Rodweek 73 Henk Winters

Het is zo’n dag. Zo’n dag dat je wakker wordt en dat je hoort dat Amsterdam weer een stukje kleurlozer is geworden. Henk Winters is er tussenuit gepiept. Wie veel in de Kinkerbuurt kwam kon niet om zijn flamboyante persoonlijkheid heen. En met het woord ‘flamboyant’ doe ik hem eigenlijk nog tekort. Henk was zogezegd een ‘BK-er’, een Bekende Kinkerbuurter.

Ik leerde Henk kennen, volgens mij op het WK 1998. Ik werd door een vriend van mij namelijk meegenomen naar Stadion Winters, het kleinste stadion van Nederland waar Henk de directeur van was. Stadion Winters was namelijk gewoon de huiskamer van Henk, in zijn woninkje in Oud West, alleen dan helemaal vol gezet met tribunes en werkelijk in elke ruimte een overdaad aan TV’s. Of je nou even naar de keuken moest om een biertje te pakken of je moest pissen: ook in de keuken en op het toilet stonden TV’s, dus je hoefde geen seconde van de wedstrijd te missen. Als je een drankje wilde pakken gaf je daar een klein bedragje voor en dan had je een topavond. Stadion Winters was alleen open tijdens de grote toernooien waar Nederland aan meedeed. Ik ben er een paar keer geweest en dat waren altijd bijzondere avonden vol met paradijsvogels uit de buurt.

Later kwam ik Henk tegen toen ik in Café Bax werkte, bij hem in de straat. Henk hield van een stevige slok. Op een rustige dag een biertje of een wit wijntje, maar als Henk er echt zin in had ging ie aan de Corenwijn, zo’n heerlijke ouwelullenborrel. Hij kwam geregeld langs. Henk was al jaren ziek. Dat hij het nog zo lang heeft volgehouden maakt hem op zich al tot een medisch wonder, want hij slikte een apotheek aan medicijnen.

Maar dat weerhield hem er dus niet van om indrukwekkende hoeveelheden drank te consumeren. We hadden ooit eens Sinterklaasfeest voor het personeel in Café Bax. En ja hoor, daar kwam Sinterklaas, of zoals we hem noemden ‘Winterklaas’, binnen. Hij had voor ieder van ons een persoonlijk verhaaltje gemaakt en we moesten allemaal even bij de Sint op schoot. Zeker als het mannen betrof vond deze Sint dat wel sfeerverhogend, daar was de Sint ook bijzonder eerlijk in. Of de Sint wat wilde drinken? Nou, de Sint lustte wel een Corenwijntje. En daarna ook nog wel eentje en daarna ook nog wel en dat ging zo de hele avond door. Totdat Sinterklaas starnakel dronken als een hoerentoeter toch maar weer eens naar huis moest. Onze goedheiligman kon alleen niet meer zo goed lopen en dus hebben een collega en ik hem tussen ons in gehesen en naar zijn huis aan het einde van de straat gesleept. We werden vreemd aangekeken door mensen op straat die dit tafereel zagen. Wij: ‘’Wat kijk je nou, nog nooit twee mensen met een dronken Sinterklaas zien slepen?’’ En Winterklaas hing daar maar een beetje dronken giechelend tussen ons in. We deden best nog wel een tijdje over die 100 meter, want Winterklaas gaf niet echt mee. Het is misschien wel m’n meest hilarische herinnering aan Henk.

Niet lang geleden is Henk definitief opgegeven en gisteren heeft hij op zelfverkozen wijze het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld, las ik zojuist. Ik sprak hem niet veel meer de laatste paar jaar, maar als we elkaar zagen dan deden we altijd even een drankje. Of twee. Het was altijd gezellig met Henk. Z’n heerlijke pindasoep die hij maakte in buurthuis de Havelaar was legendarisch. Ik zal ‘m missen, maar de man heeft een prachtig excentriek leven gehad en nu was hij definitief op. Al moeten we niet denken dat we van die ouwe gek af zijn. Henk heeft zijn lichaam namelijk ter beschikking gesteld aan de tentoonstelling Bodyworlds. Daar vertelde hij een paar jaar geleden nog op zijn eigen onnavolgbare wijze over bij Matthijs van Nieuwkerk aan tafel bij DWDD. Henk wordt zo snel mogelijk naar Duitsland gebracht en daar wordt zijn lijf bewerkt met chemisch spul en sterk water en weet ik veel wat. Gelukkig heeft Henk altijd op sterk water gestaan, dus dat lijf is wel wat gewend. Henk, wie weet tot ziens bij Bodyworld op het Damrak. Zet ik een Corenwijntje bij je neer, mooie mafkees.

Rodweek 71 New York Nieges

Het is godverdomme ook weer precies mijn geluk. Al jaren droom ik van een reis naar New York en dit jaar zou het er dan van moeten komen. Dat kon namelijk prima. Vorig jaar juni bracht ik samen met Robbert Tilli het boek ‘En Johan zag dat het goed was’ uit en zowaar: het verkocht nog behoorlijk lekker ook. De uitgever betaalt de royalty’s één keer per jaar uit, in april. Dat betekende in ons geval dus dat we bijna een jaar moesten wachten op ons geld. Ik vond dat wel prima. Dan kon ik het geld tenminste niet opmaken aan allerlei onzin, want ik ken mezelf, zodra ik geld in mijn handen heb dan wappert het er net zo makkelijk weer uit, dus beter dat de poet even een jaar voor me bewaard werd. Maar zodra het geld dan binnen zou zijn kon ik mijn droomreis boeken.

Ik had de reis al helemaal gepland in mijn hoofd. Eerst twee dagen Reykjavik, gewoon omdat het kan en omdat ik nog nooit in IJsland ben geweest. Kan ik toch weer even een landje afvinken. Vanaf daar een dagje of tien naar ‘The Big Apple’ en vanaf daar nog even twee dagen aftoppen in Glasgow, waar ik ook nog wat verleden heb, en dan terug naar Amsterdam. Ik had de route al helemaal in mijn hoofd en ik had ook al goed betaalbare vluchten voor het gewenste traject gevonden.

En toen werd het dus 15 maart 2020 en brak de Corona-gekte definitief uit. Wereld op slot: daar ging mijn reis. Dus straks heb ik dus die zak met geld op mijn rekening, maar daar zal een gedeelte van opgaan aan het compenseren van de inkomsten die ik deze weken misloop, al word ik grotendeels wel doorbetaald, maar dat Corona-gelul kost iedereen natuurlijk sowieso geld.

Ooit scheet er, terwijl ik op de fiets zat, eens een duif op mijn porem, echt vol. De stront droop van m’n gezicht. Dat beest had de diarreekramp of zo of slechte shoarma op De Dam gegeten. En nu kakt er geen duif, maar de duivel onbarmhartig in mijn smoel. En ik weet ook wel: de Corona-crisis  gaat natuurlijk niet om het reisje van Rijsdijk en zijn er ontelbaar veel mensen die vele malen harder door deze ellende worden getroffen dan ik, maar toch voelde het even behoorlijk klote. Heb ik het geld eindelijk, kan ik er niet heen.  Gewoon even een baalmomentje. Al vertelde één van mijn vrienden dat NYC in het najaar veel lekkerder is en dat dan bovendien ook de World Series van het honkbal bezig zijn. Dus hopelijk dat ik tegen die tijd die kant op kan. Ik wil die stad zien, voelen, ruiken en proeven.

Want ja, wat heb ik met New York? Ik ben er dus nog nooit geweest. Maar het is een stad die mij al mijn hele leven fascineert. Op het gebied van muziek, films, series, straatkunst en sportcultuur ligt daar een waslijst aan dingen die mij mijn hele leven al hebben geïnspireerd in mijn culturele smaak. En ik wil de vibe van de stad voelen. Naar een honkbal of basketbalwedstrijd. Naar CBGB’s waar The Ramones hebben gespeeld. Naar legendarische Seinfeld-plekken (The Soupnazi!). Naar de bakermat van de hiphop. Waar speelde Grandmaster Flash, KRS-ONE en The Beastie Boys? Graffiti kijken. En nog veel meer. Ik ben een stadsjongen, gek op grote steden, op mierennesten waar altijd wat te doen is. Dol op een stad die nooit slaapt, zoals Frank Sinatra ooit over New York zong. Godskolere. Ik had er zo’n godvergeten zin in, dat je er plakken van kunt snijden.

Het mag dus voorlopig niet zo wezen. Voorlopig hangt de nieges om mijn New York-reis. Maar het komt goed. New York blijft nog wel even liggen waar het ligt. Die reis gaat er komen. New York was vroeger New Amsterdam. Staat ook nog steeds op het stadhuis. Maar ik blijf dan dus voorlopig lekker in mijn eigen Oud Amsterdam. En zodra we weer lekker zonder restricties naar buiten mogen is dat natuurlijk ook geen straf.

Rodweek 70 Soepzooitje

Het is nog maar een week geleden dat de wereld in Nederland compleet veranderde. Ik kwam vorige week zondag rond 17.30 op het werk aan, want ik moest om 18.00 beginnen en wilde nog even wat eten. Ik had mijn jas nog niet uit of mijn werkgeefster hing al aan de lijn dat ons café door de Coronapleuris om 18.00 van overheidswege dicht moest. Ik had nog geen eerste ronde gedaan of ik kon gelijk al de laatste ronde aankondigen.

Een week geleden dus, maar het voelt als een maand. Van uit mijn raam kijk ik uit op de Zuidertoren en ik heb de aflopen week meerdere malen gecheckt of die klok niet achteruit liep, zo langzaam gaat de tijd. Maar nee. De klok loopt zoals ie elke dag loopt. Alleen, ik heb ineens, geheel onvrijwillig, veel minder te doen. Geen werk, de kroegen zijn dicht, afspreken met mensen is lastig en ik woon alleen. Dan kruipt de tijd als een invalide slak. Goed, ik heb dan wel weer tijd om meer te schrijven, aan mijn boek te werken et cetera, maar op een mooie lentedag lekker op een terras zitten en een lekker broodje eten of zo of een vracht bier naar binnen slempen kan helaas niet voorlopig.

En waar tot vorige week als iemand drie keer achter elkaar nieste altijd het standaardgrapje ‘’Nou, morgen is het mooi weer!’’, volgde, duiken mensen nu zodra iemand al aanstalten maakt om te niezen al in blinde angst gelijk weg. En de enige tijd dat mensen veel te veel tegelijk in paniek kochten was als de kastelein de laatste ronde omriep. Nee, de wereld is in een week tijd compleet veranderd. In Amsterdam-Centrum kan er nu een terrorist met een geweer rondlopen, maar zo’n mafklapper heeft bijna niemand om op te schieten dezer dagen. Vorige week woonde ik nog in het drukste stuk van de stad, nu is het centrum zo bruisend als glas Spa Blauw en is het in Buitenveldert vermoedelijk spannender.

En hoe het qua geld gaat is voorlopig ook nog even afwachten, al had ik ergens nog wel een ouwe sok met geld liggen, maar die gaat ook een keer op. We gaan het zien. Ik ben iemand die zich altijd wel redelijk makkelijk aanpast aan de omstandigheden. Als ik geld heb gooi ik het er ook met dezelfde vaart weer uit. Dure boodschappen, etentjes, stedentrips, uitgebreide kroegsessies: het kan niet op, totdat de bank ineens ‘Ho!’ zegt. En als ik dan ineens weinig geld heb dan word ik er ineens heel creatief van en kan ik zomaar drie dagen met een tientje doen. Per saldo heb ik dus eigenlijk nooit geld over. Hoeveel of hoe weinig ik ook heb: het gaat allemaal schoon op, zoals een bouvier een schaaltje vla leeg likt. Nee, laat niemand zich ook maar enige illusies over mijn erfenis maken, als ik het hoekie om ga: er is niks over.

Uit die periodes van geldgebrek is ook mijn liefde voor soep ontstaan. Als ik vroeger geen geld had dan kocht ik voor een knakie groenten op de markt en dan maakte ik daar soep voor drie dagen van. Begon ooit simpel met tomatensoep en in de loop der jaren is het repertoire aan soepen uitgebreid naar kippensoep, groentensoep, tuinbonensoep, spinaziesoep, pompoensoep, pastinaaksoep, champignonsoep, knoflooksoep, zarzuela, uiensoep, vissoep, tom kai kai, sajur lodeh, gazpacho en zo kan ik nog wel even doorgaan met de lijst. Soep is lekker, soep is gezond, soep is makkelijk en soep is goedkoop. Nu kun je natuurlijk ook soep uit pak of blik kopen en daar heb ik als noodvoedsel of voor als ik lui ben ook altijd wel één of twee pakken van staan, maar niks verslaat een echte lekkere versgemaakte soep. De staafmixer kostte een tientje en het apparaat is na al die jaren nog steeds één van mijn beste en  meest rendabele aankopen ooit.

Hoe deze crisis gaat aflopen? Geen idee. Het land is een soepzooitje en laten we hopen dat dit gedoe snel voorbij gaat. Dus blijf lekker binnen, maak een lekkere pan soep en hopelijk tot gauw op een terras ergens.  

Rodweek 69 Pleepapyrrusoverwinning

Eenmaal in mijn leven heb ik huisarrest gehad van mijn ouders. Ik was een jaar of veertien, had iets gepikt uit een winkel, werd gepakt en mocht toen een week niet naar buiten. Een terechte straf. Wegens goed gedrag kreeg ik na drie dagen gratie en mocht ik toch weer naar buiten, maar die drie dagen voelden al als een eeuwigheid.

Het staat niet in verhouding tot wat er nu aan de hand is. Nu is het niet mijn eigen schuld dat ik in sociaal isolement zit. Het Corona-virus heeft ons allemaal in een ijzeren greep. Even boodschappen doen en dan weer vlug naar huis, het is nou eenmaal het lot dat ons allen nu treft. Hoewel ik een royale vrienden- en kennissenkring om mij heen heb kan ik met niemand afspreken en dat gaat nog wel een tijdje duren ook. Daarbij ben ik tegenwoordig single, dus gezellig met een leuke mevrouw afspreken zit er ook al niet in. Ik weet dus wel welke sites de komende weken mijn chickies zijn.

Het is allemaal kloten met de bok, maar het is niet anders. De geest is uit de Corona-fles. Normaliter zou ik met dit heerlijke lentezonnetje een lekker Corona-biertje op het terras niet te versmaden vinden, maar nee, ik zit thuis, zoals de meeste Nederlanders. Want de horeca is dicht.

De maatregelen zijn overigens allemaal volstrekt begrijpelijk en niet te bagatelliseren, maar ik tel de dagen tot dit huisarrest voorbij is. Mijn enige dagelijkse uitje is naar de supermarkt en daar kan ik mijn vrienden en kennissen die ik tegenkom geen hand of kus geven, hetgeen voor mij volstrekt tegennatuurlijk is. Ik ben van nature een ‘’aanrakerig’’ mens. Als ik mijn vrienden of vriendinnen tegenkom omhels ik graag, al is het maar kort. Even een kleine ‘hug’ en ik ben al blij. Maar het kan dus niet.

Zoals ook normaal boodschappen doen bijna ondoenlijk is. Het zijn surrealistische taferelen bij mij in de buurtsuper dezer dagen. Bij gebrek aan brood dacht ik dat het wellicht slim was om in plaats van brood of toast maar pannenkoekenmix te kopen, daar hadden mensen vast niet aan gedacht, dacht ik. Mis. Alles leeg. Pleepapier heb ik nog, maar dat vind ik in tegenstelling tot half Nederland, nog het minst belangrijk. In geval van hoge nood kuis ik mijn derrière ook gewoon met een fles water en was ik daarna goed mijn jatten. Ik ben een Indo, mijn voorouders deden niet anders. Het is trouwens ook veel hygiënischer om de oud-Indonesische Botol Cebok toe te passen. Je hol afvegen met papier is in feite niet afvegen, het is uitsmeren. De boel schoonmaken met water zorgt voor een veel schonere poeperd. Maar goed, als in West-Europa opgegroeide Belanda gebruik ik uit gewoonte normaliter dus pleepapier.

Het product waar dus een hysterische run op was in de eerste dagen van de grote uitbraak van het virus. Ik begreep daar dus geen ene reet van. Zou je niet beter zorgen voor voldoende eten en drinken? Je kunt toch geen soep of een roerbakschotel maken van een rol pleepapier, toch? Of iemand moet me dat recept een keer geven, want dan ben ik wel benieuwd. Hoezo loop je triomfantelijk naar huis met tachtig rollen schijtlint in je armen? Dat is geen pyrrusoverwinning maar een pleepapyrrusoverwinning. Totaal geschift en onnodig.

Maar we zijn dus waarschijnlijk voorlopig nog niet van deze ellendige situatie af. Volgens onze eminente Minister-President  Rutte gaat een groot deel van de Nederlanders slachtoffer worden van deze pandemie. Ik weet niet of het een waarschuwing, een dreigement of een belofte is, maar als het een belofte is dan is het de eerste belofte die hij nakomt aan het Nederlandse volk. Dat dan weer wel.

En voor alle Nederlanders die vluchtelingen, uit oorlogsgebieden, op de vlucht voor geweld, op zoek naar een betere toekomst, hebben versleten voor gelukszoekers: vergeet niet dat wij in een land wonen waar mensen in de supermarkt hebben gevochten om een pak pleepapier. Om je dood voor te schamen. Ze lijken wel aan het Lockdown-syndroom te lijden. Met die landgenoten veeg ik m’n reet af. Dan veeg ik na met pleepapier. En bij gebrek aan pleepapier ouderwets  Botol Cebok.

 

Rodweek 64 Het laatste grapje van Jules Deelder

Vorige week was ik met mijn gabber in Folkestone. Folkestone is een wat suffig Engels kustplaatsje vlakbij Dover. Daar ga je niet zomaar heen, maar de familie van mijn gap resideert daar tegenwoordig en aangezien ik zijn familie ook al wat jaren ken vanuit Amsterdam vonden ze het leuk als ik ook eens mee kwam met hun zoon om hun nieuwe woonplek te zien. Het was gezellig om ze weer eens te zien. Lekker eten, drankje erbij en een beetje door het stadje lopen. Er is niet gek veel te doen, om niet te zeggen: geen reet. Het leven is er zo bruisend als een glas Spa Blauw en dan denk ik dat het Spaatje Blauw nog meer bruist, maar dat mocht de pret niet drukken. Prima dagen gehad daar.

Maar goed, aan alles komt een einde en dus gingen we weer Dover-waarts om daar op de boot naar Calais te stappen en vanaf daar met de bus weer naar Amsterdam te gaan. Kost niet zo veel geld, maar je bent wel een tijdje onderweg. Hadden we ingecalculeerd. Dat tijdje werd nog wat langer. Vertraging in Dover. OK, kan gebeuren. Drankjes gekocht en genoeg te roken: wat kon ons gebeuren?

Eindelijk, we konden de boot op. Door Het Nauw van Calais. Eenmaal in de buurt van Calais riep de kapitein om dat het allemaal wat langer ging duren voor we de haven in mochten. De Fransozen waren namelijk weer bezig met hun favoriete nationale hobby: staken. En dus  mochten we nog even een paar uur ronddobberen voor de Franse kust. De taxfree shop besloot binnen een uur ook maar om het werk neer te leggen, maar wij zijn niet voor één gat te vangen dus we kochten nog snel maar wat flessen wijn om onszelf te verdoven.  Filmpie kijken op de laptop. Prima.

Na een paar uur dobberen op die boot voor de Franse kust mochten we dan eindelijk de haven in, maar toen moesten we nog een koleretijd wachten tot de bus mocht vertrekken. Het was midden in de nacht en ik wilde niets liever dan in m’n nest liggen. Lekker naast poes Eva.

Ik ben dol op reizen. Dol op andere landen en culturen zien. Anders eten. Nieuwe mensen ontmoeten. Het enige is alleen dat het kutte aan reizen, reizen is. Slapen zonder een bed onder mijn derrière is voor mij niet weggelegd. Het lukt me gewoon niet. Ik ben wel eens jaloers op een vriend van mij die op Schiphol in het vliegtuig stapt, zijn luiken sluit en 10 uur later in Brazilië wakker wordt. Ik krijg het niet voor elkaar.  

Maar uiteindelijk waren we dus op weg naar Amsterdam. Ik dommelde zowaar hier en daar een beetje weg. Nog twee tussenstops te gaan. Rotterdam en Den Haag. In Rotterdam moest onze buschauffeur verplicht een uur rust pakken in verband met de rijtijdenwet. Onze chauffeur was een ouwe Rus met een stem als een kraakpand en die minstens drie pakjes Camel  per dag verried. De buschauffeur greep zijn verplichte pauze dan ook aan om veel te roken. Ik rookte een sigaretje met hem mee. Daarna ging ik weer naar binnen. Mijn gabber lag te pitten. Ik ging zitten. Klaarwakker, dus ik nam nog maar een wijntje. En toen gebeurde het.

Ik was af.

Onze buschauffeur had gezellig de radio aangezet. En dan ineens die melodie. ‘’Ta-da-da-da da-da-da-da-da-da.’’ Mijn hoofd zeeg in mijn gevouwen handen. Ik kreunde: ‘’Nooooooooo….’’ Mijn buurvrouw keek verschrikt. Fuck. Whammageddon verloren.  Last Christmas van Wham was op de radio. Als je die tussen 1 en 24 december waar dan ook hoort dan heb je Whammegeddon verloren. Gappie lag te ronken, dus die heeft ‘m niet gehoord. We waren dus in Rotterdam. Het was op de ochtend dat Jules Deelder in zijn door hem zo geliefde stad zijn laatste adem uitblies. Nou ben ik niet snel van de complottheorieën, maar misschien dat dit het laatste geintje van Deelder is geweest om zo’n pestpleuris-Amsterdammer te zieken en dat hij met zijn laatste krachten het liedje heeft aangevraagd. Gelukkig bleek ik, later toen ik thuis kwam, dat ik niet de enige was die af was gegaan. Dat scheelt dan weer. Gedeelder smart is halve smart.  

Rodweek 62 ALLES IS DE SCHULD VAN FEMKE!

De tram die te laat komt. Je pet die in de gracht waait. Het vluchtelingenprobleem. De snackbar in je straat die stinkt naar oud frituurvet. Die pestpleuristoeristen. Ajax verloren. Godverdomme, je favoriete toko dicht terwijl je zo’n zin had in die lekkere dagschotel. De kroeg ook dicht. Dat kan er ook nog wel bij. Je klotebaan. Je zeurende baas. Dat je net in de hondenstront hebt getrapt en dan ook nog in van die natte die zo lekker in je profiel blijft plakken. In Amsterdam heeft een deel van de bevolking voor al dit soort calamiteiten sinds een dik jaar een duidelijk aanwijsbare oorzaak gevonden. Bijzonder overzichtelijk, want dan hoef je ook niet meer verder te zoeken naar de bron van alle ellende. Die oorzaak luidt, heel simpel: ALLES IS DE SCHULD VAN FEMKE HALSEMA! DE LEIDSTER VAN DE GROENE KHMER IN DE STOPERA! PYONGYANG AAN DE AMSTEL! Lees verder

Pikhaar

Ja,ik ben schuldig. Ik heb het ook gedaan. Iedereen moet nou eenmaal geld verdienen en dus was ik vroeger ook zo’n  vervelend klierig mannetje die mensen altijd op de meest ongeschikte momenten belde. Het was half tot eind jaren negentig. Vanuit een groot glazen kantoorgebouw in het meest troosteloze gedeelte van Slotervaart/Overtoomse Veld colporteerden wij telefonisch proefabonnementen voor het Parool, het NRC, AD en de Volkskrant en deden we aan fondsenwerving voor onder andere Greenpeace.

Op mijn eerste dag, met mijn eerste klant, maakte ik mijzelf gelijk legendarisch. In het scherm verscheen de naam van een mijnheer Pikhaar. Niemand durfde die man te bellen omdat ze allemaal bang waren om in de lach te schieten. We waren toch allemaal nog een beetje giechelige pubertjes van negentien of twintig jaar. Je kon een naam doortikken naar een andere computer en zo verscheen Pikhaar bij mij in het scherm. ‘’Ik bel die Pikhaar wel!’’, zei ik stoer, zette mijn headset op en drukte op de belknop. Mijn nieuwe collega’s gingen om mij heen zitten. Kijken wat die nieuwe kan. De speaker stond aan.

Hij nam op! Shit, niet lachen, Rod, niet lachen! Lees verder

Rodweek 60 Brandende billen in Budapest

In 1994 kwam ik, als zeventienjarige, voor het eerst in Budapest. We mochten kiezen aan welk schoolreisje we deel wilden nemen: Londen, Parijs of Budapest. Opvallend: de wat saaiere leerlingen kozen Londen en Parijs, de boefjes kozen Budapest. Ik sloot me bij de laatste groep aan. Parijs en Londen lagen dichtbij. Daar konden we altijd nog heen, zo redeneerden wij. Budapest was Oost-Europa, mysterieus, beetje gek, de Muur was nog niet zo lang gevallen, en dus spannend! En wat hebben die knakkers daar al die tijd verborgen gehouden voor ons achter dat IJzeren Gordijn, zo vroegen wij ons af? Lees verder

Rodweek 59 Lieve Mona en Maria weet raad

Afgelopen week bleek ‘Lieve Mona’ het tijdelijke voor het eeuwige te hebben verwisseld en ik kreeg een flashback naar de jaren 80. Mijn moeder las diverse pulpblaadjes en ik bladerde die als kind ook wel eens door, nu ze er toch lagen. In deze tijd zou ik mijn tijd verdoen met veel te lang op social media blijven plakken, maar in die tijd las ik de tijdschriften die op dat moment voor handen waren. Zoals bijvoorbeeld de Story. Zo’n lekker dom roddelblaadje, waarin we het wel en wee van bekend Nederland konden volgen. RTL Boulevard, maar dan in tijdschriftvorm. Eén van de rubrieken in de Story was ‘Lieve Mona’. Mona, een vrouw van middelbare leeftijd, gaf haar moederlijke adviezen aan lezers die haar een brief stuurden over allerhande kwesties.

Weer wat later, in de jaren negentig, kwam ik op woensdagmiddagmiddag thuis uit school en een van de eerste dingen die ik dan altijd deed was kijken op teletekstpagina 371. Want dan stond de nieuwste ‘Maria weet raad’ op de pagina. Maria gaf pubers en adolescenten adviezen op seksueel gebied. De vragen waren soms redelijk en begrijpelijk, maar soms ook hilarisch. Vragen als: ‘’Ik heb mijn vriendje gepijpt en hij is in mijn mond klaargekomen. Ben ik nu zwanger?’’ Maria ging met elke vraag even respectvol om, hoe stom of naïef ze ook waren. We bespraken de vragen op donderdag vaak op het schoolplein. ‘’Heb je de nieuwe Maria al gelezen?’’ Dat was meestal het geval. Vrijwel iedereen klikte bij thuiskomst gelijk pagina 371 aan, zodat ze donderdag konden meepraten. Lees verder

Rodweek 55 Caca sur le trottoir dans Bois & Loimbre

Een veelgenoemde theorie waarom de Jordaan de Jordaan heet is dat de Franse Hugenoten die in de 18e eeuw naar Amsterdam waren gevlucht de buurt ‘’Jardins’’ noemden vanwege de vele tuinen die er toen in de buurt waren. Dat zou in de loop der jaren in mooi Amsterdams verbasterd zijn tot  ‘Jordaan’ en het kan een verklaring zijn waarom veel straten en grachten in de Jordaan naar bloemen en planten zijn vernoemd. Of het waar is, is een tweede, maar dat is dus één van de naamsverklaringen.

Dus wellicht begon toen het gesodemieter al dat onze volksbuurten een Franse naam krijgen. Want een kleine drie eeuwen later adverteert vastgoedpenoze Pinnacle, u weet wel, de melkkoe van onze toch al niet bepaald arm geboren volksuitbuiter Prins Bernhard jr. met zijn nieuwe project, een tot appartementen omgebouwd kantoorgebouw. Dat ligt aan de Haarlemmerweg, naast het Westerpark, grenzend aan de Admiraal de Ruyterweg, één van de ingangen van de wijk Bos en Lommer, of zoals onze Prins Poenschepper het noemt: Bois & Loimbre. Lees verder