Van ongeveer 2006 tot 2013 werkte ik in Café BAX in Oud West. Wij hadden daar een kroegkat, dat was Trix. Ze was een zeer geliefde kat. Ook in die tijd liepen eenstrepertjes al te zeiken over kroegkatten en dat het eigenlijk niet kon en blabla, maar ze werd gedoogd. Op een dag belde baas Jasper me dat Trix had geprobeerd om een auto weg te koppen, maar helaas: de auto won. Trix was op slag hartstikke dood.
Het verdriet was groot onder de gasten en het personeel, maar wie zat er ineens een paar dagen later op een van onze stoelen? Een jong rood katertje. Die was gewoon als een stamgast naar binnen komen lopen en voelde zich al snel thuis en bleef liggen alsof het zijn normale habitat was. Meneer ging even zijn middagtoilet opmaken, rustig aan zijn reet likken, ging rustig in een rolletje liggen op een stoel bij tafel 1 en vermaakte zich prima. Mijn collega en ik vonden hem gelijk geweldig.
Maar toch, hij was niet onze kat. Hij zou toch een eigenaar moeten hebben, zo bedachten wij ons. Hij zag er ook goed verzorgd uit. Geen straatkat. Dus hoe leuk we hem ook meteen vonden: we konden hem ons ook niet zomaar toe eigenen. En zo bleef hij nog een paar dagen. We hadden ook al eten voor hem gekocht.
Na enige rondvraag bleek het beestje van winkeliers in de buurt te wezen. Hun kind, een jongetje van een jaar of tien, kwam langs om de kat, aan wie we na een paar dagen toch behoorlijk gehecht waren geraakt, weer op te halen.
”Tuurlijk, jongen. Het is jouw kat, neem hem maar mee,” zeiden we met frisse tegenzin. We baalden er best wel een beetje van.
Maar dezelfde dag kwam die kat weer terug en hij ging gewoon weer op zijn inmiddels vaste plekje op tafel 1 liggen snurken. Alsof het normaal was.
De kleine jongen kwam even later ook terug en toonde zich een groots man: : “Misschien wil hij wel liever bij jullie wonen. Maar mag ik hem dan wel altijd komen opzoeken?”
“Tuurlijk gozer, wanneer je maar wilt.”
Na Trix noemden we deze kat Claus, omdat onze toiletdeuren waren versierd met de afbeeldingen van Beatrix en Claus. Zijn echte naam, door het jongetje gegeven was overigens Tommie.
Claus werd al snel een van de meest populaire kroegkatten van Amsterdam. En Claus had een verbluffend goede smaak qua vrouwen. Claus zat bij de mooiste meisjes op schoot en raakte lichaamsdelen aan die wij als barmannen niet zomaar mochten aanraken, zonder een knal op onze muil te krijgen. Maar ome Claus kwam er mee weg. Die krulde zijn kopje nog even tussen twee welgevormde borsten, waar mijn collega en/of ik ook al op zaten te loeren. Of hij legde er een heel schalks een pootje op. De meisjes kirden, lachten en aaiden hem ook nog na zijn grensoverschrijdende gedrag. Claus knorde er ook tevreden bij. Dat zou ik ook doen met zoveel vrouwelijke aandacht. Mijn collega en ik keken met bewondering naar de Casanova van de kroeg. “Hij wel, ouwe,” zeiden we dan tegen elkaar.
Als ik onze popquizzen presenteerde lag Claus soms voor een bomvolle kroeg op mijn desk in slaap te rotten, precies daar waar ik eigenlijk mijn papieren wilde neerleggen. Die drukte, de harde muziek en mijn luide stem interesseerden hem niks. Niemand maakte hem de pis lauw. Hij keek af en toe eens wat verstoord op van wat lawaai. Maar zolang ik hem maar gewoon bleef aaien was alles cool.
De vijfde Beatle? Niks van waar, denk ik. Maar Claus was stiekem wel onze derde quizmaster.
Al gauw ontdekte Claus dat er meer te halen was in de buurt en zo expandeerde hij zijn territorium naar het tegenover gelegen verzorgingshuis De Klinker, alwaar hij een beruchte seriemuizenmoordenaar werd. Hij liet ook vrij weinig van zijn slachtoffers over. Bewijsmateriaal moet meteen vernietigd worden. Dat begreep Claus al snel. En natuurlijk was onze charmeur ook meteen geliefd door iedereen in het tehuis. Door bewoners en personeel. Hij bleef ook daar weleens logeren. Claus had gewoon twee huizen in de leukste buurt van Amsterdam, kreeg in beide huizen te vreten en lag te kroelen met de mooiste meiden van de buurt. Doe hem dat maar na!
Er zat tegenover ons op het pleintje ook vaak een groep Surinaamse mannen en die hadden dan vaak een kooitje met een zangvogeltje mee. En die kwetterende dingen zijn duur! Maar die mannen dronken daar dagelijks hun borreltje en toen had Claus dat kooitje met dat vogeltje in de smiezen gekregen. Na goed beraad met zichzelf besloot Claus om een wilde sprong naar het kooitje te wagen. Een hoop geschreeuw volgde, de mannen renden weg en Claus vloog er achteraan. Die moest dat vogeltje! Hij heeft de mannen tot aan de tram achtervolgd. Uiteindelijk kwam Claus onder luid applaus met een dikke staart weer terug de kroeg in. Godverdomme, niet gelukt. De maestro likte z’n reet nog even en ging weer slapen na al deze gedane arbeid.
Maar na 18 jaar noeste poezenarbeid was de ouwe bon vivant, die zelf wel koos waar hij ging wonen, vandaag helemaal op en versleten. Het lijf was op. Ook deze kat, bij leven al een legende, bleek sterfelijk te zijn. Op naar de eeuwige muizenjachtvelden. En zoals ouwe ome Aart uit de keuken zou zeggen: “Die is niet in de wieg gesmoord!”
En zo is het. 18 lentes is behoorlijk bejaard voor een kat. Goed gedaan, pik. Volgens mij heb jij het wel leuk gehad, ouwe gek.
Rust zacht Clausie, ouwe kroegtijger die je er was! Muizen- en vrouwenverslinder. Boef uit Bax. Mooie rooie. Ik heb van je genoten. Claus, jij was geen prins maar een koning! De Koning van de Kinkerbuurt.
Eén reactie
Prachtig stukje Rodney!! Ik zie hem zo weer voor me; de Surinamers met hun zang vogeltjes in een kooitje en Claus die vanuit een diepe slaap een luchtsprong naar het kwetterende vogeltje maakte!
Hij heeft de man met kooitje achtervolgd tot(bijna)in lijn 17!
Zo hebben we allemaal mooie herinneringen aan Claus. Leuk dat je Aart ook noemde!