Dat er een aantal van mijn favoriete cafés in de loop der jaren op de fles zijn gegaan heeft beslist niet aan mij gelegen. Ik heb de hoofdstedelijke horeca decennia lang en zeer intensief gesponsord. Ik ben voor drie levens op stap geweest. Wat ik morste dat kreeg een ander niet eens op. Tegenwoordig kom ik er bijna nooit meer. Tenzij ik er aan het werk ben. Maar drie keer in de week een paar tientjes wegslaan (ik kom niet voor één drankje): ik doe het niet meer. Ik heb veel aan mijn lange horecaloopbaan aan beide kanten van de bar te danken en daar ben ik dan ook dankbaar voor. Maar vier euro voor een biertje, zes euro voor een petit drupje wijn (‘De bodem van het glas is niet eens nat!’, zou mijn vroegere collega Aart zeggen) of minimaal een tientje voor mijn geliefde baco: voor mij is dat nu te veel geld. Mijn gouden eeuw is momenteel hooguit een beetje bladgoud. En ik heb geen portemonnee van uienleer dat ik meteen moet huilen zodra ik ‘m opentrek, maar ik kan mijn euro ook maar één keer uitgeven. En als ik aan de bar zit wil ik ook niet gierig zijn. Ik ga leuk uit, dat ik ook wat kan weggeven, nergens op hoef te letten, of ik ga niet uit. Simpel.
Een uitsmijter op het terras eten voor 12,50 of een biefstuk voor drie tientjes die ik zelf allebei minstens zo goed kan bereiden? Tosti’s of soep die tegenwoordig een tientje kosten. Nee. Het hoeft van mij niet meer zo. De horeca prijst zichzelf de tent uit, al verbaas ik me er over hoe vol veel terrassen nog zitten. Als ik dan mensen hoor klagen dat ze geld te kort komen, maar ik zie wel de terrassen volstaan, ook met mensen waarvan ik weet dat ze niet zo rijk zijn, dan verbaast me dat. Maar ieder voor zich. Ik hoef die gezelligheid niet meer zo nodig op te zoeken. Ik heb het thuis ook wel leuk. Vind het net zo leuk om een avond lang gezellig met m’n meisie te zitten of met vrienden te tafelen onder het genot van mooie gesprekken, goed eten en een lekker drankje. Natuurlijk kom ik af en toe nog weleens in de kroeg, maar gewoon niet meer zo veel. Ik ben gewoon behoorlijk wat selectiever geworden in het kiezen van mijn uitgaansavonden. En ik hang ook niet meer tot 4.00 in de lampen.
Gisteren moest ik wel even langs een kroeg voor een zakelijke afspraak. En bij mijn afspraak stond Al. Al is een Amerikaanse gozer, ik denk dat hij een jaar of vijf ouder is dan ik. Hij ziet er ook al dertig jaar hetzelfde uit met z’n lange rode haren, losjes over zijn schouders, net zoals ik al meer dan dertig jaar mijn haar in een staart draag. Wij kennen elkaar al een goeie dertig jaar. Hij kwam toen net in Nederland wonen. Hij had destijds verkering met de stiefzus van mijn gabber. We zijn nooit vrienden geweest, maar toch komen we elkaar altijd overal in de stad tegen. Bij concerten in de Melkweg, in de buurten waar ik heb gewoond of gewoon random op straat of in de kroegen van de stad. Al is op een gekke manier altijd een soort constante geweest. Hij kwam gewoon altijd overal waar ik ook kwam. Ik ben hem zelfs in Londen in een willekeurige pub weleens tegengekomen. Zat hij daar ineens! En Londen heeft nogal wat pubs!
Maar gisteren stond Al daar dus ook weer, die kende de gozer met wie ik af had gesproken uit Noord. Amsterdam is eigenlijk gewoon een groot dorp. Zoveel mensen uit verschillende werelden die elkaar kennen: ik blijf me er over verbazen. Mijn afspraak zei al: ‘Ja, dat verbaast me niks dat jullie elkaar kennen. Twee van die ouwe straatkatten.’
Al vertelde mij dat hij na dik dertig jaar uit Amsterdam ging verhuizen. En wel volgende week.
Naar Lissabon! Wauw. Ik ben op veel plekken geweest, maar als er één stad is waar ik zo ongelooflijk verliefd op ben geworden dan is het Lissabon. En dan ben ik er maar drie dagen geweest. In 2018, met een Ajax-tripje. Wat een verliefdmakend mooie stad. De zon, het stedenschoon, het waanzinnig lekkere eten, de fijne prijzen: ik ben nog niet klaar met Lissabon. Daar moet ik absoluut nog eens naar terug in dit leven.
Toen ik in Lissabon was kwamen we pas rond 1.00 vanuit het stadion weer in de binnenstad aan. En we moesten nog eten. We hadden vanuit Amsterdam vertraging, dus we moesten meteen door naar het stadion. Geen tijd gehad om goed te eten. Eenmaal in de stad bleek dat we gewoon nog a la carte konden eten in restaurants! En betaalbaar! Kom daar in Nederland maar eens om. Elke tent hier flikkert om uiterlijk 22.00 de keuken dicht. In Amsterdam kun je om 1.00 hooguit nog shoarma of vieze snacks eten rond dat tijdstip. Nee, dan Lissabon: ik heb daar nog een heerlijke zwaardvis gegeten en mijn vrienden kregen allebei nog een prima biefstuk. Wijn en bier er bij. En er was geen haast, we werden niet weggekeken. We hebben daar tot 3.00 gezeten, buiten. Geen gezeur. We waren voor een kleine zes tientjes klaar, inclusief royale fooi. Met z’n drieën.
Al vertelde me dat alles wat ik hierboven heb geschreven mede redenen waren voor hem om uit Amsterdam te verhuizen. “Weet je wat het is, Rod: ik kreeg onderweg hier naartoe trek in een broodje. Ik wilde een broodje kip. Elf euro! Daar krijg ik in Lissabon soep, een goed bord eten en een karaf wijn voor! En heb je weleens een tomaat in Lissabon gegeten en vergelijk dat met die waterbommen van hier. En Nederland wordt steeds onvriendelijker. Ik woon nog in Amsterdam, maar ik mis Amsterdam steeds meer. Ik heb het na dertig jaar wel gezien hier.’’
Ik kan hem geen ongelijk geven. Nederland wordt steeds minder leuk en ons typische en vaak gebruikte woord ‘gezellig’ hoor ik ook steeds minder. Want zo gezellig is het allemaal niet meer. Ik begrijp Al, al ben ik te gehecht aan Amsterdam om er weg te gaan. Maar als ik ooit weg zou willen gaan dan is Lissabon toch wel verdomd aantrekkelijk.
We hadden het veel over eten. Al bleek, dat wist ik niet, want zo goed kennen we elkaar ook niet, een smulpaap te zijn. En die ook veel weet over eten en over hoe je gerechten moet bereiden. Daar kwam ik dus na dertig jaar achter.
Ik vroeg hem naar zijn plan in Portugal, wat ga je daar doen: had ie nog niet echt. Zoekt ie daar wel uit. Al werkte hier in Amsterdam meestal in coffeeshops en is zelf ook een flinke afnemer van het groene goedje. Maar hij is zo’n gozer die zijn weg wel vindt.
Ik gaf hem nog een tip mee, zo kon ik mijn ouwe grap er ook nog even ingooien: “Al, weet je wat jij moet doen ouwe? Jij moet een Indonesisch restaurant beginnen in Lissabon. En die moet je dan “Obrigado Gado” noemen!
Al moest er heel hard om lachen.
Vanmiddag had ik een afspraak in het centrum en Al vertelde me al dat hij een afscheidsborreltje hield in een café vlakbij de Dam. Ik liep er op de weg terug naar huis nog even langs. Nog even gedag zeggen. Al begroette me gelijk met “Obrigado Gado!”
Ooit kom ik weer in Lissabon en ik weet zeker dat wij elkaar dan zonder af te spreken gewoon gaan tegenkomen. Gewoon toevallig. Zoals we dat al dertig jaar doen. Misschien wel in de Obrigado Gado.