Rodweek 70 Soepzooitje

Het is nog maar een week geleden dat de wereld in Nederland compleet veranderde. Ik kwam vorige week zondag rond 17.30 op het werk aan, want ik moest om 18.00 beginnen en wilde nog even wat eten. Ik had mijn jas nog niet uit of mijn werkgeefster hing al aan de lijn dat ons café door de Coronapleuris om 18.00 van overheidswege dicht moest. Ik had nog geen eerste ronde gedaan of ik kon gelijk al de laatste ronde aankondigen.

Een week geleden dus, maar het voelt als een maand. Van uit mijn raam kijk ik uit op de Zuidertoren en ik heb de aflopen week meerdere malen gecheckt of die klok niet achteruit liep, zo langzaam gaat de tijd. Maar nee. De klok loopt zoals ie elke dag loopt. Alleen, ik heb ineens, geheel onvrijwillig, veel minder te doen. Geen werk, de kroegen zijn dicht, afspreken met mensen is lastig en ik woon alleen. Dan kruipt de tijd als een invalide slak. Goed, ik heb dan wel weer tijd om meer te schrijven, aan mijn boek te werken et cetera, maar op een mooie lentedag lekker op een terras zitten en een lekker broodje eten of zo of een vracht bier naar binnen slempen kan helaas niet voorlopig.

En waar tot vorige week als iemand drie keer achter elkaar nieste altijd het standaardgrapje ‘’Nou, morgen is het mooi weer!’’, volgde, duiken mensen nu zodra iemand al aanstalten maakt om te niezen al in blinde angst gelijk weg. En de enige tijd dat mensen veel te veel tegelijk in paniek kochten was als de kastelein de laatste ronde omriep. Nee, de wereld is in een week tijd compleet veranderd. In Amsterdam-Centrum kan er nu een terrorist met een geweer rondlopen, maar zo’n mafklapper heeft bijna niemand om op te schieten dezer dagen. Vorige week woonde ik nog in het drukste stuk van de stad, nu is het centrum zo bruisend als glas Spa Blauw en is het in Buitenveldert vermoedelijk spannender.

En hoe het qua geld gaat is voorlopig ook nog even afwachten, al had ik ergens nog wel een ouwe sok met geld liggen, maar die gaat ook een keer op. We gaan het zien. Ik ben iemand die zich altijd wel redelijk makkelijk aanpast aan de omstandigheden. Als ik geld heb gooi ik het er ook met dezelfde vaart weer uit. Dure boodschappen, etentjes, stedentrips, uitgebreide kroegsessies: het kan niet op, totdat de bank ineens ‘Ho!’ zegt. En als ik dan ineens weinig geld heb dan word ik er ineens heel creatief van en kan ik zomaar drie dagen met een tientje doen. Per saldo heb ik dus eigenlijk nooit geld over. Hoeveel of hoe weinig ik ook heb: het gaat allemaal schoon op, zoals een bouvier een schaaltje vla leeg likt. Nee, laat niemand zich ook maar enige illusies over mijn erfenis maken, als ik het hoekie om ga: er is niks over.

Uit die periodes van geldgebrek is ook mijn liefde voor soep ontstaan. Als ik vroeger geen geld had dan kocht ik voor een knakie groenten op de markt en dan maakte ik daar soep voor drie dagen van. Begon ooit simpel met tomatensoep en in de loop der jaren is het repertoire aan soepen uitgebreid naar kippensoep, groentensoep, tuinbonensoep, spinaziesoep, pompoensoep, pastinaaksoep, champignonsoep, knoflooksoep, zarzuela, uiensoep, vissoep, tom kai kai, sajur lodeh, gazpacho en zo kan ik nog wel even doorgaan met de lijst. Soep is lekker, soep is gezond, soep is makkelijk en soep is goedkoop. Nu kun je natuurlijk ook soep uit pak of blik kopen en daar heb ik als noodvoedsel of voor als ik lui ben ook altijd wel één of twee pakken van staan, maar niks verslaat een echte lekkere versgemaakte soep. De staafmixer kostte een tientje en het apparaat is na al die jaren nog steeds één van mijn beste en  meest rendabele aankopen ooit.

Hoe deze crisis gaat aflopen? Geen idee. Het land is een soepzooitje en laten we hopen dat dit gedoe snel voorbij gaat. Dus blijf lekker binnen, maak een lekkere pan soep en hopelijk tot gauw op een terras ergens.  

Rodweek 69 Pleepapyrrusoverwinning

Eenmaal in mijn leven heb ik huisarrest gehad van mijn ouders. Ik was een jaar of veertien, had iets gepikt uit een winkel, werd gepakt en mocht toen een week niet naar buiten. Een terechte straf. Wegens goed gedrag kreeg ik na drie dagen gratie en mocht ik toch weer naar buiten, maar die drie dagen voelden al als een eeuwigheid.

Het staat niet in verhouding tot wat er nu aan de hand is. Nu is het niet mijn eigen schuld dat ik in sociaal isolement zit. Het Corona-virus heeft ons allemaal in een ijzeren greep. Even boodschappen doen en dan weer vlug naar huis, het is nou eenmaal het lot dat ons allen nu treft. Hoewel ik een royale vrienden- en kennissenkring om mij heen heb kan ik met niemand afspreken en dat gaat nog wel een tijdje duren ook. Daarbij ben ik tegenwoordig single, dus gezellig met een leuke mevrouw afspreken zit er ook al niet in. Ik weet dus wel welke sites de komende weken mijn chickies zijn.

Het is allemaal kloten met de bok, maar het is niet anders. De geest is uit de Corona-fles. Normaliter zou ik met dit heerlijke lentezonnetje een lekker Corona-biertje op het terras niet te versmaden vinden, maar nee, ik zit thuis, zoals de meeste Nederlanders. Want de horeca is dicht.

De maatregelen zijn overigens allemaal volstrekt begrijpelijk en niet te bagatelliseren, maar ik tel de dagen tot dit huisarrest voorbij is. Mijn enige dagelijkse uitje is naar de supermarkt en daar kan ik mijn vrienden en kennissen die ik tegenkom geen hand of kus geven, hetgeen voor mij volstrekt tegennatuurlijk is. Ik ben van nature een ‘’aanrakerig’’ mens. Als ik mijn vrienden of vriendinnen tegenkom omhels ik graag, al is het maar kort. Even een kleine ‘hug’ en ik ben al blij. Maar het kan dus niet.

Zoals ook normaal boodschappen doen bijna ondoenlijk is. Het zijn surrealistische taferelen bij mij in de buurtsuper dezer dagen. Bij gebrek aan brood dacht ik dat het wellicht slim was om in plaats van brood of toast maar pannenkoekenmix te kopen, daar hadden mensen vast niet aan gedacht, dacht ik. Mis. Alles leeg. Pleepapier heb ik nog, maar dat vind ik in tegenstelling tot half Nederland, nog het minst belangrijk. In geval van hoge nood kuis ik mijn derrière ook gewoon met een fles water en was ik daarna goed mijn jatten. Ik ben een Indo, mijn voorouders deden niet anders. Het is trouwens ook veel hygiënischer om de oud-Indonesische Botol Cebok toe te passen. Je hol afvegen met papier is in feite niet afvegen, het is uitsmeren. De boel schoonmaken met water zorgt voor een veel schonere poeperd. Maar goed, als in West-Europa opgegroeide Belanda gebruik ik uit gewoonte normaliter dus pleepapier.

Het product waar dus een hysterische run op was in de eerste dagen van de grote uitbraak van het virus. Ik begreep daar dus geen ene reet van. Zou je niet beter zorgen voor voldoende eten en drinken? Je kunt toch geen soep of een roerbakschotel maken van een rol pleepapier, toch? Of iemand moet me dat recept een keer geven, want dan ben ik wel benieuwd. Hoezo loop je triomfantelijk naar huis met tachtig rollen schijtlint in je armen? Dat is geen pyrrusoverwinning maar een pleepapyrrusoverwinning. Totaal geschift en onnodig.

Maar we zijn dus waarschijnlijk voorlopig nog niet van deze ellendige situatie af. Volgens onze eminente Minister-President  Rutte gaat een groot deel van de Nederlanders slachtoffer worden van deze pandemie. Ik weet niet of het een waarschuwing, een dreigement of een belofte is, maar als het een belofte is dan is het de eerste belofte die hij nakomt aan het Nederlandse volk. Dat dan weer wel.

En voor alle Nederlanders die vluchtelingen, uit oorlogsgebieden, op de vlucht voor geweld, op zoek naar een betere toekomst, hebben versleten voor gelukszoekers: vergeet niet dat wij in een land wonen waar mensen in de supermarkt hebben gevochten om een pak pleepapier. Om je dood voor te schamen. Ze lijken wel aan het Lockdown-syndroom te lijden. Met die landgenoten veeg ik m’n reet af. Dan veeg ik na met pleepapier. En bij gebrek aan pleepapier ouderwets  Botol Cebok.

 

Rodweek 60 Brandende billen in Budapest

In 1994 kwam ik, als zeventienjarige, voor het eerst in Budapest. We mochten kiezen aan welk schoolreisje we deel wilden nemen: Londen, Parijs of Budapest. Opvallend: de wat saaiere leerlingen kozen Londen en Parijs, de boefjes kozen Budapest. Ik sloot me bij de laatste groep aan. Parijs en Londen lagen dichtbij. Daar konden we altijd nog heen, zo redeneerden wij. Budapest was Oost-Europa, mysterieus, beetje gek, de Muur was nog niet zo lang gevallen, en dus spannend! En wat hebben die knakkers daar al die tijd verborgen gehouden voor ons achter dat IJzeren Gordijn, zo vroegen wij ons af? Lees verder

Rodweek 52 Toen was gelul nog heel gewoon

Wat zijn we toch een uniek volkje. Er bestaan geen mensen op de wereld die discussies zo tot snot kunnen koken als Nederlanders. De spruitjes van je ouwe opoe zijn er niks bij. We lullen maar en we lullen maar en uiteindelijk zitten we muurvast tegenover elkaar met de hakken in het zand. Nederlanders, van welke afkomst ook, lijden chronisch aan ‘De Ziekte van  Ja maar’. Ik heb het buitenlandse vrienden weleens geprobeerd uit te leggen hoe Nederlanders discussiëren: het duurt en het duurt maar en het duurt bijkans eeuwig voor er iemand oplossingsgericht denkt, want we willen allemaal ons gelijk doordrukken.  De zinnen in een Nederlandse discussie beginnen (en gaan oneindig door) dus vaak met de woorden ”Ja maar…”

En dus zijn we de eerstkomende jaren nog niet verlost van de Zwarte Pieten-discussie. Wie mij een beetje kent weet aan welke kant ik sta: Zwarte Piet, ouwe rups, je hebt je langste tijd gehad. Tradities en cultuur zijn nooit voor eeuwig en altijd aan verandering onderhevig. Dat heet beschaving. Als alle tradities voor eeuwig zouden zijn zouden we hier nog steeds aan palingtrekken, hanengevechten en katknuppelen doen, zou slavernij nog bon ton zijn en zouden kinderen op school nog steeds met een liniaal op hun vingers worden geslagen. En over al die verschillende dingen hebben we op een bepaald moment in de geschiedenis ook besloten dat ze toch niet meer zo van deze tijd zijn. En die weg gaat Zwarte Piet ook bewandelen. We leven niet meer in het naar die tot snot gekookte spruitjes van je opoe geurende roomblanke Nederland van de jaren vijftig. De samenstelling van de bevolking is nogal veranderd sinds die tijd en niet iedereen voelt zich nog prettig bij de negerkarikatuur die de Piet al enkele decennia is. Lees verder

Rodweek 51 Rodzooi’s Rapsodie

Op 24 november 1991 lag ik ziek in bed. Een griepje. Rillend lag ik naar ‘’MTV news’’ te kijken, het was in de tijd dat het op MTV nog voornamelijk over muziek ging. En daar kwam het nieuws  dat mijn griepje even in een ander perspectief plaatste: Freddie Mercury was dood. Die had een wat heftiger griepje onder de leden. Als ik het ontstaan van mijn muzieksmaak een geboortedatum mag geven dan zeg ik 13 juli 1985, de dag van het legendarische Live Aid-concert op Wembley. Ik wist niet wat ik zag. Ik was acht jaar en vooral volkomen gegrepen door het optreden van Queen in het algemeen en het charisma van Freddie Mercury in het bijzonder. Hij was mijn eerste muziekidool. Mijn muzieksmaak kreeg later nog ontelbare, niet allemaal levensvatbare vertakkingen, maar Queen is zonder meer mijn eerste muziekliefde. Ik heb er nog altijd een zwak voor.

Dat zwak voor Queen heeft niet iedereen. Mijn goede vriend Remi bijvoorbeeld. Ik heb jarenlang popquizzen met hem gemaakt. Met veel muziek zaten we op één lijn, maar een Queen-fragment kreeg ik er in al die jaren echt nooit doorheen gedrukt. Remi is een notoire Queen-hater en weigerde halsstarrig om ook maar iets van Queen in onze quizzen te stoppen.  Onbegrijpelijk maar waar. Lees verder

Rodweek 49 Snollentosti

Op de één of andere manier kom ik haar heel vaak tegen tijdens mijn postrondes. Het maakt niet uit op welk tijdstip ik aan mijn wandeling begin. Of ze roept naar me vanaf een terras waar ze koffie zit te drinken en sigaretjes aan het roken is of ze hangt ineens uit het raam in haar woning in de Egelantiersbuurt: ‘’Hey ouwe sodemieter. Ben je er weer? Lekker aan de wandel vandaag? Heb je nog post voor me, lieverd?’’ Dat is zo’n beetje haar standaardbegroeting naar mij. Ik schat haar op een lente of zeventig. Ze heeft een doorleefde kop en een stem die minstens vijf decennia twee pakjes sigaretten per dag roken verraadt. Toch heeft ze een gezonde kleur op haar gezicht. Een goeie teint. Ze is vaak buiten. Dat is altijd goed voor een mens.

Ik heb,  behalve van haar achternaam, want die staat op haar post, geen idee wat haar voornaam is. Ik denk Ria of Rietje. Alle oudere Jordanese vrouwen die ik ken heten om onverklaarbare redenen altijd Ria of Rietje. Dus laat ik haar voor het gemak maar Rietje noemen. Rietje heeft, met die doorgerookte stem van haar, zo’n zangerig Jordanees accent dat zo plat is als een Mokumse patatduif die zes keer een heipaal op z’n treiter heeft gehad. Wie zegt dat er in de Jordaan geen plat Amsterdams meer gepraat wordt kent Rietje niet. Of is nooit bij slagerij Louman in de Goudsbloemstraat geweest, maar nu dwaal ik af. Rietje en ik maken altijd even een kort praatje. Dat gaat nooit over grote dingen. Gewoon, een klein praatje over het weer of zo.

En zo kwam ik haar afgelopen dinsdag weer tegen. ‘’Zo, ouwe sodemieter, je treft het maar weer met het zonnetje vandaag! Het blijft maar lekker!’’, riep ze mij vanaf een terras op de Prinsengracht toe.
‘’Het is heerlijk, en dat half oktober, maar wordt ook weer een keer november en december, dus ik geniet er nog maar van zolang het duurt. ’’
‘’God, jongen, je hebt gelijk. Hou op met me. Ik haat die kutherfst en ook die vreselijke winter. Die kou. Gadverdamme! Doe mij maar lekker in het zonnetje, veel beter! ’’
‘’Wat u zegt. Doe mij maar de zon. U heeft ook een gezond kleurtje.’’
‘’Ja, jongen, ik pak elke zonnestraal die ik ken pakken. Als er één streep zon in die stad is loop ik er in, maar volgende maand moet ik toch maar weer eens naar die snollentosti in de Nieuwe Leliestraat , ik wil dat kleurtje wel een beetje vasthouden.’’

Snollentosti. Ze zei het gewoon. Ik vind het één van de leukste Amsterdamse woorden die ik ken. Voor wie het woord niet kent: snollentosti is een fijn plat Amsterdams synoniem voor zonnebank. Ik ken het woord al jaren, maar ik hoor het nooit bijna nooit iemand gebruiken. En daar, op de Prinsengracht, terwijl de Oude Wester op ons neerkeek, bezigde een gezellige oude Jordanese mevrouw van zeventig dat prachtwoord.  Mijn hart maakte een vreugdesprongetje. We babbelden nog wat, we lachten nog wat en even later liep ik weer vrolijk verder. Op zonnige dagen als deze is er geen fijner werk denkbaar als postbode zijn in de Jordaan. Maar op een waterkoude regenachtige novemberdag vervloek ik deze beroepskeuze nog wel eens, zo’n opportunistisch stuk vreten ben ik dan ook wel weer.

Maar zover is het nog niet. Ik verleng de zomer gewoon nog even. Deze zomer, die toch al een klein half jaar duurt, heeft me eigenlijk nog niet lang genoeg geduurd. Daarom ga ik maandag lekker een paar dagen naar Sevilla. Daar is het nog een uitermate sfeerverhogende 28 graden. Nog even een lekkere kleur oplopen voor het weer november wordt. Daar heb ik de snollentosti niet voor nodig.

Rodweek 47 Soms moet je hard zijn.

Eigenlijk had ik gistermiddag tijdens een lange wandeling een column bedacht waarin ik de VVD en hun leider, de man die onze premier acteert, helemaal zou fileren. Ik zou dan beginnen met de twee helden van Mark Rutte te noemen: Clown Bassie en volkszanger John de Bever. Boven het eenpersoons bedje van Rutte hangt namelijk groot de lijfspreuk van Bassie: ‘’Wat er ook gebeurt, altijd blijven lachen!’’ en die spreuk gaat de hele dag als een mantra door zijn hoofd. En onze Mark speelt elke ochtend bij het opstaan de piratenhit van John de Bever ‘’Jij krijgt die lach niet van mijn gezicht!’’

Zodoende is het verklaarbaar dat onze premier vrijdagavond zo vrolijk met zijn VVD-vrindjes op het strand van Scheveningen stond bij het concert van Anouk. Lachend op een Twitter-selfie van die olijke CDA-snaak met z’n krokodillenleren schoenen, die mediageile Hugo de Jonge. Terwijl de rechtervleugel het daar dus uitstekelbaars naar de zin had en genoot van elkaars warmte werd een kleine 50 kilometer verderop door de Rechtbank in Amsterdam ijskoud besloten dat het leven van twee Armeense kinderen die getogen zijn in Nederland voorgoed verkloot zou worden. Weg met jullie, rot maar op naar je eigen land, stomme kutkoters. We moeten jullie niet. Dat was vrij vertaald de kille boodschap aan de kinderen.  ‘Want soms moet je hard zijn’, aldus onze premier vlak voordat hij weer lachend naar het strand ging. Buitenlandse criminelen, teruggekeerde Jihad-strijders en misdragende asielzoekers laten we lekker hier blijven en twee getogen Hollandse kindertjes die het hartstikke leuk doen in onze samenleving die gooien we de grens over, want die zijn vervelend. En waarom moeten die asielprocedures zo idioot lang duren? Kan iemand mij van al die dingen de logica uitleggen? Want ik snap het niet zo goed.   Lees verder

Rodweek 42 Toeval bestaat wel

Onlangs zag ik Anton lopen, hierachter op de Kloveniersburgwal. Anton is een oude man, ofschoon ik zomaar denk dat hij niet zo oud is als dat hij er uitziet. Zolang als ik hem tegenkom, dik twintig jaar, ziet hij er al heel oud uit. Ik kwam hem tot vorig jaar wat vaker tegen, want Anton kwam, en komt waarschijnlijk nog steeds, altijd wel twee of drie keer per week in de Melkweg waar ik toen nog werkte. En ik zag hem vaak door de stad lopen. Tas kranten onder de arm. Toen ik van 2001 tot 2004 op de Universiteit van Amsterdam én in de Melkweg werkte zag ik hem heel vaak. In de ochtend zag ik hem door de binnenstad fietsen, tijdens onze lunch zat hij, net als wij, ook in de Mensa te eten, terwijl hij zich door zijn stapel kranten worstelde en in de avond zag ik hem dan weer in de Melkweg of in één van de kroegen in de buurt. Ik was nooit zo verbaasd als wij elkaar vaak op drie of meer verschillende  plekken in de stad op dezelfde dag tegenkwamen. Dat ging gewoon zo. Lees verder

Rodweek #20 Pensioenvoorziening

Goede smaak is niet te koop. Hoe rijk je ook bent. Dat denk ik altijd als ik een foto van Prins Berhard Jr. zie, en die zie je de laatste tijd nogal eens voorbijkomen. Behalve een wanstaltige smaak in monsterlijk lelijke brillen heeft Prins Bernhard jr. ook 590 panden in bezit, waarvan 349 in Amsterdam. Een ‘pensioensvoorziening’, zo noemde dit lid van de Koninklijke familie deze investering. Welnu, deze hoogheid is met een gouden lepel in zijn bakkes geboren in een familie van ‘oud geld’ en heeft het maatschappelijk ook niet slecht gedaan met zijn bedrijven, dus hoeveel pensioen denkt deze meneer nodig te hebben? Of verkeert de prins in de veronderstelling dat hij 468 wordt en dus nog een dikke vier eeuwen met zijn geld moet doen? Welnu, hij is 48, dus over maximaal 40 of 50 jaar heeft ook deze Bernhard gewoon een houten jas, net als z’n opa naar wie hij is vernoemd. Het creatief omgaan met de waarheid is in dezen trouwens duidelijk een erfenisje van opa. Het is natuurlijk gewoon ordinaire huisjesmelkerij en slecht te verantwoorden in een stad waar betaalbare woonruimte tegenwoordig bijna net zo schaars is als palmbomen op de Noordpool. Zijn graaigedrag zorgt ervoor dat woningen nog onbetaalbaarder worden dan ze al zijn, al zal de prins daar geen patatje minder om eten. Vraag dat maar aan de snackbarhoudster uit De Pijp die in het recente verleden na 23 jaar uit haar populaire zaak werd gezet door de prins en zijn vastgoedvrindjes omdat ze de ruime ‘dringend nodig hadden.’ Hij heeft niemand vermoord, maar een flinke vastgoedvoorraad onttrekken aan de toch al overspannen Amsterdamse huizenmarkt grenst aan criminaliteit. Lees verder

Rodweek #19 Risky Business

Of ik veel heb opgestoken tijdens mijn HBO-opleiding Sociaal Juridische Dienstverlening? Ja, een paar duizend sigaretten. De opleiding stond in de jaren negentig nog in de kinderschoenen en toen ik na jaren eindelijk het papiertje in handen had wist ik van veel dingen een beetje maar over geen enkel onderdeel uit de opleiding kan ik echt veel vertellen. Het was een waardeloze fröbelopleiding. Waar ik me in die jaren wel in specialiseerde was het edele RISK-spel. Mijn vrienden, die op dezelfde fröbelschool zaten, en ik vochten verhitte met bier overgoten veldslagen uit die letterlijk dagen konden duren. Na urenlang dobbelen, drinken, roken, beledigingen, zuigende opmerkingen, verwensingen en een muurvaste patstelling lieten we het bord staan en gingen dan de volgende dag door. Even de tot de rand gevulde asbak legen en nieuw bier halen en we konden verder waar we daags ervoor waren gebleven. De vrienden uit die tijd zijn nog steeds mijn gabbers, maar zoals dat gaat: iedereen wappert uit. Kinderen, trouwen en Amsterdam verlaten. Allemaal zaken die ik mijn vrienden van harte gun, maar die ik simpelweg nooit heb geambieerd en zo ben ik de enige van de oude club die nog altijd zijn vertrouwde leven in de stad leid. Lees verder