Rodweek 131 Beroemd in Agia Galini

Mijn vriendin Mo viert haar vakanties reeds sinds 2007 in Agia Galini, een piepklein stipje op de kaart in het zuiden van Kreta. Er wonen ongeveer 500 mensen en in het toeristenseizoen misschien het dubbele. Het dorp bestaat uit drie hoofdstraatjes met wat zijstraatjes die gevuld zijn met winkeltjes en horeca. Heel pittoresk. Mo is daar in die vijftien jaar minstens dertig keer geweest, dus zoals iedere inwoner elkaar daar kent kent iedereen Mo daar ook. Ik ben nu, as we speak, voor het eerst mee en overal waar we komen wordt Mo als een verloren dochter in de armen gesloten. Het is echt alsof ik met een beroemdheid op stap ben.

Dat Agia Galini zo’n kleine gemeenschap is heeft één groot voordeel: is er geen criminaliteit. Alles en iedereen kent elkaar, dus je haalt het niet in je hoofd om iets al te stouts te doen, want als je gepakt wordt dreigt de verstoting. Als jongere zou het me vreselijk beklemmend lijken om in zo’n besloten gemeenschap op te groeien, maar voor ons, grotestadsmensen, is het wel eens lekker om even tien dagen totaal niet op je hoede te hoeven zijn voor zakkenrollers, dieven, junkies, agressievelingen en ander sfeerverlagend klotetuig. De enige vorm van agressie die ik hier tot nu heb gezien is dat vier straatkatten elkaar een paar tikken gaven en een beetje naar elkaar zaten te blazen. Spannender wordt het hier niet.
Normaal gesproken ga ik, ook als ik op vakantie ben, bijna altijd naar een grote stad. Ik houd van de reuring en de dynamiek van de de grote stad. Maar tien daagjes in dit kleine pittoreske stranddorpje is prima uit te houden. We kwamen om uit te rusten van een drukke periode en dat kan hier meer dan uitstekend. Daarbij zijn wij allebei totaal geen actieve vakantiemensen. Voor ons geen urenlange wandelingen door de bergen, abseilen of ander veel te sportief en actief gedoe. Wij hobbelen gewoon de hele dag van restaurant naar terras naar strand en weer terug naar het hotel. We eten en we drinken wijn. En we moeten overal verplicht raki drinken. We spelen Tric Trac en we lezen. Meer doen we niet en meer willen we ook niet. In Amsterdam krijgen we het straks weer druk zat met onze banen en het hele leven er omheen.
De toeristische populatie bestaat voornamelijk uit Nederlanders en Belgen en hier en daar wat Duitsers en Engelsen. En dat zijn net als Mo vaak ook mensen die er al jaren komen, dus die kennen elkaar ook weer allemaal. Iedereen die hier is geweest is dus al snel beroemd.

Met mijn 45 lentes ben ik nog een van de jongere toeristen hier. Dat is een grappige gewaarwording. De meeste toeristen hier zijn allemaal boven de 50 of pensionado’s. Voor jongeren is hier ook niet heel veel te doen. En nou is hier ook een strand en kun je ook hier zuipen tot je nek kraakt, daar helpen Grieken graag aan mee, maar heel wild is het stapleven hier natuurlijk niet. De jongeren zitten dus meer richting het noorden in plaatsen als Chersonissos of Malia met hun lamme kop shotjes tequila uit elkaars navel te lurken in hysterische barren met kutmuziek. Of ze hangen rond in de grote stad Heraklion.

Nee, wij slenteren lekker ouwelullerig door het dorpje, ploffen hier en daar neer op een terras van één van Mo’s vrienden en gaan dan weer door naar de volgende. Tijd bestaat niet. Behalve zometeen. We gaan heel actief met de bus naar de markt in een dorp verderop. En die moet je halen anders moet je twee uur wachten op de volgende bus. In Amsterdam vinden we het al bloedvervelend als de tram maar eens in het kwartier rijdt. Dat moet je loslaten hier.

Dorpsleven.

Voor een dagje of tien is dat prima uit te houden voor deze cityboy. We zitten nu op dag 5. Volgend jaar gaan we weer. Dan hoor ik waarschijnlijk ook al een klein beetje bij de beroemdheden van Agia Galini.

Rodweek 127 Virussen of vier Russen

‘’Oh nee hè, daar zal je het hebben, het komt steeds dichterbij, de eerste Rus valt het café binnen!’’, riep ik toen de deur van ons café openzwaaide. Het was op de dag dat Poetin besloot dat het een leuk idee was om Oekraïne binnen te vallen. Gelukkig was het gevaar niet heel groot en ging het om een van onze stamgasten die toevallig Rus van zijn achternaam heet.

Tja, waar moeten we tegenwoordig nou meer bang voor zijn: van virussen of van vier Russen? Voorlopig het laatste. Dat virus waar de hele wereld twee jaar lang mee heeft moeten dealen lijkt inmiddels redelijk onder controle en dan krijgen we dit gezeik weer. We leven in een rare tijd.

Ineens moeten alle mannen van 18 tot 60 in de Oekraïne beschikbaar zijn om onder de wapenen te gaan. Ik moet er niet aan denken dat het hier ooit gebeurt. Mijn keuring voor de militaire dienstplicht was op 15 maart 1995, drie dagen na mijn 18e verjaardag op de marinekazerne bij Kattenburg, vlakbij het Centraal Station in Amsterdam. Ik had totaal geen zin om in dienst te gaan, maar ik had het geluk dat de dienstplicht in die tijd op de helling stond. Het negen maanden verplicht getraind te worden om mensen neer te schieten hoefde allemaal niet zo per se meer. Maar desalniettemin probeerde ik het lot toch een handje te helpen door net iets te bijdehand, onhandig of op andere wijze vervelend te doen. Dan zagen ze vast mijn ongeschiktheid en mijn totale gebrek aan motivatie. Er was wel één gelukkige omstandigheid aan deze voor mij totaal zinloze dag: het was op een woensdag en op die dag was het op Kattenburg altijd ‘’blauwe hap’’, dus Indonesische rijsttafel! Woohooooo! Dat hoefden ze deze achttienjarige pinda die destijds de eetlust van een Indische olifant had geen twee keer te zeggen, dus toen we mochten eten schepte ik drie keer op. En ik at veel in die tijd, dus bordjes met een kop er op. Dat ik toen amper 65 kilo woog is een wonder.

Aan het einde van de keuring werd ik op een kantoor geroepen. Ik was ondanks mijn vervelende gedrag en onhandigheid volledig goedgekeurd om het land te dienen. Maar of ik wel zin had om in dienst te gaan? Ik zei dat ik eerlijk gezegd wel wat andere plannen met mijn leven had. En dat ik het onzin vond om ooit voor zaken te vechten waar ik niks mee te maken heb. Als ik, of één van mijn vrienden ergens ruzie krijgt en ik daar op micro-niveau even een klein oorlogje mee moet uitvechten: prima. Dan is dat even mijn strijdje. Maar wat heb ik te maken met ruzies tussen wereldleiders? Helemaal niks. Zoek het uit. Oorlog voeren voor vrede is als neuken voor maagdelijkheid, het is zinloos. Maar gelukkig zijn er zat strijdvaardige mannen die dat vechtersvuur wel hebben. Laat die het lekker doen.

Met die verklaring nam de hoge pief genoegen. Ik had de tijd gelukkig mee, omdat de dienstplicht in 1995 dus zo ongeveer op afschaffen stond. Ik zou er nog wel van horen. Nooit meer wat van gehoord gelukkig. Bovendien hadden ze aan mij toch niet veel gehad. Wat moet je nou met ongemotiveerde soldaten? Ik ben voor een beroepsleger met mannen die het echt willen. Vrienden van mij die iets ouder waren hebben nog wel dienstplicht moeten doen en kwamen met de wildste verhalen over elke avond zuipen, roken, blowen, hoerensnoeren en er nog geld voor krijgen ook. Die vonden het fantastisch. Een aantal waren gelegerd in Seedorf, net over de grens bij Duitsland. ‘’Nou, als die Duitsers ergens Nederland konden binnenvallen dan was het bij ons!’’ Dat soort stoere verhalen hoorde ik dan. Misschien net iets te hanig verteld door de jongens in kwestie. Maar ik denk niet dat ik een veel betere soldaat was geweest. Aan mij is geen goeie militair verloren gegaan. En dat zuipen en achter de meiden aangaan deed ik liever gewoon in Amsterdam. Dat leek me wel spannend genoeg.

Maar er zijn dus nu mannen van mijn leeftijd in de Oekraïne die nu ineens een wapen in hun hand gedrukt krijgen: ‘’Zo, hier, kijk eens Evgeniy, hier is een geweer, trekkertje naar je toe trekken, richten, schieten en succes ermee.’’ Ik moet er niet aan denken. Geld ook voor de mannen aan de tegenpartij. Dit is niet hun strijd. Het is de strijd van de grote mannen boven ze. De mannen die nu gaan sneuvelen geven hun leven, maar voor wat? En voor wie? Voor je land? Hou op. Om maar te zwijgen over alle burgerslachtoffers die nergens wat mee te maken hebben.

Het is wellicht utopisch, want die Poetin is zo geschift als een pak yoghurt, maar ik hoop dat deze ellende snel voorbij is. En dat mijn stamgast de meest gevaarlijke Rus blijft die ik in mijn zaak krijg.

Rodweek 125 Dickpic

Het is nu, op het moment van schrijven, maandag 7 februari 2022. En het tijdstip is 20.25. Een dikke twintig uur geleden wist ik nog niet wat ik nu wist. Tot ik, vlak voor ik met mijn enigszins benevelde hoofd, vlak voor het slapen gaan, nog even het nieuws keek. En in één klap weer nuchter was. Ik dacht eerst serieus even dat ik De Speld of een soort gelijke grappenmakerssite las of dat 1 april dit jaar vroeg viel. Dit is nu gewoon de column die ik nooit wilde schrijven, maar toch voel ik me geroepen om er iets over te zeggen: de kwestie Marc Overmars.

Toen dat hele gebeuren rond seksueel overschrijdende toestanden bij ‘The Voice’ zich afspeelde vroeg mijn vriendin mij of ik ooit in mijn leven weleens een dickpic naar iemand had verstuurd. En of ik daar alsjeblieft in alle eerlijkheid ‘nee’ op kon antwoorden. En ja, dat kon ik naar eer en geweten en op het hoofd van mijn kat met een volmondig ‘nee’ beantwoorden. De enige dickpick die ik eventueel weleens zou kunnen hebben gestuurd was een foto waar Dick Advocaat een beetje lullig opstond. En ik hou van flauwe piemelgrappen en moet altijd lachen als iemand een balzak onder een waterkraantje heeft getekend. En mijn gabber James en ik tekenden, toen we in de Melkweggarderobe werkten altijd piemels op kassaformulieren of in het gevonden voorwerpenboek. Voor de rest kan ik niks bedenken.

Een vrouwelijke collega vroeg mij laatst ook of ik mannen kende die dickpics hebben gestuurd. Zij heeft er al zoveel gehad dat ze er mee kan kwartetten. Alweer kon ik in alle eerlijkheid ‘nee’ zeggen, maar ik weet niet of het waar is. Ik denk namelijk dat ik ze wel ken. Ik ken nogal veel mensen, dus de kans dat er hier en daar wat mannen in mijn entourage zijn die zoiets hebben gedaan is levensgroot.

Maar ik zou nu, met een mes op mijn keel, werkelijk en oprecht niemand van mijn mannelijke vrienden of kennissen durven aanwijzen die ik van zoiets zou betichten. Maar, dat dan ook weer: ik zou ook voor niemand meer mijn handen in het vuur steken na alle drek die er de laatste tijd als een oud lijk in de gracht komt bovendrijven.

Marco Borsato, zo’n brave Hollandse hitjes-zanger, het lievelingetje van alle vrouwen die naar de Huishoudbeurs gaan. Ali B, die gezellige knuffelmocro. De man van Linda de Mol. En godverdomme zo’n Bible-belt-jongen als Marc Overmars! En al die andere types die dit soort dingen doen. Van die ogenschijnlijk brave mannen die gewoon gore viespeuken blijken te zijn.

Wie of wat moet of kan ik nog geloven? Ik durf niet meer te beweren dat ik niemand ken die een ongewenste dickpic heeft gestuurd naar een dame. Het kan niet anders. Er is er maar eentje waar ik het zeker van weet dat ie dat nooit heeft gedaan en dat ben ik zelf.

Ik zie me mezelf ook godbetert al staan, met m’n broek op mijn enkels een selfie van mijn kroonjuwelen maken. Alsof iemand ook maar een nanoseconde geil zou worden van een foto van een man van middelbare leeftijd met een buikje, met z’n broek op z’n enkels en met z’n lul bengelend tussen z’n benen. Hoe dan? Net als straatjongetjes die naar meisjes en vrouwen sissen of haar voor hoer uitmaken. Neeeeeeeee! Wat denk je daar ooit mee te bereiken? En waarom zou je het überhaupt doen? Nee, nee, nee! Ik kan er echt met mijn volle verstand niet bij.

En dan zie ik ineens zo’n treurig beeld van Marc Overmars voor me. Kijk ‘m dan staan, Mighty Mouse. De kleine grote man. Staat daar een multimiljonair van middelbare leeftijd met z’n broek op z’n enkels een foto van z’n pielemuis maken en die door te sturen naar een medewerkster van Ajax, een collega van hem. Een man die alles heeft bereikt in zijn leven: een prachtige vrouw (voormalig Miss Holland) en koters, een glansrijke carrière als voetballer en als bestuurder bij Ajax. Financieel is hij waarschijnlijk tot in z’n tiende nageslacht onafhankelijk. De man heeft fucking alles! Maar Google nu zijn naam nu maar eens, ik heb het zojuist gedaan: het gaat alleen maar over zijn seksueel overschrijdende gedrag. Alles waarvoor hij heeft gewerkt, zijn hele reputatie en goede naam weggevaagd door zijn eigen domme gedrag. Daar kunnen al zijn miljoenen niet tegenop.

En vergis je niet, ik heb absoluut geen medelijden met hem. Ik heb medelijden met zijn slachtoffers. Ik heb medelijden met zijn gezin. En ik baal persoonlijk godverdomme dat Ajax een fantastische bestuurder kwijt is. Maar ik vind dat Ajax goed gehandeld heeft. Geconfronteerd met zijn gedragingen, hoor en wederhoor toegepast en hem zelf laten opstappen.

De klap zal, logischerwijs, nog lang nadreunen. Goed dat de vrouwen nu tegen dit soort machtige perverse mannen opstaan. Macht perverteert, maar hoelang nog? Er wordt momenteel flink aan de boom gerammeld en de rotte appels pleuren nu naar beneden. En dat is maar goed ook. Weg met dat soort ellende.

Natuurlijk baal ik dat Overmars het heeft verkloot. Overmars als één van de beste bestuurders die Ajax ooit heeft gehad kwijtraken: dat is heftig. Maar zeer terecht in dezen. Hij was een droom.

Maar de meeste dromen zijn bedrog.

Van wie was dat liedje ook alweer?

Rodweek 123 Lockdownsyndroom

De ene na de andere bekende Nederlander wordt dezer dagen verdacht van allerlei grensoverschrijdend gedrag. De verdachten zijn onder anderen Marco B., Manuel B., Ali B. en Jeroen Rietb. Wat een toestanden allemaal.
Vorige week heb ik mijzelf als redelijk onbekende Nederlander trouwens ook schuldig gemaakt aan wat grensoverschrijdend gedrag, al was mijn gedrag wel wat onschuldiger.
Het was een week of anderhalf geleden dat ik de hele wereld van nu en z’n moeder even helemaal zat was. De lockdown die als gevolg heeft dat ik al twee maanden zonder werk zit. De onzekerheid en het bijkomende gevoel van verveling die onbewust meer en meer vat op mijn gemoedstoestand begonnen te krijgen.

Omdat ik altijd gewend ben om iets te doen en slecht stil kan zitten werd ik dus heel onrustig. Ik weet tegenwoordig bij het wakker worden soms niet eens gelijk welke dag het is omdat al mijn dagen al twee maanden als twee druppels op elkaar lijken. Ik werd er bloedchagrijnig van en dat terwijl mijn meisie juist net lekker twee weken lekker en welverdiend vakantie had na een periode van hard werken in de zorg en in haar winkel. Zij genoot lekker van haar vakantiedagen en rust terwijl ik juist steeds onrustiger werd in mijn hoofd. Al deed ik voor haar echt heel hard mijn best om toch een zo leuk mogelijke versie van mezelf te blijven. Maar ik ken mezelf: ik ben gewoon een minder leuke jongen als ik me verveel en mezelf nutteloos voel. Dan word ik narrig. Niet altijd even leuk voor mijn dame, maar ik kon er niks aan doen, de mentale batterij was even helemaal leeg. Noem het maar mijn lockdownsyndroom.

En zo stond ik dus een week of anderhalf geleden in de keuken. Geestelijk afgeknoedeld. Ogen op standje David Neres. Voor wie David Neres niet kent: de recent verkochte Braziliaanse aanvaller van Ajax wiens ogen altijd zo halfdicht (of halfopen) staan dat het lijkt alsof hij net een kilo spacecake naar binnen heeft gemetseld of altijd moe is. Wil je weten hoe hij eruit ziet? Google is je vriend.

Maar ik wilde gewoon weer even een dagje enig gevoel van leven in mijn donder hebben. Het gevoel van gewoon weer lekker door een stad wandelen, terrasjes pakken, copieus eten, veel zuipen en voor mijn part winkelen erbij. Er moest wat gebeuren. Dan is er in deze tijd voor mij maar één optie: Antwerpen. Ik ben gek op die stad. En dus boekten wij diezelfde avond de trein en een fijn nachtje hotel tegenover het mooiste treinstation van Europa. Even eruit! Even de grens overschrijden en even weer proeven van het vrijere leven.

Ik woon in Amsterdam op loopafstand van toeristenfuiken als de Kalverstraat, Damrak en het Rembrandtplein, maar ik kom daar vrijwel nooit, tenzij het de kortste route ergens naartoe is. Ik heb daar gewoon niet zoveel te zoeken en vind er ook bijzonder weinig aan. Toeristenzooi. En dat terwijl Antwerpen eigenlijk een soortgelijke entree heeft. Vanaf het majestueuze station loop je de Keyserlei op, dat eigenlijk een equivalent van het Damrak is, vol slechte en te dure vreetschuren, geen bijzondere cafés en oninteressante winkels vol toeristenmeuk. Vanaf de Keyserlei loop je de Meir op. De Meir is de Kalverstraat van Antwerp. Zelfde oppervlakkige dertienduizend in een dozijnwinkels als in de Kalverstraat of elke andere geestdodende winkelstraat in elke willekeurige plaats. En vanaf de Meir loop je dus zo via de Eiermarkt de Groenplaats op, de Antwerpse evenknie van het Rembrandtplein. Op soortgelijke plekken in Amsterdam kom ik dus zo goed als nooit, terwijl ik er tussen woon.

Maar in Antwerpen voelde ik mezelf afgelopen week alsof ik al twee maanden niet had gegeten. Dan smaakt alles! Honger maakt rauwe bonen zoet. Dus ik vond ook de Keyserlei en de Meir geweldig en ik ging zelfs winkels in. Doe ik in Amsterdam ook bijna nooit. Mijn manier van kleding kopen gaat namelijk al sinds jaar en dag volgens een simpel doch uiterst effectief vijfstappenplan:

1. Ik heb iets nodig, dus ik loop de winkel binnen
2. Ik weet welke maat ik heb, dus passen is niet nodig.
3. Ik trek dat product uit het rek
4. Ik reken de zooi af
5. Ik loop die stinkhut weer uit.

Ik ben zelden langer dan strikt noodzakelijk in een grote kledingwinkel. Twee minuten max. En nee, ik zal mijn kont in Amsterdam ook zelden tot nooit op het Rembrandtplein neerplanten. Laat de toeristen daar lekker zitten. Maar ik ga dus wel altijd met mijn reet op de Groenplaats zitten. Is ook gewoon toeristenzooi. Maar goed, nou ben ik toevallig ook een toerist in Antwerpen, dus ik mag daar gewoon zomaar zitten, vinnik!

Maar ik had me echt geen betere twee dagen in Antwerpen kunnen wensen. Lekker met m’n meisie door een levende stad wandelen. Natuurlijk gingen we de winkels in waar mijn dame heen wilde en natuurlijk hadden we na elk half uurtje lopen steeds ergens een wijntje verdiend, vonden we. Of een vers getapt bolleke de Koninck! Mijn koninckrijk voor een vers getapt bolleke! Ik woon in een buurt vol toffe horeca en nu moest ik een kleine twee uur omrijden voor een vers getapt biertje in de haven van Antwerp bij café de Batavier. Het maakte me echt geen drol uit. Het was het me allemaal meer dan waard. Het was het lekkerste biertje in tijden.

Net buiten het centrum verdwaalden we op een prachtig terras, café Buenos Aires. We waren de enige twee gasten. De verwarming stond aan. De barman draaide prachtige muziek van onder anderen Leonard Cohen, Nick Cave en The Thindersticks die wij via de speakers buiten konden horen. De wijn was totaal niet bijzonder en toch was het de lekkerste wijn van de dag. We bleven er een paar wijntjes te lang hangen omdat we genoten. Van alles: het fijne terras, de muziek, elkaar en de matige wijn. In willekeurige volgorde.
We moesten nog eten. We hadden ons voorgenomen om flink culinair uit te pakken. De goede restaurants op de terugweg naar ons hotel waren al dicht. We eindigden uiteindelijk in de Ierse pub op de Keyserlei, met veel te dure borden spaghetti voor de dame en een fish and chips voor mij. Twee bloemenvazen slecht getapte uilenzeik erbij, voetbal op TV en niks meer aan doen. Ons eigenlijke plan om copieus te eten in Antwerpen was dan weliswaar niet helemaal gelukt (of beter: helemaal niet), maar het was eigenlijk perfect zo. Het paste precies in de dag. Of we nog iets cultureels hebben gedaan? Wel, een groot deel van de Belgische cultuur bestaat uit eten en drinken, dus als we dat tellen dan hebben we toch aardig wat aan cultuur gedaan.

Deze grensoverschrijdende dag en de halve dag daarna smaakte naar meer. Maar belangrijker was dat onze batterijen weer even opgeladen zijn. Zelfs van anderhalve dag Antwerpen. Al hoop ik toch dat ik voor zo’n fijne dag binnenkort niet meer de grens over hoef, maar gewoon weer lekker mijn eigen Amsterdamse horeca kan steunen. Om dan aan het einde van de dag weer grenzeloos gelukkig in mijn eigen bed te ploffen.

Rodweek 117 Funda-menta-list

Ken je dat nog van vroeger, als kind? Dat je met je ouders door de stad liep en dat je een mooi, maar toch iets te duur stuk speelgoed in de etalage zag staan. Daar stond je dan watertandend naar te kijken, terwijl je ouders gewoon door wilden lopen.

’’Vind je het mooi?’’, vroeg mijn vader dan.
’’Ja ja, heel mooi!’’, kraaide ik dan hoopvol enthousiast terug. 
’’Goed zo jongen, dan lopen we er morgen nog een keer langs.’’

 En zo voel ik me ook altijd als ik langs een makelaarskantoor loop en naar prachtige, doch (voor mij) onbetaalbare huizen kijk, of als ik voor de gein een digitaal Funda-wandelingetje door de stad maak. Ik weet dat ik met mijn horecaloon en hier en daar wat geld voor mijn schrijfsels never nooit een huis in Amsterdam zal kunnen kopen op de compleet verkankerde woningmarkt hier. De enige mogelijkheden om hier ooit een koophuis te realiseren zijn voor mij de Staatsloterij winnen of een unaniem belachelijk goed verkopende bestseller schrijven. Kortom: vergeet het. En daarbij: ik woon al op één van de mooiste plekken van de stad en dan ook nog eens voor een redelijke prijs, dus ik zit prima waar ik zit.

Maar Funda dus. Ik ben sinds kort lid van de Facebookpagina ‘Funda-mentalisten’, een pagina waarin gekke, aparte, wanstaltige, bizarre of soms juist ontzettend mooie Funda-advertenties worden gedeeld. Ik kan me daar soms zomaar een uurtje kostelijk mee vermaken.

Wat ik dan altijd het meest grappige vind is het makelaarsjargon. Het is vaak echt een strikje om een drol heen doen.

Onderstaand geef ik een lijst met voorbeelden ( ik noem het dan ook maar ‘de funda-menta-list’) en dan vertaal ik in ‘gewone mensentaal’ wat zo’n gladde geparfumeerde kakkerige vlotterik in zo’n mooi pak en met een moeilijke bril nou eigenlijk echt tegen je zegt.     

’’Karakteristiek’’ of ‘’Alsof de tijd er heeft stilgestaan’’ – Oud beschimmeld pleurishok met muizenoverlast, lekkende gaskachel en enkel glas.

’’Buurt in opkomst’’ of ‘’levendige wijk’’- Nog steeds een armoedige probleemwijk.

’’Dichtbij uitvalswegen’’ –  Je woont aan de snelweg of langs het spoor.

’’Knus appartement’’ – Een kippenhok van 25m2 voor drie ton.

’’Frans balkon’’ – Nutteloze deur met een hekje ervoor zodat je ’s ochtends niet met je slaapdronken kop uit je huis flikkert.

’’Kindvriendelijke buurt’’ – De hele dag schreeuwende koters en/of hangjongeren voor je deur.

’’Basisschool in de nabijheid” – Je woont aan een schoolplein.

’’Rustige wijk’’ – Er wonen alleen maar bejaarden. Of je woont tegenover een kerkhof.

’’Huis met potentie’’ of ‘’authentiek’’ – Nooit iets aan gedaan. De rest van je leven klussen.

’’Op 15 minuten van de grote stad’’ – Je woont 8 dorpen verder.

’’Centrum op loopafstand’’ – Half uur fietsen,

’’Turn Key Object’’- Je wordt opgezadeld met de lelijke plavuizen, schrootjes, de limegroen geverfde muur, achtergelaten Buddhabeelden op het toilet en andere wansmakelijkheden van de vorige bewoner.   

‘’Speelse indeling’’ – Rare onhandige hoekjes in het huis waar je niks mee kan maar die wel ruimte inpikken.

’’Natuurlijke weelderige tuin’’ – Eén groot nooit onderhouden oerwoud vol met onkruid.  

’’Lommerijke omgeving’’ – Je hebt geen zon in je tuin, ouwe.

’’Buurt met veel groen’’ – Er staan twee bomen voor je deur.

’’Actieve VVE’’ – je krijgt bemoeizieke buren, ouwe.


Tot zover mijn funda-menta-list. Ik ga zo boodschappen doen. En langs een makelaarskantoor lopen. Even kijken of er wat moois te koop staat. En als ik echt iets heel moois zie, dan loop ik er morgen gewoon nog een keer langs.

Hey psssst! Boekie kopen? Voor Sinterklaas, voor een verjaardag of gewoon voor jezelluf? Ik heb nog wel wat exemplaren van mijn columnbundel ”Het nut van een gebreide condoom” liggen. 15,- per stuk bij afhalen in Amsterdam-Centrum of voor 19,50 per stuk als ik de postduif stuur. Desgewenst persoonlijk gesigneerd en wel. Bestellen kan via [email protected] of via Facebook Rodney Rijsdijk.


Rodweek 116 Dromen van de Obrigadogado

Elke 10e van de maand heb ik een droom, namelijk dat ik een hele vette prijs in de Staatsloterij win. Ik heb een abonnement. En dan heb ik het niet over die 7,50, dat tientje of die 20,- die ik zo en dan wel eens win, nee, de komma is dan een plaatsje of zes naar rechts verschoven. Ik droom dan dat ik een dik grachtenpand in Amsterdam zou kopen. Of een tweede huis in Barcelona. Of een vakantiestulpje in Budapest. Of ik droom van een eigen helikopterplatform op de Dam. Waarom een helikopterplatform? Ik heb helemaal niks met helikopters. Nou, gewoon omdat het kan! Of, mijn nieuwste droom: ik zou een Indonesisch restaurant openen in het centrum van Lissabon en die dan Obrigadogado noemen. En dan zou ik daarnaast een slijterij openen die ik Portugall en Gall zou noemen. Gewoon omdat het kan!

Zo huppel ik elke 11e , zodra ik wakker word, gloeiend van hoop richting de laptop, log in op de site van de Staatsloterij, zie vervolgens dat ik niks of weinig heb gewonnen en de dromen zijn weer als overrijpe puisten uit elkaar gespat. Zo ook vanmorgen. Ik mocht weer eens 7,50 bijschrijven op mijn rekening en zodoende moeten de plannen voor de Obrigadogado weer terug de koelkast in. En in die koelkast zullen ze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wel blijven ook. Maar een mens moet altijd blijven dromen toch? En daarbij heb ik in mijn leven al genoeg (en iets realistischere) dromen wel zien uitkomen, dus mij hoor je niet klagen.

Maar Lissabon vind ik dus echt een droomstad. Ik ben er slechts één keer geweest. En dat was toen ik met vrienden onze jaarlijkse voetbaltrip met Ajax maakte. Dat was in 2018. Wat een verpletterend mooie stad. Heerlijk weer, lekker eten en drinken en de schilderachtige stad als decor: in zo’n omgeving houdt ome Rod het wel een tijdje uit. Daar kom ik dus zeker nog terug.

Mijn liefde voor voetbal heeft me sowieso op prachtige plekken in Europa gebracht. Prachtsteden als Barcelona, Madrid, Praag en Lissabon. Maar ook in niet per se supermooie, maar wel leuke steden als Lille en Hamburg. Of in echte Britse voetbalademende steden als Londen, Newcastle, Manchester en Glasgow. Een gekke plaats als Timisoara in Roemenië. Saaie steden als Milaan en Turijn. Maar ook lelijke steden zoals Warschau of, zoals vorige week, Dortmund.

Meine gutte, Dortmund. Wat een grafstad is dat. Je zal er maar wonen. Als je denkt dat Eindhoven lelijk is, dan ben je nog nooit in Dortmund geweest. Dat die stad zwaar getroffen is in de Tweede Wereldoorlog is verschrikkelijk, maar dat ze er in die kleine tachtig jaar daarna werkelijk niks leuks van hebben weten te maken is tenhemelschreiend. Gelukkig wordt er genoeg bier verkocht om je er niet al te bewust van te hoeven zijn.

Maar, en dat moet ik eerlijk zeggen, het stadion van Borussia Dortmund behoort absoluut tot de mooiste en meest indrukwekkende stadions waar ik ben geweest. Vroeger heette het nog gewoon het Westfalenstadion, en zo noemen de fans het ook nog steeds, maar tegenwoordig heet het officieel het Signal Idunapark. Een afzichtelijk lelijke sponsornaam voor zo’n voetbalwalhalla. Net zo lelijk en nietszeggend als de stad zelf.

Als volgend tripje hadden we, ook om de lelijkheid van Dortmund te compenseren, eigenlijk gepland om eind deze maand naar Istanbul te gaan. Dat is ook zo’n stad waar ik al jaren van droom, maar door alle maatregelen en het feit dat Ajax-fans die dag sowieso niet welkom zijn in het stadion moeten we de trip naar de parel aan de Bosporus ook nog even in de koelkast zetten. Nou ja, er is in die koelkast nog genoeg plek tussen al mijn droomhuizen en de Obrigadogado.

    

Rodweek 115 Gouden Lepel

Met een gouden lepel in de bek geboren worden. Mensen die door hun rijke afkomst al gelijk met 3-0 voorstaan in het leven. Dat ben ik dus niet. Gewoon afkomstig uit een normaal arbeidersmilieu. Ik begon gewoon met 0-0. Niet rijk, niet arm, maar altijd geleerd dat als je iets wilt bereiken dat je daar hard voor moet werken. En dat heb ik dus ook altijd gedaan. De ene keer met meer succes dan de andere, maar ik heb altijd en overal hard m’n best gedaan. Ik ben een harde werker en ik ben nog nooit een dag werkloos geweest. Ook geholpen door de gelukkige omstandigheid dat ik altijd gezond ben geweest natuurlijk.

Maaarrrrrrrrr: na dik 44 jaar zwoegen op deze planeet heb ik dan eindelijk die gouden lepel in m’n bek. Goed, ik moest er dan weliswaar zegels voor sparen bij de Zaanse grootgrutter, maar die gouden lepel heb ik! Als mede een gouden kaasbestek en gouden messen en vorken. Niet dat ze trouwens overdreven mooi zijn, maar ik vind het gewoon leuk om gouden bestek te hebben.

Zoals ik trouwens vrijwel altijd aan de zegeltjesacties en voetbalplaatjes-acties meedoe. Wijnglazen, messensets, bestek, bewaarbakjes en waar je de afgelopen jaren allemaal niet meer voor kon sparen, you name it: ik doe aan bijna alles mee, gewoon omdat ik dat leuk vind. Zegeltjesacties bij de ETOS voor badkamerspullen? Doe ik ook aan mee! Behalve dingen als moestuintjes (wat moet ik met een halve tuinkers?) of pretparkzegels (ik haat pretparken), maar die spaar ik dan soms voor andere mensen. Maar de andere dingen waar je voor kunt sparen en die ik nuttig vind: ja leuk!

Dan zijn er altijd van die types die dan op zo’n snugger zurig toontje tegen je zeggen:

‘’Buuuuuuuh-buuuuh-buuuhhhuuhh, Rodney, je kan toch ook voor een paar tientjes een bestekset of een setje wijnglazen bij de HEMA of de Blokker kopen? Dat is toch veel makkelijker?’’
Mijn antwoord is dan standaard: ‘’Ja, Gerda, daar heb je inderdaad helemaal gelijk in, maar ik vind dingen sparen gewoon leuk, dus laat me met rust, capiche? ’’  

Ik maak er ook echt een sport van, zoals ik van bijna alles in mijn leven altijd een competitie maak, want ik ben nergens een amateur in. Zelfs niet in zegeltjes sparen. Ik neem het echt bloedserieus. Van de drie supermarkten waar ik vaak kom, Nieuwmarkt, Jodenbreestraat en Rembrandtplein, weet ik precies bij wie ik in de kassarij moet staan voor meer zegels. Niet de zelfscan, want dan krijg je afgepast het aantal zegels waar je recht op hebt: nee, de kassarij. Daar krijg je altijd meer. Het enige wat ik de laatste tijd dus minutieus heb gescand in de supermarkt is wie de meest vrijgevige zegeltjesgevers zijn. Een soort antropologisch onderzoek.

Eigenlijk komt bij elke zegeltjesactie de verveelde puber als beste uit de bus. Die kinderen zitten daar toch al niet voor hun lol en het zal ze werkelijk aan hun bolle bips oxideren of ome Rod nou 3 of 12 zegeltjes krijgt. Dus nadat ik bij het afrekenen heel enthousiast heb gezegd dat ik ook graag zegeltjes wil, scheurt de verveelde puber zonder te kijken een grote rits zegeltjes af, wenst mij verveeld een fijne dag toe en vervolgens ik loop blij weg.

Dan heb je ook de wat serieuzere pubers met ambities die heel afgepast je twee zegeltjes afscheuren en dan zijn er nog de twee oudere dames die ik bijna dagelijks zie en die er dan ook altijd wel een paar bij doen omdat ze mij aardig vinden. Noem mij kinderachtig, maar als ik dat serieuze meisje zie dan ga ik bij de verveelde puber of bij de oudere dames in de andere rij staan, ook al is de rij daar veel langer, maar daar krijg ik dan meer zegels.  

Zou Ronald Koeman trouwens, de kersvers ontslagen trainer van Barcelona, ook zegeltjes sparen bij het boodschappen doen zodra hij terug is in Nederland? Ach, hij krijgt een afkoopsom van 12 miljoen euro mee van zijn voormalige werkgever omdat hij kennelijk zijn werk niet goed deed, dus hij zal genoeg gouden lepels hebben. Dat is hoe de wondere wereld werkt. Als ik mijn werk niet goed doe dan kan ik gewoon opsodemieteren en het uitzoeken, in de voetbalwereld krijgt Ronald Koeman gewoon 12 miljoen mee van het armlastige Barça dat zo weinig geld heeft dat ze eigenlijk nog te arm voor de voedselbank zijn, maar dan wel zulke afkoopsommen moeten aftikken. Als ie maar oprot. Nou, dan wil je wel heel graag van hem af. Alsof Koeman van stront boter kan maken. Geen enkele trainer gaat het daar beter doen met dit materiaal, dus ik wens ze veel succes daar met hun geklooi.

Maar toch, ook in Koemans’ financiële positie, zou ik denk ik gewoon meedoen aan zegeltjescompetities, wijnzegels en voetbalplaatjes. Gewoon omdat het kan en omdat ik het leuk vind.

Ik heb nog vier volle kaarten liggen. En aangezien de actie tot februari doorloopt zal ik die bestekbak van mij tegen die tijd minimaal 4 keer kunnen vullen. Dus voor wie de komende tijd jarig is: die weet ongeveer wat voor cadeautje die van me krijgt.

Ik zeg het maar vast.

Het is lunchtijd. Ik ga een lekker pompoensoepie eten.

Met m’n gouden lepel.  

Rodweek 114 Doood! Dood moet je!


Afgelopen maandag nam ik mijn vriendin voor haar verjaardag mee naar Antwerpen. Lekker hotel in het centrum, copieus eten en drinken en lekker genieten van de stad en elkaar. Geloof mij maar, zo romantisch als deze jongen worden ze niet meer gemaakt. Al denkt mijn lief soms wat anders over mijn definitie van romantiek. Maar laten we het er maar op houden dat ik zo mijn momenten heb.

Op de terugweg richting Amsterdam bleven we nog een nachtje bij een vriend van ons in Breda logeren. Ook hier weer copieus lekker eten en drinken en gelukkig kon ik ook nog de galavoorstelling van Ajax tegen Borussia Dortmund op TV zien in een nabijgelegen kroeg. Allemaal top.

De volgende ochtend keken we met z’n drieën naar afleveringen van ‘’José en Oboema’’. Voor wie dit illustere duo niet kent: het waren in de jaren 90 personages uit mijn favoriete programma Jiskefet. Het programma heette ‘Achter de wolken. Liefdeslessen van José en Oboema’’. Oboema is een lompe plat Amsterdams pratende, zelfverklaarde witte neger met een imposante bos haar uit Amsterdam-Oost en José is het wat tuttige huisvrouwtje die de boel wanhopig in het gareel probeert te houden. Ze krijgen rond het avondeten om de meest onnozele dingen knallende ruzies die er dan steevast mee eindigen dat José Oboema een daverende soejang voor z’n harses geeft en dan keihard dingen als ‘’Dooooood! Dood moet je! Sterf nou toch eens eindelijk! Donder toch op, engerd!’’ roept naar haar eega. En vervolgens sluit ze zich dan op in de slaapkamer.

Aan het eind van de aflevering, vaak na wat lieve Afrikaanse woordjes van Oboema, is het dan altijd weer goed gekomen en legt Oboema in zijn eigen onnavolgbare vocabulaire uit hoe de ruzie heeft kunnen ontstaan en hoe je dat weer goed kunt maken. Samengevat: het is haar schuld en misschien ook een heel piepklein beetje die van hem. Eindigend: ‘En zo komt alles toch weer goed.’

Mijn dame was niet echt bekend met de serie, dus die kreeg snel een spoedcursus liefdeslessen mee.

Ik heb een zelfde soort haatliefde-verhouding als José en Oboema, maar dan met technische apparaten zoals telefoons en laptops. Aan de ene kant zie ik het gemak en het comfort dat ze bieden en heb ik daar liefde voor, maar aan de andere kant heb ik het technisch vernuft van een amoebe en is geduld bij mij eerder een vuile dan een schone zaak. Dingen moeten bij mij makkelijk en praktisch gaan en ik houd niet van onzin en ingewikkeld gedoe. Ik kan die apparaten intens vervloeken als ze niet doen wat ik verwacht en heb er meer dan eens aan gedacht om die zooi van 5 hoog naar beneden te flikkeren. Gelukkig zorgt een bovenmenselijke kracht er voor dat ik me toch steeds nog net weet in te houden.

Want op diezelfde ochtend in Breda mocht ik, met mijn voorrang EU-seizoenkaart, ook een kaartje kopen voor Borussia Dortmund-Ajax! Er waren ruim voldoende kaarten, dus zeker met mijn voorrangkaart moest het geen enkel probleem zijn. Dat was het ook voor niemand, Behalve weer voor deze piemelepoges natuurlijk. Om stipt 10.00 klikte ik mijn telefoon aan en ik kwam meteen in de wachtrij van een kwartier. No worries. Daar heb ik geen invloed op, dus daar wachtte ik nog geduldig op. Ik lag ook nog wel lekker in bed. Het kwartier was om en ja hoor! Ome Rod mocht ook een kaartje kopen. Dat leek soepel te gaan. Betalen met Ideal? Prima. Doen we dat. Word ik bij het betalen godverdomme uit Ideal geflikkerd!

Kwaaier kun je me niet krijgen, als zooi die gewoon moet werken niet werkt. Dus dan schiet ik al lichtelijk in de José-stand inwendig. Doooood, dood moet je! Met de Ajax-app in de rol van Oboema. De volgende 2 dagen zat ik nog steeds te kutten. Ik moest dingen verifiëren en ik begreep natuurlijk weer niet hoe dat moest op een telefoon. Het ‘dooood, dood moet je!’ schalde inmiddels ook al op luid volume door de huiskamer (vriendin gelukkig niet thuis) en ik begon de hoop op een kaartje al redelijk op te geven. Treinreis al wel geboekt. Dan maar in de kroeg kijken daar. Of lekker stiekem in een thuisvak tussen de Duitse fans? Ik dacht al over alles na. Mijmerend dacht ik terug aan de tijd dat mijn sigarenboer Max in de Jordaan altijd gewoon op de dag en precies het goede tijdstip van de voorverkoop onze seizoenkaarten door de scanner heen trok. En dan haalden we later onze wedstrijdkaartjes op en dan betaalden we. En dan kregen we er nog gratis een gezellig ouwehoerpraatje met Max bij ook. Mooie tijd. Geen enkele vorm van stress. Max heeft ons nooit teleurgesteld. De techniek daarentegen wel meer dan eens. Op zulke momenten denk ik met vochtige ogen aan die fijne sigarenwinkel van ome Max in de Tweede Goudsbloemdwarsstraat. Waarom moest dat veranderen? Iets met nieuwe tijd en zo. Het zal wel, maar ik mis het wel eens.

Ik had vanmorgen nog tot 10.00 de tijd om van  mijn voorrangsrecht gebruik te maken en de kaartjes gingen hard. Ik lag laat in bed en zette 8.00 de wekker. In 2 uur tijd moest zelfs zo’n digibetische staatsmongool als ik dit klusje toch kunnen klaren? Ik was al voorbereid dat er, na het zoveelste misverstand tussen mij en de hedendaagse techniek weer een ‘’Doooood! Dood moet je!’’ uit mijn mond zou vliegen, maar niets bleek minder waar vandaag. Gewoon op de laptop had ik binnen de tien minuten alles voor elkaar en betaald! Nul moeite! Twee dagen stress aan m’n kanis gehad voor dat kutkaartje en nu in één keer binnen een paar minuten de hele shizzle geregeld. En zo gaan de boys en ik gezellig naar Dortmund om de door Europa voortdenderende Ajax-trein te ondersteunen.    

Om met Oboema te spreken: ‘’En zo komt alles toch weer goed.’’   

Rodweek 112 Appie

Vanavond speelt Ajax tegen Fortuna Sittard. Uit, dus ik ga niet mee. Gewoon lekker thuis kijken met m’n gappie Ramses. In mijn jonge jaren heb ik gans het land doorkruist met Ajax. Er is bijna geen stadion waar ik niet geweest ben, maar dit soort trips laat ik tegenwoordig aan me voorbijgaan.

Vandaag, precies 5 jaar geleden speelde Ajax ook. Thuis tegen Willem II voor de beker, Als seizoenkaarthouders mochten we daar gratis heen. En dat lieten, een andere vriend van mij, Marcel, en ik ons geen twee keer zeggen. Daar waren een aantal plausibele redenen voor:

1. Als Ajax iets gratis weggeeft moet je dat altijd aanpakken
2. Samen bier drinken.
3. De eerste officiële wedstrijd met videoscheids, tegenwoordig bekend als de VAR, dus die wereldprimeur mochten we niet laten schieten.
4. Het gonsde in de wandelgangen dat Abdelhak Nouri (maar in zijn bewoordingen gewoon ‘Appie’), het grote talent uit de Ajax-opleiding wel eens zijn debuut kon maken vandaag, dus daar moesten we ook bij zijn.

De wedstrijd verliep als gehoopt. Ajax liep soepeltjes over de Tilburgers heen en naar naarmate de tweede helft vorderde begon het publiek zich te roeren:

’’Wij willen Nouri zien! Wij willen Nouri zien!’’ , zo klonk het van de tribunes.

Peter Bosz gaf ons onze zin. Nouri mocht in de 73e minuut invallen. Hij had er zin in, dribbelde door de defensie, dolde zijn tegenstanders en liet zien dat hij niet bang was. Lef, flair, bluf, bijdehand zijn en meer van dat soort eigenschappen zijn leuk, maar dan moet je het ook laten zien. Daar houden we van in Amsterdam.

 En dat deed Appie, zoals zie zichzelf altijd liet noemen. Eén minuut voor tijd eiste de jongeling uit Geuzenveld een vrije trap op. Mooie plek, net buiten de 16. Eigenlijk stond routinier Lasse Schöne al klaar om de klus te klaren maar de kleine Nouri uit Amsterdam-Geuzenveld smeekte de Deense aanvoerder of hij het mocht doen. De Deen gaf een vaderlijk knikje, het stond immers al 4-0. maar de oude Pater Familias van het team stelde één keiharde voorwaarde: ‘Als je ‘m mist krijg ik een tientje’. Meer hoef je jongens uit West niet te motiveren, zo weet ik uit eigen ervaring.  

Abdelhak, Appie dus, mocht zijn joetje houden. Hij schoot de bal prachtig in de lange hoek. Een heerlijke goal, En het leverde mooie TV op. Appie vloggend na zijn succesvolle debuut. Appie bij Tikkie-takkie-Touzani, Appie leuk in interviews: iedereen hield van Appie. We waren getuige van de geboorte van een publiekslieveling. Wat een heerlijke voetballer en wat een leuk joch in zijn interviews. Niet de eerste de beste chagrijnige zeikvoetballer die meteen in de gordijnen hangt bij een kritische vraag.

Nog geen jaar later werd Appie op het veld, in de voorbereiding getroffen door een hartstilstand. Hij leeft nog, maar daar is alles mee gezegd. Nou ben ik geen dokter, maar het gaat waarschijnlijk nooit meer goed met hem komen. Dat is een afschuwelijke tragedie voor hem en zijn familie en vrienden.  

Hoe goed had onze nieuwe publiekslieveling geworden? Zou hij zo goed zijn geworden als een paar van zijn maatjes uit Jong Ajax waar hij toen in speelde? Jongens als Frenkie de Jong of Mathijs de Ligt? Zou hij nu ook bij Barcelona of Juventus hebben gespeeld? Of nog bij Ajax. Of zou hij vanavond met Fortuna Sittard meespelen tegen Ajax omdat hij niet goed genoeg bleek voor de top? Het zijn vragen die nooit beantwoord zullen worden.

Exact vijf jaar na dato dus na zijn debuut, ik denk nog regelmatig aan Appie en de vragen die nooit meer beantwoord zullen worden.

https://www.youtube.com/watch?v=Aainr80TUsQ&ab_channel=ESPNNL

Rodweek 111 Zaterdagskind

Mijn moeder zegt wel eens dat ik een zondagskind ben dat op een zaterdag is geboren en dat is ook eigenlijk wel zo. Ik heb met veel dingen echt behoorlijk veel mazzel gehad. Zoals bijvoorbeeld met woningen. Van 1997 tot 1999 woonde ik met studiegenoot en goede vriend Sebas in een toffe driekamerwoning in de Bestevaerstraat Amsterdam-West. Allebei eigen slaapkamer, woonkamer en we betaalden een schijthuurtje van 400 gulden ofzo. Samen. Omdat ik de grootste slaapkamer had betaalde ik 225,- en hij 175,- Dat was, als ik het me goed herinner, de verdeling.  

Die woning hadden we gekregen omdat Sebas stage liep bij een woningbouwvereniging. Anti-kraakwoninkie. Ik zal de naam van onze helpende man in het kader van de privacy even fingeren, laten we hem mijnheer De Boeselaere noemen. Na twee jaar moesten we weer uit die woning en ging ik met mijn toenmalige meisie samenwonen in het huis van een vriend die een half jaar op reis was.

Maar daar moesten we na een half jaar dus uit. Ik heb daar geen seconde stress van gehad. Ik belde de woningbouw en vroeg naar De Boeselaere. ‘Zeg, De Boeselaere, Rodney Rijsdijk hier. Ik heb eerder via jou gehuurd met Sebas. M’n meisie en ik moeten over 2 maanden onze woning uit. Heb jij een nieuw anti-kraakwoninkie voor ons?’ Letterlijk zo ging het.

Het zou nu niet eens in me opkomen om zoiets te doen, maar noem het jeugdige onbevangenheid en een tikje bluf. Het kwam ook niet eens in me op dat het niet zou lukken. Ik ging er gewoon vanuit dat het ‘gewoon’ werd geregeld. De Boeselaere beloofde dat hij even zou kijken en me dan later terug te bellen. En inderdaad: in de middag werd ik gebeld dat hij een kleine woning in de Staatsliedenbuurt had, vlak achter de Jordaan. Huurprijs 288 gulden. Toen mijn meisie in de ochtend naar haar werk ging zei ik dat ik een woning zou regelen en toen ze aan het eind van de middag terugkwam had ik er eentje. Zo ging dat ‘gewoon’. Maar het is natuurlijk niet ‘gewoon.’ Ook in die tijd niet. Al dacht ik toen dat dat wel zo was. Ik ging er gewoon altijd vanuit dat het goed zou komen. Als ik mijn huis nu zou kwijtraken zou ik in blinde paniek raken. Dit wat ik toen deed kan nu echt niet meer. Dan laten ze je in het dolhuis opnemen.      

Daar in ‘De Staats’ een jaar gewoond en toen kreeg ik via een andere vriend een huis in de Marco Polostraat in West. Daar heb ik bijna twintig jaar gewoond alvorens ik drie jaar geleden via de woningbouw ineens in hartje centrum belandde.

Als ik zoveel geld kon tellen als dat ik zegeningen kan tellen qua woningmazzel die ik heb gehad zou ik schathemelrijk zijn. Maar rijkdom in Amsterdam is tegenwoordig al dat je een dak boven je hoofd hebt! En als je daar ook nog een redelijke prijs voor betaalt en het geluk hebt om niet een louche vastgoedprins te hoeven spekken ben je helemaal de koning(in). In de jaren negentig kon je in Amsterdam-West voor een habbekrats een woning kopen. Veel mensen wilden daar helemaal niet wonen. Was een achenebbisj-buurt Tegenwoordig betaal je voor een driekamerkrotje in Oud West makkelijk vier ton. In Euro’s! Die hokken kostten 25 jaar geleden nog geen twee ton. In guldens.

En dan mag die vreselijke Prins Bernhard jr. op dit moment het lelijke gezicht zijn van de totaal verziekte woningmarkt, er zijn natuurlijk veel meer van dat soort graaiers. En het gaat ook niet alleen om Amsterdam, maar om bijna elke plek in Nederland waar je wilt wonen. Van Den Helder tot Maastricht, van Delfzijl tot Middelburg en alles daar tussenin: overal wordt de hoofdprijs gevraagd. Alleen is die hoofdprijs in Amsterdam nou eenmaal altijd nog een stukje hoger. Wij willen ook echt in alles de beste zijn.

En daarom was ik het helemaal eens met het woonprotest van afgelopen zondag. Een stad waar alleen maar puisant rijke mensen kunnen wonen wordt een onleefbare stad. Een stad waar de jeugd niet meer kan wonen, tenzij ze minimaal tot hun 40e bij hun ouwelui blijven wonen. Simpelweg omdat er niks is. En waar gaan je leraren, je verpleegkundigen, je horecamensen, je pizzabezorgers, je loodgieters, je bouwvakkers  je timmermannen, kassameiden , je winkeliers, je kappers en noem ze allemaal maar op wonen in een stad die onbetaalbaar is voor mensen met een laag tot modaal salaris? En waar mensen met een iets bovenmodaal inkomen niet in een sociale huurwoning kunnen wonen maar ook niet een woning van rond de 1000 euro kunnen vinden? Hoe leuk is een stad waar alleen maar ouwe mensen met oud geld, moeilijke brillen, rode ruitjesbroeken en kakaccenten wonen? Ik wil gewoon dat iemand ‘Hey ouwe pooier, alles goed?!’ naar me roept op straat. En nee, daar ga ik niet voor naar Purmerend of Almere verhuizen. Amsterdam is mijn stad.    

Hoe lief ik alle vrouwen ook heb gevonden waarmee ik in mijn leven ben samen geweest: ik heb nog nooit m’n huis voor iemand opgegeven. Straks word je er uitgeknetterd (en dat gebeurde bij mij nog al eens!), sta je op straat en dan woon je ineens in een buitenwijk van Koog aan de Greppel omdat je in Amsterdam niks meer kunt krijgen. Of je moet voor  1500 euro een klein kloteflatje aan de uiterste randen van de stad willen huren. Dat gaat me dus nooit gebeuren.

Ik besef me, ook als ik met drie zware boodschappentassen met de tong op mijn schoenen thuiskom in mijn ruime sociale huurwoning op 5 hoog zonder lift, dat ik een strontmazzelaar ben. Een zaterdagskind. Ik zou het al mijn stadgenoten gunnen.

Mijn liefde voor Amsterdam is onbetaalbaar. De huizen in Amsterdam helaas ook. Ik zal met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid nooit een huis kunnen kopen in mijn stad en dus blijf ik in mijn sociale huurwoning zitten. In die zin ben ik dus ook onderdeel van het probleem want ik stroom niet door. En velen met mij. Tenzij de staatsloterijballen een keer goed vallen. Misschien ooit een keer op een mooie zaterdag.