nogal veranderd sinds die tijd en niet iedereen voelt zich nog prettig bij de negerkarikatuur die de Piet al enkele decennia is. Lees verder

Rodweek 50 De Laatste der Nokiakanen en Joop Appzeiker

Jarenlang waren mijn Nokia en ik onafscheidelijk. Althans, ik was serieel monogaam. Als er eentje stuk ging kocht ik gewoon voor een geeltje een nieuwe op de Kinkerstraat. Ik kon er mee bellen en ik kon er een berichtje mee versturen. Meer had ik niet nodig. Buienradar? Je merkt het toch vanzelf als het regent? Ja, het is kut en vervelend. Maar smelt je er van? Nou dan. GPS? Je hebt toch een mond om de weg te vragen als je de weg even niet weet? Ik heb mij, sinds de komst van de mobiele telefoon eind jaren negentig altijd prima gered met een eenvoudige telefoon. En soms ook zonder. Echt waar! Ik vind het zelfs wel eens fijn als ik de telefoon thuis ben vergeten. Lekker: de hele dag niet gebeld kunnen worden. Geen blabla aan je kop. Zalig. En voor de komst van de mobiele telefoon in de jaren negentig, hoe deden we dat toen ook alweer? Oh ja: Gewoon, afspreken: 15.00 Leidseplein. En als je afspraak er om 15.15 niet was liep je weer weg en ging je gewoon je eigen ding doen. Dat we die barre tijd overleefd hebben, het mag een godswonder heten. Lees verder

Rodweek 49 Snollentosti

Op de één of andere manier kom ik haar heel vaak tegen tijdens mijn postrondes. Het maakt niet uit op welk tijdstip ik aan mijn wandeling begin. Of ze roept naar me vanaf een terras waar ze koffie zit te drinken en sigaretjes aan het roken is of ze hangt ineens uit het raam in haar woning in de Egelantiersbuurt: ‘’Hey ouwe sodemieter. Ben je er weer? Lekker aan de wandel vandaag? Heb je nog post voor me, lieverd?’’ Dat is zo’n beetje haar standaardbegroeting naar mij. Ik schat haar op een lente of zeventig. Ze heeft een doorleefde kop en een stem die minstens vijf decennia twee pakjes sigaretten per dag roken verraadt. Toch heeft ze een gezonde kleur op haar gezicht. Een goeie teint. Ze is vaak buiten. Dat is altijd goed voor een mens.

Ik heb,  behalve van haar achternaam, want die staat op haar post, geen idee wat haar voornaam is. Ik denk Ria of Rietje. Alle oudere Jordanese vrouwen die ik ken heten om onverklaarbare redenen altijd Ria of Rietje. Dus laat ik haar voor het gemak maar Rietje noemen. Rietje heeft, met die doorgerookte stem van haar, zo’n zangerig Jordanees accent dat zo plat is als een Mokumse patatduif die zes keer een heipaal op z’n treiter heeft gehad. Wie zegt dat er in de Jordaan geen plat Amsterdams meer gepraat wordt kent Rietje niet. Of is nooit bij slagerij Louman in de Goudsbloemstraat geweest, maar nu dwaal ik af. Rietje en ik maken altijd even een kort praatje. Dat gaat nooit over grote dingen. Gewoon, een klein praatje over het weer of zo.

En zo kwam ik haar afgelopen dinsdag weer tegen. ‘’Zo, ouwe sodemieter, je treft het maar weer met het zonnetje vandaag! Het blijft maar lekker!’’, riep ze mij vanaf een terras op de Prinsengracht toe.
‘’Het is heerlijk, en dat half oktober, maar wordt ook weer een keer november en december, dus ik geniet er nog maar van zolang het duurt. ’’
‘’God, jongen, je hebt gelijk. Hou op met me. Ik haat die kutherfst en ook die vreselijke winter. Die kou. Gadverdamme! Doe mij maar lekker in het zonnetje, veel beter! ’’
‘’Wat u zegt. Doe mij maar de zon. U heeft ook een gezond kleurtje.’’
‘’Ja, jongen, ik pak elke zonnestraal die ik ken pakken. Als er één streep zon in die stad is loop ik er in, maar volgende maand moet ik toch maar weer eens naar die snollentosti in de Nieuwe Leliestraat , ik wil dat kleurtje wel een beetje vasthouden.’’

Snollentosti. Ze zei het gewoon. Ik vind het één van de leukste Amsterdamse woorden die ik ken. Voor wie het woord niet kent: snollentosti is een fijn plat Amsterdams synoniem voor zonnebank. Ik ken het woord al jaren, maar ik hoor het nooit bijna nooit iemand gebruiken. En daar, op de Prinsengracht, terwijl de Oude Wester op ons neerkeek, bezigde een gezellige oude Jordanese mevrouw van zeventig dat prachtwoord.  Mijn hart maakte een vreugdesprongetje. We babbelden nog wat, we lachten nog wat en even later liep ik weer vrolijk verder. Op zonnige dagen als deze is er geen fijner werk denkbaar als postbode zijn in de Jordaan. Maar op een waterkoude regenachtige novemberdag vervloek ik deze beroepskeuze nog wel eens, zo’n opportunistisch stuk vreten ben ik dan ook wel weer.

Maar zover is het nog niet. Ik verleng de zomer gewoon nog even. Deze zomer, die toch al een klein half jaar duurt, heeft me eigenlijk nog niet lang genoeg geduurd. Daarom ga ik maandag lekker een paar dagen naar Sevilla. Daar is het nog een uitermate sfeerverhogende 28 graden. Nog even een lekkere kleur oplopen voor het weer november wordt. Daar heb ik de snollentosti niet voor nodig.

Rodweek 45 Vlindermoer

Dat ik al mijn geld met mijn handen verdien is natuurlijk de dijenkletser van de eeuw. Ik heb een aangeboren onhandigheid die je bepaald niet tutoyeert. Daar zeg je met recht ‘U’ tegen. Dat ligt natuurlijk deels aan mijn weinig verfijnde motoriek. Mijn vader kocht ooit, toen ik nog een kleine brokkenpiloot was, eens een speelgoedautootje voor mij. Of het echt niet stuk kon, vroeg mijn vader. De verkoper sloeg en gooide met dat ding, haalde er allerlei capriolen mee uit en inderdaad dat kreng was niet stuk te krijgen. Ik speelde er een paar minuten mee: autootje total-loss. Alles kan stuk bij mij! Misschien dat ik daarom ook wel voetbalsupporter ben geworden. Een tweede verklaring is mijn eveneens aangeboren gebrek aan geduld: iets moet meteen lukken, anders word ik narrig. Helaas helpt een motorische gestoordheid daar niet bij. Tel daarbij dat nou niet bepaald iedereen in mijn omgeving mij vroeger al te veel stimuleerde om een Handige Harry te worden. Daarvoor heb ik vriendelijk uitgesproken teksten als ‘’Nee, bemoei jij je daar nou maar niet mee’’en  ‘’Nee, dat kan jij toch niet’’’ net iets te vaak gehoord. Lees verder

Rodweek 42 Toeval bestaat wel

Onlangs zag ik Anton lopen, hierachter op de Kloveniersburgwal. Anton is een oude man, ofschoon ik zomaar denk dat hij niet zo oud is als dat hij er uitziet. Zolang als ik hem tegenkom, dik twintig jaar, ziet hij er al heel oud uit. Ik kwam hem tot vorig jaar wat vaker tegen, want Anton kwam, en komt waarschijnlijk nog steeds, altijd wel twee of drie keer per week in de Melkweg waar ik toen nog werkte. En ik zag hem vaak door de stad lopen. Tas kranten onder de arm. Toen ik van 2001 tot 2004 op de Universiteit van Amsterdam én in de Melkweg werkte zag ik hem heel vaak. In de ochtend zag ik hem door de binnenstad fietsen, tijdens onze lunch zat hij, net als wij, ook in de Mensa te eten, terwijl hij zich door zijn stapel kranten worstelde en in de avond zag ik hem dan weer in de Melkweg of in één van de kroegen in de buurt. Ik was nooit zo verbaasd als wij elkaar vaak op drie of meer verschillende  plekken in de stad op dezelfde dag tegenkwamen. Dat ging gewoon zo. Lees verder

Mokum-funk van de Amsterdelics

De Melkweg, 9 mei 2018. De legendarische grond aan de Lijnbaansgracht, om de hoek bij het Leidseplein. Ik heb er negentien jaar gewerkt. Negentien doldwaze jaren waarin gezelligheid nooit een klokkie droeg. Het was, zeker in de tijd dat ik er werkte, het verlengstuk van mijn huiskamer. Ik kom er niet vaak meer, maar als ik er ben voelt het als een warm bad. Zogezegd is de Melkweg niet alleen mijn tweede huiskamer maar dus ook mijn tweede badkamer. Ik ken de mensen bij de deur, de bar, de garderobe en de techniek. En ik ken veel vaste en minder vaste bezoekers. Wat minder vaak voorkomt is dat ik ook de band ken die op het podium staat. Maar op deze mooie meidag staan de Amsterdelics op het podium. Een veelkoppige funkband. Met sommige bandleden heb ik geschiedenis. Melkweg-geschiedenis. En soms daarbuiten ook.   Lees verder

Rodweek 37 Een puist op een mooie kont

Wat een akolei is wist ik tot dit stukje ging schrijven ook niet precies. Wat ik wel wist is dat de Akoleienstraat in de Jordaan ligt en dat veel straten in de buurt naar bloemen of planten genoemd zijn. Jordaan is immers een verbastering van het Franse woord voor tuin, ‘jardin’. De Akolei bleek, na een kleine virtuele zoektocht, inderdaad een bloem te zijn, behorend tot de ranonkelfamilie. Een vrij mooie bloem ook, zo zag ik op het internet. Maar zo mooi als de bloem is, zo lelijk is de Akoleienstraat, in de Jordaan. Al is mooi van lelijkheid eigenlijk beter uitgedrukt.

Ik fiets vanaf mijn huis, nabij het Waterlooplein, op weg naar mijn postronde in de Jordaan, twee keer in de week, op dinsdag en op vrijdag, een prachtige route. Vanaf de Verversstraat door de Staalstraat, langs de Munt, over het Singel, door de Wijde Heisteeg, de grachten over, door de Hazenstraat, Tweede Laurierdwarsstraat en de Tweede Rozendwars en dan sta ik ineens op de Rozengracht. Een prijswinnaar van een route. Alleen maar mooie straten en grachten. Dat vinden veel toeristen ook. Ik woon tussen de vrijelijk rondkrioelende toeristen. Ik vind dat niet erg. Ik ben er willens en wetens gaan wonen, dus ik zal de laatste zijn die er over klaagt. En daarbij laat ik toeristen graag  weten wat ik van ze verwacht, zodat dat duidelijk is voor ons allebei. Dus niet in m’n weg lopen dus als ik fiets en opzouten met leuke selfies maken op de brug als ik er langs moet, want daar houd ik niet van. Lees verder

Rodweek 35 Titanic Amsterdam

Afgelopen zondag was het precies 106 jaar geleden dat de Titanic zonk terwijl het orkest doorbleef spelen om nog paniek te voorkomen. Toen duidelijk werd dat het schip echt aan het zinken was en er nog maar weinig reddingssloepen aanwezig waren brak er natuurlijk alsnog paniek uit en was het dus voor veel mensen al te laat. Ik kan nooit meer aan de Titanic denken zonder de legendarische reis in 2013 van Marcel en mij naar Newcastle. Met de boot vanuit IJmuiden naar Newcastle. Op volle zee, na reeds een respectabel aantal pints, vonden wij het een goed moment om de ‘I’m the King of the World!’-scene uit die drakerige film die over de ramp gemaakt is na te spelen. Lees verder

Rodweek #31 Haverklapschaats

Terwijl ‘onze’ (als ‘we’ winnen zijn het in Nederland altijd ‘onze’, als ‘ze’ verliezen zijn het in wezen wezen) schaatsers daar in Zuid-Korea de medailles als een kralenketting aaneen rijgen gaan mijn gedachten terug naar 1986. Ik was negen en we gingen met een paar schoolklassen op excursie naar wat toen al het Mekka van de schaatssport was: het Thialfstadion in Heerenveen. Terwijl Sven Kramer in datzelfde Heerenveen in datzelfde jaar zijn eerste bronzen plak in zijn luiers legde reed ik mijn eerste rondje 32 op het heilige ijs. Het waren alleen 32 minuten en geen 32 seconden zoals een beetje goede schaatser dat doet, want ik lag om de haverklapschaats op mijn snuit of op mijn reet en hield me krampachtig vast aan de boardings om niet steeds te vallen. Terwijl iedereen om mij heen met duizelingwekkende vaart langs mij heen suisde en dolle pret had hoopte ik alleen maar dat deze dag in godesnaam heel snel voorbij zou zijn. In elk geval dit rondje rond die onmetelijke baan. De finish was nog lang niet in zicht. Toen ik eindelijk al klapwiekend met mijn armen de finish had bereikt en met een van pijn vertrokken gribusgrimas naar de kant klungelde leek het me een goed idee om mij terug te trekken uit de van plezier kraaiende en soepel schaatsende menigte en de vijf gulden die ik had meegekregen van mijn ouders stuk te slaan in de patatkraam. Nee, ook voor schaatsen was ik, zoals voor vrijwel elke actieve sport waar specifieke vaardigheden voor worden gevraagd, fysiek volledig ongeschikt. De enige schaats die ik in mijn latere leven nog wel eens aanzienlijk beter heb gereden was een scheve schaats, maar dat is weer een ander verhaal. Lees verder

Rodweek #27 Sommige dingen zijn onbetaalbaar

Waar 2017 in financieel opzicht voor mij wat moeizaam op gang kwam begon 2018 meteen met een meevaller. De royalty’s van mijn bestseller ‘Kroegkronieken’ uit 2013 werden gestort en dat betrof dit jaar de lieve somma van €2,97, dus in elk geval één persoon heeft afgelopen jaar op die knop van bol.com geramd! Even overwoog ik, op advies van een kennis, dit gewonnen kapitaaltje te investeren in Bitcoins, maar dan zou ik mezelf niet zijn. Geld moet rollen, zeg ik altijd maar en bovendien stond er afgelopen weekend een weekendje Valkenburg met de dame op het programma. Mijn enige en laatste bezoek aan Valkenburg was een jaar of dertig geleden, maar daar stond me nog maar weinig van bij. En wat zou ik in 1988 allemaal met €2,97 kunnen doen? Dat was toch zes gulden zestig. Heel veel kikkertjes, perziken en trekdrop kopen natuurlijk! Wat denk jij nou? Lees verder