Rodweek 85 Een kopje koffie voor mijnheer Rieu

We schrijven maart 2013. Ik werkte nog in de Melkweg en stond buiten op de brug even een sigaretje te roken en met portiers te ouwehoeren toen we ineens een nogal bekende jongeman met een flinke entourage aan zagen komen lopen. Het was Justin Bieber die toevallig in de stad was. Hij had niet opgetreden, maar was even aan de boemel in Amsterdam. Of hij ook naar binnen mocht met zijn entourage? Tuurlijk. Maar toen kwamen er ineens aanvullende eisen: hij moest op het podium zitten aan een tafel naast de DJ.

De portier, toch al geen fan van het werk van Bieber, keek zwaar geërgerd en ik probeerde mijn gezicht in de plooi te houden omdat ik op het punt stond om in lachen uit te barsten. Nee, prinsje Bieber kreeg geen voorkeursbehandeling. Hij mocht best naar binnen maar hij kreeg niet meer privileges dan andere gasten. Als hij aan een tafeltje wilde zitten mocht ie aan een tafeltje naast de WC zitten. Met een schoteltje er op. Kon de toiletjuf ook even met pauze.
De Bieber was zwaar ontstemd en beende op hoge poten weg. We zijn dan wel de Melkweg maar we geilen gewoon niet zo op sterrengedrag. Toen ik een paar uur later thuis kwam schreef ik er een grappig berichtje over op Facebook. Niks bijzonders. En daarna ging ik meteen slapen, want ik was moe. Toen ik de volgende ochtend wakker werd en mijn Facebook opende was de boel totaal ontploft. Honderden  mensen die het bericht grappig vonden of hadden gedeeld, berichten in mijn inbox van journalisten, E-online uit Los Angeles had mijn nummer gevonden en die belden me en RTL Boulevard belden vlak daarna. Alsof er iets wereldschokkends was gebeurd, terwijl het hele voorvalletje amper een minuut heeft geduurd. En zo zijn Justin Bieber en ik tot in de eeuwigheid aan elkaar verbonden. Google onze namen samen en er komt een lijst van artikelen over dat momentje.

Maar wat is dat toch dat mensen die een zekere bekendheid hebben verworven denken dat ze daar privileges uit kunnen halen. Die denken dat ze dingen gratis moeten krijgen of, en dat zijn de ergste, de bekende mensen die de ‘Weet je niet wie ik ben’-kaart trekken. Die had ik bij Ajax veel toen ik daar werkte. Ik werkte op de perstribune, dus veel journalisten, verslaggevers en bekende mediafiguren. De echte bekenden deden vaak niet zo moeilijk. Die lieten gewoon hun perskaart zien, zeiden netjes gedag en liepen door. De vervelende waren schoolkrantjournalistjes die voor het sufferdje uit Schubbekutteveen schreven of die twee keer op TV waren geweest en ineens dachten dat ze beroemdheden waren. Coryfeeën die de ‘weet je niet wie ik ben’- kaart speelden gaf ik altijd de John Cleese-behandeling, zoals ik het altijd noemde. Extreem zuigerig lang controleren, fouilleren en vragen stellen. Kijk maar eens naar ‘How to irritate people’ van John Cleese en dan snap je waarom die bekende mensen dat echt maar één keer bij mij flikten. De week daarna waren ze poeslief.  

En zo komen we bij het interview dat de Maastrichtse Maestro André Rieu laatst gaf. Ik heb hem in de jaren negentig vaak in het Olympisch Stadion en later ook in de Arena gezien bij Ajax. André speelde een moppie op z’n viool, Ajax won de Champions League, dus hij was een beetje onze talisman geworden. Alleen daarom heb ik best een zwak voor de man. André geeft ook jaarlijks concerten op het Vrijthof in zijn thuisstad Maastricht. Succesvol. En iedereen verdient er aan. De lokale horeca boert er goed van, maar mijnheer Rieu zelf uiteraard ook, wat ook logisch en terecht is als uitvoerende artiest.

En toen kreeg het gesprek ineens een rare twist. De journalist vroeg of hij dan nog wel voor z’n koffie moest betalen op het Vrijthof. Nou, raar genoeg wel, vond Rieu. Terwijl hij zoveel geld genereert krijgt ie niet eens een bakkie koffie cadeau. Het ziet er op papier waarschijnlijk lulliger uit dan hij het bedoelde. De grote mijnheer Rieu die niet eens een knakie voor een bakkie pleur wil betalen. Daar had ik als manager of media-adviseur toch ingegrepen.

‘’André, ouwe rups, dit is niet zo heel erg handig om te zeggen in een interview. Het ziet er nogal lullig en armoedig uit. Nu vindt iedereen je een verwaande krenterige polder-stradivarius. Jij verdient goed geld aan die Vrijthof-concerten, dat is ook precies de bedoeling. De lokale horeca profiteert mee. Dat betekent niet dat ze aan jou verplicht zijn om jou elke dag koffie, vlaai of wat dan ook gratis weg te geven. Leuk als ze het wel doen, maar BN-er-tjes die daar over klagen worden overgeslagen.  En als dat obertje van negentien de grote mijnheer Rieu niet herkent dan geef je gewoon die 2,50 en dan heb je het daar verder niet over. Nou, hup, en nu weer die viool laten janken, je poet verdienen en niet zeuren.’’

André, mocht je nog een media-adviseur nodig hebben, kom maar langs, hebben we het er even over. Pakken we een terrasje. Betaal ik de koffie wel.    

Rodweek 84 Geen Zweet

Het was februari dit jaar dat ik met vrienden in Madrid was om daar te genieten van zon, bier, wijn en tapas. Oh ja, en als hinderlijke onderbreking van al dat leuks moesten we nog naar Ajax, dat in een blaartrekkend slechte wedstrijd met 2-0 verloor van Getafe. Getafe is één van de vele voorstadjes van Madrid. Het leven is daar zo bruisend als een glas Spa Blauw in een buitenwijk van Lelystad, dus wij resideerden in een appartement in het centrum van Madrid.

Na de wedstrijd nog even een fijne terrassessie en de volgende ochtend werd ik niet wakker met mijn lieve poes Eva, maar met een kater die eigenlijk best wel een flinke tijger was. Terwijl mijn amigo’s al eieren met spek stonden te bakken om de tijgers te verdrijven mocht ik als eerste douchen. Na een lekkere douche ziet de wereld er vaak ook al weer een stuk beter uit na zo’n avond. Goeie straal, lekker zeepie, haartjes even in de conditioner, lekkere deo op en ik was weer helemaal het heertje.

Rick ging na mij douchen. Ineens een ijselijke kreet uit de badkamer. ‘’Tering, Rod! Echt waar? Axe Africa als deodorant? Wat de fok ouwe? Je bent toch geen twaalf meer? Ik moet hier nog douchen. De hele badkamer meurt naar die gore kutdeo van jou!’’  Joris liep ook de badkamer in en beaamde de woorden van Rick. ‘’Jezus, Rod, gatver, dit kan echt niet meer. Met je stinkende puberdeo. Je bent een min of meer volwassen man en dan gebruik je niet meer dit soort kinderspul. It smells like teen spirit.’’

Rick liet mij vervolgens zien wat hij gebruikte. Een klein roze tubetje, het lijkt op een tube kaboutertandpasta. Daar doe je een heel klein beetje van onder je oksels en daar doe je bijna een week mee. Zo’n kleine tube gaat minimaal 2 maanden mee.

Nou ben ik normaal nooit zo heel erg van dit soort hippe producten, maar onlangs gaf Rick mij een proeftube cadeau. En eerlijk waar: ik ben om. Fietsen, hard werken in de zon, seksen of waar je ook maar zweet van krijgt: je ruikt dagenlang niks. Ik had laatst even pauze op werk. Even uitblazen. Ik rook onder m’n oksel en ik werd betrapt door één van mijn vaste gasten. ‘’Wat de fok zit jij nou onder je zweetoksel te sniffen, ouwe?’’ Maar ik had dus helemaal geen zweetoksel, terwijl het bloedheet was en ik net een paar uur de poten onder m’n lijf vandaan had gelopen. En je ruikt dus vijf of zes dagen lang helemaal geen enkel spoor van zweet. Echt toverspul. Check Nuudcare.com. En nu denken jullie misschien: ‘’Oh ja, die Rijsdijk, die wannabee-influencer, die ouwe freeloader, probeert zeker een gratis tube van dat spul los te slijmen, een roestig stuivertje te verdienen of die heeft aandelen in de toko. Met z’n bek.’’, maar nee, niks van dat alles: ik ben serieus enthousiast over dit  spul. Waar rook is, is in dit geval geen vuur.

Dat was in 1999 wel anders in de Roxy. Of zoals we het nadat die hut was afgefikt noemden :‘’De Rookzie’’. Voor de milennialtjes en ander jong spul: de Roxy was in de jaren 90 één van de hotspots in het Amsterdamse uitgaansleven. Daar moest je gezien worden. Er was alleen één probleem aan de Roxy: het deurbeleid. Als de doorbitches vonden dat je er niet helemaal tussenpaste dan kwam je er gewoon niet in. En zo werd ik met mijn lange haren, vaak ongeschoren bakkes, vale spijkerbroek, gympies en Nirvana-shirtje altijd geweigerd. ‘’Jij komp er niet in, gup’’, kregen mijn vrienden en ik steevast te horen. Als ik überhaupt al te woord werd gestaan. En meer mensen kennen die ervaring. Na een aantal keer had ik daar dus geen zin meer in en ik had het opgegeven om ooit nog de Roxy binnen te komen. Dan maar niet tussen de happy few van Amsterdam staan.

Nico Dijkshoorn schreef er een mooie column over in het Parool, afgelopen week. Het is hem echt nooit gelukt om er binnen te komen. Maar mij dus wel! Eén keertje. Ik was in Paradiso geweest en ik kwam twee meiden tegen die ik kende. En dat waren bepaald geen weggooiers. Absoluut Champions Leaguetrofee-waardige meiden om te zien. Bloedjemooi.‘’Kom, Rod, ga met ons mee naar de Roxy!’’ En zeg dan maar eens nee als twee van die prijswinnaars je uitnodigen om mee op stap te gaan. Dat deed ik dus ook niet, maar ik vertelde de dames wel dat ik altijd werd geweigerd daar en dat we misschien ook ergens anders heen konden. ‘’Nee, wij willen naar de Roxy!’’ En ja hoor, we stonden daar voor die deur aan het Singel, ik aan elke arm lief lachend prinsessenspul  en ineens was mijn totale gebrek aan hipheid, mijn ongeschoren apensmoel  en het feit dat ik geen Roxypasje had geen enkel probleem meer. Zo werkte dat dus in die wereld. Twee lekkere wijven mee en je bent binnen. De oppervlakkigheid van sommige portiers had in die tijd echt de diepgang van een pierenbadje.

Maar goed, ik was dus binnengekomen in het heiligdom achter de Heilige Weg. En ik vond er geen reet aan. Ik vond de muziek niks en de mensen waren ook niet helemaal mijn publiek. Wat dat betreft hadden de portiers het wel goed gezien om mij daar steeds te weigeren. Het was mijn tent gewoon niet. Ik ben er voor die twee mooie meiden nog een uurtje of twee blijven hangen, want je wist maar nooit of daar nog wat leuks uit kon komen, maar toen ik doorkreeg dat dat ook niet ging lukken ging ik gewoon weer lekker naar mijn eigen mensen, in de Korsakoff. In de Roxy ben ik nooit meer geweest. Een jaar later fikte de tent dus af. Wat overigens geen wraakactie mijnerzijds was voor alle keren dat ik daar ben geweigerd.

Niet veel later ging ik zelf in het uitgaansleven werken, leerde ik veel nachtvlinders kennen in verschillende plekken en hoefde ik doorgaans niet meer te betalen om clubs en tenten binnen te komen. Als iets uitverkocht was had ik overal wel iemand rondlopen die wat voor me kon regelen.

Zoals één van mijn Paradiso-gappies altijd zei als ik daar heen wilde:

‘’Rod, regel ik voor je, komt goed! Geen zweet ouwe!’’    


Rodweek 83 Kontkapje

Eind jaren negentig woonde ik in de Staatsliedenbuurt en in de Van Limburg Stirumstraat had je toen Slagerij Pannekeet. Slagerij Pannekeet verkocht de allerlekkerste filet americain van Amsterdam en die kocht ik daar wekelijks. En ook de osseworst was er niet te versmaden. Wie de slagerij binnenkwam werd door mijnheer Pannekeet verwelkomd met een galmend en welgemeend ‘’GOEDEMIDDAAAAAAAAGGGGGGG!’’ Ik moest laatst nog aan ‘m denken toen ik ergens hele vieze filet americain had gekocht en met weemoed terugdacht aan Slagerij Pannekeet, die overigens al jaren niet meer bestaat. Het knusse slagerijtje is inmiddels opgeslorpt door de grijpgrage tentakels van Albert Heijn.

En in Albert Heijn was ik laatst. Al ben ik bijna elke dag in de Albert Heijn. Tijdens het wachten in de rij bij de kassa stond ik te ouwehoeren met mijn buurman. Mijn buurman is een mooie ouwe Amsterdammer die altijd goed is voor een paar geweldige quotes. Ineens trok er vanuit de rij mannen voor ons een giftige damp onze neus in. We roken het allebei tegelijk. Eén van de drie kerels voor ons had een hele gore scheet gelaten. Zo’n vieze zachte sluipmoordenaar die je niet hoort. Dat zijn meestal de ergste. Het aarsgas walmde naar achteren. De anderhalve meter werd ineens uitstekend gewaarborgd. Mijn buurman draaide zich naar mij toe: ‘’Tering Rod, die gozer heeft geen mondkapje, maar een kontkapje nodig!’’

En lachend liepen de buurman en ik weer richting onze huizen. Door de frisse lucht. Eenmaal thuis, nog een beetje nalachend over de leuke grap van de buurman, keek ik eens op internet en toen barstte ik alweer in lachen uit. Doutzen Kroes, het orakel uit Friesland blijkt in de strijd tegen het vermaledijde Coronavirus na urenlange studie ineens viroloog te zijn. Ze deed uitgebreid research naar de moleculaire verbinding tussen het eten van groenten en fruit die ons immuunsysteem verbetert en koppelde daar gelijk een complottheorietje aan. ‘’Want willen ze wel dat we gezond zijn?’’, zo schreef La Kroes op samenzweerderige toon aan haar 6,4 miljoen volgers. Waarbij ‘ze’ natuurlijk de media, de farmaceutische industrie en de regering zijn. Nou heb ik toevallig afgelopen weekend een heel dik boek over hartoperaties gelezen en binnen drie uur had ik het uit. Ik begreep het meteen, want ik ben een snelle leerling. Morgen doe ik mijn eerste operatie. Nee, beter van niet. Laten we ons in godsnaam bij onze eigen leest houden. Doutzen heeft weer andere kwaliteiten. In de familie Kroes worden overigens vaker aparte theorieën gedeeld want voedingsdeskundige zus Rens denkt dat een ei de menstruatie van een kip is.

En nu we het toch over vogels hebben: waarom zijn vogelnamen als Merel, Mees en Arend inmiddels volledig geaccepteerd als voornamen, maar Andescondor, Gierparelhoen of simpelweg Kip of Pauw niet?

Waarom wel Hinde maar niet Przewalskipaard of Dwergpony?

Waarom ken ik wel een Bloem, Madelief, meerdere dames die Roos heten en een Lotus maar geen Brandnetel, Tulp, Paardebloem, Klimopplant of Sanseveria? Sanseveria is overigens een coole naam nu ik het zo lees.

Waarom wel mag je een kind wel Jasmijn of Rozemarijn noemen, maar gaat de ambtenaar van de burgerlijke stand zeiken als je je nieuwe spruit naar het veel lekkerdere Knoflook wil vernoemen?

Waarom zal de ambtenaar van de burgerlijke stand zonder frons ‘Ceasar’ noteren maar bedenkelijk kijken bij ‘Napoleon Bonaparte?’

Waarom ken ik wel een India, maar niet iemand die Afghanistan heet?

Waarom mag je het een kind aandoen om ‘m Storm noemen terwijl je ‘m ook Orkaan kan noemen? Een orkaan is toch veel krachtiger? Als je ‘m dan toch een stomme naam geeft, doe het dan goed.

Je kunt een kind ook vernoemen naar de plek waar ie verwekt is. Ik ken een ”Paris”. Al ben ik het eens dat dat een stuk lekkerder bekt dan een naam als ”Opdetafel” of ”Tegenhetaanrecht”.

En waarom is Mercedes wel een voornaam maar Suzuki, Volvo, Fiat, Ferrari Testarossa of Ford Taunus niet?

Wat dat betreft kun je van die malle Emile Ratelband zeggen wat je wilt, maar die was z’n tijd toch ver vooruit. Die heeft twee van z’n kinderen Rolls en Royce genoemd. Het verbaast me overigens dat we de Mr Tjakka nog niet met een oplossing voor het Coronavirus hebben gehoord. Dat je over brandende houtkooltjes moet lopen, heel hard ‘’Tjakkaaaa!’’ moet roepen en dat je dan volledig immuun bent. Mij verbaast niks meer. 

En zo kan ik nog uren doorgaan, maar inmiddels heb ik trek in een broodje. Een lekker broodje filet americain. Helaas niet van mijn mijnheer Pannekeet, maar die smaak denk ik er dan maar bij. ‘’GOEDEMIDDAAAAAAAGGGGGG!’’

Rodweek 82 Vergisactivist

Elk jaar zijn er wel een paar: de vergistoeristen. De buitenlandse toeristen die op 30 april met hun Lonely Planet uit 2006 op Amsterdam Centraal aankomen om onze nationale feestdag mee te vieren en dan tot hun teleurstelling zien dat zij de enige gekkies zijn met een oranje hoedje en shirt. Vergissingen zijn menselijk. Het kan de beste gebeuren. Voordat het hele Coronagedoe losbarstte, je weet wel de tijd dat we nog onbeperkt naar kroegen, voetballen en concerten mochten gaan, wilde ik naar Ajax. Ik m’n Ajax-shirt aan, m’n sjaaltje en m’n toeter mee en oostwaarts! Kom ik op de Middenweg: staat Stadion de Meer er niet meer! Bleek Ajax al 24 jaar in een of andere UFO in de Bijlmer te spelen! Daar hadden ze mij als trouwe seizoenkaarthouder toch wel wat beter over kunnen informeren.

Want zo hebben we sinds gisteren een nieuw begrip: de vergisactivist.  Nu al het woord van het jaar. Dat zijn de leden van de groep ‘’Viruswaanzin’’: een groep mensen die denken dat Corona een grapje, een griepje of een complot van de overheid is. Of een combinatie van die drie. Voeg daar een snufje 5G-gekkies en wat labiele types aan toe, en badabing badaboem: daar hebben we de groep Viruswaanzin.

En daar stonden onze vrijheidsstrijders dan gisteren, te demonstreren tegen de media die ons verkeerd informeren over de Coronacrisis. Dit keer bij het hoofdkantoor van het AD in Rotterdam. Want ze pikken die verkeerde informatie niet langer! Alleen stonden de viruswaanzinnigen bij het verkeerde gebouw waar het AD al acht jaar niet meer resideert. Maar dat zal waarschijnlijk ook de schuld van de media zijn, want dat hadden ze ook niet kunnen weten. Overigens stond de frontman van deze mallies wel bij het goede gebouw, dus wellicht behoeft de communicatie op de Facebookpagina nog enige verbetering.

Ach ja, zo’n Coronatijd doet rare dingen met een mens. Zo stond er vorige week spontaan een kunstwerk op de Dam, een Legobeeld van André Hazes. Hartstikke leuk. Ik miste alleen iets aan het kunstwerk en aangezien ik toch om de hoek woon besloot ik om André van een blikje bier te voorzien. Even op de foto en ik werd nog even geïnterviewd door de Sloterdijk Pravda, helemaal leuk.  

Ik had gedacht dat het beeld of na één of twee dagen zou worden verwijderd door een overijverige en streberige BOA (‘’Want daar is geen vergunning voor gevraagd, meneertje!’’) of dat het beeld vernield zou worden door Playmobilactivisten. Het werd het tweede scenario. Alleen pas na zes dagen. We gaan vooruit in dit land. De vernieling was, want daar staan Playmobilianen om bekend, weinig Duplomatiek. De kop vakkundig van de romp gescheiden. Een IS-strijder had het niet beter gedaan. De grap die een vriend maakte, ‘’want zij onthoofdde mij’’ vond ik wel humor. En humor is iets waar we de vernielers van het Hazesbeeld vermoedelijk niet op kunnen betrappen. Maar ik kan me  vergissen.     

Rodweek 79 Jopie Klep


We schrijven het jaar 1988. Het jaar dat Nederland Europees kampioen voetbal werd, maar ook het jaar dat ik als elfjarige langzaam begon te transformeren van kind naar puber. Bij een schoolvriendje thuis leerde ik de albums van Joop Klepzeiker kennen, getekend en geschreven door Eric Schreurs. De stijl van tekenen, de humor, de platte en rauwe stijl: ik was er meteen verliefd op. Hier wilde ik alles van hebben.

Ik was dus elf en inmiddels was ik wel een beetje klaar met Lego spelen. Ik had in de loop der jaren een groot Lego-kasteel opgebouwd, maar deed ik al lang niks meer mee. Maar ik had inmiddels een neefje van een paar jaar jonger die dat kasteel graag wilde hebben. Vijfenzeventig piek wilde ik voor mijn koninkrijk. Dat was namelijk precies genoeg geld om de eerste zes albums van Klep te kopen. Die kostten namelijk 12,50 per stuk, dus vijfenzeventig was precies genoeg. Dat was best wel geld in die tijd. Mijn oom tikte dat geld netjes af en diezelfde middag zat ik al lachend, maar ook gefascineerd door mijn Klepzeikers te bladeren.

Alles in die strips sprak mij aan. Ik was opgegroeid met Suske en Wiske en de Donald Duck. Lekker braaf. En toen was daar ineens Joop Klepzeiker. De punk onder de stripboeken. Het Amsterdam van de jaren tachtig en negentig in al zijn humoristische, heftige, gore en platte facetten uitgebeeld.

Ik was elf en verliefd op de stijl en de humor van Eric Schreurs. Harde humor. Niets ontziend. De strips die hij eind jaren tachtig, begin jaren negentig maakte: hij zou er nu niet meer mee wegkomen, aangezien nogal wat mensen zich tegenwoordig snel beledigd voelen. Het grappige van dat ding is dat veel mensen tegenwoordig wel graag naar ‘Roast’-filmpjes kijken. Cabaretier staat op het podium en fileert iemand met de meest harde grappen. Ik houd daar dus wel van, maar in de jaren tachtig en negentig was de humor van Eric Schreurs en zijn zielsverwant Hein de Kort nog tamelijk controversieel.

Zo kocht ik begin jaren 90 de Joop Klepzeiker-schoolagenda. Enorme agenda’s op A4-formaat vol met allerlei ranzigheden en gorigheid waar je als pubertje nou eenmaal om moet lachen. Een klasgenootje wilde die agenda ook hebben, maar die greep  mis. De agenda’s waren inmiddels verboden op middelbare scholen. Zo gereformeerd was Nederland nog in die tijd. Al kon je overigens als veertienjarige wel zonder enige vraag de Playboy, de Penthouse, of in het ruigere segment, de Tuk, de Chick of de Candy kopen. Dat mocht dan weer wel. Misschien om dat het aftrekbaar was? En roken mocht je ook zonder dat iemand daar iets van zei. Maar de Klepzeiker-schoolgenda? Nee, dat mocht dan weer niet. Zo hypocriet als de pokken.

Maar goed, ik had die agenda’s elk jaar, vlak voordat ze weer eens verboden werden, en ik genoot van Schreurs. En van de bijdragen van Hein de Kort, Theo van Gogh en van de ranzige en bizarre foto’s van Erwin Olaf.

De Kleppie met alle humor, de bizarheden in zijn verhalen, de details in zijn tekeningen en alles wat er bij hoort: dat heeft absoluut invloed op mij gehad.

Schreurs was ook denk ik de eerste met een complottheorie-gekkie gedicht. Meer dan dertig jaar geleden, maar als er eens een alu-hoedje voorbij komt dan draag ik ‘m altijd graag voor:
‘’De wereld is plat
Zeker weten doe ik dat
Geen formules geen getallen
Ik heb een aambeeld op mijn globe laten vallen.’’

Eric Schreurs, dank voor je geweldige oeuvre en je humor. Ik zal je nooit vergeten. Want niet alleen de 11-jarige jongen die ik was maar ook de 43-jarige man die ik nu ben moeten nog steeds lachen om de ouwe Kleppies.

Ik ga zo dadelijk vis eten en moet nu meteen denken aan de twee ruziende visboeren in een van de strips: ‘’Je vis stinkt! En je wijf ook!’’  Of Klep die moet niezen en dan die verbijsterde dealer: ‘’Tering, je hep voor twee meijer prima spul weggeniest!’’  Of… Weet je, ik pak al die ouwe albums er gewoon weer even lekker bij vanavond. Vanavond geen Netflix maar Klepflix.

RIP Eric Schreurs, en bedankt voor al je inspiratie.  

   

Rodweek 78 Het Nieuwe Normaal

Gistermiddag belde ik weer eens met mijn oude vriend Bennie Jolink, de zanger van de Achterhoekse boerenrockband Normaal, want ik had een prangende vraag voor hem waar ik al een tijdje mee liep. De telefoon ging lang over en even was ik bang dat Bennie niet op zou nemen, maar net toen ik op wilde hangen nam het Achterhoekse icoon op. We begroetten elkaar hartelijk en na wat koetjes en kalfjes uitgewisseld te hebben kwam ik maar snel ter zake: ‘’Bennie, dat ‘Nieuwe Normaal’ waar je tegenwoordig zoveel over leest, wat vind jij daar nou van?  Bestaat dat nou?’’ Bennie beloofde mij om deze kwestie tot op de bodem uit te zoeken en mij, zodra hij meer wist, daarover terug te bellen. Maar hij moest nu ophangen want Vrouw Haverkamp stond voor de deur en als er één vrouw is waar Bennie oerend hard op gaat dan is zij het wel. En blij om weer eens met elkaar van gedachten gewisseld te hebben, verbraken wij de verbinding.

Het was een zonovergoten dag en ik had geen werkverplichtingen. Wat zou ik normaal gesproken nu doen op heerlijke dag als deze?  Ik zou even bij Jerry en z’n crew, bij Café Waterloo, een lekker broodje eten in het zonnetje. Korte broek aan, zonnebril op de knar en wellicht een klein glaasje wijn erbij om de mooie dag alvast te vieren. Daarna zou ik lekker doorlopen naar Oud West, ouwehoeren op de markt,  even gedag zeggen bij Café Bax, goede vrienden begroeten met een stevige hand of een omhelzing, goede vriendinnen met een kus. Ik zou even kijken bij mijn favoriete boekhandel Hoogstins om een praatje te maken, zelf een boek kopen en stiekem te kijken of ze het boek van Tilli en mij nog verkopen. Visje eten op de markt, nog even wat olijven scoren bij mijn favoriete olijvendealer en dan weer terug naar huis lopen.

Of toch nog even langs Soundgarden? Natuurlijk wil ik nog even langs Soundgarden. De zon schijnt en ik moet niks vandaag! Even een paar koude hetsekletsers drinken in het zonnetje met de jongens en meiden die ik al honderd jaar ken, dat moet ik! Daarna door naar huis, toch even gluren of er nog iemand in de Gouden Florijn zit en anders doorlopen. Boodschappen doen. Ik heb zin in paella, dus linksom of rechtsom, maar dan wordt er paella gemaakt. Na het eten bedenken of ik toch niet nog een klein afzakkertje lust bij Dennis in Café de Gaeper of op de Nieuwmarkt in ‘t Loosje of op de Zeedijk bij Nikkie Kroegtijger of bij het Zilt van ome Mike. Wel of niet doen? Het is wel gezellig natuurlijk. Nog effe eruit. Of misschien belt er wel iemand of ik zin heb om mee te doen aan een pubquiz. Of even kijken of er wat leuks in Melkweg of Paradiso speelt. Of misschien is gewoon lekker vroeg in bed liggen met een boek erbij ook wel een fijne optie. Poes Eva knorrend op schoot, telefoon uit en verdrinken in een mooi boek. Of in de Voetbal International. Net waar ik ‘en un momento dado’ zin in heb. De opties zijn legio.

Dat had, normaal gesproken, zomaar eens de invulling van mijn vrije dag kunnen zijn. Nou kunnen een aantal van die dingen nog steeds. De winkels zijn nog open. De markt ook. Maar het café is dicht en ik moet mijn vrienden en vriendinnen op anderhalve meter houden. En ook als de horeca volgende week wel weer beperkt opengaat moet die afstand er zijn. We moeten reserveren om naar de kroeg te mogen.

Ik snap geheel waarom die maatregelen er zijn, houd me er zoveel mogelijk aan en ‘better safe than sorry’ en zo, maar ‘normaal’ is het natuurlijk niet. Althans, niet voor mij en voor een hoop andere mensen ook niet. Aan een ‘anderhalvemeter-samenleving’ ga ik absoluut nooit wennen en ik wil ook helemaal niet wennen aan zoiets tegennatuurlijks. En dat we volgende week allemaal verkleed als een of andere halvegare Michael Jackson met een mondkapje op in het openbaar vervoer moeten  zitten terwijl de horeca dus wel weer opengaat: daar vind ik ook bijzonder weinig normaal aan. Dat hardwerkende ondernemers, poppodia, musea en weet ik veel wie nu massaal op financieel omkukelen staan: daar is niks normaal aan. Vroeger niet, nu niet en in de toekomst niet.

Daar ging de telefoon weer. Het was Bennie Jolink. Hij had mijn vraag aan Vrouw Haverkamp voorgelegd. Ze hadden het uitgebreid  besproken en een conclusie getrokken die Bennie mij nu ging vertellen:  ‘’Nee Rodney, dat Nieuwe Normaal waar jullie in het Westen allemaal over lullen: dat ‘Nieuwe Normaal bestaat helemaal niet, er is maar één Normaal! ’’

En opgelucht dat ik niet de enige ben die vindt dat ‘Het Nieuwe Normaal’ niet bestaat, verbrak ik, na ‘Het Orakel van Hummelo’ bedankt te hebben voor zijn wijze woorden, weer de verbinding.  

Rodweek 76 Next Goal Wins

Sinds het hele quarantainegedoe kijk ik veel films, series, docu’s en meer van die dingen waar ik normaal geen tijd voor heb of voor maak. En zo stuurde een vriend van mij de link van de prachtdocumentaire uit 2014 ‘Next Goal Wins’ door. Laatste doelpunt wint. Ouwe straatvoetbalregel. Als je door je moeder naar binnen werd geroepen voor het eten en al stond je  30-0 achter: dat maakte niet uit. Als je die laatste maar maakte, dan had je toch nog de titel van de dag gewonnen. Laatste goal wint. Was een erecode.

En over 30-0 gesproken: het kan dus erger. Next Goal Wins vertelt het verhaal over de nationale ploeg van Amerikaans Samoa. Ze weten amper of er lucht of zand in een bal zit. Hun blikvanger: de transgender in de verdediging, volgens mij de enige officiële transgender die ooit in een kwalificatietoernooi heeft gespeeld. Maar ze mogen dus meedoen aan een WK-kwalificatietoernooi en daar begint het verhaal van de docu: ze verliezen hun eerste wedstrijd met 31-0 van Australie. De grootste nederlaag dat een team ooit in een officiële kwalificatiewedstrijd heeft geleden. En de wedstrijden daarna gaven ook niet heel veel zicht op verbetering. Ze kunnen er echt geen hol van.

Nou ken ik op verschillende amateurniveaus in Nederland jongens die in vriendenteams voetballen en ze zouden uiteraard allemaal verliezen van Australie, maar zeker niet met meer dan 10-0 of 15-0. Zelfs de slechtste teams die ik ken zouden niet met 31-0 de pottenbak ingaan. 31 goals tegen: binnen elke 3 minuten eentje tegen. Dat is bijna kunst. En keeper: was er echt geen eentje houdbaar?  31  tegen: geen kroegteam dat ik ken zou het zover laten komen, laat staan de wat beter geoefende amateurteams. Hoewel mijn laatste team waarin ik speelde redelijk dichtbij het niveau van de Samoanen zat.

We schrijven het seizoen 1997/1998. Wij waren Pancratius 4. Speelden net over de grens van Amsterdam. Een stuk of twee jongens konden aardig voetballen. De rest was brandhout, zoals ik bijvoorbeeld. Ondanks dat de meeste jongens al vanaf hun jeugd samen speelden waren ze nou niet echt op elkaar ingespeeld. Onze eerste wedstrijd, thuis, kregen we gelijk met 1-13 op onze sodemieter.  Dat kan een keer gebeuren, dacht ik nog in mijn onschuld. Misschien hadden we wel gelijk de sterkste van de competitie getroffen. Maar nee, dat was het niet. We konden niet beter dan dit.De wedstrijden daarna waren we doorgaans ook al blij als we het aantal tegengoals onder de 6  hielden. 4-0 verliezen was voor ons een overwinning. Net als de Samoanen konden wij er officieel geen ene klote van. We voetbalden in de periferie van Amsterdam, Amstelveen, Haarlem, de Haarlemmermeer en dorpen als De Kwakel, Kudelstaart, Aalsmeer en Uithoorn. Vaak op onmogelijke tijden als 8.30 of 9.30. En we hielden allemaal wel van een stappie doen in het weekend. Ook de avond voor de wedstrijd.

Wij waren het Amerikaans Samoa in de diepste kelder van de kelder van de Amsterdamse onderbond. Al hadden we ook bijzondere kwaliteiten: zo was ik bijvoorbeeld een unieke rechtsbuiten met twee linkervoeten. En onze spits was buiten het veld aanzienlijk doeltreffender dan op het veld. Ik heb in dat ene seizoen meer vriendinnen dan doelpunten van hem gezien. Veel meer. Onze meest dramatische nederlaag was uit bij Hoofddorp. Iedereen was de nacht voor de wedstrijd weer eens op stap geweest en er kwamen slechts  8 spelers opdagen. Net genoeg om te mogen beginnen. En van de 8 die er op het veld stonden was de helft ook nog starnakel dronken van de voorgaande nacht. Een paar jongens die op het veld stonden werden slechts een uur of vier eerder de kroeg op het Leidseplein uitgedweild, samen met het andere afval. We kwamen dan ook snel achter. 1-0. Maar tot onze grote verbazing kwamen we via een flitsende aanval terug op 1-1. Maar met 8 tegen 11 hielden we helaas niet lang stand. Bij de 7-1 na twintig minuten was het moreel wel zo’n beetje geknakt en gingen we kloten en flauwe geintjes uithalen. De teller stopte bij 26-2. Toen wij weer richting Amsterdam gingen om in onze eigen kantine nog wat bier te drinken en wij lachend binnen kwamen lopen kregen we genadeloos op onze flikker van de voorzitter. Het nieuws van onze blamage was ons reeds vooruit gesneld. We hadden de club belachelijk gemaakt. Dat bier konden we vergeten. Althans, niet in zijn kantine. Of we heel snel op wilden rotten. In de krant stonden in die tijd ook alle uitslagen. Ook die van kneuzenteams als de onze. De wedstrijdsecretaris had 6-2 doorgegeven. Zodat de club niet al te veel voor lul zou staan.

Het was ook het besef dat we iets boven ons niveau waren ingedeeld. Na de winterstop werden we heringedeeld en kwamen we zowaar tegen teams te spelen waar we redelijk gelijkwaardig aan waren. Sterker nog: we werden tweede! Dus dan kun je nagaan hoe slecht de teams onder ons waren. Maar er was iets gegroeid in die tweede competiehelft: het gevoel dat we best wel wat konden. Het plezier kwam ook weer terug. Van elke week 8-0 of meer verliezen groeit de spelvreugde niet echt. Maar nu speelden we tegen teams die er net zo weinig van konden als wij, dat is toch leuker. Die tweede plaats pakten we uit bij RKAVIC in Amstelveen. Ons publiek: een hond naast het doel die uitbundig aan zijn kloten zat te likken, een oud mannetje en mijn vriendinnetje. We speelden best goed, voor ons doen. Zelfs ik. Vlak voor tijd stond het 2-2. Onze spits liep alleen op de keeper af. De keeper stopte zijn inzet, maar wie stond er op de goede plek? Juist: de piemelepoges die dit stukje schrijft. Ik knalde de bal onberispelijk tegen de touwen en rende extatisch over het veld. Alsof we de Champions League hadden gewonnen. Mijn teamgenoten renden achter mij aan.  Die goal maakte dat we tweede werden. Ik ging op de schouders het veld af en ik kreeg daarna een kusje van mijn meisie. ‘’Rodney in Oranje!!’’ scandeerden mijn teamgenoten. Het was ook meteen mijn laatste wedstrijd. Veel mooier kon het toch niet meer worden. Bovendien kreeg  ik na dat seizoen een vast contract bij Ajax. Goed, weliswaar als suppoost, maar toch. Op de loonlijst bij Ajax staan terwijl je niet kunt voetballen: ik heb het geflikt. Alleen Ivan Gabrich deed het beter, want die kreeg nog een miljoenencontract ook. Ik was elke week al blij met mijn paar tientjes. Maar de laatste wedstrijd die ik speelde was dus fantastisch. Er was geen mooier moment om te stoppen. Ik kon er geen reet van, maar hey, de ouwe straatvoetbalregel:  next goal wins. Die heb ik altijd in ere gehouden.   

Hoe het met de boys en girl van Amerikaans Samoa afloopt? Dat moet je zelf maar lekker gaan bekijken. Hiero is de link, doe maar klik. Maar ik verklap je één ding: zelfs als je niks met voetbal hebt tovert deze docu een lach op je gezicht. Een welbestede anderhalf uur.  

Rodweek 75 Money Don’t Matter Tonight

We schrijven eind juli, 2011. Het was een raar weekend. Op vrijdag nam Amsterdam afscheid van de oude Kraaijkamp en later dat weekend vond een of andere psychopathische Noor het nodig om een aanslag te plegen en bijna tachtig mensen naar een andere wereld te knallen. De volgende dag las ik dat het Amy Winehouse was gelukt om zichzelf te vernietigen. Op zondag ging ik eten bij een vriend. Tot zo ver niks geks op die zondag tot ik rond 21.00 werd gebeld door de Melkweg. Of ik zin had om ’s nachts te werken bij een verrassingsconcert. Nog redelijk moe van een paar dagen hard en veel werken besloot ik om het niet te doen. Ik wist op dat moment ook nog niet om wat voor concert het ging en ik had me eerlijk gezegd ook meer verheugd op gewoon een gezellig avondje bier zuipen en muziekjes luisteren met mijn gabber.

Via een vriend van ons die ook in de Melkweg werkt hoorden we dat het zeer waarschijnlijk om Prince ging. Prince zou eigenlijk in Oslo staan, maar vanwege al het gedoe daar zocht hij een alternatieve locatie, zo ging het gerucht. We keken op Facebook en wat je dan krijgt is een soort sneeuwbal. Het gerucht ging. Het gerucht bleek waar te zijn. Iemand begon met het te posten. Het werd gedeeld, doorgegeven en in een zucht en een natte scheet stond er een volksstam op de Lijnbaansgracht te dringen voor kaartjes.  Al snel werd ik van verschillende kanten gebeld en ge-sms’t. Omdat een hoop dingen buiten de Melkweg omgingen qua organisatie had ik ook geen idee hoe alles liep. Feit was in elk geval dat de Melkweg die avond een streng bewaakt Fort Knox zou worden en dat medewerkers die niet aan het werk waren ook niet aanwezig mochten zijn. Tenzij we natuurlijk een kaartje zouden kopen om onze eigen toko in te mogen. Kaartjes a raison van 100 euro. Cash af te rekenen. Nee dank u.

Een vriend van mij belde op vanuit zijn woonplaats Haarlem. Of het echt waar was dat Prince zou spelen. Hij informeerde namens zijn vrouw, een devote Prince-fan, die alleen al door het gerucht compleet in alle staten was geraakt. Op de achtergrond hoorde ik zijn vrouw extatisch roepen: ‘IS HET ECHT WAAR?! IS HET ECHT WAAR?!’ En luttele seconden na mijn bevestiging is zijn vrouw letterlijk het huis uit gerend, waarbij ze even een klein moment vergat dat ze drie bloedjes van kinderen heeft.  Ze stoof met piepende banden naar Amsterdam. Om daar vervolgens overigens net mis te grijpen want inmiddels had zich een flinke menigte op de Lijnbaansgracht verzameld die allemaal zonder blikken of blozen dat meijertje aftikten om ‘The Minneapolis Midget’ te zien optreden. Financiële crisis? Niet op dat kleine stukje Lijnbaansgracht in Amsterdam. Een beetje handige zakkenroller had daar goede zaken kunnen doen. Ondertussen bleef ook de sms op mijn telefoon roodgloeiend staan met allemaal mensen die van alles wilden weten, maar die ik ook niet zo veel kon vertellen.

Die eerste avond liet ik dus aan me voorbijgaan, maar het gerucht ging al dat er nog een tweede show zou komen. Om de een of andere reden ging ik daar ook gewoon van uit, dus ik ging rustig slapen.

Eenmaal wakker de volgende dag en internet bekijkend bleek dat het definitief was dat ‘die kleine Oempa Loempa op hoge hakken’, zoals een makker van mij (geen liefhebber) hem omschreef, op de maandag nog een show zou geven. Ik kon dus in de herkansing, want die tweede avond wilde ik dan wel werken.

Om 22.30 kwam ik aan bij de Melkweg en de rij buiten reikte tot ver over het Leidseplein. De vriendin uit Haarlem die daags daarvoor nog alle stoplichten negerend, doch tevergeefs, naar Amsterdam was gecrost had zich dit keer goed voorbereid en stond ruim op tijd in de rij. De mensen waren allemaal blij en iedereen leek het Prince-nummer ‘Money don’t matter tonight’ als motto te hebben. Iedereen betaalde zonder morren die meijer. Contant. Money don’t matter tonight. Dat geld ging later letterlijk mee in een boodschappentas.

Het was iets na 0.30, ik stond even in de rookruimte, toen een ietwat corpulente man in een te krap en verwassen ‘Purple Rain Tour 1984’- t-shirt binnen kwam stormen. ‘Wat doen jullie hier nog?! Het gaat NU beginnen!’ De tien mensen die aan hun verslaving stonden te werken hadden geen haast. Die weten dat het vaak nog een tijdje duurt voordat het manneke zelf het podium beklimt en rustig rookte iedereen z’n sigaretje op en liep vervolgens richting de grote zaal. Mijn collegae waren een stuk jonger en vonden het prima als ik in de zaal ging kijken. Zij hadden niet veel met hem. Prince maakte indruk op me. Er stond een waanzinnig goeie muzikant die werkelijk niets aan het toeval had overgelaten. Een show waarin hij vrijwel al zijn hits afwisselde met lange funksessies en covers, het was dik drieënhalf uur topvermaak. De mensen kregen absoluut waar voor hun 100 euro.

Blij ging ik weer naar huis, deze kon ik toch maar weer mooi afvinken. Hoewel ik me later realiseerde hoe wrang het eigenlijk was dat we deze mooie avond te danken hadden aan een Noorse psychopaat.

Rodweek 74 Twee Zwaantjes

Toen ik vanmorgen boodschappen ging doen zag ik twee zwanen naast elkaar drijven. Op het stille water van de Zwanenburgwal. En dat ook nog eens op dag 22 van de quarantaine. Ik verveel me zo, dat ik dat gewoon wist. Ik vond de symboliek mooi. Kijk naar het getal 22, dat lijken net twee zwaantjes als je er naar kijkt. Ze dobberden in serene rust over het water, richting Amstel. Langs de Stopera. Waar onze lokale politici nu koortsachtig overleggen hoe het nu allemaal verder moet, dreven die twee zwanen in alle chillte voorbij. Welke crisis?

Toen ik 1 april wakker werd keek ik het nieuws. Een nanoseconde hoopte ik even dat deze hele crisis een hele slechte 1 april –grap was en dat onze minister-president met zijn kenmerkende glimlach zou zeggen: ‘’Beste landgenoten, dat hele virus was maar een grapje, haha! Vanaf vandaag gaan we gewoon weer gezellig door waar we gebleven waren, sluit de tap aan en gooi de bitterballen maar in het vet!’’ Even snel als de gedachte kwam was ie ook weer weg. Ik had onze MP de avond daarvoor immers, zonder die eeuwige glimlach op z’n porum, op TV gezien en hij had geen vrolijk nieuws: we hebben nog langer huisarrest. Het zou trouwens ook wel de slechtste 1 april –grap ooit zijn.

Als je vroeger huisarrest kreeg van je ouders dan mocht je een paar dagen niet buiten voetballen en geen TV kijken. Moeder Aarde is nog een paar gradaties strenger voor ons. Die pakt je werk, je geld, je sociale leven, je kroeg, je voetbalbezoek, je concertbezoek, je feestjes, je vakanties en je fysieke contacten af. En dan heb ik het niet alleen over fysieke contacten als in seks. Een simpele knuffel, handdruk, omhelzing of een kus op de wang: ik zou er nu al een kleine misdaad voor over hebben. En mijn koninkrijk voor een tongzoen, zou ik al bijna zeggen!  

Maar genoeg gejeremieerd over hoe kut alles nu is. Dat weten we nu allemaal wel. De situatie is nu eenmaal zoals die is. In alle eenzaamheid zijn we allemaal niet alleen. En nu moet ik er, net als iedereen, maar het beste van maken en mezelf een compleet ander levensritme aanmeten. Zo doe ik ineens dingen die ik al veel te lang niet heb gedaan. Zoals een boswandeling maken. Afgelopen week moest ik een voedselpakket dat ik online had aangeschaft, ophalen in Amstelveen. Net over de grens bij Buitenveldert. Naast het Amsterdamse Bos, of zoals hele fossiele Amsterdammers het nog noemen: Bosplan.  

Ik was verbijsterend op tijd. Normaliter ben ik iemand die geen horloge draagt, want ik heb de tijd. Dus ik heb nog even een wandeling door het bos gemaakt. Het was al een tijd geleden en dit keer hing er, niet zoals de laatste keer dat ik er was, zo’n gore blaffende en kwijlende rottweiler die tegen me aan liep te springen, met zo’n schijnheilig baasje die standaard ‘Hij doet niks hoor!’, zegt. Nee, niks van dat soort narigheid, Het Amsterdamse Bos was van mij, deze ochtend! Echt heerlijk. De boswandeling deed me goed en op de afgesproken tijd stond ik op de afgesproken plaats om mijn etenswaren op te halen.

Maar al wie er stonden: niet de mensen die mijn spullen hadden. Daar stond ik dan met mijn goede bedoelingen. Dacht ik eens een goede daad te doen. De boeren geld, ik lekker vers eten: iedereen blij. Niemand te vinden of te bereiken. Na een dik half uur besloot ik maar weer huiswaarts te keren en een vlammende mail naar ze te schrijven toen ik ineens twee andere dolende zielen ontwaarde. Ook zij waren op zoek naar hun eten. Ik dacht al even dat het aan mij lag, maar wij stonden gewoon op het goede adres en daarbij heb ik sterke moeite mij te vergissen als ik iets echt zeker weet. Na wat belletjes kregen we dan toch degene te pakken die we nodig hadden en konden we onze pakketten een halve kilometer verderop halen. Ze hadden het niet zo handig gecommuniceerd. Dat vonden ze zelf ook wel. Mijn lotgenoten waren met de auto en boden aan om daar heen te rijden en mijn pakket ook mee te nemen. In verband met de Coronatyfus kon ik niet meerijden, maar zij pikten mijn pakket op en brachten het bij mij op die parkeerplaats langs. Dat was lief. En zo zat ik even later weer in de metro richting centrum met een zware doos vol lekker eten.   

Je maakt wat mee tijdens zo’n crisis.

Zo is ook mijn hele bioritme compleet anders geworden. Of anders gezegd: ik heb ineens iets dat op een bioritme lijkt.  Tot drie weken geleden had ik mijn vertrouwde nachtvlinderritme. Eén grote flipperkast. Ik weet niet beter. Ik kan op de meest rare tijden slapen of juist wakker zijn. Ontbijten met nasi kip van de vorige dag of waar ik maar zin in heb, alles kan. In deze rare periode lig ik al voor 23.00 in bed. Ik lees wat, kijk een serietje, om 0.30 slaap ik en om 7.30/8.00 ben ik klaarwakker. Een soort van ‘normale mensen-leven’. Het is niet het leven wat ik ooit heb geambieerd, maar het is nu gewoon even zo. ‘s Avonds heb ik vrijwel niks meer te doen, dus dan maar in bed liggen, het is wat het is. Ik ben wat betreft een kameleon die zich snel aanpast aan de omstandigheden. Niet altijd van harte, maar als het moet dan moet het.

Morgen dag 23 van ons collectieve huisarrest. Elke dag komt het einde van deze ellende dichterbij, denk ik maar. Dag 22 drijft langzaam weg van ons, als twee zwaantjes op de Zwanenburgwal.

Nouri, Godenzoon uit Geuzenveld

Amsterdam West, Bos en Lommer 2 april 1997. Ik ben 20 jaar en ik ben mijn huis aan het schoonmaken. Dat doe ik niet dagelijks, maar vanavond komen er twee vrienden langs om voetbal te kijken. Turkije-Nederland, WK-kwalificatie-wedstrijd. In al mijn ijver geef ik ook de plant water die op de TV staat. Ik geef de plant alleen iets te veel water. Het potje stroomt over en het water loopt zo de TV in. Resultaat: TV doet het niet meer. Wat nu? Ik zit met de handen in het haar.

Amsterdam West, Geuzenveld, 2 april 1997. Iets verderop in Geuzenveld is de sfeer een stuk feestelijker. Daar verwelkomt de familie Nouri de nieuwste telg, zoon Abdelhak ziet het levenslicht.

Amsterdam Oud West, 2 april 1997. Het feest moet en zal doorgaan en wel bij mij thuis en dus ben ik naar de Kinkerstraat gegaan om een TV te huren bij Valkenberg. Het idee om te bellen naar één van mijn vrienden om te vragen of we dan maar bij één van hen gaan kijken schiet ik gelijk af. Eén woont nog bij zijn ouders in Osdorp, de ander in een kippenhok in Slotervaart.  Daar heb ik totaal geen zin in. Ik huur de TV en loop met het loodzware ding de straat op. Bij de Bilderdijkkade kan ik niet meer. De verkoper van de kledingwinkel ziet me uitgeput staan, geeft me wat te drinken en belt een taxi voor me.

Amsterdam West, Bos en Lommer, 2 april 1997. De huur-TV staat en niets staat nog een mooie voetbalavond in de weg. Oh wacht. Toch wel. De elf spelers van Oranje op het veld. Nederland verliest met 1-0. Clarence Seedorf schiet een penalty met een baan om de aarde. Ze zoeken die bal nog. De volgende middag breng ik de TV terug. Met de taxi. Het grapje heeft me alles bij elkaar zo’n zeven tientjes gekost. Geld dat ik nou niet bepaald overhad.

Amsterdam, Haarlemmerstraat, 2 april 1997. Ook in slagerij Buzhu is het feest. Het is de slagerij waar papa Mohammed Nouri al jaren werkt.

Amsterdam West en omstreken, 1998. Met een vriendenteam ploeter ik elke zondagochtend op achterafveldjes in Amsterdam-West, Haarlem, Badhoevedorp, Sloten, Noord, Hoofddorp, De Kwakel, Uithoorn en andere exotische oorden. Het zijn de diepste krochten van de Amsterdamse onderbond. Nog net één trede boven G-voetbal en ik betwijfel ook ten zeerste of we het daar zouden redden. Op twee jongens na kan niemand er een hout van. We zijn voornamelijk de sterren van de kantine.

Amsterdam Geuzenveld 1998. De kleine 1-jarige Abdelhak heeft vermoedelijk nu al meer balgevoel en voetbaltalent in zijn piepkleine linkerteentje dan ons hele team in onze grote lompe lijven.

Amsterdam Zuid Oost 2004. Dat de kleine Appie Nouri een uniek talent bezit ontgaat ook Ajax niet. Hij wordt in de jeugdopleiding opgenomen en doorloopt die met speels gemak. De volgende stap is Jong Ajax. Daar wordt hij in 2017 verkozen tot beste speler van de Jupiler League. Hij draait alle beperkte voetballers op dat niveau dol. Hij lijkt op een hoogbegaafde Atheneum-leerling in een VMBO-klas.  

Amsterdam Zuid Oost, 21 september 2016. Het Ajax van Peter Bosz speelt voor de beker tegen Willem II. We mogen als seizoenkaarthouders gratis naar binnen. Zo vaak geeft Ajax niet iets weg, dus mijn gabber en ik nemen het cadeautje aan. Dat heeft, behalve dat we lekker Ajax willen kijken, ook een andere reden: wij willen het debuut van Nouri zien. Het stadion is lang niet vol. Een kleine 35.000 toeschouwers hebben de moeite genomen om het zoekende Ajax te steunen. Die wedstrijd valt alles in elkaar. Lasse Schöne keert terug in het elftal en dat is de balans die het team nodig heeft. Willem II, dat een dikke maand eerder nog won in de Arena heeft niets te vertellen. Ajax veegt de Tilburgers met speels gemak van de mat.
‘’WE WILLEN NOURI ZIEN!!!’’ klinkt het uit 35.000 kelen. Een speler die nog geen seconde in Ajax 1 heeft gespeeld maar elke Ajacied beseft wat voor uniek talent we in huis hebben. Zijn roem is hem al met grote passen vooruit gesneld. En hij is een echte Amsterdammer, dat vinden we extra leuk.

Diep in de tweede helft geeft Peter Bosz gehoor aan de smeekbedes van het publiek. In de 73e minuut mag hij invallen voor Hakim Ziyech. De stand is 3-0. Hier heeft Appie het al die jaren voor gedaan. Debuteren in het eerste elftal van zijn club. Lasse Schöne maakt nog 4-0 en dan breekt de 89e minuut aan. Ajax krijgt een vrije trap net buiten de zestien. Lasse Schöne maakt zich al klaar om de vrije trap te nemen als de jonge debutant ineens vraagt: ‘’Mag ik ‘m alsjeblieft nemen? Alsjeblieft?’’ Het is niet eens vragen. Hij smeekt. De oude aanvoerder stemt toe: ‘’Neem jij ‘m maar. Als je mist krijg ik een tientje.’’
Appie staat glunderend achter de bal. Mijn gabber en ik zitten er perfect voor. Hij zet z’n telefoon aan om dit moment te filmen. De Arena klapt voor Appie en hij schiet de bal schitterend in de hoek. Hij mag zijn tientje houden. Als een echte Ajacied scoort hij bij zijn debuut in Ajax 1. Hij wijst op zijn rugnummer. Zo stelt hij zich voor aan het Amsterdamse publiek. Zijn Amsterdamse publiek. Hallo, hier ben ik dan. Nummer 34. Appie Nouri. Aangenaam.

Hij heeft alles in zich om de ultieme publiekslieveling te worden. Hij vertedert in interviews en met zijn vlogs. Wat een heerlijk joch. Hij speelt dat seizoen nog een aantal keer in Ajax 1 , maar is nog geen vaste waarde. Dat is een plan voor komend seizoen. FC Utrecht informeert voorzichtig naar de mogelijkheid om Nouri een jaar te huren maar dat wijst Appie zelf resoluut van de hand. Ajax is zijn club en daar wil hij slagen. Geen discussie.

En dan wordt het 8 juli 2017. Het Oostenrijkse Zillertal. Ajax oefent in de voorbereiding tegen Werder Bremen. Leon Bergsma valt een paar minuten voordat Nouri er in komt in. ‘’Kom op, je kan het Léé!’’ roept Nouri hem nog na. Even later valt Nouri zelf in. En dan staat zijn hart ineens stil. De rest is geschiedenis. Een inktzwarte geschiedenis. Het leven en de voetbalcarrière in luttele seconden onherstelbaar geknakt.

De voetballiefhebber in mij zal zich altijd afvragen hoe goed had deze jongen echt kunnen worden? Een vraag waar we nooit antwoord op zullen krijgen. De mensenliefhebber in mij hoopt dat dit prachtige mens ooit nog een beetje levenskwaliteit terugkrijgt. Ik hoop het zo erg. Ik ben niet gelovig, maar als het Abdelhak Nouri gegund is om zijn familie aan te kunnen kijken en te kunnen zeggen hoeveel hij van ze houdt, dan zal ik misschien toch wel gaan geloven dat de Godenzoon uit Geuzenveld echt een zoon van God is.