Rodweek 52 Toen was gelul nog heel gewoon

Wat zijn we toch een uniek volkje. Er bestaan geen mensen op de wereld die discussies zo tot snot kunnen koken als Nederlanders. De spruitjes van je ouwe opoe zijn er niks bij. We lullen maar en we lullen maar en uiteindelijk zitten we muurvast tegenover elkaar met de hakken in het zand. Nederlanders, van welke afkomst ook, lijden chronisch aan ‘De Ziekte van  Ja maar’. Ik heb het buitenlandse vrienden weleens geprobeerd uit te leggen hoe Nederlanders discussiëren: het duurt en het duurt maar en het duurt bijkans eeuwig voor er iemand oplossingsgericht denkt, want we willen allemaal ons gelijk doordrukken.  De zinnen in een Nederlandse discussie beginnen (en gaan oneindig door) dus vaak met de woorden ”Ja maar…”

En dus zijn we de eerstkomende jaren nog niet verlost van de Zwarte Pieten-discussie. Wie mij een beetje kent weet aan welke kant ik sta: Zwarte Piet, ouwe rups, je hebt je langste tijd gehad. Tradities en cultuur zijn nooit voor eeuwig en altijd aan verandering onderhevig. Dat heet beschaving. Als alle tradities voor eeuwig zouden zijn zouden we hier nog steeds aan palingtrekken, hanengevechten en katknuppelen doen, zou slavernij nog bon ton zijn en zouden kinderen op school nog steeds met een liniaal op hun vingers worden geslagen. En over al die verschillende dingen hebben we op een bepaald moment in de geschiedenis ook besloten dat ze toch niet meer zo van deze tijd zijn. En die weg gaat Zwarte Piet ook bewandelen. We leven niet meer in het naar die tot snot gekookte spruitjes van je opoe geurende roomblanke Nederland van de jaren vijftig. De samenstelling van de bevolking is nogal veranderd sinds die tijd en niet iedereen voelt zich nog prettig bij de negerkarikatuur die de Piet al enkele decennia is. Lees verder

Rodweek 51 Rodzooi’s Rapsodie

Op 24 november 1991 lag ik ziek in bed. Een griepje. Rillend lag ik naar ‘’MTV news’’ te kijken, het was in de tijd dat het op MTV nog voornamelijk over muziek ging. En daar kwam het nieuws  dat mijn griepje even in een ander perspectief plaatste: Freddie Mercury was dood. Die had een wat heftiger griepje onder de leden. Als ik het ontstaan van mijn muzieksmaak een geboortedatum mag geven dan zeg ik 13 juli 1985, de dag van het legendarische Live Aid-concert op Wembley. Ik wist niet wat ik zag. Ik was acht jaar en vooral volkomen gegrepen door het optreden van Queen in het algemeen en het charisma van Freddie Mercury in het bijzonder. Hij was mijn eerste muziekidool. Mijn muzieksmaak kreeg later nog ontelbare, niet allemaal levensvatbare vertakkingen, maar Queen is zonder meer mijn eerste muziekliefde. Ik heb er nog altijd een zwak voor.

Dat zwak voor Queen heeft niet iedereen. Mijn goede vriend Remi bijvoorbeeld. Ik heb jarenlang popquizzen met hem gemaakt. Met veel muziek zaten we op één lijn, maar een Queen-fragment kreeg ik er in al die jaren echt nooit doorheen gedrukt. Remi is een notoire Queen-hater en weigerde halsstarrig om ook maar iets van Queen in onze quizzen te stoppen.  Onbegrijpelijk maar waar. Lees verder

Rodweek 49 Snollentosti

Op de één of andere manier kom ik haar heel vaak tegen tijdens mijn postrondes. Het maakt niet uit op welk tijdstip ik aan mijn wandeling begin. Of ze roept naar me vanaf een terras waar ze koffie zit te drinken en sigaretjes aan het roken is of ze hangt ineens uit het raam in haar woning in de Egelantiersbuurt: ‘’Hey ouwe sodemieter. Ben je er weer? Lekker aan de wandel vandaag? Heb je nog post voor me, lieverd?’’ Dat is zo’n beetje haar standaardbegroeting naar mij. Ik schat haar op een lente of zeventig. Ze heeft een doorleefde kop en een stem die minstens vijf decennia twee pakjes sigaretten per dag roken verraadt. Toch heeft ze een gezonde kleur op haar gezicht. Een goeie teint. Ze is vaak buiten. Dat is altijd goed voor een mens.

Ik heb,  behalve van haar achternaam, want die staat op haar post, geen idee wat haar voornaam is. Ik denk Ria of Rietje. Alle oudere Jordanese vrouwen die ik ken heten om onverklaarbare redenen altijd Ria of Rietje. Dus laat ik haar voor het gemak maar Rietje noemen. Rietje heeft, met die doorgerookte stem van haar, zo’n zangerig Jordanees accent dat zo plat is als een Mokumse patatduif die zes keer een heipaal op z’n treiter heeft gehad. Wie zegt dat er in de Jordaan geen plat Amsterdams meer gepraat wordt kent Rietje niet. Of is nooit bij slagerij Louman in de Goudsbloemstraat geweest, maar nu dwaal ik af. Rietje en ik maken altijd even een kort praatje. Dat gaat nooit over grote dingen. Gewoon, een klein praatje over het weer of zo.

En zo kwam ik haar afgelopen dinsdag weer tegen. ‘’Zo, ouwe sodemieter, je treft het maar weer met het zonnetje vandaag! Het blijft maar lekker!’’, riep ze mij vanaf een terras op de Prinsengracht toe.
‘’Het is heerlijk, en dat half oktober, maar wordt ook weer een keer november en december, dus ik geniet er nog maar van zolang het duurt. ’’
‘’God, jongen, je hebt gelijk. Hou op met me. Ik haat die kutherfst en ook die vreselijke winter. Die kou. Gadverdamme! Doe mij maar lekker in het zonnetje, veel beter! ’’
‘’Wat u zegt. Doe mij maar de zon. U heeft ook een gezond kleurtje.’’
‘’Ja, jongen, ik pak elke zonnestraal die ik ken pakken. Als er één streep zon in die stad is loop ik er in, maar volgende maand moet ik toch maar weer eens naar die snollentosti in de Nieuwe Leliestraat , ik wil dat kleurtje wel een beetje vasthouden.’’

Snollentosti. Ze zei het gewoon. Ik vind het één van de leukste Amsterdamse woorden die ik ken. Voor wie het woord niet kent: snollentosti is een fijn plat Amsterdams synoniem voor zonnebank. Ik ken het woord al jaren, maar ik hoor het nooit bijna nooit iemand gebruiken. En daar, op de Prinsengracht, terwijl de Oude Wester op ons neerkeek, bezigde een gezellige oude Jordanese mevrouw van zeventig dat prachtwoord.  Mijn hart maakte een vreugdesprongetje. We babbelden nog wat, we lachten nog wat en even later liep ik weer vrolijk verder. Op zonnige dagen als deze is er geen fijner werk denkbaar als postbode zijn in de Jordaan. Maar op een waterkoude regenachtige novemberdag vervloek ik deze beroepskeuze nog wel eens, zo’n opportunistisch stuk vreten ben ik dan ook wel weer.

Maar zover is het nog niet. Ik verleng de zomer gewoon nog even. Deze zomer, die toch al een klein half jaar duurt, heeft me eigenlijk nog niet lang genoeg geduurd. Daarom ga ik maandag lekker een paar dagen naar Sevilla. Daar is het nog een uitermate sfeerverhogende 28 graden. Nog even een lekkere kleur oplopen voor het weer november wordt. Daar heb ik de snollentosti niet voor nodig.

Rodweek 47 Soms moet je hard zijn.

Eigenlijk had ik gistermiddag tijdens een lange wandeling een column bedacht waarin ik de VVD en hun leider, de man die onze premier acteert, helemaal zou fileren. Ik zou dan beginnen met de twee helden van Mark Rutte te noemen: Clown Bassie en volkszanger John de Bever. Boven het eenpersoons bedje van Rutte hangt namelijk groot de lijfspreuk van Bassie: ‘’Wat er ook gebeurt, altijd blijven lachen!’’ en die spreuk gaat de hele dag als een mantra door zijn hoofd. En onze Mark speelt elke ochtend bij het opstaan de piratenhit van John de Bever ‘’Jij krijgt die lach niet van mijn gezicht!’’

Zodoende is het verklaarbaar dat onze premier vrijdagavond zo vrolijk met zijn VVD-vrindjes op het strand van Scheveningen stond bij het concert van Anouk. Lachend op een Twitter-selfie van die olijke CDA-snaak met z’n krokodillenleren schoenen, die mediageile Hugo de Jonge. Terwijl de rechtervleugel het daar dus uitstekelbaars naar de zin had en genoot van elkaars warmte werd een kleine 50 kilometer verderop door de Rechtbank in Amsterdam ijskoud besloten dat het leven van twee Armeense kinderen die getogen zijn in Nederland voorgoed verkloot zou worden. Weg met jullie, rot maar op naar je eigen land, stomme kutkoters. We moeten jullie niet. Dat was vrij vertaald de kille boodschap aan de kinderen.  ‘Want soms moet je hard zijn’, aldus onze premier vlak voordat hij weer lachend naar het strand ging. Buitenlandse criminelen, teruggekeerde Jihad-strijders en misdragende asielzoekers laten we lekker hier blijven en twee getogen Hollandse kindertjes die het hartstikke leuk doen in onze samenleving die gooien we de grens over, want die zijn vervelend. En waarom moeten die asielprocedures zo idioot lang duren? Kan iemand mij van al die dingen de logica uitleggen? Want ik snap het niet zo goed.   Lees verder

Rodweek 42 Toeval bestaat wel

Onlangs zag ik Anton lopen, hierachter op de Kloveniersburgwal. Anton is een oude man, ofschoon ik zomaar denk dat hij niet zo oud is als dat hij er uitziet. Zolang als ik hem tegenkom, dik twintig jaar, ziet hij er al heel oud uit. Ik kwam hem tot vorig jaar wat vaker tegen, want Anton kwam, en komt waarschijnlijk nog steeds, altijd wel twee of drie keer per week in de Melkweg waar ik toen nog werkte. En ik zag hem vaak door de stad lopen. Tas kranten onder de arm. Toen ik van 2001 tot 2004 op de Universiteit van Amsterdam én in de Melkweg werkte zag ik hem heel vaak. In de ochtend zag ik hem door de binnenstad fietsen, tijdens onze lunch zat hij, net als wij, ook in de Mensa te eten, terwijl hij zich door zijn stapel kranten worstelde en in de avond zag ik hem dan weer in de Melkweg of in één van de kroegen in de buurt. Ik was nooit zo verbaasd als wij elkaar vaak op drie of meer verschillende  plekken in de stad op dezelfde dag tegenkwamen. Dat ging gewoon zo. Lees verder

Rodweek #20 Pensioenvoorziening

Goede smaak is niet te koop. Hoe rijk je ook bent. Dat denk ik altijd als ik een foto van Prins Berhard Jr. zie, en die zie je de laatste tijd nogal eens voorbijkomen. Behalve een wanstaltige smaak in monsterlijk lelijke brillen heeft Prins Bernhard jr. ook 590 panden in bezit, waarvan 349 in Amsterdam. Een ‘pensioensvoorziening’, zo noemde dit lid van de Koninklijke familie deze investering. Welnu, deze hoogheid is met een gouden lepel in zijn bakkes geboren in een familie van ‘oud geld’ en heeft het maatschappelijk ook niet slecht gedaan met zijn bedrijven, dus hoeveel pensioen denkt deze meneer nodig te hebben? Of verkeert de prins in de veronderstelling dat hij 468 wordt en dus nog een dikke vier eeuwen met zijn geld moet doen? Welnu, hij is 48, dus over maximaal 40 of 50 jaar heeft ook deze Bernhard gewoon een houten jas, net als z’n opa naar wie hij is vernoemd. Het creatief omgaan met de waarheid is in dezen trouwens duidelijk een erfenisje van opa. Het is natuurlijk gewoon ordinaire huisjesmelkerij en slecht te verantwoorden in een stad waar betaalbare woonruimte tegenwoordig bijna net zo schaars is als palmbomen op de Noordpool. Zijn graaigedrag zorgt ervoor dat woningen nog onbetaalbaarder worden dan ze al zijn, al zal de prins daar geen patatje minder om eten. Vraag dat maar aan de snackbarhoudster uit De Pijp die in het recente verleden na 23 jaar uit haar populaire zaak werd gezet door de prins en zijn vastgoedvrindjes omdat ze de ruime ‘dringend nodig hadden.’ Hij heeft niemand vermoord, maar een flinke vastgoedvoorraad onttrekken aan de toch al overspannen Amsterdamse huizenmarkt grenst aan criminaliteit. Lees verder

Rodweek #19 Risky Business

Of ik veel heb opgestoken tijdens mijn HBO-opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening? Ja, een paar duizend sigaretten. De opleiding stond in de jaren negentig nog in de kinderschoenen en toen ik na jaren eindelijk het papiertje in handen had wist ik van veel dingen een beetje maar over geen enkel onderdeel uit de opleiding kan ik echt veel vertellen. Het was een waardeloze fröbelopleiding. Waar ik me in die jaren wel in specialiseerde was het edele RISK-spel. Mijn vrienden, die op dezelfde fröbelschool zaten, en ik vochten verhitte met bier overgoten veldslagen uit die letterlijk dagen konden duren. Na urenlang dobbelen, drinken, roken, beledigingen, zuigende opmerkingen, verwensingen en een muurvaste patstelling lieten we het bord staan en gingen dan de volgende dag door. Even de tot de rand gevulde asbak legen en nieuw bier halen en we konden verder waar we daags ervoor waren gebleven. De vrienden uit die tijd zijn nog steeds mijn gabbers, maar zoals dat gaat: iedereen wappert uit. Kinderen, trouwen en Amsterdam verlaten. Allemaal zaken die ik mijn vrienden van harte gun, maar die ik simpelweg nooit heb geambieerd en zo ben ik de enige van de oude club die nog altijd zijn vertrouwde leven in de stad leid. Lees verder

Rodweek #18 De Laatste der Smokeykanen

Afgelopen zaterdag was in Boekhandel Scheltema de signeersessie van de biografie van Stefan Pettersson, de sympathieke Zweedse spits van Ajax tussen 1988 en 1994. Ik ben niet gegaan. Ik was vorig jaar bij de signeersessie van Jari Litmanen in diezelfde boekhandel. Na uren wachten hadden wij onze gesigneerde boeken in handen. De handtekening van Jari bleek verreweg de meest enerverende passage van het boek. Voor de rest was het een zaaddodend saai boek. Bio’s van voetballers zijn meestal zaaddodend saai, een enkele uitzondering daargelaten. ‘Say oeh ah Pettersson’ is een aimabel mens en absoluut een jeugdidool van mij, maar ik verwacht geen spraakmakend verhaal dat van de pagina’s spat, zoals de bio van zijn wat expressievere landgenoot Zlatan, dus  ik liet deze maar eens aan me voorbijgaan.

Ik heb sinds kort wel iets gemeen met Pettersson wat maar weinig mensen gemeen met hem hebben: wij hebben allebei ons sleutelbeen gebroken bij een wedstrijd van Ajax. De setting was alleen verschillend. Hij brak zijn sleutelbeen in 1992 in een heroïsch duel tijdens de UEFA-cupfinale van Ajax in een kolkend Olympisch Stadion en ik kletterde vijfentwintig jaar later als het debiele broertje van Hendrik Jan de Stuntman over een hekje in het Volendam-stadion na een onbeduidend bekerpotje.    Lees verder

Rodweek #15 Varkens

Soms merk ik dat ik oud word. Ik houd al die nieuwe trends niet meer bij. Zo schijnt er tegenwoordig een spelletje onder jongeheren te zijn dat ‘to pull a pig’ heet. De regels zijn simpel: de jongeheer versiert een (in hun ogen) niet al te knap, liefst beetje dikkige jongedame. Op het moment dat de dame verliefd dreigt te raken trekt de jongeheer de varkenskaart: ‘Haha, you’re pigged!’ Om vervolgens de dame in kwestie met een gebroken hart en een forse deuk in haar ego achter te laten. Ik had nog nooit van dit rare spelletje gehoord tot afgelopen week een Nederlandse jongeheer uit Doetinchem er de wereldpers mee haalde. Engels meisje versierd in Barcelona. Vervolgens het dolverliefde meisje laten overkomen naar Amsterdam en haar daar eenmaal aangekomen vervolgens een berichtje sturen dat ze ‘pigged’ is en dat alles maar een grapje was. Het meisje keerde vernederd en met als souvenir een koffer vol hart- en egoscherven weer terug naar Engeland. Lees verder

Rodweek #13 Verheffend nieuws in Turkije

Toen ik een jaar of veertien was vroeg mijn vader mij of ik een verlanglijstje voor Sinterklaas wilde maken. Onder de door mij felbegeerde gettoblaster schreef ik ‘Playboy scheurkalender’. Ik had al met een aantal meisjes gezoend, had ook al met wat ontluikende puberborstjes gespeeld en reeds voorzichtig de zuidelijke streek verkend, maar veel verder was het allemaal nog niet gegaan. Desalniettemin was mijn fascinatie voor vrouwen en vooral het vrouwelijke lichaam toen al volop aangewakkerd. Mijn ouweheer gaf mij de gettoblaster voor Sinterklaas en daar was ik enorm blij mee. Maar ik kreeg ook de kalender! En daar was ik minstens zo blij mee! Elke dag scheurde ik trouw de blaadjes af en de mooiste bewaarde ik. Hugh Hefner leerde mij via Playboy kennis maken met de schoonheid van het vrouwelijk lichaam. En was sowieso belangrijk als voorvechter van de seksuele revolutie in de preutse wereld van de jaren vijftig en zestig. Maar ‘The Hef’ is dus niet meer. Zelfs hij kan dus dood. De man is godbetert eenennegentig geworden en aldus bepaald niet in de wieg gesmoord, maar toch verraste het nieuws me. Sommige mensen kunnen nou eenmaal niet dood, denk ik soms, maar elke keer blijkt toch dat ik me daar lelijk in vergis. Toch heeft ie wellicht ook na z’n dood nog mazzel hoor, die ouwe Hef. Stel nou dat ik weer eens ongelijk heb en dat er toch een hemel bestaat, dan wordt hij opgewacht door zijn muze en tevens de eerste dame die op de cover van Playboy stond: Marilyn Monroe. Dat kan een stuk slechter. Lees verder