Rodweek 85 Een kopje koffie voor mijnheer Rieu

We schrijven maart 2013. Ik werkte nog in de Melkweg en stond buiten op de brug even een sigaretje te roken en met portiers te ouwehoeren toen we ineens een nogal bekende jongeman met een flinke entourage aan zagen komen lopen. Het was Justin Bieber die toevallig in de stad was. Hij had niet opgetreden, maar was even aan de boemel in Amsterdam. Of hij ook naar binnen mocht met zijn entourage? Tuurlijk. Maar toen kwamen er ineens aanvullende eisen: hij moest op het podium zitten aan een tafel naast de DJ.

De portier, toch al geen fan van het werk van Bieber, keek zwaar geërgerd en ik probeerde mijn gezicht in de plooi te houden omdat ik op het punt stond om in lachen uit te barsten. Nee, prinsje Bieber kreeg geen voorkeursbehandeling. Hij mocht best naar binnen maar hij kreeg niet meer privileges dan andere gasten. Als hij aan een tafeltje wilde zitten mocht ie aan een tafeltje naast de WC zitten. Met een schoteltje er op. Kon de toiletjuf ook even met pauze.
De Bieber was zwaar ontstemd en beende op hoge poten weg. We zijn dan wel de Melkweg maar we geilen gewoon niet zo op sterrengedrag. Toen ik een paar uur later thuis kwam schreef ik er een grappig berichtje over op Facebook. Niks bijzonders. En daarna ging ik meteen slapen, want ik was moe. Toen ik de volgende ochtend wakker werd en mijn Facebook opende was de boel totaal ontploft. Honderden  mensen die het bericht grappig vonden of hadden gedeeld, berichten in mijn inbox van journalisten, E-online uit Los Angeles had mijn nummer gevonden en die belden me en RTL Boulevard belden vlak daarna. Alsof er iets wereldschokkends was gebeurd, terwijl het hele voorvalletje amper een minuut heeft geduurd. En zo zijn Justin Bieber en ik tot in de eeuwigheid aan elkaar verbonden. Google onze namen samen en er komt een lijst van artikelen over dat momentje.

Maar wat is dat toch dat mensen die een zekere bekendheid hebben verworven denken dat ze daar privileges uit kunnen halen. Die denken dat ze dingen gratis moeten krijgen of, en dat zijn de ergste, de bekende mensen die de ‘Weet je niet wie ik ben’-kaart trekken. Die had ik bij Ajax veel toen ik daar werkte. Ik werkte op de perstribune, dus veel journalisten, verslaggevers en bekende mediafiguren. De echte bekenden deden vaak niet zo moeilijk. Die lieten gewoon hun perskaart zien, zeiden netjes gedag en liepen door. De vervelende waren schoolkrantjournalistjes die voor het sufferdje uit Schubbekutteveen schreven of die twee keer op TV waren geweest en ineens dachten dat ze beroemdheden waren. Coryfeeën die de ‘weet je niet wie ik ben’- kaart speelden gaf ik altijd de John Cleese-behandeling, zoals ik het altijd noemde. Extreem zuigerig lang controleren, fouilleren en vragen stellen. Kijk maar eens naar ‘How to irritate people’ van John Cleese en dan snap je waarom die bekende mensen dat echt maar één keer bij mij flikten. De week daarna waren ze poeslief.  

En zo komen we bij het interview dat de Maastrichtse Maestro André Rieu laatst gaf. Ik heb hem in de jaren negentig vaak in het Olympisch Stadion en later ook in de Arena gezien bij Ajax. André speelde een moppie op z’n viool, Ajax won de Champions League, dus hij was een beetje onze talisman geworden. Alleen daarom heb ik best een zwak voor de man. André geeft ook jaarlijks concerten op het Vrijthof in zijn thuisstad Maastricht. Succesvol. En iedereen verdient er aan. De lokale horeca boert er goed van, maar mijnheer Rieu zelf uiteraard ook, wat ook logisch en terecht is als uitvoerende artiest.

En toen kreeg het gesprek ineens een rare twist. De journalist vroeg of hij dan nog wel voor z’n koffie moest betalen op het Vrijthof. Nou, raar genoeg wel, vond Rieu. Terwijl hij zoveel geld genereert krijgt ie niet eens een bakkie koffie cadeau. Het ziet er op papier waarschijnlijk lulliger uit dan hij het bedoelde. De grote mijnheer Rieu die niet eens een knakie voor een bakkie pleur wil betalen. Daar had ik als manager of media-adviseur toch ingegrepen.

‘’André, ouwe rups, dit is niet zo heel erg handig om te zeggen in een interview. Het ziet er nogal lullig en armoedig uit. Nu vindt iedereen je een verwaande krenterige polder-stradivarius. Jij verdient goed geld aan die Vrijthof-concerten, dat is ook precies de bedoeling. De lokale horeca profiteert mee. Dat betekent niet dat ze aan jou verplicht zijn om jou elke dag koffie, vlaai of wat dan ook gratis weg te geven. Leuk als ze het wel doen, maar BN-er-tjes die daar over klagen worden overgeslagen.  En als dat obertje van negentien de grote mijnheer Rieu niet herkent dan geef je gewoon die 2,50 en dan heb je het daar verder niet over. Nou, hup, en nu weer die viool laten janken, je poet verdienen en niet zeuren.’’

André, mocht je nog een media-adviseur nodig hebben, kom maar langs, hebben we het er even over. Pakken we een terrasje. Betaal ik de koffie wel.    

Rodweek 84 Geen Zweet

Het was februari dit jaar dat ik met vrienden in Madrid was om daar te genieten van zon, bier, wijn en tapas. Oh ja, en als hinderlijke onderbreking van al dat leuks moesten we nog naar Ajax, dat in een blaartrekkend slechte wedstrijd met 2-0 verloor van Getafe. Getafe is één van de vele voorstadjes van Madrid. Het leven is daar zo bruisend als een glas Spa Blauw in een buitenwijk van Lelystad, dus wij resideerden in een appartement in het centrum van Madrid.

Na de wedstrijd nog even een fijne terrassessie en de volgende ochtend werd ik niet wakker met mijn lieve poes Eva, maar met een kater die eigenlijk best wel een flinke tijger was. Terwijl mijn amigo’s al eieren met spek stonden te bakken om de tijgers te verdrijven mocht ik als eerste douchen. Na een lekkere douche ziet de wereld er vaak ook al weer een stuk beter uit na zo’n avond. Goeie straal, lekker zeepie, haartjes even in de conditioner, lekkere deo op en ik was weer helemaal het heertje.

Rick ging na mij douchen. Ineens een ijselijke kreet uit de badkamer. ‘’Tering, Rod! Echt waar? Axe Africa als deodorant? Wat de fok ouwe? Je bent toch geen twaalf meer? Ik moet hier nog douchen. De hele badkamer meurt naar die gore kutdeo van jou!’’  Joris liep ook de badkamer in en beaamde de woorden van Rick. ‘’Jezus, Rod, gatver, dit kan echt niet meer. Met je stinkende puberdeo. Je bent een min of meer volwassen man en dan gebruik je niet meer dit soort kinderspul. It smells like teen spirit.’’

Rick liet mij vervolgens zien wat hij gebruikte. Een klein roze tubetje, het lijkt op een tube kaboutertandpasta. Daar doe je een heel klein beetje van onder je oksels en daar doe je bijna een week mee. Zo’n kleine tube gaat minimaal 2 maanden mee.

Nou ben ik normaal nooit zo heel erg van dit soort hippe producten, maar onlangs gaf Rick mij een proeftube cadeau. En eerlijk waar: ik ben om. Fietsen, hard werken in de zon, seksen of waar je ook maar zweet van krijgt: je ruikt dagenlang niks. Ik had laatst even pauze op werk. Even uitblazen. Ik rook onder m’n oksel en ik werd betrapt door één van mijn vaste gasten. ‘’Wat de fok zit jij nou onder je zweetoksel te sniffen, ouwe?’’ Maar ik had dus helemaal geen zweetoksel, terwijl het bloedheet was en ik net een paar uur de poten onder m’n lijf vandaan had gelopen. En je ruikt dus vijf of zes dagen lang helemaal geen enkel spoor van zweet. Echt toverspul. Check Nuudcare.com. En nu denken jullie misschien: ‘’Oh ja, die Rijsdijk, die wannabee-influencer, die ouwe freeloader, probeert zeker een gratis tube van dat spul los te slijmen, een roestig stuivertje te verdienen of die heeft aandelen in de toko. Met z’n bek.’’, maar nee, niks van dat alles: ik ben serieus enthousiast over dit  spul. Waar rook is, is in dit geval geen vuur.

Dat was in 1999 wel anders in de Roxy. Of zoals we het nadat die hut was afgefikt noemden :‘’De Rookzie’’. Voor de milennialtjes en ander jong spul: de Roxy was in de jaren 90 één van de hotspots in het Amsterdamse uitgaansleven. Daar moest je gezien worden. Er was alleen één probleem aan de Roxy: het deurbeleid. Als de doorbitches vonden dat je er niet helemaal tussenpaste dan kwam je er gewoon niet in. En zo werd ik met mijn lange haren, vaak ongeschoren bakkes, vale spijkerbroek, gympies en Nirvana-shirtje altijd geweigerd. ‘’Jij komp er niet in, gup’’, kregen mijn vrienden en ik steevast te horen. Als ik überhaupt al te woord werd gestaan. En meer mensen kennen die ervaring. Na een aantal keer had ik daar dus geen zin meer in en ik had het opgegeven om ooit nog de Roxy binnen te komen. Dan maar niet tussen de happy few van Amsterdam staan.

Nico Dijkshoorn schreef er een mooie column over in het Parool, afgelopen week. Het is hem echt nooit gelukt om er binnen te komen. Maar mij dus wel! Eén keertje. Ik was in Paradiso geweest en ik kwam twee meiden tegen die ik kende. En dat waren bepaald geen weggooiers. Absoluut Champions Leaguetrofee-waardige meiden om te zien. Bloedjemooi.‘’Kom, Rod, ga met ons mee naar de Roxy!’’ En zeg dan maar eens nee als twee van die prijswinnaars je uitnodigen om mee op stap te gaan. Dat deed ik dus ook niet, maar ik vertelde de dames wel dat ik altijd werd geweigerd daar en dat we misschien ook ergens anders heen konden. ‘’Nee, wij willen naar de Roxy!’’ En ja hoor, we stonden daar voor die deur aan het Singel, ik aan elke arm lief lachend prinsessenspul  en ineens was mijn totale gebrek aan hipheid, mijn ongeschoren apensmoel  en het feit dat ik geen Roxypasje had geen enkel probleem meer. Zo werkte dat dus in die wereld. Twee lekkere wijven mee en je bent binnen. De oppervlakkigheid van sommige portiers had in die tijd echt de diepgang van een pierenbadje.

Maar goed, ik was dus binnengekomen in het heiligdom achter de Heilige Weg. En ik vond er geen reet aan. Ik vond de muziek niks en de mensen waren ook niet helemaal mijn publiek. Wat dat betreft hadden de portiers het wel goed gezien om mij daar steeds te weigeren. Het was mijn tent gewoon niet. Ik ben er voor die twee mooie meiden nog een uurtje of twee blijven hangen, want je wist maar nooit of daar nog wat leuks uit kon komen, maar toen ik doorkreeg dat dat ook niet ging lukken ging ik gewoon weer lekker naar mijn eigen mensen, in de Korsakoff. In de Roxy ben ik nooit meer geweest. Een jaar later fikte de tent dus af. Wat overigens geen wraakactie mijnerzijds was voor alle keren dat ik daar ben geweigerd.

Niet veel later ging ik zelf in het uitgaansleven werken, leerde ik veel nachtvlinders kennen in verschillende plekken en hoefde ik doorgaans niet meer te betalen om clubs en tenten binnen te komen. Als iets uitverkocht was had ik overal wel iemand rondlopen die wat voor me kon regelen.

Zoals één van mijn Paradiso-gappies altijd zei als ik daar heen wilde:

‘’Rod, regel ik voor je, komt goed! Geen zweet ouwe!’’    


Rodweek 83 Kontkapje

Eind jaren negentig woonde ik in de Staatsliedenbuurt en in de Van Limburg Stirumstraat had je toen Slagerij Pannekeet. Slagerij Pannekeet verkocht de allerlekkerste filet americain van Amsterdam en die kocht ik daar wekelijks. En ook de osseworst was er niet te versmaden. Wie de slagerij binnenkwam werd door mijnheer Pannekeet verwelkomd met een galmend en welgemeend ‘’GOEDEMIDDAAAAAAAAGGGGGGG!’’ Ik moest laatst nog aan ‘m denken toen ik ergens hele vieze filet americain had gekocht en met weemoed terugdacht aan Slagerij Pannekeet, die overigens al jaren niet meer bestaat. Het knusse slagerijtje is inmiddels opgeslorpt door de grijpgrage tentakels van Albert Heijn.

En in Albert Heijn was ik laatst. Al ben ik bijna elke dag in de Albert Heijn. Tijdens het wachten in de rij bij de kassa stond ik te ouwehoeren met mijn buurman. Mijn buurman is een mooie ouwe Amsterdammer die altijd goed is voor een paar geweldige quotes. Ineens trok er vanuit de rij mannen voor ons een giftige damp onze neus in. We roken het allebei tegelijk. Eén van de drie kerels voor ons had een hele gore scheet gelaten. Zo’n vieze zachte sluipmoordenaar die je niet hoort. Dat zijn meestal de ergste. Het aarsgas walmde naar achteren. De anderhalve meter werd ineens uitstekend gewaarborgd. Mijn buurman draaide zich naar mij toe: ‘’Tering Rod, die gozer heeft geen mondkapje, maar een kontkapje nodig!’’

En lachend liepen de buurman en ik weer richting onze huizen. Door de frisse lucht. Eenmaal thuis, nog een beetje nalachend over de leuke grap van de buurman, keek ik eens op internet en toen barstte ik alweer in lachen uit. Doutzen Kroes, het orakel uit Friesland blijkt in de strijd tegen het vermaledijde Coronavirus na urenlange studie ineens viroloog te zijn. Ze deed uitgebreid research naar de moleculaire verbinding tussen het eten van groenten en fruit die ons immuunsysteem verbetert en koppelde daar gelijk een complottheorietje aan. ‘’Want willen ze wel dat we gezond zijn?’’, zo schreef La Kroes op samenzweerderige toon aan haar 6,4 miljoen volgers. Waarbij ‘ze’ natuurlijk de media, de farmaceutische industrie en de regering zijn. Nou heb ik toevallig afgelopen weekend een heel dik boek over hartoperaties gelezen en binnen drie uur had ik het uit. Ik begreep het meteen, want ik ben een snelle leerling. Morgen doe ik mijn eerste operatie. Nee, beter van niet. Laten we ons in godsnaam bij onze eigen leest houden. Doutzen heeft weer andere kwaliteiten. In de familie Kroes worden overigens vaker aparte theorieën gedeeld want voedingsdeskundige zus Rens denkt dat een ei de menstruatie van een kip is.

En nu we het toch over vogels hebben: waarom zijn vogelnamen als Merel, Mees en Arend inmiddels volledig geaccepteerd als voornamen, maar Andescondor, Gierparelhoen of simpelweg Kip of Pauw niet?

Waarom wel Hinde maar niet Przewalskipaard of Dwergpony?

Waarom ken ik wel een Bloem, Madelief, meerdere dames die Roos heten en een Lotus maar geen Brandnetel, Tulp, Paardebloem, Klimopplant of Sanseveria? Sanseveria is overigens een coole naam nu ik het zo lees.

Waarom wel mag je een kind wel Jasmijn of Rozemarijn noemen, maar gaat de ambtenaar van de burgerlijke stand zeiken als je je nieuwe spruit naar het veel lekkerdere Knoflook wil vernoemen?

Waarom zal de ambtenaar van de burgerlijke stand zonder frons ‘Ceasar’ noteren maar bedenkelijk kijken bij ‘Napoleon Bonaparte?’

Waarom ken ik wel een India, maar niet iemand die Afghanistan heet?

Waarom mag je het een kind aandoen om ‘m Storm noemen terwijl je ‘m ook Orkaan kan noemen? Een orkaan is toch veel krachtiger? Als je ‘m dan toch een stomme naam geeft, doe het dan goed.

Je kunt een kind ook vernoemen naar de plek waar ie verwekt is. Ik ken een ”Paris”. Al ben ik het eens dat dat een stuk lekkerder bekt dan een naam als ”Opdetafel” of ”Tegenhetaanrecht”.

En waarom is Mercedes wel een voornaam maar Suzuki, Volvo, Fiat, Ferrari Testarossa of Ford Taunus niet?

Wat dat betreft kun je van die malle Emile Ratelband zeggen wat je wilt, maar die was z’n tijd toch ver vooruit. Die heeft twee van z’n kinderen Rolls en Royce genoemd. Het verbaast me overigens dat we de Mr Tjakka nog niet met een oplossing voor het Coronavirus hebben gehoord. Dat je over brandende houtkooltjes moet lopen, heel hard ‘’Tjakkaaaa!’’ moet roepen en dat je dan volledig immuun bent. Mij verbaast niks meer. 

En zo kan ik nog uren doorgaan, maar inmiddels heb ik trek in een broodje. Een lekker broodje filet americain. Helaas niet van mijn mijnheer Pannekeet, maar die smaak denk ik er dan maar bij. ‘’GOEDEMIDDAAAAAAAGGGGGG!’’

Rodweek 82 Vergisactivist

Elk jaar zijn er wel een paar: de vergistoeristen. De buitenlandse toeristen die op 30 april met hun Lonely Planet uit 2006 op Amsterdam Centraal aankomen om onze nationale feestdag mee te vieren en dan tot hun teleurstelling zien dat zij de enige gekkies zijn met een oranje hoedje en shirt. Vergissingen zijn menselijk. Het kan de beste gebeuren. Voordat het hele Coronagedoe losbarstte, je weet wel de tijd dat we nog onbeperkt naar kroegen, voetballen en concerten mochten gaan, wilde ik naar Ajax. Ik m’n Ajax-shirt aan, m’n sjaaltje en m’n toeter mee en oostwaarts! Kom ik op de Middenweg: staat Stadion de Meer er niet meer! Bleek Ajax al 24 jaar in een of andere UFO in de Bijlmer te spelen! Daar hadden ze mij als trouwe seizoenkaarthouder toch wel wat beter over kunnen informeren.

Want zo hebben we sinds gisteren een nieuw begrip: de vergisactivist.  Nu al het woord van het jaar. Dat zijn de leden van de groep ‘’Viruswaanzin’’: een groep mensen die denken dat Corona een grapje, een griepje of een complot van de overheid is. Of een combinatie van die drie. Voeg daar een snufje 5G-gekkies en wat labiele types aan toe, en badabing badaboem: daar hebben we de groep Viruswaanzin.

En daar stonden onze vrijheidsstrijders dan gisteren, te demonstreren tegen de media die ons verkeerd informeren over de Coronacrisis. Dit keer bij het hoofdkantoor van het AD in Rotterdam. Want ze pikken die verkeerde informatie niet langer! Alleen stonden de viruswaanzinnigen bij het verkeerde gebouw waar het AD al acht jaar niet meer resideert. Maar dat zal waarschijnlijk ook de schuld van de media zijn, want dat hadden ze ook niet kunnen weten. Overigens stond de frontman van deze mallies wel bij het goede gebouw, dus wellicht behoeft de communicatie op de Facebookpagina nog enige verbetering.

Ach ja, zo’n Coronatijd doet rare dingen met een mens. Zo stond er vorige week spontaan een kunstwerk op de Dam, een Legobeeld van André Hazes. Hartstikke leuk. Ik miste alleen iets aan het kunstwerk en aangezien ik toch om de hoek woon besloot ik om André van een blikje bier te voorzien. Even op de foto en ik werd nog even geïnterviewd door de Sloterdijk Pravda, helemaal leuk.  

Ik had gedacht dat het beeld of na één of twee dagen zou worden verwijderd door een overijverige en streberige BOA (‘’Want daar is geen vergunning voor gevraagd, meneertje!’’) of dat het beeld vernield zou worden door Playmobilactivisten. Het werd het tweede scenario. Alleen pas na zes dagen. We gaan vooruit in dit land. De vernieling was, want daar staan Playmobilianen om bekend, weinig Duplomatiek. De kop vakkundig van de romp gescheiden. Een IS-strijder had het niet beter gedaan. De grap die een vriend maakte, ‘’want zij onthoofdde mij’’ vond ik wel humor. En humor is iets waar we de vernielers van het Hazesbeeld vermoedelijk niet op kunnen betrappen. Maar ik kan me  vergissen.     

Rodweek 81 M & M’s

De meest ironische foto van de afgelopen week was de selfie die Thierry Baudet nam tijdens het topoverleg op de rechterflank met zijn sidekick Theo Hiddema en Geert Wilders. De mannen die dus zogenaamd opkomen voor ‘de gewone man’.  Nou is de PVV natuurlijk een partij voor schreeuwerds die nou niet bepaald het koudste biertje in de koelkast zijn, maar Forum voor Democratie is voor de tokkies die wel met mes en vork kunnen eten en zich wat beschaafder kunnen uitdrukken: de hockeytokkies.

En daar zaten ze dan. Ik vermoed in de woning van Theo Hiddema. Of Baudet moet er voor een jongeheer van 37 wel een heel erg ouwelullerige smaak op na houden. Ik weet, doordat ik twee jaar postbode ben geweest in postcodegebied 1012 t/m 1016, zodoende precies waar de heren wonen: bulls eye in de grachtengordel waar ‘de gewone man’ zich zo tegen afzet.

Ik stel me de conversatie als volgt voor:

Geert: ‘’Jeetje kerel, wat woon je toch mooi hier aan de gracht.’’
Theo: ‘’Dank je wel, Geert. Zeg, Thierry, ook een glaasje wijn, amice?’’
Thierry: ‘’Gaarne, confrère. Zeg zullen wij ons gesprek over dat gepeupel dat zo massaal op ons stemt, ons electoraat, gewoon in het Latijn doen? Dat praat wat makkelijker.’’

Er wordt mij weleens gevraagd waarom ik mij niet vaak uitlaat over politieke zaken op social media. De reden is simpel: ik vind het te vermoeiend. Je vindt ergens iets van en voor je het weet ben je in een of andere semantische discussie geraakt  met Jan uit Koog aan de Greppel of Mien uit Kutkrabbersveen of met weet ik veel wie. Mensen die ik niet of niet goed genoeg ken in het echte leven maar die mij wel voor van alles gaan lopen uitmaken omdat we van mening verschillen. Je weet wel, de toetsenbordhelden die in het echie hartstikke lieve schatjes zijn, maar achter een toetsenbord alle sociale filters laten wegvallen en dan maar van alles over je uitkotsen.  Ik wil prima in discussie met mensen, maar dan wel met mensen die ik enigszins ken en bij voorkeur gewoon face to face. Je weet wel, een echt gesprek.  Voor je het weet ben je weer drie uur van je leven kwijt die je niet meer terug krijgt. Om Facebook-gelul met een of andere Jan Doedel die je niet of amper kent . Nee dank je.  

Geen zin in. Maar toch, nu racisme de laatste weken weer eens prominent op de kaart staat en ik toch ook niet altijd mijn bek kan houden gooi ik toch mijn twee centen in het bakkie. Ga ik het hebben over Johan Derksen en de nationale discussie om zijn persoon? Welnee (hee, dat rijmt op Genee!) ,hij is niet interessant. Derksen is een oude knorrige man die nog steeds denkt dat we in 1956 leven en soms een ongepast grapje maakt dat in 1956 nog leuk werd gevonden. Derksen is een beetje onze nationale foute oom.  We hebben allemaal wel een tikkie foute oom die ongemakkelijke grapjes maakt. Geen slechte man, maar neem ‘m vooral niet te serieus. En zo komen we vanzelf bij Gerard Cox. Een zo mogelijk nog meer reactionaire ouwe mopperkont dan Derksen. Gerard Cox denkt dat we nog steeds leven in het tijdperk van ‘Toen was geluk nog heel gewoon’. Nee, toen waren grapjes over buitenlanders of mensen die op wat voor manier dan ook afweken van de gemiddelde Nederlander nog heel gewoon. Maar dat zou natuurlijk een te lange titel voor de serie zijn.

Gerard Cox vindt dat wij ons ‘racisme hebben laten aanpraten’. Het deel waarvan ik het met die uitspraak mee eens ben:  je moet niet iemand zomaar een racist noemen en dat gebeurt tegenwoordig snel. Iets te snel soms, vind ik. Dat devalueert het begrip. Niet elke Derksen, Cox of Zwarte Pieten-fan, PVV-er of FvD-er is een domme racist. Het zijn mensen die zich vastklampen aan geschiedenis en tradities (geen enkele traditie is voor eeuwig, anders waren we nog steeds aan het palingtrekken en katknuppelen) en bang zijn voor alles dat afwijkt van hun standaard, maar dat maakt ze in mijn ogen nog geen racisten. Echte hardcore-racisten zijn die engerds van Pegida die afgelopen week nog zo’n gezellige brief posten aan Jeffrey Afriyie, de frontman van de Kick Out Zwarte Piet-beweging. Die hem en zijn gezin bedreigen. Die woorden als ‘kutneger’ gebruiken. Dan ben je wat mij betreft gewoon af en mag je niet meer meepraten.

Dat gezegd hebbende: in tegenstelling tot wat de heer Cox beweert bestaat racisme en discriminatie natuurlijk wel degelijk in ons gezellige kikkerlandje. Ik werkte in de jaren negentig voor een callcenterbedrijf. Krantenabonnementjes verkopen en zo. Totaal inspiratieloos kutwerk waarbij alle geilheid waar je in de ochtend mee wakker werd binnen luttele seconden sneller smolt dan een cola-calippo in de Sahara. Alleen al door de locatie. We zaten in een kleurloos kantoor in het asgrauwe Amsterdam-Slotervaart, maar in ons team waren alle kleuren uit het menselijk kleurenspectrum vertegenwoordigd. Als je ons kantoor zou leegschudden in een zakje waren we net een voordeelverpakking M & M’s. Alle kleurtjes door elkaar.  En we hadden het tof samen. Sommigen spreek ik nog steeds. Naast dat we elkaar mochten en met elkaar op stap gingen was er een ding dat ons bond: iedereen die je belt haat callcentermedewerkers. Als callcentermedewerker een ras was, dan was de hele wereldbevolking een racist. Ze bellen altijd als je net zit te eten of als je net met je meisie aan het viezelevozen bent of tijdens een ander moment dat niet uitkomt. Iedereen haat callcentermedewerkers. En ik weet het, want ik ben het geweest en ik haat het zelf ook.

Maar wij werkten voor de bonussen. En die konden leuk oplopen als je goed verkocht. Alleen was het met mijn naam of die van de andere Nederlandertjes een stuk makkelijker om die rommel te verkopen dan voor Mohamed El Fattouchi of voor Umfufu N’Dyaye (de namen zijn gefingeerd, maar het is voor het voorbeeld). Bij hen werd vaak de hoorn er op gegooid, vaak vergezeld van een kloterige opmerking over hun afkomst, als ze onder hun eigen naam belden. Als ze het volgende adres belden en zichzelf bijvoorbeeld Mark Jansen of Petra de Boer noemden was de slagingskans op een verkoop ineens significant groter en scoorden ze ineens ook goed. Dus ja, institutioneel racisme en discriminatie was absoluut een ding waar mijn collegae mee moesten dealen.

En dat was in 1996/1997. Het is er anno 2020 niet beter op geworden. Sterker: de wereld is alleen maar meer gepolariseerd geworden en het maakt me weleens treurig. Zoals ook het bang voor humor worden me treurig stemt. Het verbod op een aflevering van Fawlty Towers: intens treurig. De ironie druipt er in klodders af.  Ik keek in de jaren negentig naar ‘In Voor en Tegenspoed’. Hoofdpersonage Fred Schuit was het prototype karikaturale PVV-er. Volledig politiek incorrect. En daarom zo hilarisch. Omdat het zo over de top was. Zijn homoseksuele Surinaamse huishoudhulp mocht ie dan weer wel. Fred was zo hypocriet als de neten. Maar de serie zou in deze tijd niet meer gemaakt kunnen worden. Teveel mensen die het te serieus zouden nemen. En is de gebrekkig Nederlands sprekende Marokkaanse slager (‘’Altaid praisj met Achmed!’’) die door de Surinaamse Jorgen Raymann werd gepersifleerd dan ook niet meer grappig? Die vond ik namelijk best grappig. Humor mag van mij ver gaan, heel ver zelfs. Je kan best om elkaars gewoonten, gebreken en taalgebruik lachen zonder daarbij het respect voor de ander te verliezen.  

Ouwe reactionaire mensen zoals de Coxen en de Derksens van deze wereld die per se aan hun tradities willen vasthouden verander je niet meer. Die strijd ga ik niet eens meer aan. Mijn hoop is gevestigd op de jongere generatie. Zet ‘m op en maak van de wereld die heerlijke zak M & M’s die wij op ons kleurloze kantoor in Slotervaart ook waren.

De Kuningas van Amsterdam

litmanenSluit uw ogen en denk aan Stadion de Meer of het Olympisch Stadion, half jaren negentig. U ziet de oude mannetjes met hun programmaboekjes. ‘Offi-sjeeeeeel programma!’ . ‘Phi-lip Bel-lini! Prij-zen-fes-ti-val!’, hoort u. U ziet jongens met foute ‘Aussies’ aan op de tribune. En tijdens de wedstrijd galmt bij een doelpunt uit tienduizenden kelen, op de melodie van Domenico Modugno’s hit ‘Volare’: ‘Litmaaaaanen wooohoooo! Litmaaanen, woooohoooohooohooo!’ Een Fin, voor een miljoen gulden (voor de jonkies: een dikke vierhonderdvijftig duizend euro) overgenomen van Reipas Lahti. Een jongeman met een matje in zijn nek. Een jongeman die de bovenmenselijk ondankbare opdracht op zijn schouders kreeg om Dennis Bergkamp te doen vergeten, heeft Ajax met een puntgave treffer weer eens op het spoor gezet naar de zoveelste overwinning. Lees verder

Beste Viktor Fischer,

Schermafbeelding 2013-06-26 om 13.41.23Beste Viktor Fischer,

Het zijn de kleine dingen in het leven waar ik soms intens blij van kan worden. Zoals, laatst toen ik de rubriek ‘persoonlijk’ las in VI. Normaal gesproken lees ik die voor het slapen gaan omdat de antwoorden die profvoetballers geven op hun favoriete boek, film, eten, etcetera, zo voorspelbaar en zaaddodend saai zijn dat ik vaak al halverwege het rubriekje in een comateuze slaap gekukeld ben. Al die voetballers kun je ‘wakker maken voor de saotosoep of de roti kip van mama’, ze drinken allemaal ‘Fernandes, 7up en als ze uitgaan weleens een mixje’, ze luisteren allemaal naar hiphop, r&b of dubsteb, ze lezen op dit moment allemaal de biografie van Zlatan of Kluivert,  ze spelen allemaal graag FIFA op de Playstation en ze vinden het allemaal heerlijk om soaps te kijken met hun vriendin.

Veel spannender wordt het vrijwel nooit. Lees verder

Pubquizzen. De jacht op gratis bier.

Toen ik aan het begin van deze eeuw bij vrienden in Glasgow op bezoek was namen zij mij mee naar een pubquiz. Dat soort avonden waren voor mijn Schotse vrienden doodgewoon, dat deden ze elke week wel een keer. Voor mij ging er een nieuwe wereld open. Ik was de Nederlander die alleen in de kroeg kwam om een biertje te drinken. Nu zat ik op een avond die de aangename combinatie van gezellig met een team meedoen aan een triviaquiz en uitgaan met elkaar verenigde.  Het werd een mooi debuut. Ons team won de kennisquiz en we verlieten de pub met een krat bier. Ik had de smaak van het pubquizzen meteen te pakken. Toen we later die week in een andere pub weer meededen aan een quiz wonnen we wederom en dit keer werd onze rekening verscheurd. Het werd steeds leuker. Lees verder

Piet, kind van de ten katemarkt

Rodney schrijftDe Ten Katemarkt bestaat dit jaar een eeuw.  Piet Vermie heeft daar meer dan de helft, werkzaam, van meegemaakt. Hij is een icoon op de markt. Sinds twee jaar is hij met pensioen en hoewel hij al jaren niet meer in de buurt woont komt hij er nog regelmatig. Gezeten op een terras aan het korte stukje van de markt  steekt Piet gelijk van wal. Hij praat graag en veel over de oude markt: ‘Ik begon als jongen van veertien met werken op de markt. Dat was in 1956. Ik sleepte toen met karren. Veel marktkramen waren toen nog klepkarren van waaruit de marktkooplui hun waar verkochten. Mijn vader verhuurde die vanuit de Jacob van Lennepstraat, waar wij woonden. De markt liep destijds nog door de hele Ten Katestraat, helemaal van de Jacob van Lennepkade tot aan de Bellamystraat. Ruim twee keer zo groot als dat de markt nu is. Dit stukje straat waar we nu zitten waren allemaal nog oude woningen en winkels waar de markt voor stond. Het achterste stuk bij de Bellamystraat werd de vismarkt genoemd. Daar stonden zes of zeven viskramen bij elkaar. Daar stond Lees verder