De website van Rodney Rijsdijk

Rodweek 269 Pasta di mama

Deel dit verhaal

Theo Maassen zei ooit eens in een van zijn shows: ‘Mijn moeder kookte vies. Als wij lief waren geweest dan mochten wij zonder eten naar bed.’

Zo erg was het niet bij ons thuis. Mijn moeder is nooit een avontuurlijke kokkin geweest, maar ze kan een prima avondmaal op tafel zetten. Vaak gewoon aardappels, vlees en groenten, de welbekende AVG, maar als mijn moeder in een exotische bui was dan kwam er ook macaroni of spaghetti op tafel. Of ze maakte nasi. Zondag patatdag. En exotisch uit eten was naar de Chinees, wat natuurlijk net zo Hollands is als een patatje mayo. Ik ben ook nog steeds een keiharde fan van de Hollandse Chinees. Ze worden met uitsterven bedreigd, maar zodra de Happy Corner op de Plantage Middenlaan de deuren moet sluiten keten ik mijzelf vast aan het pand. Niet aan mijn babi pangang komen!

Nu woon ik al meer dan dertig jaar op mezelf en zo ontwikkelde ik in de loop der jaren mijn eigen stijl van koken en heb ik mezelf een brede smaak aangeleerd. Van het jongetje dat nog water liet aanbranden toen hij op zichzelf ging wonen heb ik mezelf toch ontwikkeld tot een gozer die best aardig kan koken.

Toen ik als jongere niet veel geld had kocht ik groente op de markt voor weinig en leerde ik mezelf soep koken. Voedzaam, gezond en met wat rijst erbij en ik noemde het een maaltijd waar ik twee of drie dagen van kon eten. Ik kan tot de dag van vandaag zomaar vijfentwintig soepen uit mijn hoofd klaarmaken. Ik houd ook nog  steeds echt heel veel van soep. Mo gelukkig ook, wij zijn allebei soepkippen.

En ik keek veel mee bij vrienden en vriendinnen hoe zij voor mij kookten als ik wel of niet uitgenodigd langskwam. Begon schriftjes met recepten bij te houden. En toen ik in de horeca begon te werken keek ik op rustige momenten vaak mee met de kokkies. Hoe zij een perfecte uitsmijter bakten. Hoe zij mooie broodjes maakten. Hoe zij marinade maakten. Hoe zij een biefstuk perfect bakten. Ik ben, zoals met bijna alles in mijn leven autodidact. Vrijwel alles wat ik kan heb ik mezelf aangeleerd. Ik kijk hoe mensen dingen doen, pik daar het beste van mee en geef er mijn eigen draai aan.

En zo vragen mensen mij heden ten dage of ik alsjeblieft rendang voor ze wil maken als ze langskomen, mijn meisie of logees smullen van mijn uitsmijters en ik kan perfect vlees bakken. Mijn  coq au vin durf ik in alle bescheidenheid een  topper te  noemen. Ik heb zo mijn ‘signature dishes’, mijn meisie ook. Mijn pasta carbonara geef ik een goede 8, die van haar een 10. Ik kan er niet minder van maken. Haar Suri-bami is briljant! Bemoei ik me niet mee. Haar Saoto-soep: ongeëvenaard. En tussen alle culinaire hoogstandjes kan ik dan ook wel weer genieten van aardappeltjes, salade en een lekker vleessie. Kortom, ik kan lekker en gevarieerd koken. Mijn meissie ook. Wij eten gewoon elke dag echt lekker.

Lekker koken is dus een van mijn kwaliteiten. Ik heb mezelf aangeleerd om alleen de dingen te doen waar ik echt goed in ben. Je moet het voor jezelf en voor anderen niet te moeilijk maken. Dat is voor moeimakers.

Dus wat ik zelf niet kan of waar ik gewoon niet goed genoeg in ben laat ik aan andere mensen met hun kwaliteiten over. Als ik een spijker in de muur sla zit heel Amsterdam zonder stroom. Dat moet je mij gewoon niet laten doen. Laat de handige mensen maar lekker klussen en met elektra in de weer gaan en dan maak ik ondertussen wel het lekkerste broodje of de perfecte uitsmijter voor ze. Dat is voor iedereen het beste en het leukste.


Terugkomend op de culinaire kwaliteiten van mijn moeder: gewoon prima. Niet avontuurlijk, dat heb ik mezelf ook aangeleerd. Gewoon dingen proberen. Proeven. Experimenteren. Zelf dingen bedenken in  de keuken. Ik heb echt culinaire nieuwsgierigheid. Mijn moeder niet. Die rilt bijvoorbeeld alleen al van het woord ‘garnalen’ of ‘gamba’s.’ Niet dat ze er ooit eentje gegeten heeft, maar ze kent het niet, dus ze eet het niet. Maar dan ook gewoon echt niet. Met een pistool op haar hoofd: mijn moeder eet never nooit een gamba. Gewoon niet. 

Maar als ik bij mijn moeder ben en ze maakt nasi voor me omdat ze weet dat ik dat lekker vind: dan is dat voor mij de lekkerste nasi ooit. Met kippenkluifjes erbij. En een gebakken eitje. Hoe ze het doet doet ze het, maar niemand maakt nasi zoals mijn mama. Die van mij is ook lekker, maar weer compleet anders.

En nou heb ik nooit zo veel van de culinaire gewoontes van mijn moeder overgenomen, maar één ding wel: pasta met rode saus en gehakt en groenten. Dat is niet zo bijzonder, maar nu komt het gastronomische geheim van mijn moeder: de pasta wordt geserveerd met een gekookt ei en augurken.

Niemand eet dat zo. Toen ik net op mezelf woonde en ik een bord zo serveerde aan mijn gasten keken ze me meewarig aan. ‘Hoezo dat gekookte ei en dat zuur erbij?’ Ik dacht dat dat normaal was omdat ik zo was opgevoed, maar letterlijk niemand die ik kende at dat zo! Toen ik Mo voor het eerst zo pasta serveerde keek ze me ook vol verbazing aan.

En toch, ik wil het ook niet anders hebben. Dus als je ooit pasta bolognese bij mij komt eten: je krijgt ‘m zo.

Ik moet nu, het is bijna 21.30, nog eten. Dat is ook een van de eerste gewoontes die ik vanaf dag 1 dat ik op mezelf woonde er uit heb geflikkerd: ik eet nooit om 17.00 of 18.00. Ik eet wanneer ik trek heb. En dat is nu.

Wat ik ga  eten? Pasta di mama! Eitje en zuur. De hele klerezooi.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Lees ook: