De Trump van de Ten Katemarkt

Het lijkt er dus eindelijk op te zitten. De lachwekkende vierjaarlijkse poppenkast die we ook wel kennen als de Amerikaanse presidentsverkiezingen ging deze keer tussen twee bejaarde gekken. Kijkend naar debatten tussen Donald Trump en Joe Biden was als kijken naar een ruzie tussen die twee ouwe knarren uit de Muppetshow, Stattler en Waldorf. Maar toen ik zojuist tijdens mijn avondwandeling langs de Amsterdamse grachten vernam dat die hakkelende en mompelende Muppet Joe Biden het had gewonnen van de schreeuwerige demagoog Donald Trump kon ik een kleine glimlach niet onderdrukken. Niet dat ik denk dat Joe Biden de wereld gaat redden, maar ik heb toch liever hem achter de knoppen dan de narcistische gevaarlijke gek die er de afgelopen vier jaar achter zat.

Maar voor mij nog steeds  geen reden voor champagne. Ik vind ze b(e)iden niks.

En terwijl ik de zojuist verkregen informatie onderweg naar huis even liet bezinken moest ik ineens denken aan ‘’De Trump van de Ten Katemarkt’’, namelijk Henk Bakker Sr.

Henk was een ouwe Amsterdamse marktkoopman. En dan ook nog echt eentje van de ouwe stempel. Die nam je niet in de maling. Hij bestierde in de Ten Katestraat, aan de markt,  ‘Meubelhuis Henk en Bep’. Voor die winkel lag altijd een brancard waarop stond geschreven: ‘’Bij diefstal bellen wij eerst de ambulance en daarna pas de politie.’’ Dus beter haalde je het niet in je hoofd om daar wat te jatten, want dat was geen dreigement maar een belofte. Daarmee benoem ik tevens gelijk een belangrijk verschil tussen Bakker en Trump: Bakker hield zich nog wel eens aan een belofte.

Als Amsterdammer en marktkoopman was Henk prima op zijn plek, maar hij had ook bedacht dat hij verstand van politiek had en dat was nou net niet het geval. Henk had net zoveel kaas gegeten van politiek als dat ik ooit gegeten heb van een vleermuis op een vuige Chinese markt.

Henk was een opvallende verschijning in de Amsterdamse politiek, met dat lange grijze slierterige haar, zijn grofgebektheid, zijn hele voorkomen en zijn nogal onconventionele manier van debatteren. De stoelen zijn wel eens door de zaal gevlogen omdat Henk het ergens niet mee eens was en er is ook nogal eens aangifte tegen hem gedaan wegen geweld of strafbare uitlatingen. Nadat hij al de in stadsdeelraad van Oud West had gezeten werd hij in 2002 samen met zoon Henk jr. in de Amsterdamse gemeenteraad gekozen met zijn partij ‘’Leefbaar Amsterdam.’’

Elke stad of dorp kreeg in de slipstream van Pim Fortuyn ineens een partij die ‘Leefbaar’ heette en dan met de plaatsnaam erachter. Het recept om in de lokale politiek te komen was in die tijd simpel. Zoek een paar medegekkies, verstand van politiek is eerder ongewenst dan noodzakelijk, schreeuw hard, kies zondebokken uit: et voila, je had een politieke partij.
Het waren dan ook meestal schimmige dubieuze partijtjes die bolstonden van de demagogiek en die heerlijk inspeelden op de borrelende onderbuik van de morrende samenleving. Meestal dus geleid door schreeuwende gekkies. Sommige mensen zijn nou eenmaal erg gevoelig voor dergelijk demagogisch geschreeuw en zo hadden vader en zoon Bakker het toch zomaar even mooi tot het pluche van De Stopera geschopt. Dat beviel de heren goed. In 2006 werden Henk en Henk echter tot hun grote verbijstering niet herkozen in de gemeenteraad en bovendien was zijn fractie in opspraak geraakt omdat de  Bakkertjes hier en daar nogal wat waardevolle bonnetjes waren kwijtgeraakt, wat de geloofwaardigheid van hun partij ook niet helemaal ten goede kwam.

Toen Henk en Henk dus niet werden herkozen sprak Henk sr. op de lokale zender AT5 met gedragen stem en je kon zien hij er op had geoefend, de legendarische woorden : ‘’Ach, ik heb niet verloren, het volk heeft verloren.’’ Het is bij mij en een aantal vrienden nog steeds een gevleugelde uitspraak.  

Rond die tijd begon ik ook te werken in het Café aan de Ten Katestraat waar veel van die marktkoopmannen kwamen. Henk kwam er ook vaak. Die stond altijd achter de gokkast met een broodje kroket en daar dronk hij dan altijd een Sneeuwwitje bij, half bier, half seven up. Daar verloor Henk ook nog wel eens wat. Een jaar later overleed Henk plotseling en zo kwam er een einde aan het leven van ‘’De Trump van de Ten Katemarkt.’’

Trump gaat zich natuurlijk nog verder belachelijk maken met rechtszaken, maar beter spreekt de ouwe Trump dezelfde woorden tot zijn kiezers als zijn Amsterdamse evenknie Henk Bakker Sr.:

‘’Ik heb niet verloren, het volk heeft verloren.’’

Het is niet waar, maar zelfs die holle frase straalde nog meer waardigheid uit dan het kleuterachtige gestampvoet waar Trump zichzelf nu weer onsterfelijk belachelijk mee maakt. Dat ik dat compliment postuum nog eens aan Henk moet geven dat maakt Trump eigenlijk toch wel een hele grote. Een hele grote wat? Dat mag je zelf invullen.

PS: Psssst! Rodzooi heeft nu ook een verzameling van zijn columns uitgebracht. Het boek heet ”Het nut van een gebreide condoom”. Boek bestellen? Mail naar rodney@rodzooi.nl of stuur hem een bericht via Facebook

Rodweek 38 Slappe

Malle. Rare. Dooie. Slappe. En natuurlijk mijn eigen standaard-aanspreekvorm naar mensen: ‘ouwe’. Zomaar een paar woorden die in de rest van Nederland als bijvoeglijk naamwoord worden gebruikt, maar in Amsterdam net zo goed als zelfstandige naamwoorden om mensen te benoemen. Mensen aanspreken met zinnen als: ‘Gaat het lekker met je, malle?’  of ‘Let je even op, dooie?’ Heerlijk taalgebruik en het was daarom dat ik ook zo moest lachen om het filmpje van de agent die afgelopen vrijdag de chaos en de drukte bij de pont naar Noord in goede banen moest leiden. Je kon de agent niet zien in het filmpje maar je hoorde hem in prachtig plat Amsterdams door zijn megafoon schetteren dat mensen in de rode vlakken moesten blijven. En dan komt het mooiste. Kennelijk zegt iemand iets bijdehands tegen de agent die gelijk heerlijk Amsterdams reageert met ‘’Hou je grote waffel effe, slappe!’’ en vervolgens weer doorgaat met zijn instructies. Lees verder

Rodweek #33  Het fluwelen eindje

Toen ik in 2010 met mijn toenmalige vriendin ging samenwonen in mijn huis aan de Marco Polostraat in Amsterdam-West kwamen haar opa en oma eens bij ons op bezoek. Opa Frits en oma Ans zijn  twee prachtige oude Amsterdammers met wie ik het altijd goed heb kunnen vinden. Ans had als kind in de buurt gewoond en vertelde dat ze het stukje straat waar wij woonden vroeger altijd ‘het fluwelen eindje’ noemden, omdat het een wat mooier gedeelte van de straat was waar de wat meer welgestelde mensen uit de buurt woonden.

Het is ook nog steeds het mooiste stuk van de Marco Polostraat, al zijn tegenwoordig alleen de huizenprijzen nog fluweel aan de straat. Toen ik in 1999, in de guldentijd,  in mijn woning kwam wonen werden de woningen er nog net niet weggegeven. Betaalbare huurwoningen in een buurt waar niemand wilde wonen, dus de koopprijzen waren ook nog niet zo achterlijk hoog. Dat is inmiddels allemaal anders. Een zoekopdracht op Funda leert dat voor een vierkamerwoning op het fluwelen eindje 625.000 euro mag worden afgetikt en voor een driekamerwoning van 80 vierkante meter, schuin tegenover waar ik woonde, 475.000 ekkies. Dan moet je de fluwelen eindjes dus flink aan elkaar knopen als je daar een hok wilt kopen. Ik betaalde voor mijn 80 vierkante meter onder de 300 euro huur. Dat is een fooi in het Amsterdam van 2018, al vond ik de huurprijs niet meer dan logisch en terecht gezien de staat van het huis. Een kleine greep uit de mankementen: enkel glas, open geiser, gaskachel, achterstallig schilderwerk, de kapotte treden in het trappenhuis, het licht op de gang dat vaak stuk was, de badkamer met de slappe douche en een balkon dat volledig gekaapt was door de plaatselijke duivenpopulatie die de boel daar naar hartenlust onderscheten. Ik noemde mijn balkon dan ook Station Duivendrek Centraal. Mijn verhuurders gaven geen ene reet om het huis en deden er weinig tot niets aan. Die hoopten alleen maar dat ik op een dag op zou rotten zodat ze de hut kunnen verbouwen en er de hoofdprijs voor kunnen vragen. Welnu, ze hebben hun zin. Lees verder

Piet, kind van de ten katemarkt

Rodney schrijftDe Ten Katemarkt bestaat dit jaar een eeuw.  Piet Vermie heeft daar meer dan de helft, werkzaam, van meegemaakt. Hij is een icoon op de markt. Sinds twee jaar is hij met pensioen en hoewel hij al jaren niet meer in de buurt woont komt hij er nog regelmatig. Gezeten op een terras aan het korte stukje van de markt  steekt Piet gelijk van wal. Hij praat graag en veel over de oude markt: ‘Ik begon als jongen van veertien met werken op de markt. Dat was in 1956. Ik sleepte toen met karren. Veel marktkramen waren toen nog klepkarren van waaruit de marktkooplui hun waar verkochten. Mijn vader verhuurde die vanuit de Jacob van Lennepstraat, waar wij woonden. De markt liep destijds nog door de hele Ten Katestraat, helemaal van de Jacob van Lennepkade tot aan de Bellamystraat. Ruim twee keer zo groot als dat de markt nu is. Dit stukje straat waar we nu zitten waren allemaal nog oude woningen en winkels waar de markt voor stond. Het achterste stuk bij de Bellamystraat werd de vismarkt genoemd. Daar stonden zes of zeven viskramen bij elkaar. Daar stond Lees verder