Rodweek 82 Vergisactivist

Elk jaar zijn er wel een paar: de vergistoeristen. De buitenlandse toeristen die op 30 april met hun Lonely Planet uit 2006 op Amsterdam Centraal aankomen om onze nationale feestdag mee te vieren en dan tot hun teleurstelling zien dat zij de enige gekkies zijn met een oranje hoedje en shirt. Vergissingen zijn menselijk. Het kan de beste gebeuren. Voordat het hele Coronagedoe losbarstte, je weet wel de tijd dat we nog onbeperkt naar kroegen, voetballen en concerten mochten gaan, wilde ik naar Ajax. Ik m’n Ajax-shirt aan, m’n sjaaltje en m’n toeter mee en oostwaarts! Kom ik op de Middenweg: staat Stadion de Meer er niet meer! Bleek Ajax al 24 jaar in een of andere UFO in de Bijlmer te spelen! Daar hadden ze mij als trouwe seizoenkaarthouder toch wel wat beter over kunnen informeren.

Want zo hebben we sinds gisteren een nieuw begrip: de vergisactivist.  Nu al het woord van het jaar. Dat zijn de leden van de groep ‘’Viruswaanzin’’: een groep mensen die denken dat Corona een grapje, een griepje of een complot van de overheid is. Of een combinatie van die drie. Voeg daar een snufje 5G-gekkies en wat labiele types aan toe, en badabing badaboem: daar hebben we de groep Viruswaanzin.

En daar stonden onze vrijheidsstrijders dan gisteren, te demonstreren tegen de media die ons verkeerd informeren over de Coronacrisis. Dit keer bij het hoofdkantoor van het AD in Rotterdam. Want ze pikken die verkeerde informatie niet langer! Alleen stonden de viruswaanzinnigen bij het verkeerde gebouw waar het AD al acht jaar niet meer resideert. Maar dat zal waarschijnlijk ook de schuld van de media zijn, want dat hadden ze ook niet kunnen weten. Overigens stond de frontman van deze mallies wel bij het goede gebouw, dus wellicht behoeft de communicatie op de Facebookpagina nog enige verbetering.

Ach ja, zo’n Coronatijd doet rare dingen met een mens. Zo stond er vorige week spontaan een kunstwerk op de Dam, een Legobeeld van André Hazes. Hartstikke leuk. Ik miste alleen iets aan het kunstwerk en aangezien ik toch om de hoek woon besloot ik om André van een blikje bier te voorzien. Even op de foto en ik werd nog even geïnterviewd door de Sloterdijk Pravda, helemaal leuk.  

Ik had gedacht dat het beeld of na één of twee dagen zou worden verwijderd door een overijverige en streberige BOA (‘’Want daar is geen vergunning voor gevraagd, meneertje!’’) of dat het beeld vernield zou worden door Playmobilactivisten. Het werd het tweede scenario. Alleen pas na zes dagen. We gaan vooruit in dit land. De vernieling was, want daar staan Playmobilianen om bekend, weinig Duplomatiek. De kop vakkundig van de romp gescheiden. Een IS-strijder had het niet beter gedaan. De grap die een vriend maakte, ‘’want zij onthoofdde mij’’ vond ik wel humor. En humor is iets waar we de vernielers van het Hazesbeeld vermoedelijk niet op kunnen betrappen. Maar ik kan me  vergissen.     

Rodweek 81 M & M’s

De meest ironische foto van de afgelopen week was de selfie die Thierry Baudet nam tijdens het topoverleg op de rechterflank met zijn sidekick Theo Hiddema en Geert Wilders. De mannen die dus zogenaamd opkomen voor ‘de gewone man’.  Nou is de PVV natuurlijk een partij voor schreeuwerds die nou niet bepaald het koudste biertje in de koelkast zijn, maar Forum voor Democratie is voor de tokkies die wel met mes en vork kunnen eten en zich wat beschaafder kunnen uitdrukken: de hockeytokkies.

En daar zaten ze dan. Ik vermoed in de woning van Theo Hiddema. Of Baudet moet er voor een jongeheer van 37 wel een heel erg ouwelullerige smaak op na houden. Ik weet, doordat ik twee jaar postbode ben geweest in postcodegebied 1012 t/m 1016, zodoende precies waar de heren wonen: bulls eye in de grachtengordel waar ‘de gewone man’ zich zo tegen afzet.

Ik stel me de conversatie als volgt voor:

Geert: ‘’Jeetje kerel, wat woon je toch mooi hier aan de gracht.’’
Theo: ‘’Dank je wel, Geert. Zeg, Thierry, ook een glaasje wijn, amice?’’
Thierry: ‘’Gaarne, confrère. Zeg zullen wij ons gesprek over dat gepeupel dat zo massaal op ons stemt, ons electoraat, gewoon in het Latijn doen? Dat praat wat makkelijker.’’

Er wordt mij weleens gevraagd waarom ik mij niet vaak uitlaat over politieke zaken op social media. De reden is simpel: ik vind het te vermoeiend. Je vindt ergens iets van en voor je het weet ben je in een of andere semantische discussie geraakt  met Jan uit Koog aan de Greppel of Mien uit Kutkrabbersveen of met weet ik veel wie. Mensen die ik niet of niet goed genoeg ken in het echte leven maar die mij wel voor van alles gaan lopen uitmaken omdat we van mening verschillen. Je weet wel, de toetsenbordhelden die in het echie hartstikke lieve schatjes zijn, maar achter een toetsenbord alle sociale filters laten wegvallen en dan maar van alles over je uitkotsen.  Ik wil prima in discussie met mensen, maar dan wel met mensen die ik enigszins ken en bij voorkeur gewoon face to face. Je weet wel, een echt gesprek.  Voor je het weet ben je weer drie uur van je leven kwijt die je niet meer terug krijgt. Om Facebook-gelul met een of andere Jan Doedel die je niet of amper kent . Nee dank je.  

Geen zin in. Maar toch, nu racisme de laatste weken weer eens prominent op de kaart staat en ik toch ook niet altijd mijn bek kan houden gooi ik toch mijn twee centen in het bakkie. Ga ik het hebben over Johan Derksen en de nationale discussie om zijn persoon? Welnee (hee, dat rijmt op Genee!) ,hij is niet interessant. Derksen is een oude knorrige man die nog steeds denkt dat we in 1956 leven en soms een ongepast grapje maakt dat in 1956 nog leuk werd gevonden. Derksen is een beetje onze nationale foute oom.  We hebben allemaal wel een tikkie foute oom die ongemakkelijke grapjes maakt. Geen slechte man, maar neem ‘m vooral niet te serieus. En zo komen we vanzelf bij Gerard Cox. Een zo mogelijk nog meer reactionaire ouwe mopperkont dan Derksen. Gerard Cox denkt dat we nog steeds leven in het tijdperk van ‘Toen was geluk nog heel gewoon’. Nee, toen waren grapjes over buitenlanders of mensen die op wat voor manier dan ook afweken van de gemiddelde Nederlander nog heel gewoon. Maar dat zou natuurlijk een te lange titel voor de serie zijn.

Gerard Cox vindt dat wij ons ‘racisme hebben laten aanpraten’. Het deel waarvan ik het met die uitspraak mee eens ben:  je moet niet iemand zomaar een racist noemen en dat gebeurt tegenwoordig snel. Iets te snel soms, vind ik. Dat devalueert het begrip. Niet elke Derksen, Cox of Zwarte Pieten-fan, PVV-er of FvD-er is een domme racist. Het zijn mensen die zich vastklampen aan geschiedenis en tradities (geen enkele traditie is voor eeuwig, anders waren we nog steeds aan het palingtrekken en katknuppelen) en bang zijn voor alles dat afwijkt van hun standaard, maar dat maakt ze in mijn ogen nog geen racisten. Echte hardcore-racisten zijn die engerds van Pegida die afgelopen week nog zo’n gezellige brief posten aan Jeffrey Afriyie, de frontman van de Kick Out Zwarte Piet-beweging. Die hem en zijn gezin bedreigen. Die woorden als ‘kutneger’ gebruiken. Dan ben je wat mij betreft gewoon af en mag je niet meer meepraten.

Dat gezegd hebbende: in tegenstelling tot wat de heer Cox beweert bestaat racisme en discriminatie natuurlijk wel degelijk in ons gezellige kikkerlandje. Ik werkte in de jaren negentig voor een callcenterbedrijf. Krantenabonnementjes verkopen en zo. Totaal inspiratieloos kutwerk waarbij alle geilheid waar je in de ochtend mee wakker werd binnen luttele seconden sneller smolt dan een cola-calippo in de Sahara. Alleen al door de locatie. We zaten in een kleurloos kantoor in het asgrauwe Amsterdam-Slotervaart, maar in ons team waren alle kleuren uit het menselijk kleurenspectrum vertegenwoordigd. Als je ons kantoor zou leegschudden in een zakje waren we net een voordeelverpakking M & M’s. Alle kleurtjes door elkaar.  En we hadden het tof samen. Sommigen spreek ik nog steeds. Naast dat we elkaar mochten en met elkaar op stap gingen was er een ding dat ons bond: iedereen die je belt haat callcentermedewerkers. Als callcentermedewerker een ras was, dan was de hele wereldbevolking een racist. Ze bellen altijd als je net zit te eten of als je net met je meisie aan het viezelevozen bent of tijdens een ander moment dat niet uitkomt. Iedereen haat callcentermedewerkers. En ik weet het, want ik ben het geweest en ik haat het zelf ook.

Maar wij werkten voor de bonussen. En die konden leuk oplopen als je goed verkocht. Alleen was het met mijn naam of die van de andere Nederlandertjes een stuk makkelijker om die rommel te verkopen dan voor Mohamed El Fattouchi of voor Umfufu N’Dyaye (de namen zijn gefingeerd, maar het is voor het voorbeeld). Bij hen werd vaak de hoorn er op gegooid, vaak vergezeld van een kloterige opmerking over hun afkomst, als ze onder hun eigen naam belden. Als ze het volgende adres belden en zichzelf bijvoorbeeld Mark Jansen of Petra de Boer noemden was de slagingskans op een verkoop ineens significant groter en scoorden ze ineens ook goed. Dus ja, institutioneel racisme en discriminatie was absoluut een ding waar mijn collegae mee moesten dealen.

En dat was in 1996/1997. Het is er anno 2020 niet beter op geworden. Sterker: de wereld is alleen maar meer gepolariseerd geworden en het maakt me weleens treurig. Zoals ook het bang voor humor worden me treurig stemt. Het verbod op een aflevering van Fawlty Towers: intens treurig. De ironie druipt er in klodders af.  Ik keek in de jaren negentig naar ‘In Voor en Tegenspoed’. Hoofdpersonage Fred Schuit was het prototype karikaturale PVV-er. Volledig politiek incorrect. En daarom zo hilarisch. Omdat het zo over de top was. Zijn homoseksuele Surinaamse huishoudhulp mocht ie dan weer wel. Fred was zo hypocriet als de neten. Maar de serie zou in deze tijd niet meer gemaakt kunnen worden. Teveel mensen die het te serieus zouden nemen. En is de gebrekkig Nederlands sprekende Marokkaanse slager (‘’Altaid praisj met Achmed!’’) die door de Surinaamse Jorgen Raymann werd gepersifleerd dan ook niet meer grappig? Die vond ik namelijk best grappig. Humor mag van mij ver gaan, heel ver zelfs. Je kan best om elkaars gewoonten, gebreken en taalgebruik lachen zonder daarbij het respect voor de ander te verliezen.  

Ouwe reactionaire mensen zoals de Coxen en de Derksens van deze wereld die per se aan hun tradities willen vasthouden verander je niet meer. Die strijd ga ik niet eens meer aan. Mijn hoop is gevestigd op de jongere generatie. Zet ‘m op en maak van de wereld die heerlijke zak M & M’s die wij op ons kleurloze kantoor in Slotervaart ook waren.

De Kuningas van Amsterdam

litmanenSluit uw ogen en denk aan Stadion de Meer of het Olympisch Stadion, half jaren negentig. U ziet de oude mannetjes met hun programmaboekjes. ‘Offi-sjeeeeeel programma!’ . ‘Phi-lip Bel-lini! Prij-zen-fes-ti-val!’, hoort u. U ziet jongens met foute ‘Aussies’ aan op de tribune. En tijdens de wedstrijd galmt bij een doelpunt uit tienduizenden kelen, op de melodie van Domenico Modugno’s hit ‘Volare’: ‘Litmaaaaanen wooohoooo! Litmaaanen, woooohoooohooohooo!’ Een Fin, voor een miljoen gulden (voor de jonkies: een dikke vierhonderdvijftig duizend euro) overgenomen van Reipas Lahti. Een jongeman met een matje in zijn nek. Een jongeman die de bovenmenselijk ondankbare opdracht op zijn schouders kreeg om Dennis Bergkamp te doen vergeten, heeft Ajax met een puntgave treffer weer eens op het spoor gezet naar de zoveelste overwinning. Lees verder

Beste Viktor Fischer,

Schermafbeelding 2013-06-26 om 13.41.23Beste Viktor Fischer,

Het zijn de kleine dingen in het leven waar ik soms intens blij van kan worden. Zoals, laatst toen ik de rubriek ‘persoonlijk’ las in VI. Normaal gesproken lees ik die voor het slapen gaan omdat de antwoorden die profvoetballers geven op hun favoriete boek, film, eten, etcetera, zo voorspelbaar en zaaddodend saai zijn dat ik vaak al halverwege het rubriekje in een comateuze slaap gekukeld ben. Al die voetballers kun je ‘wakker maken voor de saotosoep of de roti kip van mama’, ze drinken allemaal ‘Fernandes, 7up en als ze uitgaan weleens een mixje’, ze luisteren allemaal naar hiphop, r&b of dubsteb, ze lezen op dit moment allemaal de biografie van Zlatan of Kluivert,  ze spelen allemaal graag FIFA op de Playstation en ze vinden het allemaal heerlijk om soaps te kijken met hun vriendin.

Veel spannender wordt het vrijwel nooit. Lees verder

Pubquizzen. De jacht op gratis bier.

Toen ik aan het begin van deze eeuw bij vrienden in Glasgow op bezoek was namen zij mij mee naar een pubquiz. Dat soort avonden waren voor mijn Schotse vrienden doodgewoon, dat deden ze elke week wel een keer. Voor mij ging er een nieuwe wereld open. Ik was de Nederlander die alleen in de kroeg kwam om een biertje te drinken. Nu zat ik op een avond die de aangename combinatie van gezellig met een team meedoen aan een triviaquiz en uitgaan met elkaar verenigde.  Het werd een mooi debuut. Ons team won de kennisquiz en we verlieten de pub met een krat bier. Ik had de smaak van het pubquizzen meteen te pakken. Toen we later die week in een andere pub weer meededen aan een quiz wonnen we wederom en dit keer werd onze rekening verscheurd. Het werd steeds leuker. Lees verder

Piet, kind van de ten katemarkt

Rodney schrijftDe Ten Katemarkt bestaat dit jaar een eeuw.  Piet Vermie heeft daar meer dan de helft, werkzaam, van meegemaakt. Hij is een icoon op de markt. Sinds twee jaar is hij met pensioen en hoewel hij al jaren niet meer in de buurt woont komt hij er nog regelmatig. Gezeten op een terras aan het korte stukje van de markt  steekt Piet gelijk van wal. Hij praat graag en veel over de oude markt: ‘Ik begon als jongen van veertien met werken op de markt. Dat was in 1956. Ik sleepte toen met karren. Veel marktkramen waren toen nog klepkarren van waaruit de marktkooplui hun waar verkochten. Mijn vader verhuurde die vanuit de Jacob van Lennepstraat, waar wij woonden. De markt liep destijds nog door de hele Ten Katestraat, helemaal van de Jacob van Lennepkade tot aan de Bellamystraat. Ruim twee keer zo groot als dat de markt nu is. Dit stukje straat waar we nu zitten waren allemaal nog oude woningen en winkels waar de markt voor stond. Het achterste stuk bij de Bellamystraat werd de vismarkt genoemd. Daar stonden zes of zeven viskramen bij elkaar. Daar stond Lees verder