Rodweek 74 Twee Zwaantjes

Toen ik vanmorgen boodschappen ging doen zag ik twee zwanen naast elkaar drijven. Op het stille water van de Zwanenburgwal. En dat ook nog eens op dag 22 van de quarantaine. Ik verveel me zo, dat ik dat gewoon wist. Ik vond de symboliek mooi. Kijk naar het getal 22, dat lijken net twee zwaantjes als je er naar kijkt. Ze dobberden in serene rust over het water, richting Amstel. Langs de Stopera. Waar onze lokale politici nu koortsachtig overleggen hoe het nu allemaal verder moet, dreven die twee zwanen in alle chillte voorbij. Welke crisis?

Toen ik 1 april wakker werd keek ik het nieuws. Een nanoseconde hoopte ik even dat deze hele crisis een hele slechte 1 april –grap was en dat onze minister-president met zijn kenmerkende glimlach zou zeggen: ‘’Beste landgenoten, dat hele virus was maar een grapje, haha! Vanaf vandaag gaan we gewoon weer gezellig door waar we gebleven waren, sluit de tap aan en gooi de bitterballen maar in het vet!’’ Even snel als de gedachte kwam was ie ook weer weg. Ik had onze MP de avond daarvoor immers, zonder die eeuwige glimlach op z’n porum, op TV gezien en hij had geen vrolijk nieuws: we hebben nog langer huisarrest. Het zou trouwens ook wel de slechtste 1 april –grap ooit zijn.

Als je vroeger huisarrest kreeg van je ouders dan mocht je een paar dagen niet buiten voetballen en geen TV kijken. Moeder Aarde is nog een paar gradaties strenger voor ons. Die pakt je werk, je geld, je sociale leven, je kroeg, je voetbalbezoek, je concertbezoek, je feestjes, je vakanties en je fysieke contacten af. En dan heb ik het niet alleen over fysieke contacten als in seks. Een simpele knuffel, handdruk, omhelzing of een kus op de wang: ik zou er nu al een kleine misdaad voor over hebben. En mijn koninkrijk voor een tongzoen, zou ik al bijna zeggen!  

Maar genoeg gejeremieerd over hoe kut alles nu is. Dat weten we nu allemaal wel. De situatie is nu eenmaal zoals die is. In alle eenzaamheid zijn we allemaal niet alleen. En nu moet ik er, net als iedereen, maar het beste van maken en mezelf een compleet ander levensritme aanmeten. Zo doe ik ineens dingen die ik al veel te lang niet heb gedaan. Zoals een boswandeling maken. Afgelopen week moest ik een voedselpakket dat ik online had aangeschaft, ophalen in Amstelveen. Net over de grens bij Buitenveldert. Naast het Amsterdamse Bos, of zoals hele fossiele Amsterdammers het nog noemen: Bosplan.  

Ik was verbijsterend op tijd. Normaliter ben ik iemand die geen horloge draagt, want ik heb de tijd. Dus ik heb nog even een wandeling door het bos gemaakt. Het was al een tijd geleden en dit keer hing er, niet zoals de laatste keer dat ik er was, zo’n gore blaffende en kwijlende rottweiler die tegen me aan liep te springen, met zo’n schijnheilig baasje die standaard ‘Hij doet niks hoor!’, zegt. Nee, niks van dat soort narigheid, Het Amsterdamse Bos was van mij, deze ochtend! Echt heerlijk. De boswandeling deed me goed en op de afgesproken tijd stond ik op de afgesproken plaats om mijn etenswaren op te halen.

Maar al wie er stonden: niet de mensen die mijn spullen hadden. Daar stond ik dan met mijn goede bedoelingen. Dacht ik eens een goede daad te doen. De boeren geld, ik lekker vers eten: iedereen blij. Niemand te vinden of te bereiken. Na een dik half uur besloot ik maar weer huiswaarts te keren en een vlammende mail naar ze te schrijven toen ik ineens twee andere dolende zielen ontwaarde. Ook zij waren op zoek naar hun eten. Ik dacht al even dat het aan mij lag, maar wij stonden gewoon op het goede adres en daarbij heb ik sterke moeite mij te vergissen als ik iets echt zeker weet. Na wat belletjes kregen we dan toch degene te pakken die we nodig hadden en konden we onze pakketten een halve kilometer verderop halen. Ze hadden het niet zo handig gecommuniceerd. Dat vonden ze zelf ook wel. Mijn lotgenoten waren met de auto en boden aan om daar heen te rijden en mijn pakket ook mee te nemen. In verband met de Coronatyfus kon ik niet meerijden, maar zij pikten mijn pakket op en brachten het bij mij op die parkeerplaats langs. Dat was lief. En zo zat ik even later weer in de metro richting centrum met een zware doos vol lekker eten.   

Je maakt wat mee tijdens zo’n crisis.

Zo is ook mijn hele bioritme compleet anders geworden. Of anders gezegd: ik heb ineens iets dat op een bioritme lijkt.  Tot drie weken geleden had ik mijn vertrouwde nachtvlinderritme. Eén grote flipperkast. Ik weet niet beter. Ik kan op de meest rare tijden slapen of juist wakker zijn. Ontbijten met nasi kip van de vorige dag of waar ik maar zin in heb, alles kan. In deze rare periode lig ik al voor 23.00 in bed. Ik lees wat, kijk een serietje, om 0.30 slaap ik en om 7.30/8.00 ben ik klaarwakker. Een soort van ‘normale mensen-leven’. Het is niet het leven wat ik ooit heb geambieerd, maar het is nu gewoon even zo. ‘s Avonds heb ik vrijwel niks meer te doen, dus dan maar in bed liggen, het is wat het is. Ik ben wat betreft een kameleon die zich snel aanpast aan de omstandigheden. Niet altijd van harte, maar als het moet dan moet het.

Morgen dag 23 van ons collectieve huisarrest. Elke dag komt het einde van deze ellende dichterbij, denk ik maar. Dag 22 drijft langzaam weg van ons, als twee zwaantjes op de Zwanenburgwal.

Nouri, Godenzoon uit Geuzenveld

Amsterdam West, Bos en Lommer 2 april 1997. Ik ben 20 jaar en ik ben mijn huis aan het schoonmaken. Dat doe ik niet dagelijks, maar vanavond komen er twee vrienden langs om voetbal te kijken. Turkije-Nederland, WK-kwalificatie-wedstrijd. In al mijn ijver geef ik ook de plant water die op de TV staat. Ik geef de plant alleen iets te veel water. Het potje stroomt over en het water loopt zo de TV in. Resultaat: TV doet het niet meer. Wat nu? Ik zit met de handen in het haar.

Amsterdam West, Geuzenveld, 2 april 1997. Iets verderop in Geuzenveld is de sfeer een stuk feestelijker. Daar verwelkomt de familie Nouri de nieuwste telg, zoon Abdelhak ziet het levenslicht.

Amsterdam Oud West, 2 april 1997. Het feest moet en zal doorgaan en wel bij mij thuis en dus ben ik naar de Kinkerstraat gegaan om een TV te huren bij Valkenberg. Het idee om te bellen naar één van mijn vrienden om te vragen of we dan maar bij één van hen gaan kijken schiet ik gelijk af. Eén woont nog bij zijn ouders in Osdorp, de ander in een kippenhok in Slotervaart.  Daar heb ik totaal geen zin in. Ik huur de TV en loop met het loodzware ding de straat op. Bij de Bilderdijkkade kan ik niet meer. De verkoper van de kledingwinkel ziet me uitgeput staan, geeft me wat te drinken en belt een taxi voor me.

Amsterdam West, Bos en Lommer, 2 april 1997. De huur-TV staat en niets staat nog een mooie voetbalavond in de weg. Oh wacht. Toch wel. De elf spelers van Oranje op het veld. Nederland verliest met 1-0. Clarence Seedorf schiet een penalty met een baan om de aarde. Ze zoeken die bal nog. De volgende middag breng ik de TV terug. Met de taxi. Het grapje heeft me alles bij elkaar zo’n zeven tientjes gekost. Geld dat ik nou niet bepaald overhad.

Amsterdam, Haarlemmerstraat, 2 april 1997. Ook in slagerij Buzhu is het feest. Het is de slagerij waar papa Mohammed Nouri al jaren werkt.

Amsterdam West en omstreken, 1998. Met een vriendenteam ploeter ik elke zondagochtend op achterafveldjes in Amsterdam-West, Haarlem, Badhoevedorp, Sloten, Noord, Hoofddorp, De Kwakel, Uithoorn en andere exotische oorden. Het zijn de diepste krochten van de Amsterdamse onderbond. Nog net één trede boven G-voetbal en ik betwijfel ook ten zeerste of we het daar zouden redden. Op twee jongens na kan niemand er een hout van. We zijn voornamelijk de sterren van de kantine.

Amsterdam Geuzenveld 1998. De kleine 1-jarige Abdelhak heeft vermoedelijk nu al meer balgevoel en voetbaltalent in zijn piepkleine linkerteentje dan ons hele team in onze grote lompe lijven.

Amsterdam Zuid Oost 2004. Dat de kleine Appie Nouri een uniek talent bezit ontgaat ook Ajax niet. Hij wordt in de jeugdopleiding opgenomen en doorloopt die met speels gemak. De volgende stap is Jong Ajax. Daar wordt hij in 2017 verkozen tot beste speler van de Jupiler League. Hij draait alle beperkte voetballers op dat niveau dol. Hij lijkt op een hoogbegaafde Atheneum-leerling in een VMBO-klas.  

Amsterdam Zuid Oost, 21 september 2016. Het Ajax van Peter Bosz speelt voor de beker tegen Willem II. We mogen als seizoenkaarthouders gratis naar binnen. Zo vaak geeft Ajax niet iets weg, dus mijn gabber en ik nemen het cadeautje aan. Dat heeft, behalve dat we lekker Ajax willen kijken, ook een andere reden: wij willen het debuut van Nouri zien. Het stadion is lang niet vol. Een kleine 35.000 toeschouwers hebben de moeite genomen om het zoekende Ajax te steunen. Die wedstrijd valt alles in elkaar. Lasse Schöne keert terug in het elftal en dat is de balans die het team nodig heeft. Willem II, dat een dikke maand eerder nog won in de Arena heeft niets te vertellen. Ajax veegt de Tilburgers met speels gemak van de mat.
‘’WE WILLEN NOURI ZIEN!!!’’ klinkt het uit 35.000 kelen. Een speler die nog geen seconde in Ajax 1 heeft gespeeld maar elke Ajacied beseft wat voor uniek talent we in huis hebben. Zijn roem is hem al met grote passen vooruit gesneld. En hij is een echte Amsterdammer, dat vinden we extra leuk.

Diep in de tweede helft geeft Peter Bosz gehoor aan de smeekbedes van het publiek. In de 73e minuut mag hij invallen voor Hakim Ziyech. De stand is 3-0. Hier heeft Appie het al die jaren voor gedaan. Debuteren in het eerste elftal van zijn club. Lasse Schöne maakt nog 4-0 en dan breekt de 89e minuut aan. Ajax krijgt een vrije trap net buiten de zestien. Lasse Schöne maakt zich al klaar om de vrije trap te nemen als de jonge debutant ineens vraagt: ‘’Mag ik ‘m alsjeblieft nemen? Alsjeblieft?’’ Het is niet eens vragen. Hij smeekt. De oude aanvoerder stemt toe: ‘’Neem jij ‘m maar. Als je mist krijg ik een tientje.’’
Appie staat glunderend achter de bal. Mijn gabber en ik zitten er perfect voor. Hij zet z’n telefoon aan om dit moment te filmen. De Arena klapt voor Appie en hij schiet de bal schitterend in de hoek. Hij mag zijn tientje houden. Als een echte Ajacied scoort hij bij zijn debuut in Ajax 1. Hij wijst op zijn rugnummer. Zo stelt hij zich voor aan het Amsterdamse publiek. Zijn Amsterdamse publiek. Hallo, hier ben ik dan. Nummer 34. Appie Nouri. Aangenaam.

Hij heeft alles in zich om de ultieme publiekslieveling te worden. Hij vertedert in interviews en met zijn vlogs. Wat een heerlijk joch. Hij speelt dat seizoen nog een aantal keer in Ajax 1 , maar is nog geen vaste waarde. Dat is een plan voor komend seizoen. FC Utrecht informeert voorzichtig naar de mogelijkheid om Nouri een jaar te huren maar dat wijst Appie zelf resoluut van de hand. Ajax is zijn club en daar wil hij slagen. Geen discussie.

En dan wordt het 8 juli 2017. Het Oostenrijkse Zillertal. Ajax oefent in de voorbereiding tegen Werder Bremen. Leon Bergsma valt een paar minuten voordat Nouri er in komt in. ‘’Kom op, je kan het Léé!’’ roept Nouri hem nog na. Even later valt Nouri zelf in. En dan staat zijn hart ineens stil. De rest is geschiedenis. Een inktzwarte geschiedenis. Het leven en de voetbalcarrière in luttele seconden onherstelbaar geknakt.

De voetballiefhebber in mij zal zich altijd afvragen hoe goed had deze jongen echt kunnen worden? Een vraag waar we nooit antwoord op zullen krijgen. De mensenliefhebber in mij hoopt dat dit prachtige mens ooit nog een beetje levenskwaliteit terugkrijgt. Ik hoop het zo erg. Ik ben niet gelovig, maar als het Abdelhak Nouri gegund is om zijn familie aan te kunnen kijken en te kunnen zeggen hoeveel hij van ze houdt, dan zal ik misschien toch wel gaan geloven dat de Godenzoon uit Geuzenveld echt een zoon van God is.

Rodweek 73 Henk Winters

Het is zo’n dag. Zo’n dag dat je wakker wordt en dat je hoort dat Amsterdam weer een stukje kleurlozer is geworden. Henk Winters is er tussenuit gepiept. Wie veel in de Kinkerbuurt kwam kon niet om zijn flamboyante persoonlijkheid heen. En met het woord ‘flamboyant’ doe ik hem eigenlijk nog tekort. Henk was zogezegd een ‘BK-er’, een Bekende Kinkerbuurter.

Ik leerde Henk kennen, volgens mij op het WK 1998. Ik werd door een vriend van mij namelijk meegenomen naar Stadion Winters, het kleinste stadion van Nederland waar Henk de directeur van was. Stadion Winters was namelijk gewoon de huiskamer van Henk, in zijn woninkje in Oud West, alleen dan helemaal vol gezet met tribunes en werkelijk in elke ruimte een overdaad aan TV’s. Of je nou even naar de keuken moest om een biertje te pakken of je moest pissen: ook in de keuken en op het toilet stonden TV’s, dus je hoefde geen seconde van de wedstrijd te missen. Als je een drankje wilde pakken gaf je daar een klein bedragje voor en dan had je een topavond. Stadion Winters was alleen open tijdens de grote toernooien waar Nederland aan meedeed. Ik ben er een paar keer geweest en dat waren altijd bijzondere avonden vol met paradijsvogels uit de buurt.

Later kwam ik Henk tegen toen ik in Café Bax werkte, bij hem in de straat. Henk hield van een stevige slok. Op een rustige dag een biertje of een wit wijntje, maar als Henk er echt zin in had ging ie aan de Corenwijn, zo’n heerlijke ouwelullenborrel. Hij kwam geregeld langs. Henk was al jaren ziek. Dat hij het nog zo lang heeft volgehouden maakt hem op zich al tot een medisch wonder, want hij slikte een apotheek aan medicijnen.

Maar dat weerhield hem er dus niet van om indrukwekkende hoeveelheden drank te consumeren. We hadden ooit eens Sinterklaasfeest voor het personeel in Café Bax. En ja hoor, daar kwam Sinterklaas, of zoals we hem noemden ‘Winterklaas’, binnen. Hij had voor ieder van ons een persoonlijk verhaaltje gemaakt en we moesten allemaal even bij de Sint op schoot. Zeker als het mannen betrof vond deze Sint dat wel sfeerverhogend, daar was de Sint ook bijzonder eerlijk in. Of de Sint wat wilde drinken? Nou, de Sint lustte wel een Corenwijntje. En daarna ook nog wel eentje en daarna ook nog wel en dat ging zo de hele avond door. Totdat Sinterklaas starnakel dronken als een hoerentoeter toch maar weer eens naar huis moest. Onze goedheiligman kon alleen niet meer zo goed lopen en dus hebben een collega en ik hem tussen ons in gehesen en naar zijn huis aan het einde van de straat gesleept. We werden vreemd aangekeken door mensen op straat die dit tafereel zagen. Wij: ‘’Wat kijk je nou, nog nooit twee mensen met een dronken Sinterklaas zien slepen?’’ En Winterklaas hing daar maar een beetje dronken giechelend tussen ons in. We deden best nog wel een tijdje over die 100 meter, want Winterklaas gaf niet echt mee. Het is misschien wel m’n meest hilarische herinnering aan Henk.

Niet lang geleden is Henk definitief opgegeven en gisteren heeft hij op zelfverkozen wijze het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld, las ik zojuist. Ik sprak hem niet veel meer de laatste paar jaar, maar als we elkaar zagen dan deden we altijd even een drankje. Of twee. Het was altijd gezellig met Henk. Z’n heerlijke pindasoep die hij maakte in buurthuis de Havelaar was legendarisch. Ik zal ‘m missen, maar de man heeft een prachtig excentriek leven gehad en nu was hij definitief op. Al moeten we niet denken dat we van die ouwe gek af zijn. Henk heeft zijn lichaam namelijk ter beschikking gesteld aan de tentoonstelling Bodyworlds. Daar vertelde hij een paar jaar geleden nog op zijn eigen onnavolgbare wijze over bij Matthijs van Nieuwkerk aan tafel bij DWDD. Henk wordt zo snel mogelijk naar Duitsland gebracht en daar wordt zijn lijf bewerkt met chemisch spul en sterk water en weet ik veel wat. Gelukkig heeft Henk altijd op sterk water gestaan, dus dat lijf is wel wat gewend. Henk, wie weet tot ziens bij Bodyworld op het Damrak. Zet ik een Corenwijntje bij je neer, mooie mafkees.

Rodzooi 72 In Voor en Tegenspoed

Ja, ik weet het. Ik ben strontverwend. Op veel sociale media lees ik berichtjes als:  ‘Goh, nou nou, wat heb jij het toch zwaar, je opa en oma hebben vijf jaar een oorlog meegemaakt, werden opgeroepen,  moesten onderduiken, vraten bloembollen en jij moet alleen maar een paar weken op je luie decadente hol zitten, in je huis dat van alle gemakken is voorzien.’ En weet je, dat is in feite ook zo. Mijn leven bestaat, net als dat van de meeste mensen nu, uit overdag een beetje klusjes doen, schoonmaken, boodschappen doen, op de bank hangen en ’s avonds Netflix kijken. Ik kijk meestal vanuit bed, vanaf een uur of 21.00, dus ik noem het Bedflix. En dan heb ik daarbij een royaal gevulde koelkast met eten, kaasjes, olijven, fris, wijn, bier en snacks tot mijn beschikking, ik heb ook altijd zakken chips en pinda’s in the house en ook nog eens genoeg pleepapier. Deze retraite is een luxe gevangenschap die mijn opa’s en oma’s in de oorlog niet hadden. Dus in zoverre moet ik inderdaad niet zo zaniken en klagen, maar gewoon nederig zijn en de tijd uitzitten zolang het duurt, net als iedereen.

Toch diskwalificeert dat verschil in omstandigheden, luxe en tijdsduur niet mijn gevoelens van neerslachtigheid en eenzaamheid die ik op dit moment heb. Op mijn niveau voel ik me nu gewoon rot en niet echt Rod. Tot precies drie maanden geleden zag mijn wereld er nog zo uit: ik had een relatie, een druk sociaal leven, was lekker bezig met werk, kon lekker naar de kroeg, uit eten en ik ging elke week Ajax kijken. In het stadion of in de kroeg. Die vanzelfsprekendheden die helemaal niet vanzelfsprekend zijn, zijn nu ineens allemaal weg. De relatie had al voor de Corona-crisis de pleiterik gemaakt, namelijk precies drie maanden geleden, de rest sinds 15 maart. Ik heb dus momenteel even helemaal niks meer van al die dingen die mijn leven tot zo’n leuk leven maakten. Hoewel ik mij dus heel erg alleen voel weet ik dat ik daar niet alleen in sta, maar ik moet er echt niet aan denken dat deze akeligheid nog tot 1 juni duurt. De afgelopen tien dagen voelen al als twee maanden.  

Maar goed, na een beetje klaagzang gaat het koppie bij mij altijd weer omhoog en dan ga ik zo bedenken wat ik vanavond weer eens ga kijken. Eerst de serie Apache over Carlos Tevez afkijken. En misschien dat ik daarna wel de laatste Nederlander ga worden die Breaking Bad gaat kijken. Kan ik na al die jaren ook een keer meepraten in de kroeg, als de serie ooit ter sprake komt. Ik zat gisteren nog te bedenken wanneer het voor het laatst is geweest dat ik tien dagen achter elkaar niet in een horecagelegenheid ben geweest. Ik vermoed dat ik toen een jaar of 14 was. Of 9, als je voetbalkantines ook meerekent. Kortom, een kleine 30 jaar van mijn leven hang ik recreatief of werkzaam in de horeca rond. En met dat wegvallen van al die zaken die drie maanden geleden nog volkomen ‘normaal’ waren, wat ze natuurlijk niet zijn, heb ik het nu gewoon even zwaar.

Het komt wel weer goed, zoals ik er altijd van uitga dat alles weer goed komt. Ik sta wat dat betreft te allen tijde optimistisch in het leven. Een optimist is een slecht geïnformeerde pessimist, zeggen mensen wel eens. Nou, laat het ze lekker zeggen, die zure bommen. Misschien dat ik ter compensatie van mijn optimisme weer eens de legendarische Nederlandse serie ‘In Voor en Tegenspoed’ ga kijken. Een van mijn favoriete series uit de jaren 90 en alle vier de seizoenen zijn in z’n geheel te zien op YouTube. Rijk de Gooijer speelt een absolute glansrol als de immer cynische, chagrijnige, totaal politiek incorrecte en pessimistische Mokumse mopperkont Fred Schuit. De titelsong van de serie is van Rick ‘’Ik heb een stem alsof ik heel nodig moet poepen’’ de Leeuw van de Trockener Kecks en eindigt met het legendarisch uitgeschreeuwde : ‘’Het komt nooooooooooooiiiiit meer goed!’’ En juist door die serie voel ik me altijd een stuk beter. Want doordat Fred altijd zo over de top negatief tegen de wereld aankijkt ben ik na een paar afleveringen van In Voor en Tegenspoed altijd weer vrolijk. En dan denk ik altijd: ‘Natuurlijk komt alles goed, gekkie!’




Rodweek 71 New York Nieges

Het is godverdomme ook weer precies mijn geluk. Al jaren droom ik van een reis naar New York en dit jaar zou het er dan van moeten komen. Dat kon namelijk prima. Vorig jaar juni bracht ik samen met Robbert Tilli het boek ‘En Johan zag dat het goed was’ uit en zowaar: het verkocht nog behoorlijk lekker ook. De uitgever betaalt de royalty’s één keer per jaar uit, in april. Dat betekende in ons geval dus dat we bijna een jaar moesten wachten op ons geld. Ik vond dat wel prima. Dan kon ik het geld tenminste niet opmaken aan allerlei onzin, want ik ken mezelf, zodra ik geld in mijn handen heb dan wappert het er net zo makkelijk weer uit, dus beter dat de poet even een jaar voor me bewaard werd. Maar zodra het geld dan binnen zou zijn kon ik mijn droomreis boeken.

Ik had de reis al helemaal gepland in mijn hoofd. Eerst twee dagen Reykjavik, gewoon omdat het kan en omdat ik nog nooit in IJsland ben geweest. Kan ik toch weer even een landje afvinken. Vanaf daar een dagje of tien naar ‘The Big Apple’ en vanaf daar nog even twee dagen aftoppen in Glasgow, waar ik ook nog wat verleden heb, en dan terug naar Amsterdam. Ik had de route al helemaal in mijn hoofd en ik had ook al goed betaalbare vluchten voor het gewenste traject gevonden.

En toen werd het dus 15 maart 2020 en brak de Corona-gekte definitief uit. Wereld op slot: daar ging mijn reis. Dus straks heb ik dus die zak met geld op mijn rekening, maar daar zal een gedeelte van opgaan aan het compenseren van de inkomsten die ik deze weken misloop, al word ik grotendeels wel doorbetaald, maar dat Corona-gelul kost iedereen natuurlijk sowieso geld.

Ooit scheet er, terwijl ik op de fiets zat, eens een duif op mijn porem, echt vol. De stront droop van m’n gezicht. Dat beest had de diarreekramp of zo of slechte shoarma op De Dam gegeten. En nu kakt er geen duif, maar de duivel onbarmhartig in mijn smoel. En ik weet ook wel: de Corona-crisis  gaat natuurlijk niet om het reisje van Rijsdijk en zijn er ontelbaar veel mensen die vele malen harder door deze ellende worden getroffen dan ik, maar toch voelde het even behoorlijk klote. Heb ik het geld eindelijk, kan ik er niet heen.  Gewoon even een baalmomentje. Al vertelde één van mijn vrienden dat NYC in het najaar veel lekkerder is en dat dan bovendien ook de World Series van het honkbal bezig zijn. Dus hopelijk dat ik tegen die tijd die kant op kan. Ik wil die stad zien, voelen, ruiken en proeven.

Want ja, wat heb ik met New York? Ik ben er dus nog nooit geweest. Maar het is een stad die mij al mijn hele leven fascineert. Op het gebied van muziek, films, series, straatkunst en sportcultuur ligt daar een waslijst aan dingen die mij mijn hele leven al hebben geïnspireerd in mijn culturele smaak. En ik wil de vibe van de stad voelen. Naar een honkbal of basketbalwedstrijd. Naar CBGB’s waar The Ramones hebben gespeeld. Naar legendarische Seinfeld-plekken (The Soupnazi!). Naar de bakermat van de hiphop. Waar speelde Grandmaster Flash, KRS-ONE en The Beastie Boys? Graffiti kijken. En nog veel meer. Ik ben een stadsjongen, gek op grote steden, op mierennesten waar altijd wat te doen is. Dol op een stad die nooit slaapt, zoals Frank Sinatra ooit over New York zong. Godskolere. Ik had er zo’n godvergeten zin in, dat je er plakken van kunt snijden.

Het mag dus voorlopig niet zo wezen. Voorlopig hangt de nieges om mijn New York-reis. Maar het komt goed. New York blijft nog wel even liggen waar het ligt. Die reis gaat er komen. New York was vroeger New Amsterdam. Staat ook nog steeds op het stadhuis. Maar ik blijf dan dus voorlopig lekker in mijn eigen Oud Amsterdam. En zodra we weer lekker zonder restricties naar buiten mogen is dat natuurlijk ook geen straf.

Rodweek 70 Soepzooitje

Het is nog maar een week geleden dat de wereld in Nederland compleet veranderde. Ik kwam vorige week zondag rond 17.30 op het werk aan, want ik moest om 18.00 beginnen en wilde nog even wat eten. Ik had mijn jas nog niet uit of mijn werkgeefster hing al aan de lijn dat ons café door de Coronapleuris om 18.00 van overheidswege dicht moest. Ik had nog geen eerste ronde gedaan of ik kon gelijk al de laatste ronde aankondigen.

Een week geleden dus, maar het voelt als een maand. Van uit mijn raam kijk ik uit op de Zuidertoren en ik heb de aflopen week meerdere malen gecheckt of die klok niet achteruit liep, zo langzaam gaat de tijd. Maar nee. De klok loopt zoals ie elke dag loopt. Alleen, ik heb ineens, geheel onvrijwillig, veel minder te doen. Geen werk, de kroegen zijn dicht, afspreken met mensen is lastig en ik woon alleen. Dan kruipt de tijd als een invalide slak. Goed, ik heb dan wel weer tijd om meer te schrijven, aan mijn boek te werken et cetera, maar op een mooie lentedag lekker op een terras zitten en een lekker broodje eten of zo of een vracht bier naar binnen slempen kan helaas niet voorlopig.

En waar tot vorige week als iemand drie keer achter elkaar nieste altijd het standaardgrapje ‘’Nou, morgen is het mooi weer!’’, volgde, duiken mensen nu zodra iemand al aanstalten maakt om te niezen al in blinde angst gelijk weg. En de enige tijd dat mensen veel te veel tegelijk in paniek kochten was als de kastelein de laatste ronde omriep. Nee, de wereld is in een week tijd compleet veranderd. In Amsterdam-Centrum kan er nu een terrorist met een geweer rondlopen, maar zo’n mafklapper heeft bijna niemand om op te schieten dezer dagen. Vorige week woonde ik nog in het drukste stuk van de stad, nu is het centrum zo bruisend als glas Spa Blauw en is het in Buitenveldert vermoedelijk spannender.

En hoe het qua geld gaat is voorlopig ook nog even afwachten, al had ik ergens nog wel een ouwe sok met geld liggen, maar die gaat ook een keer op. We gaan het zien. Ik ben iemand die zich altijd wel redelijk makkelijk aanpast aan de omstandigheden. Als ik geld heb gooi ik het er ook met dezelfde vaart weer uit. Dure boodschappen, etentjes, stedentrips, uitgebreide kroegsessies: het kan niet op, totdat de bank ineens ‘Ho!’ zegt. En als ik dan ineens weinig geld heb dan word ik er ineens heel creatief van en kan ik zomaar drie dagen met een tientje doen. Per saldo heb ik dus eigenlijk nooit geld over. Hoeveel of hoe weinig ik ook heb: het gaat allemaal schoon op, zoals een bouvier een schaaltje vla leeg likt. Nee, laat niemand zich ook maar enige illusies over mijn erfenis maken, als ik het hoekie om ga: er is niks over.

Uit die periodes van geldgebrek is ook mijn liefde voor soep ontstaan. Als ik vroeger geen geld had dan kocht ik voor een knakie groenten op de markt en dan maakte ik daar soep voor drie dagen van. Begon ooit simpel met tomatensoep en in de loop der jaren is het repertoire aan soepen uitgebreid naar kippensoep, groentensoep, tuinbonensoep, spinaziesoep, pompoensoep, pastinaaksoep, champignonsoep, knoflooksoep, zarzuela, uiensoep, vissoep, tom kai kai, sajur lodeh, gazpacho en zo kan ik nog wel even doorgaan met de lijst. Soep is lekker, soep is gezond, soep is makkelijk en soep is goedkoop. Nu kun je natuurlijk ook soep uit pak of blik kopen en daar heb ik als noodvoedsel of voor als ik lui ben ook altijd wel één of twee pakken van staan, maar niks verslaat een echte lekkere versgemaakte soep. De staafmixer kostte een tientje en het apparaat is na al die jaren nog steeds één van mijn beste en  meest rendabele aankopen ooit.

Hoe deze crisis gaat aflopen? Geen idee. Het land is een soepzooitje en laten we hopen dat dit gedoe snel voorbij gaat. Dus blijf lekker binnen, maak een lekkere pan soep en hopelijk tot gauw op een terras ergens.  

Rodweek 69 Pleepapyrrusoverwinning

Eenmaal in mijn leven heb ik huisarrest gehad van mijn ouders. Ik was een jaar of veertien, had iets gepikt uit een winkel, werd gepakt en mocht toen een week niet naar buiten. Een terechte straf. Wegens goed gedrag kreeg ik na drie dagen gratie en mocht ik toch weer naar buiten, maar die drie dagen voelden al als een eeuwigheid.

Het staat niet in verhouding tot wat er nu aan de hand is. Nu is het niet mijn eigen schuld dat ik in sociaal isolement zit. Het Corona-virus heeft ons allemaal in een ijzeren greep. Even boodschappen doen en dan weer vlug naar huis, het is nou eenmaal het lot dat ons allen nu treft. Hoewel ik een royale vrienden- en kennissenkring om mij heen heb kan ik met niemand afspreken en dat gaat nog wel een tijdje duren ook. Daarbij ben ik tegenwoordig single, dus gezellig met een leuke mevrouw afspreken zit er ook al niet in. Ik weet dus wel welke sites de komende weken mijn chickies zijn.

Het is allemaal kloten met de bok, maar het is niet anders. De geest is uit de Corona-fles. Normaliter zou ik met dit heerlijke lentezonnetje een lekker Corona-biertje op het terras niet te versmaden vinden, maar nee, ik zit thuis, zoals de meeste Nederlanders. Want de horeca is dicht.

De maatregelen zijn overigens allemaal volstrekt begrijpelijk en niet te bagatelliseren, maar ik tel de dagen tot dit huisarrest voorbij is. Mijn enige dagelijkse uitje is naar de supermarkt en daar kan ik mijn vrienden en kennissen die ik tegenkom geen hand of kus geven, hetgeen voor mij volstrekt tegennatuurlijk is. Ik ben van nature een ‘’aanrakerig’’ mens. Als ik mijn vrienden of vriendinnen tegenkom omhels ik graag, al is het maar kort. Even een kleine ‘hug’ en ik ben al blij. Maar het kan dus niet.

Zoals ook normaal boodschappen doen bijna ondoenlijk is. Het zijn surrealistische taferelen bij mij in de buurtsuper dezer dagen. Bij gebrek aan brood dacht ik dat het wellicht slim was om in plaats van brood of toast maar pannenkoekenmix te kopen, daar hadden mensen vast niet aan gedacht, dacht ik. Mis. Alles leeg. Pleepapier heb ik nog, maar dat vind ik in tegenstelling tot half Nederland, nog het minst belangrijk. In geval van hoge nood kuis ik mijn derrière ook gewoon met een fles water en was ik daarna goed mijn jatten. Ik ben een Indo, mijn voorouders deden niet anders. Het is trouwens ook veel hygiënischer om de oud-Indonesische Botol Cebok toe te passen. Je hol afvegen met papier is in feite niet afvegen, het is uitsmeren. De boel schoonmaken met water zorgt voor een veel schonere poeperd. Maar goed, als in West-Europa opgegroeide Belanda gebruik ik uit gewoonte normaliter dus pleepapier.

Het product waar dus een hysterische run op was in de eerste dagen van de grote uitbraak van het virus. Ik begreep daar dus geen ene reet van. Zou je niet beter zorgen voor voldoende eten en drinken? Je kunt toch geen soep of een roerbakschotel maken van een rol pleepapier, toch? Of iemand moet me dat recept een keer geven, want dan ben ik wel benieuwd. Hoezo loop je triomfantelijk naar huis met tachtig rollen schijtlint in je armen? Dat is geen pyrrusoverwinning maar een pleepapyrrusoverwinning. Totaal geschift en onnodig.

Maar we zijn dus waarschijnlijk voorlopig nog niet van deze ellendige situatie af. Volgens onze eminente Minister-President  Rutte gaat een groot deel van de Nederlanders slachtoffer worden van deze pandemie. Ik weet niet of het een waarschuwing, een dreigement of een belofte is, maar als het een belofte is dan is het de eerste belofte die hij nakomt aan het Nederlandse volk. Dat dan weer wel.

En voor alle Nederlanders die vluchtelingen, uit oorlogsgebieden, op de vlucht voor geweld, op zoek naar een betere toekomst, hebben versleten voor gelukszoekers: vergeet niet dat wij in een land wonen waar mensen in de supermarkt hebben gevochten om een pak pleepapier. Om je dood voor te schamen. Ze lijken wel aan het Lockdown-syndroom te lijden. Met die landgenoten veeg ik m’n reet af. Dan veeg ik na met pleepapier. En bij gebrek aan pleepapier ouderwets  Botol Cebok.

 

Rodweek 68 Van GE-TA-FE!! naar GA-TV-ER

De eerste keer dat ik Getafe live zag spelen was in 2005. Ik was met mijn toenmalige vriendin in Madrid en we hadden uitgezocht welke Madrileense club thuis speelde. Atletico Madrid was het. Estadio Vicente Calderon lag op niet al te verre loopafstand van het centrum en ze moesten spelen tegen Getafe. Destijds een soort van RKC van Spanje. Klein cluppie uit een voorstad van Madrid, een soort Amstelveen.

We kochten kaartjes bij een loket bij het stadion, waar een ouwe chagrijnige kettingrokende man achter de kassa zat. ‘Doe maar ergens achter de goal’, had ik in mijn beste geïmproviseerde Spaans gezegd. Hij gaf ons de kaartjes, wij rekenden af en gingen, voorafgaand aan de wedstrijd nog even lekker in de buurt wat eten.

Eenmaal terug bij het stadion, klaar voor de wedstrijd, bleek dat die ouwe ons kaartjes voor het uitvak had verkocht. We zaten dus bij het Getafe-publiek. Nou weet iedereen die ooit in een uitvak heeft gestaan dat het uitvak het gezelligste is, dus ik vond het wel prima. Ik ben van geen van  beide clubs supporter, maar nu ik toch in het uitvak stond hoopte ik op een stunt van Getafe.

We werden er al snel uitgepikt door de vaste Getafe-supporters. Vreemde eenden in de bijt, maar we konden het al snel goed  vinden met de grote leider van de harde kern. Juan heette hij. Zo’n typische Madrileen met zo’n hese koorballenmeisjesstem. Atletico speelde een matig seizoen. Het stadion was maar half gevuld. Maar het uitvak, waar wij zaten was bomvol.

‘’GE-TA-FE!!! GE-TA-FE!!!’’, klonk het uit tweeduizend Spaanse en twee Amsterdamse kelen.

Uitslag 2-2. En iedereen die ooit in een uitvak heeft gestaan weet dat er niks toffers is dan juichen in een uitvak. Het is altijd net wat uitbundiger als het obligate juichen in een thuisvak.

De volgende ochtend gingen mijn meisje en ik een broodje kopen bij Museo del Jamon, de tofste broodjeszaak van Madrid, om de hoek bij Puerta del Sol, waar wij logeerden. Ineens hoorden we van achter de kassa die hese stem: ‘’GE-TA-FE! GE-TA-FE!’’ Het was Juan en die werkte daar dus, wisten we niet. Hij omhelsde en kuste ons, alsof we twee lang verloren familieleden waren. We wilden gewoon een simpel broodje ham, maar we kregen dus een broodje met hele dure exquise ham. We hoefden niet af te rekenen. Hij vond het gewoon tof om ons te zien.  

Ik had sinds die trip een zwak voor GE-TA-FE!

De tweede keer dat ik Getafe zag was een paar vriendinnen later, in 2012. Ik was met de toenmalige aanstaande ex in Barcelona en ik had het natuurlijk zo gepland dat we ook een wedstrijd van de plaatselijke FC konden meepikken. En ook nu was de tegenstander dus Getafe. Gewoon een leuke middenmoter inmiddels, een soort Heracles. We namen plaats in Camp Nou en mijn lieftallige ex, niet behept met al te veel voetbalkennis, vroeg zich hardop af ‘’wie die kleine slome was die alleen maar liep te wandelen’’.  Ik legde haar uit dat hij de beste voetballer van dit moment was, Lionel Messi. Hij wandelt en ineens schiet ie er vandoor. Hij scoorde er die avond drie en de vierde gaf hij voor. Zelfs mijn voetbal-analfabetische vriendin zag  dat hij toch wel erg bijzonder was.

En de derde keer, in weer een nieuw decennium was vorige week. Mijn vrienden en ik gaan elk jaar één of twee keer naar een uitwedstrijd van Ajax in het buitenland. Afhankelijk natuurlijk ook van hoever Ajax komt en de stad moet leuk zijn. Na eerder dit seizoen Lille, werd het nu Getafe. Madrid! Voor een paar daagjes Madrid zijn wij altijd te porren, por favor, en dus waren de tickets snel geboekt.

Het zat allemaal heerlijk mee. De reis ging goed en eenmaal daar bleek dat Madrid vast een voorschot op de lente had genomen. En terwijl het in Amsterdam tiefde van de regen tikte het kwik in de Spaanse hoofdstad aangenaam ruim boven de twintig graden aan. De hemel was strakblauw en wij laafden ons op het terras in onze t-shirts en met onze zonnebrillen op aan tapas, bier en wijn . Veel mooier kon het leven niet meer worden.

‘’Zullen we hier gewoon blijven?’’, is dan altijd de vraag die iemand van ons opbrengt. Fok die wedstrijd, we blijven hier lekker eten en zuipen. Natuurlijk gaan we altijd wel naar de wedstrijd, maar het komt er soms weleens op neer dat de wedstrijd een hinderlijke onderbreking van de terrassessie is.    

Zo ook op deze dag. Ajax verloor van een zuigend en treiterig Getafe en liet zich daar in meeslepen. Dat Ajax daarbij zelf ook als een ondergescheten bak paella speelde hielp ook niet mee. Het was een wedstrijd die aanvoelde als een wortelkanaalbehandeling: hopen dat het snel voorbij zou gaan. De meest onsympathieke tegenstander waar ik Ajax ooit tegen heb zien spelen. Een Machiavelliaanse ploeg: het doel heiligt de middelen.

 En ik snap het op zich wel, want als een club als FC Volendam zich op deze manier in de vaart der volkeren zou kunnen opstuwen zou ik het ook snappen. Klein cluppie dat met anti-voetbal ineens hoog staat. Geen Volendammer die er moeite mee zou hebben. Maar wat een tranentrekkend  lelijk voetbal, echt gatver. Ik snap het, maar ik zou er geen supporter van kunnen zijn. Ik heb Getafe dus in drie verschillende decennia live gezien. In 2005, 2012 en 2020.

Van GE-TA-FE!!! Naar GA-TV-ER.

Rodweek 67 Ode aan ome Piet: acceptere of Almere


Gisteravond was ik aan het werk in De Toog. De wind en de regen hadden behoorlijk wat mensen de lust tot uitgaan ontnomen en dus had ik niet al te veel te doen. Maar wel net genoeg om open te blijven. En toen stond ineens mijn ouwe buurman voor mijn neus, Dave. Dave was mijn buurman in de jaren negentig, in Bos en Lommer. Ik had hem sinds mijn verhuizing ook nooit meer gezien. Je weet hoe dat gaat als je verhuist: ‘’Ja we houden contact!’’ Niet dus.

Maar uit het oog is wat mij betreft niet uit het hart en dus was het weerzien hartelijk. Dave woonde nog steeds in onze ouwe buurt. Ik vroeg hem of ome Piet nog leefde. Ome Piet was mijn onderbuurman. Een prachtige ouwe Amsterdammer, met een accent dat zo plat was als een kanariepiet die onder een wild stampende heipaal heeft gelegen. Mooie vent met heerlijk vette verhalen en hilarische uitspraken. En z’n vrouw, tante Jopie, die dan maar weer hoofdschuddend naar de keuken liep als ome Piet, bulderend van het lachen,  weer eens een van zijn talrijke, meestal behoorlijk stoere, anekdotes opdiste. Tante Jopie had die verhalen natuurlijk al minstens driehonderd keer gehoord of was er bij, dus die ging dan lekker zitten puzzelen in de keuken en zette voor ons een biertje neer.

Met ome Piet en Tante Jopie heb ik nog wel een tijd contact gehouden.  Bracht ik eten langs of ging ik gewoon even langs om te ouwehoeren. Maar ook dat verwaterde op een gegeven moment, zo gaat dat. Toen ik daar woonde was ik begin 20 en zij ergens dik in de 70. Ze waren een soort bonus-opa en oma voor mij: als ik ergens mee zat ging ik naar hun toe. Tante Jopie was niet zo spraakzaam,  maar dat compenseerde ome Piet ruimschoots. Die zei alles wat voor z’n bek kwam. Als het weer eens uit was met een vriendinnetje zei ome Piet steevast: ‘’Jonge, laat dat wijf verrekke, je hep twee hande om te trekke!’’

Ik was begin twintig en zat behoorlijk in mijn wilde tijd. Ik werkte ook toen al in het nachtleven en als ik dat niet deed ging ik tot diep in de nacht uit en een feestje daarna schuwde ik ook niet. De jaren negentig in Amsterdam waren één groot feest voor mij. Daarna heb ik ook altijd leuk gehad, maar de jaren negentig waren wel echt buitencategorie leuk.
 
Maar toch, ik wil niemand tot last zijn en dus vroeg ik ome Piet of hij wel eens last van mij en mijn nachtelijke escapades had.
‘’Welnee jonge, dan ligt het gehoorapparaat toch al op het nachtkassie. Jij moet lekker geniete. We hebben totaal geen last van je. Mensen wie zeike over overlast, hou op met me. We wonen in Amsterdam boven op elkaar gestapeld. Laat ze opsodemietere. Natuurlijk hoor je wel eens wat, maar ik zeg altijd maar zo: acceptere of Almere!’’

Een heerlijke uitspraak die ik nog steeds gebruik als ik mensen hoor zeiken en klagen over de lasten van de grote stad. Ga weg.

Maar terug naar Dave in de kroeg. Ik vroeg hem of ome Piet nog leefde. Hij had slecht nieuws. Ome Piet  is vorig jaar gestopt met roken en Bos en Lommer en de pijp uitgegaan. Nou is ome Piet 95 geworden, dus om het op z’n Amsterdams te zeggen ‘niet in de wieg gesmoord’, maar ik vond het toch kut om te horen. Tante Jopie was al een tijdje geleden gaan hemelen, ik ben nog op de begrafenis geweest, maar nu zijn ze weer  samen. Waarschijnlijk zit ome Piet in het hiernamaals stoere verhalen te vertellen en loopt tante Jopie weer hoofdschuddend weg.  Ome Piet,  bedankt, ik heb van je genoten.  

Rodweek 66(6) Met Dikke Dennis in Canada, deel 2

Nadat we de sleutels van onze luxe kamers hadden gekregen besloten Dennis en ik om gelijk de buurt te gaan verkennen. Meteen dus naar die platenzaak en daarna de winkelstraat in. Die was niet eens supergroot, maar aangezien Dennis overal wat wilde eten en ik hier en daar wel een biertje lustte duurde het nog tamelijk lang voor we de straat door waren. In één van die tenten kwam ik toen ook voor het eerst in aanraking met het rookverbod. Daar was in Nederland nog totaal geen sprake van. Alle cafés en concertzalen stonden nog blauw. Ik weet nog dat ik het heel onwerkelijk vond om te zien. In Nederland kwam het rookverbod pas een jaar of zes later.

We begonnen onze weg in de stad al snel te vinden en we haalden elkaar elke ochtend op. Ik logeerde op de vijftiende etage, daar mocht ik roken en Dennis op de vijfde.  Toen ik op een ochtend weer op zijn deur klopte hoorde ik een brullend ‘’WACHT EFFE! IK KOM ER AAN!’’, gevolgd door het geluid van een leeglopend bad. ‘Dennis’ en ‘gêne’, zijn twee begrippen die niet samengaan en dus deed Dennis tot mijn verbazing in zijn blote reet de deur open. Daar stond dan ineens 160 kilo getattoeerd en gepierced vlees in vol ornaat voor me. ‘’Ga maar effe TV kijken of zo! Ik kom er zo aan!’’ En inderdaad, terwijl ik op zijn bed TV lag te kijken kwam hij er even later aan, slechts gehuld in een klein onderbroekje.

‘Zo, Rod, wat zijn de plannen?’
‘Nou, misschien als eerste dat jij je even aankleedt.’

Op dag vier was het dan eindelijk zo ver: de opnames voor onze reclame. We moesten er al vroeg zijn. Suzanne en onze chauffeur pikten ons om 6.30 uit het hotel op. Ik was toen en ben nog steeds geen ochtendmens, zeker niet om 6.30, maar Dennis had gelijk het hoogste woord. Ik moet altijd een beetje in de dag komen, maar hij stond gelijk op AAN.

De opnames waren in een supermarkt in een buitenwijk van Vancouver. Daar maakten we kennis met de productiecrew, cameramensen en de regisseur. En iets later met de figuranten. De figuranten waren ook veelal Nederlanders die als kind in Canada waren komen wonen. Sommigen spraken ook nog een beetje Nederlands.

Ik had dus de meest ongemakkelijke outfit ooit aan. Een soort tape dat om me heen was gewikkeld. De reclame had een soort kinky thema, want zo zien alle mensen in het vrijgevochten tolerante Nederland er kennelijk uit. Weten die Amerikanen en Canadezen veel. De figuranten waren aardige mensen die dachten dat wij ontzettend bekende sterren waren in Nederland, dus we lieten ze in die waan, maar één figurant vond zichzelf een wereldbekende ster. Die man, een man van middelbare leeftijd, had vaker gefigureerd. In series als LA Law of Married With Children had ie wel eens een kopje koffie geserveerd of mocht ie een zinnetje zeggen en daar deed ie heel hoogdravend over. ‘I’m an actor’, zei hij ook de hele tijd en hij liep de regisseur en de crew ook de hele tijd ongevraagd van tips te voorzien. Een ontzettende moeimaker. De regisseur werd dus ook een beetje heel erg moe van hem en bedacht iets geniaals. Die ‘actor’ was gekleed in een leren string, of zoals je dat in de Jordaan noemt: een holleeder. Een cruciale scene zou zijn dat hij op de parkeerplaats zou fietsen in die string, zo maakte de regisseur onze potentiele Oscar-winnaar the cat wise.

Dus die man heeft echt de hele opnames, urenlang, in z’n string over die parkeerplaats gefietst en dat nam hij ook echt serieus. Terwijl wij ‘m stonden uit te lachen. Natuurlijk is dat materiaal nooit gebruikt voor welke scene dan ook, maar we waren tenminste de rest van de opnametijd van hem verlost en hij kreeg ook gewoon keurig z’n figurantenvergoeding en eten tijdens de pauzes. Maar no way dat hij in het filmpje zou komen. Dennis en ik lagen in een deuk toen die regisseur dat vertelde. Zoals we trouwens sowieso veel lachten tijdens de opnames. Maakte één van ons weer een flauwe grap of iemand liet een scheet en dan lagen Dennis en ik alweer dubbel van het lachen. Ik weet niet hoe blij de figuranten daarmee waren want we vertraagden de boel af en toe wel behoorlijk met onze grappenmakerij.

Maar goed, rond 20.30 stond alles er op en mochten we weer terug richting het centrum van Vancouver alwaar wij ons laafden en copieuze hoeveelheden eten, Dennis gretig gebruik maakte van de unlimited cola refill en ik genoot van een welverdiende pint bier na gedane ‘arbeid’, voor zover het de naam ‘arbeid’ mocht dragen.

Een paar maanden later kwam de reclame dan ook echt uit op de Britse TV. Zo’n zestig miljoen Britten hebben in 2003 een jaar lang de aller slechtste Heinekenreclame ooit gezien. En een paar maanden later belde een vriendin me gierend van het lachen op vanuit Frankrijk  dat ze de reclame had gezien op het reclamefilmfestival in Cannes.  Bij mijn toenmalige werkgevers De Melkweg en de Universiteit van Amsterdam werd ik regelmatig herkend door Britten die daar kwamen (‘Are You the Heinekenman?’)  en moest ik ook vaak met ze op de foto.

Nee, de best ‘actors’ van de wereld waren Dennis en ik zeker niet, maar we hebben een tof avontuur  gehad, een geweldige stad gezien en er een leuke duit mee verdiend . Ik zou deze trip zo weer doen, samen met die brulboei uit de Jordaan.

Oh ja, deel één van dit feuilleton lees je hiero

En voor die wereldreclame van ons, klik hiero